De Vos, Amand

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Eksaarde 9 september 1840 – Gent 4 november 1906). Neef van Jules Persyn.

Werd naar het college te Sint-Niklaas gezonden om priester te worden, maar studeerde na zijn militaire dienst verder in de geneeskunde, eerst aan de universiteit te Gent, daarna als internist aan het Stuyvenbergziekenhuis te Antwerpen, om ten slotte aan de Université libre de Bruxelles te promoveren tot doctor in de genees-, heel- en verloskunde. Van 1870 tot 1889 was hij geneesheer bij het leger.

Reeds vroeg schreef De Vos onder het pseudoniem van Wazenaar gedichten en korte prozaschetsen volgens de romantische traditie van Hendrik Conscience en de gezusters Rosalie en Virginie Loveling. Zoals vele Vlaamse tijdgenoten kwam hij echter onder de bekoring van Multatuli, wiens ideeën hij in Vlaanderen wilde verbreiden. Dat hij zich geroepen voelde om in Vlaanderen als apostel van de vrije gedachte op te treden en een Vlaamse Max Havelaar te schrijven, blijkt duidelijk uit zijn opzienbarend debuut met de realistische, autobiografische roman Een Vlaamsche jongen (1879), waarvan reeds in 1881 een tweede bewerkte en belangrijk vermeerderde uitgave verscheen. Het werk geeft een treffend beeld van de armzalige sociale toestanden en de bittere strijd van de schooloorlog in Vlaanderen. De wrange schets van de moeizame strijd van een Vlaamse boerenjongen om het tot geneesheer te kunnen brengen, de heftige, polemische antiklerikale toon en de hartstochtelijke strijd tegen onverdraagzaamheid en bijgeloof wijzen duidelijk naar zijn bewonderde leermeester Multatuli. Doch zowel om de meer realistische uitbeelding van de werkelijkheid en de persoonlijke taalexpressie, als om het polemische karakter van het werk stonden zowel vrijzinnige als katholieke critici er zeer verdeeld tegenover: Max Rooses en Jules Persyn (zijn neef) namen zijn verdediging op, terwijl anderzijds bezwaren werden aangevoerd door Alfons Prayon-van Zuylen, Isidoor Teirlinck, Pol de Mont en Taco de Beer. Wazenaar kwam hiertegen telkens in het verweer, zodat, behalve de publicatie van twee dichtbundels, de periode van 1884 tot 1895 louter aan pennenstrijd werd besteed, waarbij De Vos zich als geducht polemist deed kennen, zoals blijkt uit zijn vechtproza in boekvorm: Prijskamp en Academie (1887). Toen zijn voortdurende conflicten met zijn militaire overheid eindigden met zijn vervroegde pensionering, op 23 augustus 1889, schreef hij Een Officier geworgd in het Belgische leger; uit het gedenkboek van een bataljonsgeneesheer (1892), tegelijk pleidooi pro domo en rekwisitoor tegen het onbegrip der hogere legerleiding tegenover de Vlaamse intellectuelen.

Reeds als student was De Vos een overtuigd flamingant en was hij lid van 't Zal wel gaan. Later was hij als liberaal flamingant actief in verschillende Vlaamse verenigingen, zoals het Willemsfonds, de Snellaertkring en de Zetternamskring. Hij was medestichter en bestuurslid van de Bond der Oudleden. Ontgoocheld over het gebrek aan reactie van zijn Vlaamse vrienden op zijn aanklachten, sloot hij zich aan bij de Brusselse Vlamingen, die onder leiding van Frans Reinhard en Maurits Josson in de Vlaamsche Volksraad en in het Nationaal Vlaamsch Verbond de Vlaamse eisen boven de politieke partijstrijd wilden verheffen. Dit gevoel van ontgoocheling verklaart waarschijnlijk ook de zwartgallige bespiegeling over de toestand van de V.B. die hij als lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (KVATL) hield tijdens een lezing op 15 maart 1893 naar aanleiding van de 100ste verjaardag van de geboorte van Jan F. Willems: Vlaanderens Maagd en de Schim van Willems. Hij stelde vast: "Franschelarij heerscht nog altijd over Vlaanderen en Antwerpen, over Limburg en Brabant, als wingewesten door haar overmeesterd." De geringe vorderingen in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd schreef hij toe aan de politieke verdeeldheid onder de strijdende flaminganten. De enige hoop voor hem was het algemeen kiesrecht dat in aantocht was. Vanuit zijn ontevredenheid over de ideologische verdeeldheid onder de flaminganten aanvaardde hij op 15 december 1886 het lidmaatschap van de KVATL als een van de vervangers na de ontslagname, wegens politiek-ideologische onenigheid binnen de Academie rond de benoeming van de vrijzinnige liberalen Julius Vuylsteke en Julius de Geyter, door Rooses, Jan van Beers en Domien Sleeckx.

Uit het oeuvre van Wazenaar spreekt een opstandig gevoel, geboren uit rechtvaardigheidszin en liefde tot de onderdrukte en vernederde Vlaamse arbeidersklasse. Zijn rechtvaardigheidszin dreef hem echter ook op de kronkelpaden van de antikritiek, waardoor zijn schrijverstalent zich onvoldoende heeft kunnen ontplooien.

Werken

Een Vlaamsche jongen, 1879, 18812; - - Prijskamp en Academie, 1887; 
Aanklacht bij de Kamer van Vertegenwoordigers, 1891; 
Een Officier geworgd in het Belgisch leger; uit het gedenkboek van eenen bataljonsgeneesheer, 1892; 
'Vlaanderens Maagd en de Schim van Willems', in Verslagen en Mededelingen van de KVATL (1893), p. 52-62; 
Tweede aanklacht bij de Kamer van Vertegenwoordigers, 1893; 
Derde aanklacht bij de Kamer van Vertegenwoordigers, 1894.

Literatuur

M. Rooses, Derde Schetsenboek, 1886; - - St.L. Prenau, 'Dr. Amand de Vos', in De Vlaamsche Kunstbode (1895), p. 426-430; 
Th. Coopman en L. Scharpé, De Vlaamsche Letterkunde, 1910; 
J. Persyn, 'Am. de Vos', in Kritisch Kleingoed, II, 1913, p. 62-66; 
L. Baekelmans, 'Dr. Amand de Vos', in Verslagen en Mededelingen van de KVATL (1946-1948), p. 53-75; 
G. Schmook, Multatuli in de Vlaamsche gewesten, 1860- 1900, 1949; 
R.F. Lissens, De Vlaamse letterkunde van 1780 tot heden, 1967; 
H.J. Elias, Geschiedenis van de Vlaamse gedachte, III-IV, 1964-1965; 
L. Wils, Honderd jaar Vlaamse Beweging, I, 1977; 
J. Verschaeren, Julius Vuylsteke. Klauwaard en Geus (1836-1903), 1984.

Auteur(s)

Raymond Vervliet