Daens, Adolf (eigenlijk Augustin A.)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Aalst 18 december 1839 – Aalst 14 juni 1907). Broer van Pieter Daens.

Werd geboren in een gezin van kleine middenstanders: zijn vader was leidekker; zijn moeder was mutsenmaakster en winkelierster.

Daens volgde de basisschool en klassieke humaniora in zijn geboorteplaats. In 1859 trad hij te Drongen binnen in het noviciaat van de jezuïeten. Hij fungeerde er als 'adjutor- professor' en werd vervolgens leraar in diverse jezuïetencolleges: Antwerpen (1862-1863), Bergen (1863-1865), Turnhout (1865-1866 en wellicht 1868-1869). Tijdens de periode 1866-1868 en 1870-1871 studeerde hij te Leuven filosofie en theologie. Moeilijkheden met zijn oversten leidden in 1871 tot zijn ontslag uit de jezuïetenorde, zeer waarschijnlijk omwille van spanningen omtrent de opgelegde discipline. Daens verzette zich tegen de beslissing, maar werd niet opnieuw aanvaard. Nog tijdens hetzelfde jaar werd hij toegelaten in het Grootseminarie van Gent, waar hij in 1873 priester werd. Intussen had hij opnieuw vruchteloos gepoogd om aanvaard te worden bij de jezuïeten. Eveneens vóór zijn priesterwijding te Gent, was hij leraar geworden in het bisschoppelijk college van Oudenaarde. Hij bleef die functie bekleden tot in 1876, toen hij op eigen verzoek een ambt verkreeg als parochiepriester te Sint-Niklaas. Antoine Stillemans, later bisschop van Gent ten tijde van Daens' politieke loopbaan, was op dat ogenblik superior van het Klein Seminarie van Sint-Niklaas en getuige van de recurrente wisselvalligheid in de ambtelijke loopbaan van Daens. Daens was immers ontevreden in Sint-Niklaas, werd in 1877 opnieuw aanvaard bij de jezuïeten, maar verliet na enkele dagen Drongen en keerde terug naar zijn geboortestad.

Opnieuw seculier priester geworden, fungeerde Daens van 1878 tot 1879 als onderpastoor in Kruishoutem. Die post werd de eerste van een nieuwe reeks van ambtelijke problemen: een niet ingewilligde sollicitatie aan het Sint-Barbaracollege van de jezuïeten te Gent, een op de valreep gemiste kans om tekstschrijver te worden bij de bisschop, een onbevredigend leraarschap aan het bisschoppelijk college van Dendermonde, drie opeenvolgende ontgoochelingen bij sollicitaties om in Aalst aalmoezenier te worden van de pupillenschool en/of het hospitaal, een (door Daens zelf) afgewezen parochiaal ambt in Drongen.

Na zijn vrijwillig ontslag in Dendermonde (1888) verbleef Daens in Aalst, waar hij inwoonde bij zijn broer Pieter. Hij gaf private lessen aan kinderen van welstellende ouders, vertaalde op eigen initiatief Hebreeuwse teksten, schreef heiligenlevens en werkte occasioneel mee aan de activiteiten van zijn broer-uitgever. Zijn laatste poging om in Aalst aalmoezenier te worden (1892) bracht hem voor het eerst in (onrechtstreekse) aanraking met de politiek. Een der belangrijkste oorzaken van deze mislukking lag immers in het verzet vanwege de Aalsterse conservatieve katholieken. Deze laatsten wilden op die manier hun onvrede tonen over de politieke oriëntering van Daens' broer Pieter. Pieter, voorheen politiek gezagsgetrouw katholiek, bekende in de loop van 1892 kleur ten voordele van de christen-democratie en stelde bovendien zijn populaire weekbladen in dienst van die nieuwe beweging.

De wisselvalligheden en de moeilijkheden in de ambtelijke loopbaan van Daens leidden onvermijdelijk tot fricties tussen de priester en zijn bisschop. Halfweg 1893 ontstonden twee nieuwe wrijvingspunten. De eerste hield verband met een controversieel geachte vertaling door Daens van het Boek van Job. Het tweede situeerde zich in de politieke sfeer: Daens ontstemde de bisschop omdat zijn naam voorkwam op de publieke stichtingsakte van de Christene Volkspartij (Okegem, april 1893).

De stichting van de Christene Volkspartij bracht Daens in het midden van de Roelanders, een groep sociaal-vooruitstrevende Vlaamsgezinden uit de regio Aalst-Ninove, die zich sinds 1891 hadden geprofileerd als potentiële dissidenten van de katholieke partij. Daens, wiens politiek engagement ten dele dient begrepen als compensatie voor zijn mislukt ambtelijk verleden, kwam met hen in contact via zijn broer Pieter. Hij had wellicht een belangrijk aandeel in het redigeren van hun programma en zou spoedig hun boegbeeld worden. Dat laatste gebeurde soms tegen wil en dank. Want Daens zou gaandeweg andere klemtonen leggen dan de andere pioniers van de Christene Volkspartij en daardoor herhaaldelijk met hen in conflict treden, vooral omtrent de (door Daens afgeremde) radicale en autonome opstelling van de partij. De eigen radicaliteit die Daens anderzijds aan de Christene Volkspartij bezorgde, werd hoofdzakelijk bepaald door zijn ononderbroken persoonlijke conflict met de kerkelijke overheid.

Begin 1894 besliste Daens kandidaat te zijn bij de parlementsverkiezingen van oktober van datzelfde jaar. Hij maakte gebruik van de feitelijke onmogelijkheid van de kerkelijke overheid om hem de kandidaatstelling te verbieden en trad einde september formeel naar voren als lijsttrekker van de Christene Volkspartij. Intussen had Stillemans reeds tweemaal op indirecte wijze obstructie gevoerd tegen zijn kandidatuur, een eerste maal door hem te verbieden de naam van de bisschop in het geding te brengen, een tweede maal door hem de toegang tot herbergen te ontzeggen.

De verkiezingen bezorgden de Aalsterse katholieken de volkstrekte meerderheid. Maar het vermoeden dat de overwinnaars onregelmatigheden hadden gepleegd bij de stemming, leidde tot een gedeeltelijke herstemming. Daens kwam daarin uit tegen Charles Woeste, de conservatieve leider van de katholieke partij in België. Toen het bleek dat de liberalen en socialisten hun volle steun zouden verlenen aan de daensisten, kwam Stillemans rechtstreeks tussenbeide en verbood Daens het openbaar mislezen. Het uitlekken van die sanctie werd de start van een nieuwe, ongewoon bitsige verkiezingsstrijd, die uiteindelijk Daens én Woeste in het parlement zou brengen. Het duel Woeste-Daens werd nu verlegd naar de Kamer van Volksvertegenwoordigers, waar Daens krampachtig vocht tegen zijn uitsluiting uit de rechterzijde. Intussen bouwden de daensisten ook buiten het parlement verder op hun electoraal succes – Daens had in het arrondissement Aalst 46,3% van de stemmen behaald. Een en ander leidde ertoe dat Daens in mei 1895 naar het Vaticaan werd ontboden, ter uitvoering van een plan tot publieke veroordeling, dat was voorbereid in de Brusselse nuntiatuur. Rome zwakte het plan af, maar zond Daens toch terug met de bedekte (en geheimgehouden) waarschuwing dat hij beter de politiek kon verlaten. Daens ging niet in op die aanmaning. Mede daardoor escaleerden de misverstanden en conflicten met de bisschop van Gent, die Daens poogde te isoleren, zowel van zijn eigen beweging als van de sociaal-progressieve katholieken.

Om dat laatste isolement te doorbreken trad Daens in 1896 in de Belgische Volksbond van Arthur Verhaegen, tegen de wens van de belangrijkste daensistische leiders. In 1897 werd hij uit die bond gesloten. Intussen was hij steeds verder verwijderd geraakt van zijn hardnekkig nagestreefde kerkelijke rehabilitatie. Tijdens de periode 1895-1897 onderging hij nog tien keer een sanctie vanwege de bisschop van Gent en in 1898 stemde hij er uiteindelijk in toe om af te zien van elke directe en indirecte politieke activiteit. Als tegenprestatie bekwam hij een behoorlijk bezoldigd kerkelijk ambt. Maar omdat de kerkelijke overheid uiteindelijk haar belofte niet kon nakomen, keerde de vernederde Daens spoedig terug in de beweging. Hierdoor ontstond een nieuwe escalatie van het conflict met de bisschop van Gent: in 1898 werd Daens gesuspendeerd, in 1899 werd hij gedegradeerd.

Van 1899 af hield Daens een vrij groot aantal toespraken in Nederland. Maar onder meer door het weerwerk van de plaatselijke katholieke kerk sloeg zijn boodschap er nauwelijks aan.

Op aandringen van de belangrijkste daensistische leiders, kandideerde Daens bij de verkiezingen van 1900 niet in Aalst doch in het arrondissement Brussel. Het werd een mislukte poging, doch in 1902 werd hij in Brussel toch tot volksvertegenwoordiger verkozen, dankzij de steun van liberale middenstanders en vrijzinnigen. In het parlement sprak hij nog vrijwel uitsluitend Frans. Zijn volkomen kerkelijk isolement - - hij was in 1905 formeel veroordeeld door het Vaticaan – en zijn erg verzwakte gezondheid maakten hem tot een schim van het strijdbare Kamerlid dat hij ooit geweest was.

Daens werd in 1906 niet opnieuw verkozen in Brussel, hoofzakelijk omdat hij niet meer kon rekenen op de kleine liberale fractie die hem in 1902 de overwinning had bezorgd. Hij overleed in Aalst op 14 juni 1907. Enkele maanden voordien had hij zich noodgedwongen verzoend met de Kerk. Die onderwerping was de ultieme uitvoering van een scenario dat reeds in 1902 was bepaald door de bisschop van Gent.

De sfeer van verwarring en misverstanden waarin de verzoening totstandkwam leidde ertoe dat Daens in februari 1907 feitelijk geschrapt werd als lid van zijn partij. Een aantal daensistische leiders zag in de verzoening de bevestiging dat Daens steeds bereid was geweest de autonomie van de partij op te geven in ruil voor zijn eerherstel als priester.

De historische betekenis van Daens ligt in de eerste plaats vervat in het belang van de beweging waarvan hij de naamgever werd. Die dissidente beweging koppelde het sociaal progressisme van de christen-democratie aan het probleem van de Vlaamse emancipatie. Door de verstrengeling tussen de beweging en zijn persoonlijk conflict met de Kerk werd Daens tevens de veruitwendiging van de eerste langdurige en diepgaande politiek-maatschappelijke breuk in de Belgische gelovige gemeenschap.

Daens bezat niet de uitgesproken Vlaamsgezinde reflex van de andere belangrijke leiders van zijn partij. Maar hij vereenzelvigde zich in belangrijke mate met hun standpunten. In 1905 ondertekende hij, samen met zijn broer Pieter, een daensistisch wetsvoorstel tot vernederlandsing van de universiteit van Gent. (Daensistische Beweging)

Literatuur

F.-J. Verdoodt, Hector Plancquaert, de Daensistische Beweging en het plancquaertisme, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1979; 
L. Collin, 'De activiteiten van Priester Adolf Daens vóór 1893 en de daensistische beweging', in Collationes. Vlaams Tijdschrift voor Theologie en Pastoraal, jg. 14, nr. 1 (1984), p. 56- 67; 
F. van Campenhout, LDB, 1993; 
F.-J. Verdoodt, De zaak-Daens. Een priester tussen Kerk en christen- democratie, 1993.

Verwijzingen

zie: Daensistische Beweging, Davidsfonds, film, katholieke partij, verkiezingen.

Auteur(s)

Frans-Jos Verdoodt