Claus, Hugo

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Brugge 5 april 1929).

Uitte zich in zijn zeer omvangrijk oeuvre (poëzie, verhalen, romans, toneelstukken, in het begin ook essayistiek) vrij expliciet over zijn moederland Vlaanderen, maar zeer zelden over de V.B., behalve terloops in een of ander interview. In zijn vormingsjaren verbleef Claus vaak buiten België: zijn werk kwam tot stand in de context van internationale artistieke en geestesstromingen. Hij zou overigens vaak buiten Vlaanderen verblijven en gaan wonen. Als verweer tegen de biologische vader en tegen het land "waar de vadervlag uithangt" zonder meer zocht hij alternatieve vaders in figuren als Antonin Artaud (de vroege gedichten Aan Antonin Artaud of Surgens venit ad patrem, een eigenzinnige verwerking van de parabel van de verloren zoon, die zich bij zijn thuiskomst allesbehalve in het huiselijke bestel integreert en toen al symbool kon staan voor de mentale en intellectuele uithuizigheid van Claus zelf). Buiten de Vlaamse literaire traditie zocht hij aansluiting bij modernistische technieken van het Franse surrealisme, evenals van Ezra Pound en T.S. Eliot, en bij geestverwanten als Dylan Thomas (hij vertaalde diens Under Milkwood). Als lid van de in Parijs gestichte COBRA-groep schilderde hij in zijn eerste periode, exposeerde collectief en individueel, en droeg technieken van die picturale avant-garde over op zijn poëzie. Levensbeschouwelijk leunde hij aan tegen het existentialisme.

Die uitheemse connecties, zowel van artistieke als van levensbeschouwelijke aard, werden door Vlaamse critici met een 'rechtse' of katholieke overtuiging vrij lange tijd als aanstootgevend afgewezen. Zijn werk bleef in die milieus aanvankelijk ondergewaardeerd. Claus cultiveerde een sfeer van schandaalschopperij rond zijn persoon (bijvoorbeeld het incident van de drie naakte mannen als Heilige Drievuldigheid op de scène bij de voorstelling van zijn bewerking van Marieke van Niemeghen als Masscheroen tijdens een filmfestival in Knokke, waarvoor hij een gerechtelijke veroordeling opliep). Wat de uitbuiting van mediatieke publiciteit betreft, zowel rond zijn persoon als rond zijn werk, heeft hij in Vlaanderen bakens verzet. Hij is een gegeerd 'performer' op de scène. De publieke heisa rond de publicatie van Belladonna in 1994 overtrof nog die rond Het verdriet van België in 1983. Bovendien is hij een van de weinige Vlaamse voltijdse auteurs die alleen van hun artistiek talent leven. Als duivel-doet-al is hij in verscheidene kunsttakken talentrijk actief geweest, bijvoorbeeld als toneelregisseur, scenarist voor films en tv-spelen en als cineast. Hij draaide zelf drie films: De vijanden (over het von Rundstedt-offensief), De Leeuw van Vlaanderen en Het sakrament, een verfilming van Omtrent Deedee. Hij ging op Vlaanderen en België neerkijken als op een Lilliput, een 'apenland' waar iedereen sjoemelt en waar hij zich behoorlijk goed thuis voelt, zo zei hij ooit in een interview met Jef Geeraerts, omdat hijzelf iets heeft van de geboren bedrieger.

Is hij een van de meest erudiete en internationaal alerte Nederlandstalige schrijvers van de laatste halve eeuw, dan is hij aan zijn taalgebruik onmiddellijk als Vlaming herkenbaar. Die gevoelstoon van zijn taal, die nochtans heel dicht staat bij de algemeen-Nederlandse standaard, verleent hem in Nederland een uitheemse charme en maakt hem bijzonder moeilijk vertaalbaar. Hij maakte van zijn taal – een mengsel van Zuid-Nederlands, Hoogvlaams en Nederlands – zijn zegelmerk. Ook thematisch wordt Vlaanderen vaak opgeroepen, zij het veelal kritisch, zelfs sarcastisch of cynisch in een lachspiegel.

Onder zijn gedichten kunnen vermeld worden: West-Vlaanderen (een dubbelzinnige ode aan het geboorteland, te vergelijken met Le plat pays van Jacques Brel), Gistel-bij-Brugge, April in Paris, Visio Tondalis, Het teken van de hamster, Bosliedje, de cyclus Suite flamande uit de bundel Van horen zeggen, door hemzelf tot tv-film bewerkt, de protestverzen tegen het pausbezoek, Een weerzinwekkend bezoek; onder zijn romans en verhalen: De Metsiers, De hondsdagen, Natuurgetrouw, De verwondering, Omtrent Deedee, Het verdriet van België, De mensen hiernaast, De zwaardvis, Belladonna, met de geladen ondertitel Scènes uit het leven in de provincie; onder zijn toneelstukken: Suiker, Het leven en de werken van Leopold II, Het Goudland (naar Conscience), Tijl Uilenspiegel, Tand om tand, Vrijdag, Jessica (de gelijknamige roman in toneelvorm), Interieur (de toneelbewerking van Omtrent Deedee), Thuis, de pastiche Onder de torens. Hij biedt min of meer realistische, in elk geval goed herkenbare kopieën van Vlaams leven (als in Omtrent Deedee), die soms nauw aanleunen bij naturalistische voorbeelden (Cyriel Buysses Driekoningenavond voor Vrijdag), of hij weeft tal van mythische, cultuurhistorische, soms vrij cryptische allusies op het raster van herkenbare Vlaamse aanknopingspunten (als in Het Verdriet van België).

Claus stelt zich tegen het moederland bij voorkeur op als individualistische anarchist en stoot het als kleinburgerlijk bekrompen, 'katholiek' en 'nationalistisch' van zich af. Het Vlaams nationalisme aanziet hij als kleinzielig provincialisme. Zelf heeft hij zich bij gelegenheid nieuw-links gedragen, of hij doet solidair met emancipatorische groeperingen die veel publicitair lawaai maken. Aan de basis van die houding ligt "een algemene staat van onbehagen", zo zei hij in een interview naar aanleiding van de voorstellingen van Oidipus en In Kolonos in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg (seizoen 1994-1995): "Ik functioneer alleen schuimbekkend tegenover mijn omgeving." Die aversie geldt ook (en vooral) de socio-politieke context Vlaanderen en België. Fascistoïde trekken van dat land – zowel autobiografisch verbonden als verankerd in een stuk recente geschiedenis van Vlaanderen – beeldde hij vooral uit in De verwondering en Het verdriet van België. Dat verleden fascineert hem, allicht omdat het zo diep in zijn eigen vormingsjaren zit. Als Walter van den Broeck ooit zei: "Ik hou van de Kempen als van een debiel broertje", dan zou Claus van Vlaanderen kunnen houden als van een tegelijk gehate én gekoesterde stiefzus. Zowel in zijn meest openlijk desavouerende als in zijn gesofistikeerd verhullende teksten (zoals de twee genoemde romans rond de ontsporingen van het Vlaams-nationalisme) rekent hij af met een autoritair, fascistisch wereldbeeld, dat hij met een verdrukkende vaderfiguur associeert. Gezag in al zijn vormen (de politiek, de kerk, de school) wekt zijn agressie op. Die constellatie kan oidipaal geïnterpreteerd worden als emotionele aanhankelijkheid aan de moeder (moeder Vlaanderen, hoe dan ook de geboortegrond en de bodem van zijn moedertaal) en opstandige afwijzing van de vader (symbool van geredelijk als tirannie ervaren autoriteit, die van de traditie niet het minst). Incestrelaties, in een oidipale constellatie te relateren aan een moederbinding, komen in zijn werk voor vanaf Een bruid in de morgen en De Metsiers (beïnvloed door William Faulkner). Het wekt geen verwondering dat, terwijl hij zich door de Maatschappij voor Letterkunde te Leiden liet kronen tot 'Meester', hij in 1994 de door de Vlaamse Gemeenschap aangeboden eremedaille weigerde. Vlaanderen heeft hem geëerd met een aantal Staats- (of Gemeenschaps-)prijzen voor poëzie, toneel en roman, en hij verwierf in 1986 als jongste laureaat in de rij de Prijs der Nederlandse Letteren voor zijn hele werk. Hij is in het buitenland de best bekende en meest verspreide Vlaamse auteur na 1945. Al een paar jaar wekken Vlaamse media in september de indruk dat zijn naam voorkomt op de short list voor de Nobelprijs voor literatuur.

Literatuur

T. Govaart, Het geclausuleerde beest, 1962; 
J. Weisgerber, Hugo Claus. Experiment en traditie, 1970; 
J. de Decker, Over Claus' toneel, 1971; 
G. Wildemeersch, Hugo Claus of Oedipus in het paradijs, 1973; 
P. Claes, De mot zit in de mythe. Hugo Claus en de oudheid, 1984; 
id., Claus-reading, 1984; 
D. en J. Weisgerber, Claus' geheimschrift. Een handleiding bij het lezen van Het verdriet van België, 1995.

Verwijzingen

zie: Hendrik Conscience, film, literatuur.

Auteur(s)

Marcel Janssens