Claus, Arthur

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Sint-Niklaas 4 maart 1861 – Hamburg 11 september 1932).

Studeerde te Gent nadat hij te Leuven bij Désiré Mercier de kandidaturen in de filosofie had gevolgd, en werd in 1888 doctor in de geneeskunde. In 1895 werd Claus hoofdgeneesheer van de psychiatrische inrichting te Mortsel. Bijzonder actief publicist in zijn vakgebied, droeg hij veel bij tot de verspreiding van modernere inzichten betreffende verpleging van geesteszieken.

In het begin van de bezetting werd Claus dienstdoend burgemeester van Mortsel, op vraag van Louis Franck. Hij zou evenwel zijn vertrouwen in de Belgische regering verliezen. In 1916 werd hij benoemd tot hoogleraar in de neurologie en psychiatrie aan de door de Duitse bezetter vernederlandste Gentse universiteit. Dit bracht hem in de activistische politiek waarin hij een onafhankelijke koers probeerde te varen (activisme). Hij was voorstander van een federalistisch 'unionistisch' programma (unionisten) en werd voorzitter van het Vlaamsch Verbond in Antwerpen. In een op 7 januari 1917 te Brussel gehouden vergadering bewerkte hij een vergelijk tussen de extremistische Jong-Vlamingen en de gematigde Vlaamsch-Verbonders door de motie-Claus-Jacob, die voor Vlaanderen zelfstandigheid vroeg. Op deze grondslag werd de Raad van Vlaanderen gesticht. In de raadsvergaderingen trad hij erg onafhankelijk op. Het irriteerde hem dat vele activistische topmensen zich al te slaafs tegenover de Duitsers gedroegen die, in zijn ogen, door hun gedrag telkens opnieuw aantoonden dat de activisten en de Vlaamse autonomie voor hen maar een instrument waren in het kader van hun oorlogspolitiek. Hij gaf herhaaldelijk uiting aan zijn ontstemming over deze gang van zaken. Op 18 augustus 1918 nam hij zelfs ontslag uit de Raad.

In oktober 1918 week Claus uit naar Nederland maar hij wilde met een voortzetting van de Raad of met de Duitsers niets meer te maken hebben. In 1920 werd hij bij verstek tot 20 jaar dwangarbeid veroordeeld en afgezet als ambtenaar. In 1922 vestigde hij zich in Hamburg omdat zijn schoonzoon aldaar een kaderfunctie in de scheepvaart aangeboden kreeg. Zowel in Nederland als in Duitsland kon hij zich, gesteund door zijn internationale reputatie, bezighouden met wetenschappelijk onderzoek.

Hij bleef evenwel aandacht hebben voor de gebeurtenissen in Vlaanderen. Op 26 september 1924 keerde hij, na overleg met Paul Vrijdaghs, terug naar België om zich aan een proces te onderwerpen. Het was de bedoeling er een showproces van te maken; zoals hij zelf schreef: "een prachtig propagandamiddel". Daarom vroeg hij de Franstalige rechtsgang aan en koos hij de wallingantische voorman Jules Destrée als zijn verdediger. Hij werd door het assisenhof van Brabant veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en tien jaar ontzegging van burgerrechten. Hij ging in beroep maar de zaak zou doodbloeden in juridische procedures en ingevolge de uitdovingswet (1929) kwam hij kort daarop vrij. Hij zou nog lobbyen om een algemene amnestiewet erdoor te krijgen. Hij stierf onverwachts in een kliniek in Hamburg, waar hij een operatie had ondergaan.

Literatuur

G. Schamelhout, Ethnische vraagstukken en verzamelde toespraken, 1939, p. 51-52; 
D. Vanacker, Het aktivistisch avontuur, 1991.

Auteur(s)

Hendrik D. Mommaerts; Luc Vandeweyer