Clarté-groep

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

groepering van pacifistische intellectuelen (1919-1921).

De Clarté-beweging ontstond tijdens de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk vanuit de wens de intellectuelen te verenigen in hun verzet tegen de oorlog. Het gedachtegoed van de Zwitserse schrijver Romain Rolland diende daarbij als inspiratiebron, maar de eigenlijke vormgever was de Franse romancier Henri Barbusse. Hij richtte in 1919 de Ligue de Solidarité intellectuelle pour le Triomphe de la Cause internationale op, meestal kortweg Clarté genoemd, naar zijn gelijknamige antimilitaristische roman (1918). Deze groepering weigerde expliciet zich een partij te noemen, maar haar antikapitalistische instelling deed haar nauw aansluiten bij de Kommunistische Partij.

Het Franse initiatief kreeg al snel navolging in het buitenland. Paul Colin was de drijvende kracht achter de Belgische sectie, die in het najaar van 1919 totstandkwam. Onafhankelijk van dit initiatief werd op 6 september 1919 de Universeele Humanistische Vereniging (UHV) opgericht door een groepje Antwerpse jongeren. Secretaris was Adolphe Borgers, die ook de promotor was van het psychiatrisch maatschappelijk werk in België. Op 2 oktober van hetzelfde jaar werd deze groep door Colin erkend als Vlaamse onderafdeling van Clarté-België, ondanks concurrerende pogingen van Roger Avermaete en zijn (Franstalig) Antwerps tijdschrift Lumière. Ook op andere plaatsen in Vlaanderen werden afdelingen opgericht, waarvan echter alleen de Brusselse actief optrad.

Op 1 november 1919 liet de UHV het eerste nummer van haar tijdschrift verschijnen onder de titel De Nieuwe Wereldorde. Het bevatte een sterk door Barbusses antikapitalisme geïnspireerd "Manifest aan de Vlaamsche Intellektueelen", dat ondertekend werd door Borgers, Leo Frenssen, G. de Muynck, R. Dielissen, Gaston Burssens, F. Sergent en Paul Kenis. In het tijdschrift werden de ontwikkelingen in de Sovjet-Unie met sympathie gevolgd, terwijl de Belgische Werkliedenpartij (BWP) geregeld onder vuur genomen werd, niet alleen om haar reformistische koers, maar ook om haar weinig Vlaamsgezinde houding. Met de Vlaamse Federatie van de Kommunistische Partij bestond een sterke affiniteit, in die mate zelfs dat De Nieuwe Wereldorde in maart 1920 versmolt met het communistische weekblad De Internationale.

Borgers' pogingen om desondanks voor Clarté een zelfstandige plaats voor te behouden, met als taak de geestelijke voorbereiding van de revolutie, bleken in mei 1920 vruchteloos: de Antwerpse Clarté-afdeling verdween en het algemeen secretariaat van de Vlaamse Clarté-groep verhuisde naar Brussel, waar de leiding berustte bij de socialistische ex-activist Hendrik Tanrez en de literatuurcriticus Kenis. Er verscheen ook een nieuw tijdschrift: Opstanding. Meer dan voorheen stond nu het Vlaamse vraagstuk centraal. Er werd naar een verzoening gestreefd tussen enerzijds een internationalistische en communistische stellingname en anderzijds een Vlaams-nationaal engagement. Daarin kreeg de Vlaamse strijd een uitgesproken sociaal en antikapitalistisch karakter: "De onderdrukking van het Vlaamsche volk is slechts een onderdeel van de internationale overheersching van de groote klasse der bezitloozen ten behoeve van de grootkapitalisten en imperialisten." De Belgische staat was de belichaming van de "militaristisch-kapitalistisch-franskiljonsche reaktie" waartegen men een "revolutionair eenheidsfront" trachtte op te werpen, bestaande uit Fronters, communisten, anarchisten en minderheidssocialisten. Toch treffen we in Opstanding naast deze uitgesproken communistische ook een meer essentialistische interpretatie van het nationalisme aan; zo wees de dichter Victor-Jozef Brunclair, die secretaris was van de Antwerpse sectie, op het gevaar van een kosmopolitische visie voor "de psychische volksgestalte". Echt wereldburgerschap was volgens hem slechts te bereiken via nationale cultuuractie. Het Vlaams-nationalisme van de Vlaamse Clarté-groepen leidde tot een moeizame relatie met Colin, terwijl nochtans Barbusse de nationale strevingen van de Vlaamse Clartéisten steunde, op voorwaarde dat zij zich hoedden voor een beperkt patriottisme.

In 1921 stierf Clarté een stille dood. Het internationalistische, humanitaristische elan van vlak na de Eerste Wereldoorlog was min of meer weggeëbd en er leek geen plaats meer te zijn voor Clarté tussen de Kommunistische Partij en Het Vlaamsche Front. Het was ongetwijfeld dit elan dat gedurende een tweetal jaar in staat was geweest om diepliggendere levensbeschouwelijke tegenstrijdigheden te verhullen. De verdere ideologische evolutie van de Clartéisten is in dat opzicht veelzeggend: naast een aantal figuren die zich van het politieke toneel hebben verwijderd (Albert van Hoogenbemt, Kenis) of die een min of meer 'linkse' positie zijn blijven innemen (Frenssen, Brunclair, Daan Boens), zijn niet weinigen samen met het Vlaams-nationalisme naar 'rechts' opgeschoven (Ernest van den Berghe, Robert van Roosbroeck, Jan Timmermans, Firmin Parasie).

Literatuur

M. Sertyn, 'Avondlandstemming bij de jonge Avant-garde in Vlaanderen na 1918: inspiratiebron voor purito-flaminganten en marginale wereldverbeteraars', in BTNG, jg. 6 (1974), p. 547-580; 
G. Gheysens, De invloed van het geestesinternationalisme van Romain Rolland en Henri Barbusse in enkele Belgische avant-garde tijdschriften (1919-1923), KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1979; 
M. Coppieters, 'Het jaar van de klaproos. II. De Republiek van de Menselijkheid', in Kruispunt, jg. 35, nr. 150 (maart 1993).

Auteur(s)

Marnix Beyen