Collaboratie

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Op 14 mei 1940, vier dagen na de Duitse inval, vergaderden de Vlaams-nationalistische fracties in het parlement. Volgens naoorlogse getuigenissen aanvaardden alle aanwezigen, ook de leider van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) Staf de Clercq, het parool 'geen tweede activisme'. De politieke vertegenwoordigers van de radicale V.B. drukten het voornemen uit hun beweging niet voor de tweede keer in het avontuur van een collaboratie te loodsen. Daags nadien lag met de doorbraak te Sedan de Duitse overwinning in het verschiet. Op 3 juni 1940 vond een ontmoeting plaats tussen De Clercq en de top van het militaire bestuur dat zich de dag ervoor in Brussel had gevestigd. De Clercq stelde er zijn partij met "30.000 mannelijke leden (...) volledig ter beschikking met raad en daad". Door dit te doen engageerde De Clercq het hele politieke Vlaams-nationalisme. Het VNV had in de tweede helft van de jaren 1930 immers vrijwel geheel deze politieke familie in zijn schoot verenigd. Het VNV was principieel een autoritaire partij. De leider besliste, de volgelingen handelden. Met het VNV werd een groot deel van de radicale V.B. meegezogen in de impasse van het Derde Rijk. Over deze traumatiserende geschiedenis handelt dit artikel. De geschiedenis van andere collaboratiebewegingen in België komt slechts ter sprake voor zover ze noodzakelijk is om dit verhaal te verklaren. Hetzelfde geldt voor de zogeheten 'politiek van het minste kwaad'. Vele individuen, organisaties, instanties en instellingen hebben in meerdere of mindere mate, voor kortere of langere tijd, samengewerkt met de bezetter om zichzelf te handhaven. Het is evident dat de bereidheid tot aanpassing en de mate waarin dat gebeurde, afhingen van het oorlogsperspectief en van de wijze waarop de bezetter optrad. Wat in 1940 nog als een noodzakelijke aanpassing werd ervaren, gold in 1944 als collaboratie. De scheidingslijn tussen aanpassing en collaboratie is dus vaag, ook al omdat er vele gradaties in de aanpassing waren. Niettemin is het voor een goed begrip van de geschiedenis noodzakelijk het onderscheid te maken. De mate waarin de doeleinden en de ideologie van de bezetter werden geassimileerd is het criterium om de collaboratie te definiëren. Bij het VNV was deze assimilatie totaal. Het gevolg was een totale collaboratie die zich uitstrekte over de politieke, culturele, administratieve, militaire, politionele, sociale en economische doeleinden van het nationaal-socialistische bezettingsbestuur. Een aantal radicaal-Vlaamsgezinde organisaties, actief in de genoemde domeinen, werd erdoor meegezogen. Sommige geraakten al spoedig in conflict met het VNV als gevolg van de voor het nationaal-socialisme typische verdeel- en heerspolitiek.

Het scenario van de collaboratie in Vlaanderen verliep niet fundamenteel anders dan in andere bezette landen in Europa. Overal ontstonden collaboratiebewegingen met een nationalistisch profiel. Ze werden in het keurslijf van de nationaal-socialistische bezettingspolitiek gedwongen, waarin Ruhe und Ordnung essentieel waren. Tegelijk en vaak tegengesteld met deze kortetermijnstrategie werd een langetermijnstrategie gevoerd die imperialistische doeleinden nastreefde.

Het jaar 1940: naar de politieke collaboratie

Op 10 november 1940 sprak Staf de Clercq voor het eerst sinds het uitbreken van de oorlog in het openbaar. Hij proclameerde de onvoorwaardelijke collaboratie van zijn partij. Hij verklaarde dat het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) de zijde van Duitsland koos, niet omdat dit land de oorlog zou winnen, maar omdat het zijn natuurlijke bondgenoot was. De VNV-leider beweerde dat al voor de oorlog zo gezien te hebben. Hij beklemtoonde dat het VNV voor de oorlog en tijdens de Achttiendaagse Veldtocht een Duitsvriendelijke houding had aangenomen. Nu legde hij zijn lot en dat van zijn beweging in handen van Adolf Hitler. "We twijfelen er niet aan of wat hij zal doen, zal goed gedaan zijn. Goed voor ons volk, voor heel ons volk."

De periode tussen het eerste contact van De Clercq met Militärbefehlshaber generaal Alexander von Falkenhausen en diens Militärverwaltungschef Eggert Reeder op 3 juni 1940 en de opzienbarende redevoering van 10 november 1940 werd gekenmerkt door de drukke activiteiten van Belgische politici en instanties die rekening hielden met een Duitse overwinning en een langdurige bezetting. Met dit perspectief voor ogen zochten ze naar een modus vivendi met de nieuwe machthebbers. Het centrum van de Belgische aanwezigheidspolitiek was Leopold III. De Belgische koning bleek bereid een regering op de been te brengen als Hitler zou instemmen met een Belgisch 'Vichy-scenario', met andere woorden als België, of ten minste een deel ervan, zou worden ontruimd. Belangrijke politici speelden een actieve rol in de plannen rond de koning. Opzienbarend was de publicatie op 28 juni 1940 van een manifest van de voorzitter van de Belgische Werkliedenpartij (BWP), Hendrik de Man, aan de leden van zijn partij. Hij verklaarde dat de rol van de BWP was uitgespeeld en riep de leden op tot het vormen van een eendrachtige beweging rond de koning (monarchie). Hendrik Borginon, Gerard Romsée en Hendrik Elias, niet toevallig de boegbeelden van de gematigde vleugel van het VNV, werden druk gesolliciteerd door de plannenmakers. Het Vlaams-nationalisme kon in de nieuwe context niet meer genegeerd worden, temeer daar het al spoedig duidelijk werd dat de bezetter deze politieke familie als een bevoorrechte partner beschouwde. Vooral Reeder stuurde aan op de integratie van Vlaams-nationalisten in het Belgische staatsapparaat. Opmerkelijk waren de benoemingen in augustus 1940 van de leider van Arbeidsorde (de VNV-vakbond) Victor Leemans tot secretaris-generaal van economische zaken, Vlaamsch Nationaal Blok (VNB)-fractieleider in de Kamer en lid van de VNV-leiding Romsée tot gouverneur ad interim van Limburg en VNB-bestendig afgevaardigde Michiel Bulckaert tot gouverneur ad interim van West-Vlaanderen. De benoemingen gebeurden onder druk van Reeder en werden zonder veel tegenstand aanvaard door het Comité van de secretarissen-generaal, het hoogste bestuursorgaan van het land dat in afwezigheid van de ministers en het parlement het land bestuurde. Reeder rekende op de Vlaams-nationalisten om de samenwerking van de Belgische instellingen met het bezettingsbestuur te vergemakkelijken.

Net zoals tijdens de Eerste Wereldoorlog voerde de bezetter dus een actieve Flamenpolitik die eruit bestond radicale Vlaamsgezinden politieke macht te verlenen om een Duitsvriendelijk bestuur te creëren. De chef van het Militaire Bestuur werd daarbij gedekt door een van de schaarse instructies, 14 juli 1940, die een besluiteloze Hitler aangaande België uitvaardigde: de Vlamingen moesten op alle manieren gesteund worden terwijl de Walen geen enkel voorrecht genoten.

Het geschetste klimaat wordt vaak beschouwd als dé oorzaak van de collaboratie van het VNV. Zo blijven echter de demarches van De Clercq en de radicale VNV-vleugel buiten beeld. Zij hadden niet op de juli-instructies gewacht om hun politiek op Duitsland af te stemmen. Ten eerste was er onmiskenbaar een ideologische affiniteit tussen de radicale VNV'ers en het Duitse regime. De bekende nationaal-socialistische slogan Ein Volk, ein Reich, ein Führer was de essentie van het revolutionaire Dietse project waaruit het officiële VNV-programma bestond. De Clercq had er angstvallig over gewaakt dat er geen afbreuk aan werd gedaan. Toen zijn gematigde vleugel bijvoorbeeld had gepoogd in 1936 een akkoord te bereiken met de gefederaliseerde katholieke partij op basis van een gematigd reformistisch-federalistisch programma, greep hij in. "Wij moeten de (...) pretentie hebben om alleen baas te zijn (...)," verklaarde hij voor zijn kaderleden. Zo zagen De Clercq en zijn radicale medestanders het politieke bedrijf. De VNV-propaganda was ervan doordrongen. Ze sorteerde effect na 28 mei 1940. VNV'ers stonden op alle echelons klaar om de macht over te nemen en met de hulp van de bezetter hun politieke tegenstanders buitenspel te zetten. De Clercq onderhandelde al voor de capitulatie met de Abwehr over de inzet van VNV'ers als vertrouwensmannen op vitale posten. Het parool 'geen tweede activisme' heeft de VNV-leider niet meer ernstig genomen. Lang voor de bezetting kwam hij al tot het besef dat het volgehouden Diets revolutionaire project in de Belgische democratische context het VNV onvermijdelijk in een machteloos isolement duwde. Daarom zocht hij een uitweg op het internationale terrein. Hij verwachtte een nieuwe oorlog en die zou het VNV de kans bieden zijn doelstellingen te realiseren. De herinnering aan de Eerste Wereldoorlog met het activisme enerzijds en de geradicaliseerde clandestiene Frontbeweging anderzijds speelden ongetwijfeld een rol toen hij besloot een aan hem persoonlijk gebonden Militaire Organisatie (MO) op te richten in de schoot van het Belgisch leger. Hij bracht de Abwehr op de hoogte van het bestaan van deze organisatie na het uitbreken van de oorlog in september 1939. Het spreekt voor zich dat de Duitse spionagedienst er belangstelling voor toonde. De Clercq beschouwde de MO als een instrument om hetzij de Belgische overheid, hetzij de Duitse bezetter tot opbod te dwingen. Het snelle verloop van de strijd en het optreden van de Belgische veiligheidsdiensten voorkwamen dat de MO in werking trad. Bij het oppakken van staatsgevaarlijke elementen na 10 mei 1940 blunderde de Belgische overheid zeker niet over de hele lijn. Het oprollen van de MO-leiding was zonder twijfel opportuun. Een van de centrale figuren, Reimond Tollenaere, VNV-propagandaleider en boegbeeld van de radicale vleugel, had in 1939 na het uitbreken van de oorlog al vertrouwelijk verklaard aan De Clercq dat hij Duitsland als een bondgenoot beschouwde. De arrestaties en wegvoeringen in mei 1940 (Spooktreinen) overtuigden vele Vlaams-nationalisten ervan dat België als eerste de oorlog had verklaard aan 'Vlaanderen'. Zowel de arrestaties als de wegvoeringen waren dan ook een propagandistische troef bij de legitimering van de collaboratie. Maar ze waren er evenwel niet de oorzaak van.

Er is na 28 mei 1940 in het VNV geen discussie meer geweest over het principe van de collaboratie. De partij stapte van meet af op die trein. Maar hij reed over twee sporen, dat van de gematigden en dat van de radicalen.

De gematigde VNV-leiders wensten de VNV-collaboratie te verankeren in een bredere collaboratiebeweging rond de koning. Zo hoopten ze de Vlaamse zelfstandigheid af te dwingen. De aanwezigheid van het Belgische staatshoofd in het bezette land had Hitler doen afzien van het plan om, zoals in Nederland, onmiddellijk een Zivilverwaltung te installeren. De handhaving van een Militärverwaltung was een signaal dat het politieke lot van België nog openbleef. Zo hoopte Hitler België eventueel als een vuistpand te hanteren bij vredesonderhandelingen met Groot-Brittannië. Een Belgische restauratie wenste Hitler evenwel niet. De plannenmakers rond Leopold III moesten hun ambities bijstellen. Toen ook een regeling met Groot-Brittannië onmogelijk bleek door de Britse wil om de oorlog verder te zetten, verloor Leopold veel van zijn politiek belang. Er greep nog wel een ontmoeting plaats tussen Leopold en Hitler te Berchtesgaden op 19 november 1940, maar Hitler gaf Leopold geen enkel aanknopingspunt om tijdens de bezetting een politiek op te enten. Het politieke lot van België bleef open en Leopold zag zich teruggewezen in de rol van een monarch die in de grondwettelijke onmogelijkheid verkeerde te regeren. Daarmee werd meteen ook de strategie van de gematigde VNV'ers gehypothekeerd. Zij was hoe dan ook tot mislukken gedoemd door het feit dat de beweging namens wie zij optraden een heel ander perspectief voor ogen hield.

De radicale VNV-leiders, De Clercq op kop, wilden de totale macht in Vlaanderen en hielden vast aan de Dietse eis. In de vroege onderhandelingen met de bezetter deed De Clercq uitsluitend een beroep op radicale medestanders. Zijn voorstellen waren navenant. In een memorandum van juni 1940 sprak hij over een Groot-Nederlandse staat waaronder niet alleen Vlaanderen en Nederland begrepen werden, maar ook Frans-Vlaanderen en eventueel Wallonië dat als 'kolonisatiegebied' voor de Vlamingen kon worden beschouwd. De appetijt voor het Franse grondgebied werd aangewakkerd door het feit dat het Noord-Franse territorium onder de bevoegdheid van de Militärverwaltung in Brussel viel, wat ten onrechte als een gunstig voorteken werd beschouwd inzake het toekomstige politieke statuut van die regio. Met betrekking tot Wallonië achtte de VNV-leider een etnische zuivering met een deportatie van de Walen naar Frankrijk niet ondenkbaar. Hij kreeg te horen dat elke eis aangaande grenzen ongepast was en verboden werd gezien het bevel van Hitler dat over het politieke lot van België pas na de oorlog zou worden beslist. Meteen waren de marges waarbinnen de bezetter een actie van het VNV zou dulden, duidelijk. Het VNV moest zich strikt beperken tot Vlaanderen en zelfs binnen die beperking mocht er geen uitspraak worden gedaan over de territoriale toekomst. Alleen de 'Germaanse' troef mocht worden gespeeld.

Daags nadat Reeder op 22 juli 1940 in kennis werd gesteld van Hitlers juli-instructies, kreeg het VNV als enige politieke partij de toelating manifestaties te beleggen. Op 11 augustus 1940 riep Volk en Staat op tot de vorming van een Volksbeweging met als kern het VNV en als doel de "wederopbouw van ons nationale, van ons volks-sociale bestaan". De volgende maand verschenen lijsten met ondertekenaars van de oproep. In het totaal tekenden 168 Vlamingen, waarvan het overgrote gedeelte actief was in de radicale V.B. als bestuurder van culturele, sociale, economische, professionele organisaties en jeugdbewegingen, en Vlaamsgezinde kunstenaars en schrijvers. De enige verrassing was Edgard Delvo, de algemeen secretaris van de socialistische Centrale voor Arbeidersopvoeding. Delvo was de enige figuur die van buiten de klassieke V.B. kwam. Hij was ook de enige uitgesproken partijfiguur en socialist. Gedurende enkele weken werden in heel Vlaanderen manifestaties gehouden totdat de Militärverwaltung een vergaderverbod uitvaardigde. Reeder kon het Groot-Nederlandse karakter van de manifesties niet billijken en meende dat de Germaanse band tussen Vlaanderen en Duitsland meer benadrukt moest worden. Zonder het Duitse ingrijpen zou de Volksbeweging op een crisis zijn afgestevend want de leidinggevende rol van het VNV en De Clercq werd niet door alle vooraanstaande betrokkenen aanvaard.

De Flamenpolitik was overigens niet uitsluitend vastgepind op het VNV. Het Militaire Bestuur honoreerde ook benoemingen, aanstellingen en promoties van Vlaamsgezinden buiten het VNV. Zo werd Jan Grauls, door Reeder als een zuverlässige Flame beschouwd, gouverneur van Antwerpen. Toen onder druk van de bezetter de secretarissen-generaal de Vlaamsche Cultuurraad heroprichtten, zetelde er slechts één VNV'er in, namelijk de schrijver Filip de Pillecyn. Voorzitter werd Cyriel Verschaeve, de in Duitsland hooggeprezen priester-dichter, die het VNV steeds als te gematigd had afgewezen. Secretaris van de Cultuurraad werd Jef van de Wiele. Hij was voor de oorlog de spil van een kleine culturele vereniging van Duitse en Vlaamse studenten, de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag) rond het gelijknamige tijdschrift. Van de Wiele kende enkele belangrijke figuren uit het bezettingsbestuur persoonlijk. Hij bouwde de DeVlag energiek uit en kreeg daarbij aanvankelijk de steun van het VNV die zo de organisatie aan zich wilde binden. Er waren nog initiatieven zoals de oprichting van de Commissie voor Taaltoezicht met Flor Grammens als drijvende kracht en de zogenaamde Herstelcommissie die de activisten financiële compensatie verleende, waarin het VNV niet de eerste viool speelde.

Om zijn totalitaire ambities waar te maken moest het VNV het terrein veroveren, zelfs binnen het smalle kamp van de collaboratie. Dat kon alleen met de steun van het Militaire Bestuur. Daarvoor moest de partij zich ten eerste ideologisch plooien naar de wensen van zijn beschermheren en ten tweede proberen aan te tonen dat ze voldoende dynamisme had om uit haar eigen kaders te breken.

Die laatste ambitie was de reden van de uitbreiding van het hoogste leidingsorgaan van het VNV in september 1940, dat bij die gelegenheid tot Raad van Leiding werd herdoopt. Het was meteen het enige concrete gevolg van de Volksbeweging. De top van het VNV bestond op dat moment uit De Clercq, Elias, algemeen secretaris Ernest van den Berghe, Tollenaere en Romsée. De laatste was slechts nominatim lid, want hij woonde sedert zijn aanstelling tot gouverneur van Limburg de vergaderingen niet meer bij. Daaraan werden nu toegevoegd: Jeroom Leuridan, VNV-gouwleider van West-Vlaanderen, en Jan Timmermans, VNV-gouwleider van Antwerpen. Zo werd weer aangeknoopt bij de samenstelling van de leiding in de stichtingsjaren toen alle gouwleiders er deel van uitmaakten. Maar er traden ook enkele figuren toe van buiten het VNV-kader: Delvo, Frans Daels en Reimond Speleers. De laatste was een gewezen activist, decaan aan de von Bissing Universiteit. Hij keerde in de zomer van 1940 terug naar Gent om er zijn leerstoel oogheelkunde weer te bezetten. Speleers moest de continuïteit met die andere collaboratie symboliseren. Delvo symboliseerde de politieke verruiming in de richting van het socialisme, erg belangrijk in de poging om het katholiek-burgerlijk imago te doorbreken. Eigenlijk was Delvo het paradepaardje dat de feitelijke mislukking van de inbraak in het socialisme moest verdoezelen. Daels was de alom bekende voorzitter van de jaarlijkse IJzerbedevaarten. Hij symboliseert de enige verruiming die het VNV werkelijk realiseerde, namelijk de opslorping van een deel van de Vlaams-nationalisten uit de politiek-culturele periferie van het VNV. Daels had grote politieke ambitie. Tijdens de campagne voor de Volksbeweging was hij door sommigen naar voren geschoven als de nieuwe leider. Het VNV heeft ook nog geprobeerd August Borms bij de leiding te betrekken. Hij weigerde als niet ook de top van de Algemeene-SS-Vlaanderen gevraagd werd, wat onaanvaardbaar was voor het VNV.

De limieten van de VNV-verruiming werden ook bepaald door de houding van de Vlaamsgezinde organisaties. Van cruciaal belang was de houding van het Davidsfonds, de grootste Vlaamsgezinde organisatie. Secretaris-generaal Eduard Amter bleek bereid tot samenwerking om zijn organisatie te redden. Hij ondertekende het manifest voor de Volksbeweging, maar zag zich al snel verplicht zijn handtekening in te trekken omdat hij niet gesteund werd door zijn katholieke achterban. De negatieve houding van het Belgische episcopaat tegenover de VNV-collaboratie was hierbij cruciaal.

De verruiming van de VNV-leiding betekende allerminst een verflauwing van het radicalisme. Integendeel. De radicale vleugel nam het heft in handen. Tollenaere gaf in een aantal artikels in Volk en Staat het VNV nadrukkelijk een nationaal-socialistisch en Germaans etiket. Het VNV moest de staatsdragende eenheidspartij worden. Voorts nam de propagandaleider afstand van de katholieke kerk. Hij verkondigde een principieel antisemitisme op racistische grondslag en claimde het Waalse grondgebied. Kortom, het VNV stond voortaan voor een imperialistische en nazistische bloed-en-bodem-politiek en maakte daarvan de basis van een bondgenootschap met Berlijn. Over Dietsland werd gezwegen of in eufemistische bewoordingen gesproken. De Clercq verkondigde dezelfde boodschap in zijn toespraak op 10 november 1940, in de toespraken die hij de volgende maanden in diverse Vlaamse steden hield én in een memorandum gericht aan Hitler, december 1940. Daarin werd het VNV onomwonden als de Vlaamse nationaal-socialistische eenheidsbeweging voorgesteld. De Militärverwaltung had het VNV tot dan toe verboden het nationaal-socialisme als epitheton te gebruiken. Na de geloofsverkondiging van 10 november, de onderwerping aan Hitler en de nationalistische knieval viel dit bezwaar weg.

Het VNV kon voortaan de hoop koesteren het machtsmonopolie te verwerven. Tegen deze evolutie rees geen protest, ook niet van de nieuwbakken VNV-toppolitici. Er was wel ongenoegen bij enkele boegbeelden van de oude gematigde vleugel omwille van het feit dat De Clercq hun strategie eens temeer torpedeerde. De VNV-leider had namelijk openlijk gesproken over het hoogverraad van de Militaire Organisatie tijdens de Achttiendaagse Veldtocht en daarmee elke opening naar een Belgische collaboratiebeweging onmogelijk gemaakt. Hij trok overigens ook van leer tegen de Belgische bisschoppen omdat die herhaaldelijk de Belgisch patriottische kaart hadden getrokken en zich nadrukkelijk tegen het separatistische VNV hadden uitgesproken.

De vlucht vooruit van de radicale VNV'ers was mede een gevolg van hun vrees voor concurrentie uit nog radicalere hoek. Al in de zomer van 1940 hadden zich verscheidene ultranazistische organisaties gevormd met zeer grote ambities. Sommige zoals de Nationaal-Socialistische Vlaamsche Arbeiderspartij (NSVAP) bestonden al voor de oorlog. Andere zoals de Nationaal-Socialistische Beweging Vlaanderen (NSBV) of de Nationaal-Socialistische Beweging in Vlaanderen (NSBiV) werden gesticht door figuren die al voor de bezetting het VNV te slap vonden. Hun minieme aanhang en onderling gekrakeel maakte hun totalitaire aanspraken grotesk. Veel ernstiger was de stichting in september 1940 van de Algemeene-SS-Vlaanderen door de Antwerpse advocaat René Lagrou. Lagrou, evenals sommigen van zijn medestanders zoals Ward Hermans en Herman van Puymbrouck, waren geen onbekenden voor de VNV-leiding. Zij hadden voor de oorlog een harde nazi-gezinde groep gevormd in het VNV en waren actief geweest in netwerken van de geheime diensten van het Derde Rijk, vooral de Sicherheitsdienst. Sommigen waren in een scherp conflict geraakt met De Clercq toen die deze contacten en de bijbehorende geldstromen onder controle probeerde te krijgen. De VNV-leider wist dat de Vlaamse SS'ers te duchten waren omdat ze over belangrijke beschermheren beschikten. Hij vergiste zich niet. Lagrou zwaaide met een bevel van Hitler tot oprichting van de Algemeene-SS Vlaanderen. Hij blufte niet eens. De stichting van de Algemeene-SS Vlaanderen paste in de infiltratiepolitiek van de machtige SS in het ambtsgebied van de Militärverwaltung. Reichsführer-SS Heinrich Himmler had daartoe van Hitler groen licht gekregen, net zoals hij Vlamingen mocht rekruteren voor zijn Waffen-SS. Beide initiatieven moesten een Heim-ins-Reich-beweging gestalte geven. Het vanaf december 1940 verschijnende weekblad De SS-Man maakte geen geheim van het groot-Duitse streefdoel. Daar waar het VNV aangemaand werd zich te schikken naar Hitlers bevel dat de politieke toekomst van België open moest blijven, kon de Algemeene-SS Vlaanderen probleemloos de aanhechting van Vlaanderen bij het Duitse rijk in het vooruitzicht stellen. Niet dit streefdoel, wel de infiltratiepolitiek achter de Algemeene-SS Vlaanderen was de Militärverwaltung een doorn in het oog. Het verklaart de hernieuwde samenwerking tussen Reeder en het VNV, hetgeen geenszins een principiële goedkeuring van het politiek programma van het VNV impliceerde. De Militärverwaltung kon en wilde zich niet uitspreken tegen de ambities van de Algemeene-SS Vlaanderen. Ze damde de organisatie in en gebruikte ze als stok achter de deur om het VNV in het gelid te dwingen. De Clercq moest dus niet alleen rekening houden met een gevaarlijke concurrent in de collaboratie, hij werd ook geconfronteerd met een beweging die de nationalistische doelstellingen van het VNV bekampte. Zijn tegenzet bestond uit opbod. Door zich verder te plooien naar de wensen van Berlijn hoopte hij zijn totalitaire ambities alsnog waar te maken.

1941: de Eenheidsbeweging die er geen was

Het Nederlandse voorbeeld waar de Nederlandse SS formeel deel uitmaakte van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) van Anton Mussert inspireerde Staf de Clercq in zijn poging om de Algemeene-SS-Vlaanderen te integreren in het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV). Het probleem daarbij was dat de Algemeene-SS Vlaanderen al van bij zijn ontstaan Vlamingen voor de Waffen-SS aanwierf. De SS-autoriteiten eisten dat het VNV eveneens zou werven vooraleer ze wilden praten over een mogelijke fusie. De Clercq bood een militaire samenwerking aan in de vorm van een kustwachteenheid. Hij kreeg te horen dat alleen de Waffen-SS niet-Duitse Germanen mocht opnemen. De VNV-leider stond voor een dilemma. Op 20 april 1941 hakte hij de knoop door. Het VNV startte de werving. De Clercq meende de sprong te kunnen wagen omdat hij het machtsmonopolie binnen bereik achtte. Zijn partij kreeg nu volop steun van de Militärverwaltung die op haar beurt het VNV steeds meer als een onmisbaar onderdeel beschouwde van de bezettingsmachine.

Eggert Reeder forceerde de benoeming van Gerard Romsée tot secretaris-generaal van binnenlandse zaken. Dit zette de deur open voor een massale infiltratie van VNV'ers in de provinciale en vooral de gemeentelijke besturen. Op enkele jaren tijd controleerde het VNV de provinciale besturen en één op twee Vlaamse gemeenten werd bestuurd door een VNV-burgemeester meestal bijgestaan door VNV-schepenen. Deze machtsgreep verliep schijnbaar binnen de Belgische wettelijkheid in de zin dat de formele procedures werden gevolgd. Maar in feite was het een staatsgreep. De bezetter schafte de gemeenteraden af, zette massaal collegeleden aan de dijk en maakte gebruik van het recht tot Genehmigung van de nieuwe kandidaten. Het VNV verstrekte adviezen over af te zetten en aan te stellen mandatarissen. Het waren steevast VNV'ers of Vlaamsgezinden die vaak tot het VNV toetraden om een post te kunnen krijgen. Het overgrote deel van de nieuwbakken gemeentebestuurders werd buiten de raad benoemd.

Via de machtsgreep in de lokale besturen probeerde het VNV een grotere greep te krijgen op andere terreinen. Zo werden einde 1941 Provinciale Cultuurdiensten opgericht, geleid door VNV'ers in ambtelijke dienst. Van juni 1942 af werden ze overkoepeld door een Interprovinciale Cultuurdienst opgericht waarbij een aantal bij het VNV aanleunende organisaties aansloot, waaronder de Vereniging voor Wetenschap onder leiding van Jozef Goossenaerts, Volk en Kunst onder leiding van Frans Haepers, De Vlaamsche Kunstenaarsgilde onder leiding van Emiel Hullebroeck, Volk en Wetenschap onder leiding van Jozef van Overstraeten.

Ook buiten de culturele sfeer liet het VNV zijn invloed gelden. Met de steun van de bezetter en secretaris-generaal Romsée, die ook volksgezondheid onder zijn bevoegdheid had, slaagde bijvoorbeeld het radicaal Vlaamsgezinde Algemeen Vlaamsch Geneesherenverbond erin de Orde van Geneesheren in handen te nemen en zijn Belgische concurrent uit te schakelen. In een aantal nieuwe, naar Duits model opgerichte sociaal-economische instellingen, had het VNV een stevige vinger in de pap, zoals in de Commissie voor Prijzen en Lonen, in de Nationale Landbouw- en Voedingscorporatie en in het Rijksarbeidsambt. Deze instellingen werden geleid door en voor een deel bemand met VNV'ers terwijl het de partij de mogelijkheid gaf mensen aan een betrekking te helpen en aldus aanhangers te rekruteren. Behalve een noyauteringspolitiek voerde het VNV geen uitgesproken economische politiek. Tussen de eigenlijke economische collaboratie en de politieke collaboratie van het VNV bestond slechts een zwak verband. Sommige economische collaborateurs steunden het VNV financieel, maar dat gebeurde eerder uitzonderlijk. De invloed van het VNV in de organisaties van de geleide economie was zeer klein. Uitzondering was de warencentrale voor de textielsector die geleid werd door de VNV'er Willem van Hee. De positie van het Vlaams Economisch Verbond (VEV), de Vlaamsgezinde werkgeversorganisatie, was complex. Algemeen secretaris Piet Bessem trok de kaart van de VNV-collaboratie en was een vertrouwensman van de bezetter. Met de steun van secretaris-generaal Victor Leemans probeerde het VEV in Vlaanderen een monopoliepositie te verwerven ten nadele van zijn Belgische concurrent, het Comité Central Industriel. Slechts een klein deel van de VEV'ers kaderde dit streven in een Nieuwe Orde-politiek. Er was geen sprake van een symbiose tussen de VNV-collaboratie en een Vlaams-nationalistische economische machtspolitiek. De evolutie van Leemans is in dat verband betekenisvol. Ondanks zijn VNV-achtergrond en zijn Nieuwe Orde-gezindheid steunde hij veeleer de Belgische en Vlaamse economische belangen dan die van het VNV.

Het VNV kon dus reële macht uitoefenen al bleef dat beperkt tot een infiltratie in een deel van de Belgische politieke, culturele en administratieve structuren. De bezetter kon en wilde voorlopig niet raken aan de Belgische instellingen zelf. De totale politieke macht bleef veraf, al kwamen er hoopgevende signalen.

Reeder dwong enkelen van de schaars overgebleven politieke concurrenten aan te sluiten bij het VNV. Met name het Verdinaso en Rex-Vlaanderen 'fuseerden' in mei 1941 met het VNV tot de Eenheidsbeweging-VNV. Parallel hiermee versmolten de jeugdbewegingen van de drie groepen, samen met enkele onafhankelijk gebleven Nieuwe Orde-gezinde jeugdgroepen tot de Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen (NSJV). De NSJV werd gefinancierd door de Duitse Hitlerjeugd, maar het VNV slaagde erin de politieke controle te bewaren omdat zijn jeugdbeweging, het Algemeen Vlaamsch Nationaal Jeugdverbond (AVNJ) veruit de meeste leden en het grootste kader had. AVNJ-leider Edgar Lehembre werd leider van de NSJV en voerde de VNV-instructies uit.

Het Verdinaso was al spoedig in een interne strijd verwikkeld geraakt toen bekend werd dat zijn leider Joris van Severen na zijn arrestatie en deportatie naar Frankrijk in de meidagen van 1940 vermoord werd. Twee strekkingen tekenden zich af die zich entten op de vooroorlogse tegenstelling tussen de burgerlijke vleugel en de leden van de Dietsche Militanten Orde (DMO). De eersten zochten aansluiting bij een Belgische beweging rond de koning, de laatsten koesterden de ambitie om het Verdinaso als de kern van een nationaal-socialistische eenheidsbeweging uit te bouwen. Zij wonnen het pleit toen DMO-commandant Jef François in februari 1941 de leiding overnam. Het was een Pyrrusoverwinning want Reeder maakte François duidelijk dat een fusie met het VNV onvermijdelijk was. Hetzelfde geluid kregen de schaars overgebleven Vlaamse aanhangers van Rex-leider Léon Degrelle te horen. Ook Degrelle was in de meidagen naar Frankrijk gedeporteerd. Hij overleefde het avontuur en kwam terug naar België met hooggespannen ambities. Hij ervoer al snel dat hij weinig bondgenoten had in het Derde Rijk. De Militärverwaltung beschouwde hem als een onbetrouwbaar charlatan en wist zich in haar oordeel gesteund door Hitlers juli-instructies die de Walen geen enkel voorrecht verleenden. Een van de consequenties was dat vanaf het najaar alleen de Vlaamse krijgsgevangenen werden vrijgelaten. Dit hield Degrelle niet tegen vanaf 1941 volop en openlijk de Duitse kaart te trekken. Voorlopig moest hij zijn ambities tot Wallonië beperken. Zijn volgelingen in Vlaanderen zagen zich verplicht hun organisatie te 'fuseren'.

De zogenaamde samensmelting van het VNV, het Verdinaso en Rex-Vlaanderen werd op 10 mei 1941 met groot vertoon bekendgemaakt. In feite was het een opslorping van de laatste twee. Pol le Roy, leider van het Verbond van Dinaso Corporaties, en Odiel Daem, de leider van Rex-Vlaanderen traden toe tot de Raad van Leiding. François werd commandant van de samengesmolten milities die voortaan de Dietsche Militie – Zwarte Brigade (DM-ZB) werd genoemd en enkele dinaso's leidden De Nationaal-Socialist, het weekblad van de Eenheidsbeweging-VNV.

De fusie draaide grotendeels uit op een mislukking. Daem en Le Roy verdwenen vrijwel meteen uit de VNV-leiding omdat ze het niet eens waren met de politieke lijn. Le Roy stapte over naar de Algemeene-SS-Vlaanderen een jaar later gevolgd door François.

Het feit dat de Algemeene-SS Vlaanderen buiten schot bleef is de tweede reden om de Eenheidsbeweging-VNV een maat voor niets te noemen. De groot-Duitse beweging stelde zich zelfzekerder op dan ooit. Op 1 september 1941 werd ze omgevormd tot de 1ste SS-Standaard Vlaanderen en aldus een onderdeel van de Germaanse SS. Rond dezelfde tijd waren er de eerste tekenen dat de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag) zich tot een door de SS gesteunde concurrent aan het ontpoppen was.

Inmiddels was het VNV dieper in de militaire collaboratie geraakt. De werving voor de Waffen-SS na april 1941 kende weinig succes, ook vanwege het diepe wantrouwen dat de meeste VNV'ers koesterden tegenover de SS. De situatie veranderde totaal toen op 22 juni 1941 de Duits-Russische oorlog losbarstte en bekend werd dat een antibolsjewistisch Vlaamsch Legioen zou worden opgericht. Het enthousiasme in het VNV was zeer groot. Onmiddellijk meldden zich vele honderden vrijwilligers. De VNV-leiding meende een uitweg te hebben gevonden voor het dilemma van de militaire collaboratie. Het Vlaamsch Legioen zou immers een door het VNV gecontroleerde eenheid worden. De realiteit werd spoedig duidelijk. Zoals de andere Germaanse legioenen werd het Vlaamsch Legioen een feitelijk onderdeel van de Waffen-SS. De rekruten werden onderworpen aan de politieke indoctrinatie van de SS en werden opgezet tegen het VNV. Het regende klachten.

Het besef dat het VNV zijn totalitaire ambitie niet kon waarmaken omdat vanuit Berlijn een concurrerende beweging werd gepatroneerd en het feit dat de partij steeds dieper in de militaire collaboratie geraakte, waarbij volgelingen niet alleen een bloedtol betaalden maar bovendien ook politiek werden overgeleverd aan de concurrentie, leidde tot een diepe crisis. In de Raad van Leiding tekenden zich twee strekkingen af. Een strekking meende dat de eisen van het VNV dwingend op tafel moesten worden gesmeten onder bedreiging van een stopzetting van de samenwerking. Vooral Daels was hiervan de pleitbezorger. De andere strekking meende dat naar een consensus met de SS diende te worden gezocht en dat daarvoor de vlucht vooruit de beste strategie was. Reimond Tollenaere en Edgard Delvo waren die mening toegedaan. Staf de Clercq deed zowel het een als het ander. Hij richtte de ene eisen- en/of klachtenbundel na de andere aan de Duitse overheden terwijl hij zijn beweging steeds verder engageerde. Hij dreigde wel, maar hij bracht de samenwerkingspolitiek nooit in gevaar. Op geen enkel moment heeft hij aanstalten gemaakt om te breken met de collaboratie. Wel integendeel. Op ideologisch vlak plooide De Clercq verder. Op 27 september 1941 kondigde hij een "bindende verklaring" af waarin de eindbestemming van Vlaanderen in het "complex der Germaanse volkeren" werd gelegd. Hij sprak in één adem over de "Nederlandse lotsbestemming", maar terzelfder tijd verbood hij nog te spreken of te schrijven over de Groot-Nederlandse staat. Het VNV hanteerde voortaan een Germaanse terminologie die soms nog weinig verschilde van die van de Groot-Duitse concurrent. De VNV-leider hoopte die concurrent uit het veld te slaan door een machtsontplooiing die de bezetter moest imponeren. Het VNV organiseerde verscheidene massamanifestaties waarbij vooral de strijdvaardigheid moest worden getoond. Het VNV getroostte zich inspanningen om zoveel mogelijk leden in geüniformeerde formaties op straat te krijgen. Hoogtepunt was de Dr. Reimond Tollenaere-marsch op 12 juli 1942 toen na een heuse mobilisatiecampagne 6700 leden van de DM-ZB en de speciaal voor dat doel opgerichte DM-Hulpbrigade door de straten van Brussel marcheerden. De VNV-propaganda telde er dubbel zoveel. De manifestatie maakte zeker indruk, maar de al bij al zeer gelimiteerde aanhang van het VNV wordt erdoor geïllustreerd.

Een nieuwe leider, een nieuw geluid?

Staf de Clercq overleed op 22 oktober 1942 op een moment dat de kloof tussen collaborateurs en de overgrote meerderheid van de Belgen die hun lot niet aan de bezetter hadden gebonden onoverbrugbaar was geworden. Toen hij twee jaar eerder de collaboratie proclameerde was het al duidelijk dat Groot-Brittannië de oorlog zou voortzetten. Voor vele Belgen was het een stimulans om (opnieuw) in de geallieerde zaak te geloven. De Belgische regering moedigde vanuit London het verzet aan. De bezetter had inmiddels zijn ware repressieve gelaat getoond. De levensomstandigheden verslechterden. Het waren zovele oorzaken van de kentering in de publieke opinie. Het weerhield de leider van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) er niet van de geallieerden tot vijanden te verklaren. Vijanden waren ook alle Belgen die 'Londen' steunden. Twee weken voor De Clercq overleed verordonneerde de bezetter met de verplichte tewerkstelling in Duitsland een van de meest gehate maatregelen. Het joeg vele jongeren in de clandestiniteit. Op hetzelfde moment begonnen de geallieerden aan hun opmars in Noord-Afrika, terwijl de kentering aan het oostfront zich aankondigde. In België werden de eerste 'verraders' door het verzet vermoord. De collaborateurs waren een kleine felgehate minderheid geworden die niet moest rekenen op enige steun van de bevolking.

Bovendien werden de diepe verdeeldheid en vijandschap in het kamp van de collaboratie steeds zichtbaarder doordat de groot-Duitse tegenbeweging zich sterker en zelfbewuster manifesteerde.

In dit desolate klimaat schaarde de Vlaams-nationalistische collaborateur die niet meer de gelegenheid had het zinkende schip te verlaten zich hechter rond het VNV. De inschakeling van het VNV in het bestuur van het bezette land enerzijds en de militaire engagementen anderzijds bonden vele volgelingen aan de partij en de collaboratie. De groot-Duitse concurrentie verstrekte een legitimatie om de verworven posities niet op te geven. Maar de groot-Duitse concurrentie werkte ook desintegrerend. Ten eerste rekruteerden de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag) en de SS onmiskenbaar in Vlaams-nationalistische middens. Het VNV verloor er medestanders aan. De groot-Duitse beweging beschikte over veel geld om een uitgebreid en goedbetaald apparaat uit te bouwen. De DeVlag ontplooide activiteiten op elk terrein. Waar de VNV-invloed niet kon genoyauteerd worden, werd een eigen organisatie uitgebouwd. Dat was bijvoorbeeld het geval met de Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen (NSJV), waar de DeVlag eerst een aparte jeugdbeweging stichtte en vervolgens in oktober 1943 de Hitlerjeugd Vlaanderen (HJV), opnieuw met machtige steun uit Duitsland. Sommigen werden erdoor aangelokt. Anderen werden aangesproken door het idee tot de leidende elite te behoren van een wereldrijk. Vooral in de Waffen-SS, waarin veel VNV'ers dienden, deed dit indoctrinatieproces zijn werk. Ten tweede stimuleerde de groot-Duitse beweging een groot-Nederlandse reactie die in en aan de rand van het VNV het karakter van een semi-clandestiene oppositie kreeg. Ze eiste van het VNV een strijdlustige opstelling tegen de groot-Duitse concurrenten. De verworven posities moesten in de weegschaal worden gegooid om de concurrent uit te schakelen. Vooral bij de jongeren en met name in de NSJV leidde dat tot zware spanningen. De oprichting van de HJV ontlokte een regelrechte revolte die de NSJV einde 1943 deed uiteenvallen in de Dietsche Blauwvoetvendels (DBV) en de Dietsche Meisjesscharen (DMS).

De omstandigheden en de sfeer waarin Hendrik Elias in oktober 1942 de leiding van het VNV overnam waren dus sterk gewijzigd in vergelijking met die waarin zijn voorganger de partij in de collaboratie had geleid. Elias was sedert zijn aanstelling tot burgemeester van Gent in december 1940 wat van het voorplan verdwenen. Hij deed bewust een stapje terug omdat hij het niet eens was met de manier waarop De Clercq met zijn rede op 10 november 1940 voor de vlucht vooruit koos. Velen in het VNV verwachtten dan ook dat Elias een nieuwe koers zou inslaan. Tegen zijn aanstelling tot leider rees geen verzet. Reimond Tollenaere, met wie De Clercq in 1941 de collaboratiepolitiek verder had uitgestippeld, was met het Vlaamsch Legioen naar het oostfront vertrokken en daar in januari 1942 gesneuveld. Hij werd in de leiding opgevolgd door Karel Lambrechts die de functie van propagandaleider had overgenomen. Edgard Delvo, die een span vormde met Tollenaere en ook heel wat invloed had uitgeoefend op de leider, verliet de leiding toen hij op 28 maart 1942 leider werd van de Unie van Hand- en Geestesarbeiders (UHGA), de eenheidsvakbond die door de bezetter in het leven was geroepen en waar Arbeidsorde in was opgegaan. Delvo had in het VNV altijd gepleit voor samenwerking met de SS. Vandaar dat hij het vertrouwen genoot van de SS-leiding in Berlijn en de groot-Duitse beweging in Vlaanderen. Eens leider van de UHGA nam hij snel afstand van het VNV en evolueerde in de richting van de DeVlag. Daarmee zag de VNV-leiding haar plan om de UHGA onder controle te krijgen in rook opgaan.

Met Elias kon men verwachten dat de vroegere gematigde vleugel zijn stempel zou drukken op het beleid. In die gematigde vleugel zat evenwel de klad. Secretaris-generaal Gerard Romsée bleef slechts op papier lid van de leiding. Frans Daels woonde al sedert september 1941 de vergaderingen van de Raad van Leiding niet meer bij omdat hij het niet eens was met het feit dat de groot-Duitse beweging getolereerd werd. In december 1942 nam hij ontslag uit de leiding. Einde 1943 gaf hij zijn ontslag als lid. Ernest van den Berghe kreeg in januari 1943 "onbepaald verlof", officieel om gezondheidredenen, in werkelijkheid trad ook hij terug uit onvrede.

Elias moest dus van start gaan met een fel geamputeerde Raad van Leiding. Veel problemen bracht dit niet mee want hij riep de Raad nooit samen. Hij liet het laatste franje van een collectieve leiding vallen en trad op als een autoritaire leider. Officieel bleef de Raad bestaan, er kwamen zelfs nog nieuwe benoemingen. In februari 1944 werd de Limburgse gouwleider Theo Brouns opgenomen en in april 1944 DMS-leidster Jetje Claessens.

Evenmin als zijn voorganger heeft Elias stappen ondernomen om te breken met de collaboratie. Hij wilde wel de krachtmeting met de groot-Duitse concurrentie op de spits drijven. Ook op dat punt zette hij de lijn van De Clercq verder, zij het op een andere manier. Elias koos voor een diplomatieke krachtmeting in plaats van een machtsontplooiing op de straat. Overigens had hij weinig keuze, want de aanhang van het VNV slonk. Er was niet alleen het verlies van leden aan de concurrent, vele VNV'ers verlieten het zinkende schip. In 1942 telde het VNV nog meer dan 40.000 leden. In 1944 schoot er nog een vierde van over. In het VNV rommelde het bovendien steeds luider. Elias werd geconfronteerd met dissidente groot-Nederlandse stromingen die aan impact wonnen. Het meeste weerklank kreeg de brief van de Gentse dominicaan Jules Callewaert aan de VNV-leiding, april 1943, die Elias een slappe politiek verweet. In juli 1943 dreef Jeroom Leuridan de zaken op de spits. Het was algemeen bekend dat de West-Vlaamse gouwleider sympathiseerde met het Dietsch Eedverbond, een van de clandestiene groepen aan de rand van het VNV. Leuridan verklaarde de oorlog aan de DeVlag tijdens een redevoering op 21 juni 1943 en kreeg prompt een spreekverbod opgelegd door de bezetter waarna twaalf West-Vlaamse VNV-burgemeesters met ontslag dreigden. Daarmee werd het fundament van de samenwerking tussen het VNV en het Militaire Bestuur in gevaar gebracht. Rond die tijd werd ook bekend dat het Vlaamsch Legioen werd afgeschaft en dat de vrijwilligers verplicht werden toe te treden tot de Waffen-SS. Dit wekte grote beroering bij VNV-gezinde vrijwilligers en bij hun achterban in Vlaanderen.

Dit alles noodzaakte Elias tot een diplomatiek succes om zijn achterban niet verder te zien slinken en aldus elke geloofwaardigheid als nationaal-socialistische eenheidspartij te verliezen. Elias wilde erkend worden als de enige door Berlijn gesteunde Vlaamse leider. Hij hoopte die beslissing te forceren met een schoktherapie. Op 14 augustus 1943 staakte hij elke samenwerking met de SS, incluis de werving voor het Vlaamsch Legioen en de Waffen-SS. Het was een signaal dat in Berlijn moest worden gehoord. Elias hoopte zo de hoogste instanties te kunnen spreken, ook dat nam hij over van zijn voorganger. Tot dan toe had hij het moeten stellen met Gottlob Berger, de chef van het SS-Hauptamt. Zijn tactiek mislukte in eerste instantie. Er kwam geen uitnodiging. Het pad werd pas geëffend nadat Elias een knieval maakte door in een brief aan Heinrich Himmler, 15 december 1943, het Dietse ideaal af te zweren en zich onvoorwaardelijk te onderwerpen aan de wensen van de Reichsführer-SS. Op 29 februari en 1 maart 1944 vond de ontmoeting plaats. Dat ook DeVlag-leider Jef van de Wiele op het appel was, was al een teken aan de wand. De hoop dat een gematigde opstelling de tegenpartij tot een tegemoetkomende houding zou verleiden, bleek ijdel. Himmler weigerde de toezegging van een tot op zekere hoogte zelfstandig Vlaanderen in een Germaanse statenbond, zoals hij weigerde de steun aan de DeVlag op te zeggen. Elias hoorde uit de mond van de man die in het Derde Rijk verantwoordelijk was voor de Germaanse politiek, dat Duitsland aanstuurde op een annexatie van België en Nederland en dat ten hoogste de Nederlandse taal zou bewaard blijven. Elias wist nu zeker dat de VNV-collaboratie op drijfzand was gebouwd. Hij vroeg de ontbinding van het VNV. Maar ook dat weigerde Himmler.

Elias keerde met lege handen en een illusie armer huiswaarts. Hoe moest het nu verder? De omstandigheden gaven het antwoord. Het VNV was met handen en voeten gebonden aan de bezetter. Aan een terugkeer uit de collaboratie viel niet te denken. Alle bruggen waren verbrand. VNV'ers werden door hun massale aanwezigheid in de besturen en de controleorganisaties meer dan welke groep ook in de collaboratie geviseerd door het verzet, zowel het linkse Onafhankelijksfront als het zogenaamde 'rechtse' koningsgezinde verzet. In de Leuvense, Brusselse en de Limburgse regio was er zelfs sprake van een echte terreur. Na de landing in Normandië, toen de bevrijding nog een kwestie van tijd was, werden collaborateurs vogelvrij verklaard. Zo geraakte het VNV gedurende de laatste weken van de bezetting betrokken bij de tegenterreur. Medio 1943 waren al VNV'ers bewapend als Hilfsfeldgendarmen. Ze konden worden ingezet als versterking van de Feldgendarmerie, de militaire politie van het bezettingsbestuur. Rond de jaarwisseling 1943-1944 traden 150 van hen op in Limburg. Medio 1944 traden ze opnieuw op in de speciaal daarvoor opgerichte Dietsche Militie-Politie, een onderdeel van de VNV-militie. Ze werkte samen met SS'ers onder leiding van een in juli 1944 aangestelde Höhere SS- und Polizeiführer. De DeVlag en de SS-Vlaanderen grepen al veel vroeger naar het harde geweld. Een groep onder leiding van de Vlaamse SS'er en DeVlag-kaderlid Robert Verbelen vermoordde in februari 1944 een aantal vooraanstaande personaliteiten, waaronder Alexandre Galopin, gouverneur van de Société Générale. Op 1 juni 1944 richtte Verbelen het Veiligheidskorps van de DeVlag op waarmee hij onder meer in Limburg terreur zaaide. De dubbele razzia op 1 en 11 augustus 1944 op Meensel-Kiezegem was het bloedige hoogtepunt. Vier burgers stierven ter plekke, honderd anderen werden gedeporteerd naar Duitse concentratiekampen. Slechts acht overleefden er.

In dit klimaat was het een illusie te menen dat de collaboratie nog een aanknopingspunt kon vinden bij de bezette bevolking. Nochtans was de strategie van Elias precies daarop gericht. Hij ging uit van de hypothese dat er een vrede door vergelijk zou komen tussen de westerse geallieerden en Duitsland. In België kon er zo een machtsvacuüm ontstaan waarbij het VNV de orde zou handhaven, samen met Belgische groepen rond de koning. Hij rekende daarvoor op secretaris-generaal Romsée en een deel van de Belgische rijkswacht onder leiding van de door Romsée aangestelde Vlaams- en Nieuwe Orde-gezinde luitenant-kolonel Adriaan van Coppenolle. Veel meer dan een hypothese was deze strategie niet. Ten eerste was ze gebaseerd op de foute veronderstelling dat Romsée en het hof overleg pleegden en dat het hof de politiek van Romsée (en dus de machtsgreep van het VNV) goedkeurde. Dit laatste was beslist niet het geval en het eerste niet meer sedert 1943. Tot medio 1943 had Romsée geregeld contact met Robert Capelle, de secretaris van de koning. Deze contacten verliepen in een dubbelzinnige sfeer waarbij Romsée (en medestanders zoals Van Coppenolle) de indruk konden hebben de goedkeuring van het hof te hebben.

De veronderstelling dat het VNV zelf in staat zou zijn geweest de orde te handhaven was eveneens ijdel. Ten eerste zaten de bewapende VNV'ers grotendeels in militaire formaties die door het Duitse leger werden bevolen. Ten tweede erkenden vele militaire collaborateurs het gezag van de VNV-leiding niet meer als gevolg van de stijgende invloed van de groot-Duitse beweging.

Militaire collaboratie

Vele duizenden Vlamingen droegen de wapens in Duitse militaire formaties. Na de oorlog waren er in België meer dan 30.000 veroordelingen wegens wapendracht uitgesproken. De geschiedenis van de militaire collaborateurs was nauw verbonden met de politieke collaboratie, al betekent dat lang niet dat alle wapendragers politiek gemotiveerd waren. Het betekent evenmin dat er een gestructureerde gewapende macht bestond in handen van de leiders van de collaborerende bewegingen. De militaire collaborateurs waren verdeeld over vele formaties die deel uitmaakten van diverse onderdelen van de Duitse strijdmachten. Ze vielen onder de Duitse krijgswetten en ze werden finaal vanuit Berlijn bevolen. Een overzicht:

De militaire collaboratie aan het oostfront was de meest in het oog springende Vlaams-Duitse samenwerking. Er werd een ware propagandaslag rond gevoerd. De werving voor het Vlaamsch Legioen en de Waffen-SS had dan ook een grote symboolwaarde. De rekruten belichaamden de gemeenschappelijke strijd. In de opbodpolitiek tussen de collaboratiebewegingen waren ze politieke pasmunt. Medio 1943, op het moment dat het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) zich uit de werving terugtrok, hadden zich ongeveer 4000 Vlamingen gemeld. Ongeveer een vierde was lid van het VNV. Een 300-tal vrijwilligers was lid van de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag) en/of de SS-Vlaanderen. De anderen verklaarden geen lid te zijn van een politieke partij, hoewel er zonder twijfel nog heel wat sympathisanten van het VNV of de DeVlag/SS bij zaten. Het wijst erop dat heel wat rekruten om persoonlijke redenen dienst namen. Het anticommunisme en/of de bewondering voor het nationaal-socialisme waren sterke drijfveren die ook buiten de radicaal Vlaamsgezinde middens aanwezig waren. Het katholicisme had van het anticommunisme voor de oorlog een hoofdthema gemaakt. Tijdens de bezetting wees de Kerk de werving voor het oostfront af, onder meer door de communie te weigeren aan geüniformeerde vrijwilligers. Een formele veroordelende verklaring legde de Kerk evenwel niet af, zodat er dubbelzinnigheid kon blijven bestaan, temeer daar sommige collaborerende geestelijken, zoals bijvoorbeeld Cyriel Verschaeve, vooraan stonden in de werving.

Het overgrote deel van de VNV-gezinde vrijwilligers had zich gemeld voor het Vlaamsch Legioen, dat medio 1943 ongeveer 2500 Vlaamse vrijwilligers telde. Ze hadden een aparte legioeneed afgelegd waarin ze trouw zwoeren aan Adolf Hitler als opperbevelhebber van de Duitse strijdkrachten voor de strijd aan het oostfront. Zij werden evenwel geëncadreerd door de Waffen-SS. Net als Waffen-SS'ers werden ze door Heinrich Himmler beschouwd als politieke soldaten van de Heim-ins-Reich-beweging. Ze ontvingen dan ook een groot-Duitse en ook antikatholieke politieke vorming die regelrecht inging tegen het engagementsmotief van velen van hen. De indoctrinatie sorteerde effect. Slechts een minderheid verzette zich en zette de VNV-leiding onder druk om iets te ondernemen. Toen medio 1943 het Vlaamsch Legioen onder meer om politieke redenen werd afgeschaft en de vrijwilligers, die allen een engagement voor de duur van de oorlog hadden aangegaan, gefuseerd werden met de Vlaamse Waffen-SS'ers in de Sturmbrigade Langemarck, brak een korstondige rebellie uit. Enkele honderden vrijwilligers namen zich voor de SS-eed aan Hitler als Führer des Reiches te weigeren. Een harde kern volhardde ondanks zware druk en mutaties naar strafeenheden. Ze zochten steun bij Hendrik Elias, die evenwel de raad gaf de eed af te leggen. De VNV-leider beschouwde de aanwezigheid van VNV'ers in de Waffen-SS als een politiek verloren zaak. Na de breuk met de SS op 14 augustus 1943 startte hij de werving voor de Kriegsmarine waarin zich nog enkele honderden Vlamingen engageerden. De stopzetting van de werving voor de Waffen-SS gebeurde weinig beslist en de werving werd zeker niet tegengewerkt. De DeVlag/SS vergrootte de werfinspanning om te bewijzen dat het VNV ook op dit punt niet onmisbaar was. Bij de Vlamingen die nog voor de bevrijding werden aangeworven in Vlaanderen en bij de tewerkgestelde Vlamingen in Duitsland waren nog enkele honderden VNV'ers.

Na de bevrijding meldden zich nog een 4000-tal Vlamingen voor de in september opgerichte SS-Division Langemarck. Het waren grotendeels naar Duitsland gevluchte collaborateurs die vaak al bij andere (para)militaire groeperingen of collaborerende jeugdbewegingen waren aangesloten. Er werd druk uitgeoefend en soms gebeurden de meldingen collectief, zodat er niet meer kan worden gesproken over een vrij engagement.

Van de in totaal ongeveer 10.000 Vlamingen die zich in het Vlaamsch Legioen en de Waffen-SS engageerden sneuvelden er ongeveer 2000. De meesten kwamen om aan het oostfront waar ze werden ingezet tegen het Rode Leger en de partizanen onder meer aan het noordelijke front bij de belegering van Leningrad en in de veldslagen aan de Wolchow, het zuidelijke front in Oekraïne en de gevechten aan de Oder op het einde van de oorlog. Enkele honderden Vlaamse Waffen-SS'ers, vrijwel allen aangesloten bij de SS-Vlaanderen, werden in Vlaanderen ingezet in het kader van anti-verzetsactiviteiten.

Aan het oosfront waren voorts nog Vlamingen actief in het Nationalsozialistisches Kraftfahrkorps (NSKK), een gemilitariseerde transportorganisatie, en de Organisation Todt (OT), een in oorsprong particuliere maatschappij die militaire infrastructuurwerken uitvoerde. De werving voor NSKK en OT ving al in 1940 aan. Ze was aanvankelijk opgezet als werkverschaffing waarbij de gunstige arbeidsovereenkomsten een lokmiddel waren. De inzet gebeurde vooral in Frankrijk bij de bouw van de Atlantikwall. Al spoedig werd de werving gepolitiseerd. Het VNV startte al in de lente van 1941 een werfcampagne voor de NSKK. Na het uitbreken van de oorlog met de Sovjet-Unie werd de werving opgevoerd. Het VNV beschouwde het als een onderdeel van zijn oorlogsinspanning. Ze probeerde de politieke controle over de vrijwilligers te bewaren. Daartoe werden onderhandelingen aangeknoopt met de NSKK-leiding die resulteerden in de afspraak dat de aangeworven leden lid moesten zijn van het VNV. Zij maakten deel uit van de DM-Motorbrigade. Formeel was dat een onderdeel van de VNV-militie, in de praktijk was het een papieren organisatie aangezien de Vlaamse NSKK'ers versplinterd werden ingezet aan en achter de duizenden kilometers frontlinie, vooral, maar niet uitsluitend, in de Sovjet-Unie. Vanaf 1943 verloor het VNV het werfmonopolie daar de DeVlag een eigen werving opstartte en naar analogie met het VNV een DeVlag-Motorkorps stichtte. De NSKK-leiding speelde gretig in op de opbodpolitiek. Bij de OT ontwikkelde zich een soortgelijk scenario, zij het dat de werving veel minder gepolitiseerd werd en de dienstcontracten hoofdzakelijk individuele arbeidcontracten bleven.

Gedurende de hele oorlog namen ongeveer 8000 Belgen dienst in de NSKK en 10.000 in de OT. De contracten waren meestal van korte duur. Het aantal Vlamingen dat zich engageerde is niet precies bekend, evenals het aantal vrijwilligers dat dienst nam uit uitgesproken politieke motieven.

In Vlaanderen opereerden twee paramilitaire organisaties die geleidelijk aan gemilitariseerd werden.

De Vlaamsche Wacht werd in mei 1940 opgericht door het Verbond der Vlaamse Oud-Strijders (VOS). VOS was ondanks zijn vooroorlogs pacifistisch profiel al spoedig in de ban van de Nieuwe Orde geraakt. Dat gebeurde in het zog van het VNV. Al voor de oorlog overlapte de achterban van de beide organisaties elkaar. In augustus 1940 traden de leiders van VOS toe tot de Volksbeweging. Einde april 1941 onderhandelden de VOS-leiders met de Militärverwaltung over de oprichting van Vlaamse hulptroepen van de bezettingsmacht. VOS startte de werving voor wat werd voorgesteld als een soort Vlaamse rijkswacht. Het werd een succes. In juni 1941 konden al een duizendtal vrijwilligers worden opgeroepen. Na verloop van tijd telde de formatie zo'n 2500 manschappen. Voor het kader werd gerekruteerd onder de Vlaams-nationalistische en Nieuwe Orde-gezinde Luitenant De Winde-kring van officieren in Duitse krijgsgevangenschap. Al spoedig bleek dat de Vlaamsche Wacht veeleer een verlengstuk was van de Duitse bezetter, opgeleid en bevolen door Duitse militairen. De bemoeienissen van VOS en ook van het VNV werden niet langer geduld. De uit Duitsland overgekomen Vlaamse officieren waren bereid de Duitse strategie mee te spelen omdat ze de Vlaamsche Wacht buiten alle 'politieke actie' wilden houden. Daarmee wezen ze de door het VNV geclaimde machtsmonopolie af. Hoewel de VNV-propaganda de Vlaamsche Wacht graag voorstelde als een bewapende partijgarde en embryo van een toekomstig Vlaams leger, kon de partij niet verhinderen dat de Wachters, waarvan er velen uit het VNV kwamen, in 1944 als Wehrmachtsangehörige deel uitmaakten van de Duitse strijdkrachten, ver buiten de macht van het VNV. De manschappen moesten een eed van trouw aan de Führer afleggen. Bij de bevrijding vluchtte de Vlaamsche Wacht naar Duitsland, waar de meeste leden in blok toetraden tot de Waffen-SS.

De Vlaamsche Fabriekswacht was in oorsprong een privé-initiatief van Christiaan Turcksin, een VNV'er die een door Vlaamsgezinden bezocht café uitbaatte in de buurt van de vliegvelden van Evere en Melsbroek. Op deze vliegvelden was de Duitse Luftwaffe gestationeerd, die als operationele eenheid een autonome bevelstructuur had buiten de Militärverwaltung. Zo onderhandelde het Luftgaukommando op eigen houtje met Turcksin die als koppelbaas optrad om betrouwbare mannen te vinden voor bewakingsopdrachten. Zo ontstond in oktober 1941 de Vlaamsche Fabriekswacht, een bewakingseenheid die ondanks haar misleidende benaming werkte voor de Luftwaffe. Ze werd geleid door Turcksin die aanvankelijk samenwerkte met het VNV. Door de aanwerving van VNV'ers verzekerde Turcksin zich van ideologisch betrouwbare wachters. Bovendien konden ze optreden in het uniform van de Dietsche Militie – Zwarte Brigade (DM-ZB), wat Turcksin kosten bespaarde. Voor Turcksin woog het zaken doen door. Zolang dat niet in het gedrang kwam, honoreerde hij de samenwerking met het VNV. In april 1942 werd de Fabriekswacht zelfs een formeel onderdeel van de VNV als de DM-Wachtbrigade. Het VNV kon de werfinspanningen politiek verzilveren en waande zich verzekerd van de politieke controle. Toen de VNV-leiding Turcksin financieel aan banden wilde leggen en hem de effectieve controle uit handen wilde nemen, kwam ze bedrogen uit. Turcksin onderhandelde rechtstreeks met het Luftgaukommando. In mei 1943 werd de DM-Wachtbrigade omgevormd tot de Vlaamsche Wachtbrigade die als gemilitariseerde Wehrmachtsgefolge onderworpen was aan de Duitse krijgswetten. Het VNV probeerde Turcksin nog aan de kant te schuiven maar beet volledig in het zand toen het Luftgaukommando ook nog liet weten dat de wachters niet langer lid van het VNV moesten zijn. De Vlaamsche Wachtbrigade vluchtte naar Duitsland waar Turcksin erin slaagde de opslorping door de Waffen-SS te verhinderen. De Wachtbrigade werd wel omgevormd tot de Vlaamsche Flakbrigade en werd zo een onderdeel van de Luftwaffe.

De Groot-Duitse Pyrrusoverwinning in de Reichsgau Flandern en de Vlaamsche Landsleiding

Op 12 juli 1944 besliste Adolf Hitler eindelijk over het politieke lot van België. Het Belgische grondgebied werd geannexeerd onder de vorm van een Reichsgau Flandern en een Reichsgau Wallonien. In Vlaanderen zou de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag) van Jef van de Wiele de openbare macht in handen nemen. Zijn aanhang werd op zo'n 60.000 leden geschat, ongetwijfeld een overschatting. Het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) werd uitgerangeerd. In Wallonië ging de macht naar Léon Degrelle en zijn Rex-beweging. Zo plukte Degrelle de vruchten van zijn politieke bochtenwerk in de richting van de macht. Na zijn geloofsbetuiging in het nationaal-socialisme had hij de strijd aan het oostfront aangegrepen als manier om zich in de kijker te werken. Dat lukte aardig. Degrelle en zijn Légion Wallonie hadden al spoedig een reputatie. De Rex-leider had inmiddels begrepen dat Heinrich Himmler de machtigste beschermheer was. Hij slaagde erin de Walen als geromaniseerde Germanen te doen erkennen. Zo lag de weg vrij tot een opname van het Waals Legioen in de Waffen-SS en tot een ontmoeting van Degrelle met Hitler, iets waarin geen enkel Vlaams collaboratieleider ooit lukte. Rex werd dus de Waalse groot-Duitse beweging, al bleven er nog nauwelijks Walen over die Degrelle volgden.

Van de Wiele en Degrelle waren wel ondergeschikt aan Reichskommissar Joseph Grohé, een echte Duitser die de Zivilverwaltung Belgien und Nord-Frankreich leidde.

Het burgerlijke bezettingsbestuur was van korte duur en het heeft zich nooit echt kunnen vestigen. Op 3 september rolden de geallieerde tanks Brussel binnen. Inmiddels hadden een 15.000-tal Vlaamse collaborateurs vaak met hun familieleden, zich uit de voeten gemaakt in de richting van Duitsland, onder wie vrijwel alle topmensen uit de Vlaamse collaboratiebewegingen.

DeVlag-leider Van de Wiele werd tot Vlaamse 'Landsleider' aangesteld. Vanuit zijn hoofdkwartier in Bad Pyrmont vormde hij met hoge kaderleden van de DeVlag en de SS-Vlaanderen de Vlaamsche Landsleiding, een embryonale regering in ballingschap. Net als het VNV in 1940 breidde hij de leiding van zijn beweging uit met enkele 'representatieve' figuren. Zo werd een beschermcomité opgericht met Cyriel Verschaeve, August Borms en Antoon Jacob, een na de Eerste Wereldoorlog naar Duitsland uitgeweken activist. Verschaeve had zich al vroeg tot de SS-strekking bekend. Tegenover Himmler had hij herhaaldelijk zijn voorkeur voor Van de Wiele en de DeVlag geuit, onder meer in een persoonlijk onderhoud op 26 juni 1944. Borms daarentegen leunde aan bij het VNV, hoewel hij zoals altijd boven de 'partijen' wenste te staan en nog in 1940 geweigerd had toe te treden tot de VNV-leiding. Nu werd hij de facto een boegbeeld van de groot-Duitse strekking. Borms en Antoon Jacob belichaamden tevens de band met het activisme. Jacob behoorde tot de eerste Raad van Vlaanderen. Na de oorlog uitgeweken naar Duitsland kwam hij in de ban van het nationaal-socialisme. In 1940 trad hij toe tot de Vlaamsche Cultuurraad waar hij de strekking van de DeVlag versterkte.

Van de Wiele slaagde er niet in veel VNV'ers warm te maken voor de Landsleiding. Enkele uitzonderingen niet te na gesproken bleven de gevluchte kaderleden afzijdig. Hendrik Elias vestigde zich te Lippstadt waar hij een VNV-secretariaat oprichtte. De politieke en militaire omstandigheden maakten een georganiseerde VNV-werking evenwel onmogelijk. Elias' weigering om mee te werken met de Landsleiding had nog slechts een symbolische betekenis. Hij kon de belangrijkste activiteit van de Landsleiding, namelijk de werving voor de SS-Division Langemarck, ook niet tegenwerken, al gaf hij wel het consigne aan zijn medestanders om zich niet te melden.

Toen met de voorbereiding van het von Rundstedtoffensief een 'bevrijding' van het Belgisch grondgebied in het verschiet kwam, werden Degrelle en Van de Wiele ontvangen door de Duitse minister van buitenlandse zaken op respectievelijk 8 en 15 december. Van de Wiele werd officieel bekrachtigd als Leiter des flämischen Befreiungskomitees. Elias kreeg rond dezelfde tijd het bevel zich te vestigen in een hotel in de Alpen onder toezicht van de Gestapo.

België werd niet 'bevrijd' door de Duitsers. De geallieerden dwongen het 'duizendjarige rijk' op de knieën. In België herstelde het democratische regime zich. Een van de eerste delicate taken was de bestraffing van de "medewerking met de vijand" van zo'n honderduizend Belgen. Vlaams-nationalisten, Dietsers en groot-Duitsers werden verenigd in de beklaagdenbank. Voor zover bekend speelden hun onderscheiden engagementsmotieven weinig rol in de bepaling van de straf (repressie).

Literatuur

J. Gérard-Libois en J. Gotovitch, L'An 40. La Belgique occupée, 1971; 
A. de Jonghe, Hitler en het politieke lot van België (1940-1944), 1972; 
W.C.M. Meyers, 'De Vlaamse Landsleiding. Een emigrantenregering in Duitsland na september 1944?', in Bijdragen tot de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, vol. 2 (1972), p. 29-86; 
A. de Jonghe, 'De personeelspolitiek van de Militärverwaltung te Brussel gedurende het eerste halfjaar der bezetting (juni-december 1940). Bijdrage tot de studie van de Duitse "Flamenpolitik" in Wereldoorlog II', in BTNG, jg. 3, nr. 1-2 (1972), p. 1-49; 
id., 'De strijd Himmler-Reeder om de benoeming van een HSSPF te Brussel (1942-1944). Deel 1: De Sicherheitspolizei in België', in Bijdragen tot de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, vol. 3 (1974), p. 9-81; 
F. van der Elst, 'Dr. Elias als leider van het V.N.V.', in Bijdragen tot de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, vol. 3 (1974), p. 83-105; 
A. de Jonghe, 'H.J. Elias als leider van het Vlaams Nationaal Verbond. Kanttekeningen bij een artikel van Frans Van der Elst', in BTNG, jg. 6, nr. 3-4 (1975), p. 197-238 en jg. 7, nr. 3-4 (1976), p. 329-423; 
id., 'De strijd Himmler-Reeder om de benoeming van een HSSPF te Brussel (1942-1944). Deel 2: De infiltratie van de politieke kollaboratie in Vlaanderen door de SS van het begin van de bezetting tot de dood van De Clercq (juni 1940-oktober 1942)', in Bijdragen tot de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, vol. 4 (1976), p. 5-152; 
id., 'De strijd Himmler-Reeder om de benoeming van een HSSPF te Brussel (1942-1944). Deel 3: Ontwikkeling van oktober 1942 tot oktober 1943', in Bijdragen tot de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, vol. 5 (1978), p. 5-178; 
id., 'De strijd Himmler-Reeder om de benoeming van een HSSPF te Brussel (1942-1944). Deel 4: Salzburg voor en na. Politieke ontwikkeling van augustus 1943 tot juli 1944', in Bijdragen tot de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, vol. 7 (1982), p. 97-178; 
id., 'De strijd Himmler-Reeder om de benoeming van een HSSPF te Brussel (1942-1944). Deel 5: Salzburg voor en na. Politionele ontwikkeling van september 1943 tot het einde van de bezetting', in Bijdragen tot de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, vol. 8 (1984), p. 5-234; 
B. de Wever, Oostfronters. Vlamingen in het Vlaams Legioen en de Waffen SS, 1984; 
W.C.M. Meyers, 'De politieke houding van Verschaeve tijdens het laatste oorlogsjaar (na maart 1944). Beschouwingen bij de uitgave van enkele brieven', in Verschaeviana Jaarboek (1984), p. 165-232; 
J. Bouveroux, Terreur in Oorlogstijd. Het Limburgse drama, 1984; 
M. de Wilde, De Kollaboratie (1) (België in de Tweede Wereldoorlog, nr. 5, 1985); 
B. de Wever, 'Verschaeve en het Oostfront. Bijdrage tot de studie van Verschaeves houding ten overstaan van de SS', in Verschaeve en de Tweede Wereldoorlog (Verschaeviana Jaarboek 1987, 1988), p. 131-179; 
L. Wils, Honderd jaar Vlaamse beweging, III, 1989; 
H. van de Vijver, Het cultureel leven tijdens de bezetting (België in de Tweede Wereldoorlog, nr. 8, 1990); 
E. Verhoeyen (e.a.), Het minste kwaad (België in de Tweede Wereldoorlog, nr. 9, 1990); 
L. Huyse en S. Dhondt (e.a.), Onverwerkt Verleden. Collaboratie en repressie in België 1942-1952, 1991; 
F. Seberechts, Geschiedenis van de DeVlag. Van cultuurbeweging tot politieke partij 1935-1945 (ADVN-Reeks, nr. 1, 1991); 
E. Verhoeyen, België bezet, 1940-1944. Een synthese, 1993; 
M. Conway, Collaboration in Belgium. Léon Degrelle and the Rexist Movement, 1993; 
A. Dantoing, La "collaboration" du Cardinal: l'Eglise de Belgique dans la Guerre 40, 1991; 
B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994; 
J. Velaers en H. van Goethem, Leopold III. De Koning, het Land, de Oorlog, 1994; 
B. de Wever, ' 'Rebellen' aan het Oostfront. De politieke moeilijkheden bij de Vlaamse Oostfronters', in WT, jg. 53, nr. 4 (1994), p. 201-215 en jg. 54, nrs. 1-2 (1995), p. 3-11 en p. 81-90; 
E. Raskin, Gerard Romsée. Een ongewoon man, een ongewoon leven, 1995; 
J. van Dingenen, Zijn doel, zijn middelen. Staf De Clercq, het VNV, de collaboratie, 1995; 
D. Luyten, Burgers boven elke verdenking? De vervolging van de economische collaboratie in België na de Tweede Wereldoorlog, 1996.

Auteur(s)

Bruno de Wever