De Cneudt, Richard

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Gent 24 september 1877 – Gent 29 januari 1959).

Studeerde aan de normaalschool te Gent en was aldaar van 1898 tot 1916 onderwijzer bij het lager gemeentelijk onderwijs. De Cneudt was in Gent bedrijvig in het flamingantische culturele leven, onder andere met het inrichten van kunstavonden en muziekonderwijs. In 1912 zorgde hij voor de viering van Virginie Loveling. Hij raakte in die jaren erg teleurgesteld over de macht van de Vlaamsgezinden in het politieke bedrijf.

De Cneudt sloot zich al vroeg aan bij de Jong-Vlamingen die in de Eerste Wereldoorlog alles verwachtten van een Duitse overwinning. Hij ondertekende het Zeven-punten-programma van oktober 1915 en werd medewerker van De Vlaamsche Post en De Gazet van Brussel. Hij was begin 1917 betrokken bij de stichting van de Raad van Vlaanderen. Hij werd er lid van en secretaris van de Kommissie voor Wetenschappen en Kunsten. Van daaruit werd hij op 15 december 1916 benoemd tot afdelingshoofd, daarna tot directeur, aan het Vlaams ministerie van onderwijs, dat onder leiding van Josué de Decker door de Duitsers werd ingericht. Hij zou er als 'bijzonder inspecteur' de toepassing van de taalartikelen van de wet van 19 mei 1914 nagaan in het lager onderwijs te Brussel. Via een uitgebreid klassenbezoek in 1917 kwam hij tot het inzicht dat 70% van de kinderen Vlaamssprekend was, maar het onderwijs in slechts een vijfde van de klassen min of meer Nederlandstalig. Bovendien bestond er een sterke Vlaamsvijandige druk op de kinderen vanwege de leiding van de scholen. In de Raad van Vlaanderen ijverde De Cneudt daarom voor de snelle, gedwongen vernederlandsing van de scholen in Groot-Brussel, evenals voor de afschaffing van Franstalige scholen in Vlaanderen. Zijn principe was dat de moedertaal van het kind bepaald werd door zijn afkomst en niet door de verklaring van de vader; en dat een tweede taal niet in het lager onderwijs mocht aangeleerd worden. Hij voerde tevens het woord op tal van activistische meetings.

Begin november 1918 week hij uit naar Duitsland, bevreesd voor bestraffing door het Belgische gerecht. Hij werd bij verstek ter dood veroordeeld. In Duitsland moest hij zijn propagandawerk staken omdat de Duitse overheid geen Flamenpolitik meer wenste te voeren en omdat door de economische inflatie de daarvoor nog gereserveerde fondsen hun waarde verloren. Omwille van deze materiële noodtoestand vertrok hij in november 1919 naar Nederland. In Rotterdam, waar hij van 1922 tot 1937 leraar Frans aan de HBS was, leefde hij zeer afgezonderd van de andere activisten. Hij evolueerde tot een vereenzaamd dichter, die zich pas na de amnestie in 1937 over enige publieke erkenning in Vlaanderen kon verheugen. Er werd dat jaar een uitvoerige herdenking opgezet, met een speciaal comité dat zijn naam droeg. Sinds 1939 was hij weer in Gent gevestigd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij bestuurslid van de Kamer voor Letterkundigen, een onderdeel van de Nieuwe-Orde-organisatie De Vlaamsche Kunstenaarsgilde, en voorzitter van de Kamer van Oostvlaamse Letterkundigen. Tot december 1942 werkte hij mee aan het tijdschrift Westland. Hij maakte zich sterk dat hij daarbij geen diensten aan de Duitse politiek bewees.

Werken

De vervlaamsing van het lager Onderwijs in Groot-Brussel, 1918; 
Dichtbundels: Gevoel en Phantazie, 1895; 
Van Dichterleven, 1898; 
Wijding, 1902; 
Naar lichtende Wegen, 1912; 
De stille bloei, 1925; 
Verzen, 1937; 
Mijn hart verlangt, 1942; 
Liederen der bezinning, 1952; 
Romans: Geluk>R>, 1905; 
De Primus, 1907; 
De secretaris van de dekenij, 1908; 
'De schone droom van Dolf Verwilghen', in Vlaamsch Leven (1916); 
Toneel: Een offer, 1901.

Literatuur

W. Blockmans, 'Cneudt, Richard de', in NBW, V, 1972; 
H. van de Vijver, Het culturele leven tijdens de bezetting (België in de Tweede Wereldoorlog, nr. 8, 1990); 
D. Vanacker, Het aktivistisch avontuur, 1991; 
L. Stynen, Rosalie en Virginie. Leven en werk van de gezusters Loveling, 1997.

Auteur(s)

Wim Blockmans; Luc Vandeweyer