Centrum van onderzoek voor de nationale oplossing van de maatschappelijke en rechtskundige problemen in de Vlaamse en Waalse gewesten (Centrum-Harmel)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

is de benaming van een politiek studiecentrum dat drie jaar na de Tweede Wereldoorlog werd opgericht om een regeling uit te dokteren voor de wrijvingen tussen de taalgemeenschappen en voor de verzuchtingen inzake regionale autonomie.

Meteen na de bevrijding was gebleken dat het unitaire staatsbestel aan een grondige aanpassing toe was. In Wallonië had een congres van vooraanstaande politici zich op 20 en 21 oktober 1945 uitgesproken, eerst voor de aanhechting van Wallonië bij Frankrijk, vervolgens voor Waalse autonomie binnen de Belgische staat (Waalse Beweging). In Vlaanderen had de collaboratie de V.B. zware schade toegebracht, maar won de federalistische gedachte steeds meer veld en had de dynamitering van de IJzertoren (juni 1945 en maart 1946) verontwaardiging gewekt en de anti-Belgische reflexen weer aangescherpt. Staatsnationale, middelpuntzoekende kringen oordeelden dat, om een escalatie van incidenten te vermijden, het dossier diende te worden toevertrouwd aan een commissie die onpartijdig, onbevooroordeeld en deskundig zou zoeken naar een oplossing die de verstandhouding onder de burgers en de samenwerking tussen de gemeenschappen zou herstellen.

Het jonge Luikse christen-democratische Kamerlid, Pierre Harmel, overtuigd voorstander van de Belgische eenheidsgedachte, nam het initiatief. Hij diende op 21 mei 1946 een wetsvoorstel in tot oprichting van een onderzoekscentrum. In de memorie van toelichting betoogde hij dat het ongunstige klimaat dat de betrekkingen tussen de gemeenschappen kenmerkte, de eenheid van het land zou kunnen bedreigen. Het wetsvoorstel werd, enigszins gewijzigd, nagenoeg eenparig in het parlement goedgekeurd en op 4 juni 1948 als wet gepubliceerd. De opdracht van het Centrum-Harmel bestond erin plaatselijke en gewestelijke eisen te verzamelen en te rangschikken, over te gaan tot alle nuttige onderzoekingen inzake de omvang en de belangrijkheid van de sociale, economische, culturele, morele, politieke en juridische crisisverschijnselen of malaises waaronder een of meer streken van het land zouden kunnen lijden, daarover bij het parlement verslag uit te brengen en middelen voor te stellen om, in het kader van het nationale welzijn, de welvaart en de bloei van iedere streek te waarborgen.

Het Centrum omvatte een demografische afdeling, een economische afdeling, een morele en culturele afdeling en een juridische, politieke en administratieve afdeling. Voorzitter werd de 67-jarige socialistische minister van staat Eugène Soudan. De liberaal Julius Hoste (jr.) en Harmel werden respectievelijk door de Senaat en door de Kamer tot ondervoorzitter benoemd. Het Centrum telde 21 leden benoemd door de Senaat (9 senatoren en 12 niet-parlementsleden) en 21 leden benoemd door de Kamer (9 Kamerleden en 12 niet-parlementsleden). De bestaansduur was beperkt tot twee jaar, maar werd door de wet van 13 juli 1951 verlengd tot 15 juni 1952. De omslachtige werkingsprocedures en het oplaaien van de Koningskwestie waren de oorzaken van de vertraging. De wet van juli 1951 wijzigde ook de naam van het Centrum en verruimde de opdracht tot "de verschillende gewesten van het land" om ook de problemen van de Duitstaligen bij het onderzoek te betrekken. De wet van 12 november 1953 verlengde de bestaansduur nog eens tot 31 december 1953. De laatste vergadering vond plaats op 29 juni 1954, dus buiten de officiële termijn. De plechtige slotzitting van de werkzaamheden werd gehouden op 25 oktober 1955.

Omdat het mandaat van zijn leden niet werd hernieuwd, werd het eindrapport van het Centrum pas neergelegd op 24 april 1958. Dit rapport – dat meer dan 300 pagina's telt – is een inventaris van de grieven die zowel door Vlamingen als Walen op demografisch, economisch, cultureel en taalkundig vlak werden geformuleerd. Over het algemeen is het standpunt van de Franstalige Brusselaars binnen het Centrum eerder zwak vertegenwoordigd.

Als men de omvang van het werk en het aantal zittingen nader bekijkt, moet men constateren dat niet alle secties hetzelfde werkritme hebben aangehouden. Blijkbaar hebben de culturele en politieke afdelingen zich over de meest gevoelige materies gebogen, waardoor hun activiteiten een veel langere periode in beslag hebben genomen.

De demografische sectie schetst een alarmerende balans van de evolutie van de leefdtijdspiramide in België. Het land is in een duidelijke verouderingsfase terechtgekomen, al lijkt de situatie in Wallonië meer catastrofaal. Daarom is het Centrum voorstander van een invoering van een geboorte- en gezinspolitiek met een gedecentraliseerd systeem van kinderbijslagen, waarbij rekening wordt gehouden met de regionale specificiteiten. Brussel wordt beschouwd als een stad die enkel overleeft door de voortdurende instroom van Vlaamse en Waalse emigranten, die zo bijdragen tot de demografische verarming van hun oorspronkelijke regio.

De economische sectie pleit in haar conclusies voor de oprichting van nieuwe bedrijven in Vlaanderen ter bestrijding van de voortdurende en aanzienlijke structurele werkloosheid. Tegelijkertijd mogen deze nieuwe ondernemingen de economische ontwikkeling van Wallonië niet afremmen. De sectie meent bovendien dat de industriële ontwikkeling moet worden aangemoedigd. Maar op dat vlak ligt de scheidingslijn niet zozeer tussen Vlamingen en Walen, maar veeleer tussen de verdedigers van de economische vrijheid en degenen die de tussenkomst van de staat voorstaan. Inzake openbare werken hebben zowel de Vlaamse als de Waalse leden hun grieven en hun prioriteiten op het vlak van economie geuit. Deze conclusies zijn in wezen in grote mate beïnvloed door de verslagen van zowel vertegenwoordigers van het Vlaams Economisch Verbond als van de Conseil économique wallon.

De sectie cultuur heeft zich beziggehouden met de essentiële vragen rondom de taalkundige minderheden, het bestaan van culturele gemeenschappen en de specifici

teit van Brussel. Voorts heeft zij de kwestie van het taal- en geschiedenisonderricht en de Duitse taalminderheid aangesneden. Uiteraard worden de conclusies van het verslag van het Centrum-Harmel het vaakste aangehaald in verband met de taalminderheden. Volgens deze besluiten moeten de taalminderheden zich aanpassen en – op termijn – verdwijnen. Er kan dus geen sprake zijn van ze te beschermen. Brussel vormt geen specifieke culturele gemeenschap; de hoofdstad, waarvan de prerogatieven dienen te worden beperkt, behoort zowel tot Vlaanderen als tot Wallonië. De afwezigheid van de Franstalige Brusselse gevoeligheden is hier duidelijk, evenals de zeer anti-Brusselse geest van bepaalde leden van deze sectie. Met betrekking tot het geschiedenisonderwijs pleiten de commissieleden voor meer ruimte voor plaatselijke en regionale gebeurtenissen en voor een distantiëring van de Belgische geschiedschrijving volgens Henri Pirenne. Ook inzake de keuzevrijheid van de tweede, derde en vierde taal bereikt men overeenstemming.

De werkzaamheden van de politieke sectie betroffen voornamelijk de definitieve vastlegging van de taalgrens en de afschaffing van het taalkundige luik van de tienjaarlijkse volkstelling, de evenredige vertegenwoordiging van Vlaanderen en Wallonië, de oprichting van consultatieve raden voor economische en sociale materies – in deze context wordt de specificiteit van Brussel effectief erkend – de ontdubbeling van het ministerie van nationale opvoeding en de oprichting van taalrollen binnen de ministeriële departementen.

Zonder twijfel werden door de werkzaamheden van het Centrum-Harmel de communautaire problemen een tijdje bevroren. Andere politieke problemen zoals de Koningskwestie en de schooloorlog stonden toen bovenaan op de agenda. Bepaalde leden koesterden de hoop dat de bevindingen van het Centrum oplossingen zouden meebrengen. Maar door de verkapte onverschilligheid en zelfs vijandigheid van de traditionele politieke krachten werden de besluiten in een sfeer van bijna complete desinteresse ontvangen. Niettemin werd later het eindrapport van het Centrum-Harmel herhaaldelijk als referentie aangehaald. Men kan zich echter afvragen of het niet eerder om een formele referentie ging waarmee niet echt rekening werd gehouden. Zo wijken de hervormingen van 1962-1963 op talrijke punten af van de besluiten van het Centrum.

Literatuur

'Le Centre Harmel', in Courrier hebdomadaire du CRISP, nr. 131 (1 december 1961); 
B. Martin, 'De behandeling van het probleem Brussel door het Centrum-Harmel', in Het probleem Brussel sinds Hertoginnedal (1963). Acta van het Colloquium VUB-CRISP van 20-en 21 oktober 1988 (Taal en Sociale Integratie, nr. 11, 1989), p. 125-174.

Auteur(s)

Manu Ruys; Chantal Kesteloot