De Guchtenaere, Roza

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Ledeberg 13 september 1875 – Gent 8 april 1942).

Werd geboren in een Vlaamsgezind onderwijzersgezin. De Guchtenaere koos voor een opleiding tot onderwijzeres en studeerde nog verder voor regentes. In die functie toonde zij grote pedagogische kwaliteiten die zij in diverse scholen in Gent aanwendde. Van huis uit uitgesproken vrijzinnig werd haar houding jegens het christelijk geloof op latere leeftijd wat vriendelijker. Het is mogelijk dat haar relaties met dominee Jan D. Domela Nieuwenhuis Nyegaard, alsmede het feit dat haar broer Gustaaf gehuwd was met Emma Haller, dochter van de koster van Domela's kerk aan de Brabantdam te Gent, daartoe hebben bijgedragen. Haar vrij intensieve correspondentie met Domela na 1921 verraadt geen antigodsdienstigheid. Zij was feministe en behoorde tot de oprichters van de Gentsche Vrouwenbond. Zij leefde vegetarisch en was, als goede tempelierster, een fervente propagandiste van de geheelonthouding.

Vanaf omstreeks 1900 speelde De Guchtenaere een rol in het Algemeen-Nederlands Verbond en hielp ze secretaris Hippoliet Meert bij zijn werk. Als hoofdbestuurslid vertegenwoordigde zij de groep-België, onder andere op het congres te Dordrecht. Als bestuurslid van de afdeling-Gent had zij onder meer als medebestuursleden: Domela Nieuwenhuis Nyegaard, Reimond Speleers en de jonge Marcel Minnaert.

Toen in de herfst van 1914 het radicale, Jong-Vlaamse activisme te Gent onder leiding van Domela, activiteit begon te ontplooien, hield zij zich eerst op een afstand. Zij keurde het optreden van de anti-Belgische Jong-Vlamingen af, vermoedelijk omwille van royalistische gevoelens. Al spoedig echter veranderde zij van gedachten en werd een vurig aanhangster van Jong-Vlaanderen. In 1916, nadat de Duitsers de activisten enige macht gaven in het departement onderwijs in het kader van de bestuurlijke scheiding, kreeg zij een betrekking aan de rijksnormaalschool in Laken. Het jaar daarna werd zij in Gent benoemd tot directrice van een normaalschool. Daar dwong zij een snelle vernederlandsing af. Meert bekleedde op dat ogenblik het ambt van directeur- generaal voor het middelbaar onderwijs. Daarnaast was De Guchtenaere een vurige propagandiste, ook voor het pacifisme, die op tal van meetings het publiek toesprak en meewerkte aan het Gentse blad De Vlaamsche Smeder.

Nadat de Duitsers in november 1918 België verlieten, werd De Guchtenaere op 17 november gearresteerd. Voor de krijgsraad droeg zij in april 1919 zelf haar verdediging voor. Daaruit bleek dat ze vasthield aan haar anti-Belgische overtuiging. De krijgsraad strafte haar met vijftien jaar gevangenis, later teruggebracht tot tien. Zij kwam vroegtijdig, op 1 december 1921, vrij. Ze herbegon haar politieke activiteiten en sprak weldra weer op tal van vergaderingen ten gunste van het anti- belgicisme. In Gent werd ze een der boegbeelden van de radicale vleugel van het Vlaams-nationalisme die onder leiding van Boudewijn Maes stond. Deze groep koos voor de Groot-Nederlandse strekking van het weekblad Vlaanderen (1922-1933). De Guchtenaere behoorde ook tot het groepje dat de contacten met de uitgeweken activisten bleef onderhouden, onder meer via de Dietse Landdagen. Haar gezondheidstoestand was niet bijster goed. Toch zag men haar dikwijls bij demonstraties als spreekster maar ook als verkoopster van boeken, brochures, postpapier, wimpels en leeuwenschildjes. Zij gaf af en toe ook boeken uit, onder meer de roman De Nood van 't land van Leo Meert waarin ondubbelzinnig opgeroepen werd tot gebruik van geweld om de Belgische eenheid te breken. Ze werkte ook mee aan het Gentse blad De Voorpost. Toen dit in 1932 opgeheven en vervangen werd door De Dietsche Voorpost, kreeg zij samen met oud-activist Firmin Parasie daarover de leiding. Deze kleine Gentse groep van voornamelijk vrijzinnige Vlaams-nationalisten was ondertussen volledig weggedeemsterd en electoraal onbetekenend.

De Guchtenaere's vrijzinnige achtergrond maakte haar erg afkerig van elk Vlaams-nationalistisch initiatief waarin een katholiek-traditionalistische inspiratie doorschemerde. Daarom wees zij het Verdinaso af en stond zeer sceptisch tegenover het Vlaamsch Nationaal Verbond. In de jaren net voor de Tweede Wereldoorlog was zij lichamelijk verzwakt en wat vereenzaamd. Ze had de leiding over De Dietsche Voorpost volledig aan Parasie moeten overlaten. Zij steunde wel nog de Dietsch Opvoedkundige Beweging die in nationaal-socialistische richting evolueerde. Haar houding tegenover de Duitse bezetters van 1940-1944 was erg vriendelijk, al trad zij door haar ziekte niet meer op de voorgrond.

Literatuur

Roza De Guchtenaere voor den krijgsraad, 1919; 
A.W. Willemsen, Het Vlaams- nationalisme. De geschiedenis van de jaren 1914-1940, 19692; 
H.J. Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging 1914- 1939, 4 dln., 1969; 
L. Buning, 'Guchtenaere Roza de', in NBW, VI, 1974; 
id., Het strijdbare leven van J.D. Domela Nieuwenhuis Nyegaard. Vlaming door keuze, 1976; 
L. Vandeweyer, 'Boudewijn Maes als Vlaams-nationalistisch politicus in het arrondissement Gent-Eeklo 1918-1933', in WT, jg. 46, nr. 4 (1990), p. 230-245; 
W. Dolderer, Deutscher Imperialismus und belgischer Nationalitätenkonflikt (Kasseler Forschungen zur Zeitgeschichte, nr. 7, 1989); 
D. Vanacker, Het aktivistisch avontuur, 1991.

Auteur(s)

Luc Vandeweyer