Cappuyns, Leo

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Leuven 20 juni 1920 – Brussel 4 oktober 1978).

Behaalde aan de universiteit van zijn geboortestad het diploma van doctor in de rechten en licentiaat in de notariële wetenschappen (1943). In tegenstelling tot de liberale overtuiging van zijn vader voelde Cappuyns zich aangetrokken tot een socialisme dat "een zo groot mogelijke welvaartskoek zo rechtvaardig mogelijk verdeelt". Op filosofisch vlak beschouwde de zoon van een diepchristelijke moeder zich als een agnosticus. Zijn beroepskeuze stond een daadwerkelijk politiek engagement tot 1963 in de weg.

Cappuyns was eerst advocaat en werd in januari 1946 aangesteld als substituut van de krijgsauditeur te velde. Een jaar later werd hij substituut van de procureur des konings in Tongeren. In oktober 1957 volgde zijn benoeming tot substituut van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Luik, waar hij in 1962 fungeerde als openbaar ministerie in de zogenaamde Softenon-zaak. Naar eigen zeggen leerde Cappuyns in deze stad de Waalse mentaliteit door en door kennen. Hij voerde er lange gesprekken met de voormannen van het federalisme André Renard en Fernand Dehousse. Hierbij troffen hem hun lauwe gevoelens voor de hoofdstad.

Van december 1963 tot aan zijn dood bekleedde Cappuyns het ambt van vice-gouverneur van Brabant. De nieuwe Hertoginnedal-taalwetgeving bepaalde dat dit ambt diende te waken over de correcte naleving van deze taalwetten in de hoofdstad. Dat dit doel niet werd bereikt, vond zijn oorzaak in de hetze van de plaatselijke machthebbers, gesteund door persorganen, en de tegenwerking van de provinciegouverneur en van de minister van binnenlandse zaken die de schorsingsbesluiten van de vice-gouverneur in de helft van de gevallen weigerde te bekrachtigen. De belagers waren bedrijvig tot in zijn kantoor, waar een hakenkruis in het blad van de schrijftafel gegrift werd. In 1967 waarschuwde Cappuyns de regering vruchteloos dat slechts de helft van de Brusselse gemeenten de taalwetten ernstig nam. Een kwart omzeilde ze, het resterende vierde ging er prat op ze met voeten te treden. In 1968 legde toenmalig eerste minister Paul vanden Boeynants Cappuyns een spreekverbod op, omdat deze een lans had gebroken voor een opdeling van de provincie Brabant in een Vlaams, een Waals en een Brussels gedeelte. In 1973 moest de vice-gouverneur een verdere achteruitgang, mede te wijten aan de opkomst van het Front démocratique des Francophones (FDF), vaststellen.

Desondanks lukte Cappuyns erin het aandeel van het Nederlands op het gebied van de cultuur en het verenigingsleven te verruimen. Hij speelde een rol bij de splitsing van het Brussels conservatorium, de vestiging van het Contact- en Cultuurcentrum Brussel aan het Martelarenplein en de opneming van de hoofdstad in de programmatie van het Festival van Vlaanderen, waarvan hij algemeen voorzitter werd. Daarnaast zat hij de raad van bestuur van het Koninklijk Ballet van Vlaanderen en de Hoge Raad voor de Dramatische Kunst voor. Ook bij de Orde van den Prince fungeerde hij als algemeen voorzitter. Cappuyns' verdiensten op dit Vlaams cultureel terrein werden in 1974 met de toekenning van de Joost van den Vondelprijs erkend.

Werken

'Ontwikkeling en perspectieven van de Nederlandse cultuur in de hoofdstad Brussel', in Rechtskundig Weekblad (31 januari 1965), kol. 1089-1102; 
'Kanttekeningen bij het institutioneel probleem Brussel', in Socialistische Standpunten (1966), p. 203-206; 
'Brussel-Hoofdstad, ook inzake cultuur een apart geval', in Kultuurleven (maart-april 1970), p. 259-261; 
Toepassing van de taalwetgeving in Brussel-Hoofdstad, 1977.

Literatuur

'Cappuyns vice-goeverneur van Brabant', in De Standaard (14 december 1963); 
L. de Clerck, 'Leo Cappuyns: tien jaar papieren tijger', in De Vlaamse Elsevier (17 september 1973); 
J. Waeyenborghs, 'Vondelprijs voor L.L. Cappuyns Vice-Gouverneur van Brabant', in Brabant, nr. 1 (1974); 
'In memoriam Leo Cappuyns', in De Brusselse Post (15 oktober 1978), p. 6; 
'FDF riep om zijn dood. Leo Cappuyns overleden', in De Standaard (5 oktober 1978).

Auteur(s)

Karel Hemmerechts