Comité flamand de France

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

werd opgericht in Duinkerke op 10 april 1853, het jaar waarin het gebruik van het Nederlands in het onderwijs door de academische raad van het département du Nord uitdrukkelijk verboden werd. De stichters waren Edmond de Coussemaker, die tot voorzitter werd gekozen, Lodewijk de Baecker, ondervoorzitter, August Ricour, Reimond de Bertrand, Hyppolytus Bernaert, Pieter Meneboo en Charles-Désiré Carnel. Het doel van het Comité was: l'étude de la littérature flamande, la recherche et la conservation des documents historiques et littéraires en langue flamande. De leuze luidde: "Moedertaal en Vaderland". De oprichters hingen de grondgedachte aan van de toenmalige V.B. in Belgisch-Vlaanderen, een nationale beweging waarvoor de vorming van een eigen zelfstandige staatsstructuur niet fundamenteel was. Hun regionalisme konden zij aldus verzoenen met een legitimistische en conservatieve politieke houding. Ondanks zijn ijver voor de Vlaamse moedertaal en het Vlaamse moederland wenste het Comité dus ook trouw te blijven aan het Franse vaderland, wat ook blijkt uit de naam en de leuze van de vereniging. Het streven van het Comité sloot aan bij de actie van de taalbewegingen in andere delen van Frankrijk, onder meer in de Provence (Mistral) en in Bretagne (Association Bretonne), en in andere landen. De voorzichtigheid die het Comité noodzakelijkerwijze aan de dag moest leggen in een centralistische staat die geen taalbewegingen duldde, was er de oorzaak van dat zijn ijver voor de taal langzamerhand verzwakte en het zogoed als uitsluitend een beweging werd voor heemkundige, oudheidkundige, taal- en volkskundige en historische studie. Op dat gebied heeft het Comité zeer belangrijk werk geleverd. Door zijn bestaan was het ook een voortdurend getuigenis van de aanwezigheid van de Vlamingen in Frankrijk. Zijn Vlaamse periodieken Het Biekorfken en Lettervruchten der Vlamingen van Frankrijk bestonden slechts kortstondig. Alleen het driemaandelijkse tijdschrift Bulletin du Comité flamand de France en de jaarboeken, de Annales du Comité flamand de France, blijven verschijnen.

Elke generatie van het Comité flamand had haar grote figuren. Van de eerste dienen vooral De Coussemaker, De Baecker en Carnel te worden vermeld. Van de tweede Alexander Bonvarlet, Karel Becuwe en Frans van Costenoble. De grote figuur van de derde generatie was Camille Looten, die van 1900 tot 1941 voorzitter was. Daarna werd het voorzitterschap achtereenvolgens waargenomen door Paul Verschave (1941-1948), L. Détrez (1948-1956), Mgr. H. Dupont (1956-1972), Philippe Jessu (1972-1986) en Jacques Verhasselt (sinds 1987). Na de Tweede Wereldoorlog werd het secretariaat behartigd door Maxime Deswarte, Robert Hennart (1948-1983) en Jean-Paul Verschave. Belangrijk waren een herleving van het Vlaamse gevoel onder het voorzitterschap van Dupont en Jessu en de uitgave, onder de stuwkracht van Hennart, van een Manifeste des Flamands de France (19 december 1981), in samenwerking met nog vier andere Frans-Vlaamse verenigingen. Hierin werd de volledige ontplooiing van de regionale cultuur geëist. De jongste jaren levert het Comité flamand de France ook zijn bijdrage in het propageren van het onderwijs van het Nederlands.

Literatuur

L. Bertram, 'Honderd jaar geschiedenis. Het "Comité flamand de France"', in Notre Flandre, jg. 2, nrs. 2-3 (1953), p. 19-21 en p. 19-23; 
Le Livre du Centenaire du Comité flamand de France, 1954; 
R. Debevere, 'Edmond de Coussemaker', in Ons Erfdeel, jg. 12, nr. 3 (1969), p. 90; 
L. Verbeke, Vlaanderen in Frankrijk: taalstrijd en Vlaamse Beweging in Frans- of Zuid-Vlaanderen, 1970; 
M. Nuyttens, Camille Looten (1855-1941). Priester, wetenschapsman en Frans-Vlaams regionalist, 1981; 
id., 'Uit de vroegste geschiedenis van het Comité flamand de France, 1853-1876', in De Franse Nederlanden, jg. 10 (1985), p. 85-126; 
id., Inventaris van het Archief De Franse Nederlanden, 1995.

Verwijzingen

zie: Frans-Vlaanderen.

Auteur(s)

Luc Verbeke