Brussel

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

De geschiedenis van de V.B. te Brussel is niet een zoveelste lokale variant op en inkleuring van de grote ontwikkelingsfasen van 'de' V.B. in het algemeen. Brussel heeft een zeer speciale plaats ingenomen in de V.B. en vooral na de Tweede Wereldoorlog was het een dermate centraal thema op de agenda van de V.B. dat alle gebeurtenissen, activiteiten en standpunten landelijk werden uitvergroot.

De V.B. heeft zich te Brussel ook in een totaal andere context ontwikkeld dan de V.B. in Vlaanderen, met name in de context van een groot- en hoofdstedelijk kader waar de Vlaamse aanwezigheid niet tot een aan de overige Vlamingen aangewreven 'zelfgenoegzame' meerderheidspositie leidde, maar waar integendeel de Vlamingen een 'beschermde' minderheid vormen, die probeert haar plaats te vinden in een multilinguïstische en multiculturele ruimte. Ongetwijfeld heeft dit zijn stempel gedrukt op de eigenheid van de V.B. te Brussel. Recente verwijzingen van Brusselse Vlamingen naar het al dan niet bestaan van een 'Brusselse identiteit' hebben zeker te maken met deze contextuele verschillen en met het uiteengroeien van Vlaanderen en Wallonië en de vraag naar de Brusselse positie in die nieuwe verhouding.

In het hiernavolgende overzicht valt trouwens op hoe de V.B. te Brussel paradoxaal genoeg belangrijker en actiever werd, terwijl het Vlaams karakter van de hoofdstad verdween. Het zorgde ervoor dat de kleine, maar actieve groep flaminganten nauwelijks op een lokale achterban kon terugvallen, maar constant gevoed werd door nieuwe lagen van immigranten uit Vlaanderen die evenmin qua sociaal profiel aansloten bij de autochtone Nederlandstaligen. Zij deelden zelfs niet steeds een gemeenschappelijke taalidentiteit, aangezien Brusselse flaminganten zeer spoedig de standaardvariant van het Nederlands gebruikten voor formele contacten, terwijl lokale Nederlandstaligen zich vaak enkel van het Nederlands, in de vorm van een lokaal dialect, bedienden voor informele contacten en dus eigenlijk 'code switchers' waren en zijn.

In het hiernavolgende overzicht proberen we duidelijk te maken hoe dit alles de politieke expansie van de V.B. te Brussel beperkte, terwijl deze in Vlaanderen volop van dergelijke politieke democratiseringsfases kon gebruikmaken om uit te breiden. Op zijn beurt schonk deze V.B. in Vlaanderen niet steeds de nodige aandacht en steun aan de Brusselse ontwikkelingen en werden de Vlaamse successen zelfs ten koste van de Brusselse gerealiseerd.

De "Vlaanderen laat Brussel niet los"-slogan (leuzen) heeft uiteindelijk niet kunnen voorkomen dat de interesse voor en betrokkenheid bij Brussel van het gros van de Vlaamse bevolking zeer beperkt zijn. Via volgend overzicht proberen we dit te verklaren en tegelijk een historisch raamwerk aan te bieden om deze kennismaking vlotter te laten verlopen. Het spreekt vanzelf dat daartoe af en toe inhoudelijke keuzes dienden gemaakt, waarbij de volledigheid soms diende in te boeten in het belang van de overzichtelijkheid.

Lectuur van volgende bijdrage kan bemoeilijkt worden doordat de gehanteerde begrippen 'Brussel', 'agglomeratie', 'gewest' verschillende realiteiten – geografische, linguïstische, administratieve... – dekken en bovendien van inhoud wijzigden in de hier beschouwde periode (van het begin van de 19de eeuw tot het einde van de 20ste eeuw). Zo refereerde 'Brussel' oorspronkelijk aan de stad intra muros ('de vijfhoek'), maar in de 19de eeuw werden de stadswallen letterlijk en figuurlijk gesloopt, aangezien de verstedelijkte zone zich uitbreidde over het omliggende platteland. Bovendien veranderde ook het grondgebied van de stad zelf doordat aanhechtingen van wijken van omliggende gemeenten op verschillende momenten in de 19de en 20ste eeuw de oppervlakte van de stad zelf vergrootten van 415 ha in 1830 tot 3292 ha nu. De uitbreiding van Brussel-stad, de hoofdstad van België, vormde trouwens al sinds de onafhankelijkheid de inzet van heel wat plannen en politieke discussies, ten gevolge waarvan in 1921 zelfs drie gemeenten, Laken, Neder-Over-Heembeek en Haren, volledig werden opgeslorpt.

Hanteren we nu de term 'agglomeratie', dan wordt daaronder het gebied verstaan van Brussel en zijn 18 omliggende gemeenten, een aantal dat sinds 1954, met de aanhechting van Sint-Agatha-Berchem, Evere, Ganshoren, werd bereikt. In 1963 werd het administratief 'arrondissement Brussel-hoofdstad' opgericht en begrensd tot deze 19. De staatshervorming van 1970, de oprichting van de Brusselse agglomeratie in 1971 en de oprichting van een Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 1989 wijzigden deze geografische afbakening niet.

De geografische omschrijving van Brussel kreeg een linguïstische connotatie sinds 1920, toen bij de bespreking van het wetsvoorstel op het gebruik der talen in bestuurszaken (wet van 1921) aan het begrip 'agglomeratie' een taalstatuut werd gekoppeld. Tot dan toe werd het taalgebruik geregeld door de bestuurstaalwet van 1878 die het taalgebruik in Vlaanderen regelde in het centrale bestuur, maar een uitzonderingsregime aan de hoofdstedelijke agglomeratie gaf met het Frans als voorrangstaal op het Nederlands. Aangezien de wet niets zegde over het taalgebruik op gemeentelijk vlak, impliceerde dit de gekende consequenties van de taalvrijheid.

In ruil voor het toepassen van het territorialiteitsbeginsel in Vlaanderen, werd de Brusselse agglomeratie in 1921 bepaald op 15 gemeenten, die zelf de taal van hun administratie konden bepalen en berichten en mededelingen aan publiek tweetalig dienden te maken. Het taalstatuut van de gemeenten werd gekoppeld aan de tienjaarlijkse talentellingsresultaten. In 1932 werden 16 gemeenten aan de agglomeratie toegeschreven. De uitbreiding van de agglomeratie met 3 gemeenten in 1954 ten gevolge van de talentellingsresultaten van 1947 was ook de laatste: in 1961 werd de talentelling afgeschaft en in 1963 de agglomeratie definitief begrensd tot de 19.

<IMG src="../beelden/extra/Br1846.JPG"></IMG>

<IMG src="../beelden/extra/Br1880.JPG"></IMG>

<IMG src="../beelden/extra/Br1910.JPG"></IMG>

<IMG src="../beelden/extra/Br1947.JPG"></IMG>

Maatschappelijke, linguïstische en ruimtelijke context tot de Tweede Wereldoorlog

In de periode waarin de V.B. zich te Brussel inplantte, in het midden van de 19de eeuw, had Brussel al duidelijk een ander linguïstisch uitzicht dan andere Vlaamse steden. De eerste landelijk georganiseerde talentelling van 1846 suggereerde in al zijn onvolkomenheid dat 60% van de Brusselse bevolking meestal Nederlands gebruikte en 40% meestal Frans, terwijl steden als Antwerpen en Gent niet meer dan 5% Franstaligen noteerden.

<IMG src="../beelden/extra/624.JPG"></IMG>

Toen de talentellingen vanaf 1866 ook twee- en meertaligen begonnen te bevragen, werd het voor Brussel zeer typische taalbeeld nog duidelijker: 39% van de Brusselaars beschouwde zich als Nederlandstalig, 38% als tweetalig. Tot het laatste kwart van de 19de eeuw bleef het aandeel van deze tweetaligen schommelen rond eenderde van de bevolking, terwijl ook het aandeel Nederlands- en Franseentaligen vrij stabiel bleef rond eenderde respectievelijk een kwart. Het duurde tot de laatste decennia van de eeuw vooraleer deze relatieve stabiliteit in de taalverhoudingen doorbroken werd en er zich een duidelijke verschuiving voordeed in de taalverhoudingen, die ten nadele van het Nederlands was. Op het einde van de eeuw (1890) bereikte de groep tweetaligen 51%. Nadien bewees ze dat tweetaligheid eigenlijk een overgangsfenomeen was naar Franseentaligheid, want vanaf 1910 nam deze groep sterk toe, tot 35% in 1947. Dit gebeurde ten nadele van de Nederlandseentaligen die tot een minderheid van 10% werden gereduceerd in 1947. Ook de samenstelling van de meertaligengroep illustreerde de machtsverschuiving van tweetaligheid naar Franseentaligheid. Uitsluitend/meestal Nederlandstaligen waren in 1910 nog in bijna even sterke mate aanwezig (45%) als uitsluitend/meestal Franstaligen (50%). Tegen 1947 waren deze verhoudingen hertekend tot respectievelijk 24%-72%.

In de gemeenten van de Brusselse agglomeratie gebeurde dit taalverschuivingsproces nog veel sneller: in nauwelijks een halve eeuw slonk het aandeel Nederlandstaligen in de verstedelijkte randgemeenten van Brussel tot dat van een kleine minderheid. Dit verfransingsproces gebeurde in niet al deze gemeenten met dezelfde intensiteit. De noordwestelijke industriële randgemeenten bewaarden langer hun Vlaams karakter dan de zuidoostelijke, meer residentiële gemeenten.

Zonder al te veel belang te hechten aan de exacte cijfers van de talentellingen – om methodologische en politieke redenen vormden ze onderwerp van talrijke kritiek – illustreren ze toch dat in een periode van pakweg 150 jaar, van het einde van de 18de eeuw tot het midden van de 20ste eeuw, Brussel zijn Nederlandstalig uitzicht verloor. Dit gebeurde tegen de achtergrond van ingrijpende maatschappelijke processen die Brussel met andere functies bedachten, die met ingrijpende demografische en sociale mutaties gepaard gingen en die de stadsruimte en haar geografische actieradius grondig veranderden.

In het midden van de 19de eeuw bleef Frans taalgebruik dus beperkt: enkel de bezittende bovenlaag bediende zich, zoals bekend, van het Frans omwille van het sociale aanzien van deze Europese cultuurtaal bij uitstek. Frans gebruiken betekende eigenlijk ook al een beetje tot de top behoren. De rest van de bevolking in Vlaanderen gebruikte het Nederlands, eigenlijk het lokale dialect, als communicatiemiddel. Deze vrij strikte koppeling van taalgebruik aan sociale positionering was in Brussel toen al minder sterk aanwezig. Zoals verder wordt uiteengezet, opereerden taalgebruik en sociale grenzen wel nog altijd gekoppeld, maar in een aantal specifieke sociale lagen begon het aantal Franstaligen toe te nemen evenals de groep die beide talen gebruikte en afwisselde naargelang het formele of informele domeinen van taalgebruik betrof.

Deze taalsituatie was ten dele het gevolg van forse inwijking uit Frans- en anderstalige gebieden en ten dele het effect van de specifieke Brusselse sociale context waarin Frans en Nederlands werden gebruikt.

Deze sociale context werd eerst en vooral gemodelleerd door de economische en politieke functies van de stad. Vergeten we immers niet dat Brussel in het midden van het land ligt en van oudsher de rol vervulde van een regionaal centrum, dat ook met gebieden bezuiden de taalgrens intensieve contacten onderhield. Brussel vervulde bovendien sinds de 13de eeuw de rol van hoofdstad: eerst van het hertogdom Brabant, vervolgens van de Bourgondiërs en de Habsburgers. Later, tijdens de Oostenrijkse en de Nederlandse periode, speelde de stad bovendien de rol van tweede hoofdstad, waardoor ze met veel meer adel bevolkt werd dan andere steden. Deze Franstalige groepen kregen sinds de Franse overheersing (1795-1814) gezelschap van Franse intellectuelen die op het intellectuele leven van Brussel een Franstalige stempel bleven drukken. Het is dan ook niet toevallig dat Willem I er niet in slaagde de verfransing van Brussel af te remmen. Deze werd eveneens gestimuleerd door de promotie van het Frans tot enige officiële taal tijdens de Franse periode. Een nieuwe impuls kreeg de verfransing met de hoofdstedelijke rol die Brussel sinds 1830 opnieuw speelde in de nieuw gecreëerde unitaire staat. Sinds 1830 was Brussel immers de locatie van waaruit door een nieuwe politieke en Franstalige elite een unificerende politiek werd gevoerd, waarvan het Franse cultuurpatroon het cement was. Deze groep, die zich na 1830 te Brussel vestigde, sloot in cultureel opzicht dus duidelijk aan bij de al sterk aanwezige Franstalige adel en dito intellectuelen.

Ze was ook sterk verstrengeld met de financiële elite (van de Société Générale en de Banque de Belgique), die eveneens vanuit Brussel intervenieerde in het industrialisatieproces van andere regio's. De groeiende nationale betekenis van Brussel en haar bancaire activiteiten verklaren waarom de lokale high society zich een nationale rol kon toemeten en gestructureerd was rond drie sterk vervlochten elementen: paleis en adel, top van administratie, parlement, regering en magistratuur en hoge financiële wereld. Het beïnvloedde de sociale structuur van de stad ook in die zin dat bankiers en makelaars, renteniers en eigenaars, politici en beoefenaars van vrije beroepen, ambtenaren en bedienden dan ook steeds zeer talrijk in Brussel aanwezig waren.

Zich als regio zelf inschakelen in het industrialisatieproces deed Brussel evenwel niet. Gedurende de 19de eeuw bleven kleinschalige en ambachtelijke nijverheden, georiënteerd op de lokale markt, te Brussel een overwicht behouden. Grootschaliger bedrijven vestigden zich in de tweede helft van de eeuw wel in randgemeenten als Molenbeek en Anderlecht. Brussel-stad zelf bouwde een reputatie op met luxe- en precisieproductie. Een groot industrieproletariaat was in Brussel dus niet aanwezig, maar ambachtelijke arbeiders, zelfstandige ambachtslui en kleine ondernemers wel. In de loop van de 19de eeuw versterkte de concentratie van parlement, regering en centrale staatsadministratie de uitbouw van ontspannings- en commerciële activiteiten van de vijfhoek. Brussel werd in de loop van de 19de eeuw verder uitgebouwd tot dienstencentrum. Dit verklaart dan weer de blijvende sterke aanwezigheid en instroom van dienstboden, handelaars en beroepen uit de tertiaire sector.

De demografische, geografische en morfologische gevolgen van het zo-even geschetste proces zijn bekend: in de loop van een eeuw (1831-1930) verdubbelde Brussel-stad zijn inwoneraantal. Het midden van de 19de eeuw was de belangrijkste relatieve groeifase van de vijfhoek, te wijten aan een grote impact van het migratiesaldo. De oorspronkelijk rurale randgemeenten rond Brussel verstedelijkten nog sneller door de immigratie van plattelandsbewoners uit Vlaanderen en Wallonië en door stadsbewoners, die de dure en schaarse Brusselse woningmarkt en de stadsdrukte inruilden voor residentiëler en groener woonomgevingen. De grootschalige saneringswerken in de tweede helft van de 19de eeuw en de daaropvolgende grootschalige urbanistische projecten deden het middeleeuwse uitzicht van de stad met een open Zenne en kronkelende straatjes definitief verloren gaan. Het slopen van duizenden arbeiderswoningen en de heraanleg van deze buurten tot brede boulevards, omzoomd door burgerwoningen en winkels over de overwelfde Zenne heen, versnelden de transformatie van Brussel tot een stad van louter commerciële en financiële activiteiten. Bovendien werkten deze werken ook de verstedelijking en de sociale polarisering van de randgemeenten in de hand, doordat arbeidersgezinnen naar de proletarische buurten van de eerste gordel trokken en burgers eerder naar meer residentiële buurten en naar nieuwe verkavelingen. De eerste gordel van aan Brussel grenzende gemeenten was al tegen het midden van de 19de eeuw verstedelijkt. Een tweede en derde gordel van gemeenten werden bij de agglomeratie betrokken via een uitbreiding, die eerst rond een noord-zuidas geschiedde, zich vervolgens noordwestelijk en oostelijk oriënteerde en zich in de eerste decennia van de 20ste eeuw definitief verplaatste naar het oosten en het westen. Deze deconcentratie van woonfuncties verruimde de impact van Brussel tot een heus stadsgewest.

Voorgaande ontwikkelingen verduidelijken ook waarom het Frans te Brussel sinds de 19de eeuw, meer nog dan in Vlaanderen, het synoniem was van sociale status, prestige, politieke, economische en culturele macht. Het gehele uitzicht van Brussel was Franstalig: straatnamen, winkelopschriften, lokale en nationale instellingen, gerecht, leger, onderwijs, culturele evenementen... Frans gebruiken was evident voor iedereen die behoorde of wenste te behoren tot de 'haute société', net zoals de inferioriteit van het Nederlands ook evident was. Het was die ontstellende sociale druk van het Frans die de eerste flaminganten, die trouwens zelf constant Frans gebruikten als hoge taalvariëteit, ervan overtuigde dat deze situatie onomkeerbaar was.

De hoofdstedelijke rol van Brussel en het ongelijk sociaal gewicht van de daar gebruikte talen zorgde er ook voor dat Brussel een sterke aantrekkingskracht uitoefende op hoofdzakelijk Franstalige burgers en kleinburgers. Vooral de Brusselse meer en minder gefortuneerde intelligentsia was een Franstalig importproduct. Ze kwam uit andere Vlaamse steden, maar de inbreng van Walen en Fransen was zeer groot. Doordat de intellectuele arbeidsmarkt kennis van het Frans veronderstelde en dus ontoegankelijk was voor de eentalige Vlaming, rekruteerde zowel de intellectuele elite, die tegelijk economische en politieke macht concentreerde, als de kleine intelligentsia van bedienden en onderwijzers vooral bij immigranten, die ofwel uit Frans taalgebied kwamen (Wallonië, Frankrijk, Duitsland), ofwel verfranste Vlamingen waren. De flaminganten van de 19de eeuw waren duidelijk uitzonderingen op de regel dat intellectuele groepen met uiteenlopende linguïstische wortels toch vrij gemakkelijk geassimileerd werden via hun gevoeligheid voor Frans als een noodzakelijk professioneel en statusonderstrepend instrument.

De eerste taalwetten op het einde van de 19de eeuw veranderden nauwelijks iets aan deze situatie, omdat ze Brussel een soort van tweetalig statuut gaven, dat de intellectuele arbeidsmarkt nog altijd afschermde voor eentalige Vlamingen. Het was wel voldoende om Franstaligen, vooral Waalse beoefenaars van vrije beroepen, kunstenaars en ambtenaren, aan te zetten tot het verdedigen van de Franse suprematie in Brussel en de Waalse Beweging te doen ontstaan.

Het is trouwens opvallend dat in de 19de eeuw die lagen van de burgerij, die nog niet tot de politieke top behoorden, maar door industriële, commerciële en financiële activiteiten wel al een fortuin hadden opgebouwd, minder immigranten, minder Franstaligen en minder verfranste Vlamingen telden.

De 19de-eeuwse Brusselse arbeidersklasse daarentegen was sterk autochtoon, leefde te Brussel sinds generaties en werd aangevuld door Vlaamse immigranten. Ze bediende zich van een lokaal Vlaams dialect. Specifieke arbeiderslagen hadden hun roots wel meer in Wallonië dan andere, maar ze vormden een uitzondering op de regel. Dat was het geval voor bouwvakkers uit het Nijvelse en voor gespecialiseerde arbeidskrachten in de drukkerij- en papiersector, die een grondige kennis dienden te hebben van het Frans om een manuscript te reproduceren. Dagloners en dienstboden werden vooral in het omliggende Vlaams-Brabantse platteland gerekruteerd, maar bij de laatste groep gold dat de bestbetaalde dienstboden uit Wallonië en het buitenland werden gerekruteerd, terwijl de vuilste werkjes door Vlaamse plattelandsbewoners werden uitgevoerd. In de regel domineerden Brusselse Vlamingen en Vlaamse immigranten evenwel de Brusselse arbeidersklasse en vielen er geen aanzetten tot sociale verfransing te noteren. Meer indicaties van verfransing waren er in het midden van vorige eeuw bij kleinhandelaars en zelfstandige ambachtslui.

De sterke sociale verschillen die gedurende de gehele 19de eeuw ook te Brussel een feit waren, werden er dus begeleid en versterkt door een linguïstische kloof die tot een cultuurbreuk leidde tussen enerzijds vooral geïmmigreerde en Franstalige burgers en anderzijds vooral autochtone of uit Vlaanderen afkomstige arbeiders. Zolang er voor de arbeidersklasse geen sociale vooruitgang was weggelegd door Frans te spreken, bleef dit overwegend Vlaams karakter van de Brusselse arbeidersklasse een feit.

Een herstelde koopkracht geeft aan dat in deze sociale verhoudingen vanaf het einde van de 19de eeuw verandering optrad. De veranderende noden van economie en staat (aan geschoolde arbeidskrachten, aan intelligentsia, aan witteboordenwerkers, aan binnenlandse consumenten...) en de druk vanuit de arbeidersbeweging en de verlichte burgerij verzwakten uiteindelijk de sociale segregatie vanaf het einde van de 19de eeuw. Daarmee werden te Brussel ook nieuwe stimulansen voor verfransing gecreëerd. Sociale vooruitgang bleef er immers verbonden met Frans taalgebruik en door de verruiming van het Franstalig onderwijs naar arbeiderskinderen toe kon de verfransing in 2 à 3 generaties de sociale taalmuur slopen. In Brussel begon men bovendien vroeger dan elders aan de acculturatie van de arbeidersklasse in een burgerlijke maatschappij. Onder impuls van het progressief-liberalisme werden de onderwijsvoorzieningen in de stad Brussel en in een aantal randgemeenten immers vanaf de jaren 1870 niet alleen verbeterd en uitgebreid naar brede lagen van de bevolking, maar via Karel Buls, ook gekoppeld aan een gradueel verwerven van de kennis van het Frans door onderwijs via de moedertaal. Tegelijk werd het onderwijs via de moedertaal navenant verminderd naarmate de studies vorderden ('transmutatiestelsel'). Tevoren was het Frans de voertaal in het onderwijs in Brussel en werd dit onderwijs ook meestal door Nederlandsonkundige leerkrachten gegeven. Maar arbeiderskinderen kwamen er niet of nauwelijks mee in aanraking omdat onderwijs voor hen zeldzaam en slecht georganiseerd was, en niet verplicht noch gratis was. Het analfabetisme bij arbeiders en bij Nederlandstaligen lag dan ook zeer hoog. Uiteindelijk vormde dus vooral het Brussels onderwijs de spil en motor van een snelle verfransing. Was het transmutatiestelsel oorspronkelijk bedoeld om analfabete en politiek-onmondige Nederlandstaligen gemakkelijker op te leiden tot tweetalige 'verantwoordelijke' burgers, dan evolueerde het in de praktijk naar een efficiënt instrument voor snelle verfransing. Via het aanleren van het Frans werd immers ook het bij het Frans horende superioriteitsgevoel meegegeven, waardoor het Nederlands nog meer de status kreeg van een minderwaardig dialect, waarvan men beweerde het niet te kunnen spreken indien men sociale aspiraties had. Deze verfransende verburgerlijking werd via de familie 'Beulemans' onderwerp van Vlaamse spot. In de loop van de 20ste eeuw genoten Brusselse bewoners quasi volledig Franstalig onderwijs en waren de luttele stimulansen om nog Nederlands te gebruiken in het gezin van herkomst zeer klein geworden. Paradoxaal genoeg bleef onderwijs wel een van de grote aandachts- en strijdpunten van de Vlaamse verenigingen in Brussel, maar tot zeer recent kon dit niet voorkomen dat Brusselse kinderen via het onderwijs massaal verfransten. De taalwetgeving en haar uitvoering waren evenmin van aard om dit proces tot staan te brengen. Ofschoon zowel de wet van 1914 als de taalwet van in 1932 verplichtte tot onderwijs in de moedertaal en hoewel inspectie op de naleving ervan zou toezien, werd in de praktijk het gezinshoofd weinig in de weg gelegd bij de keuze van de onderwijstaal. In 1921 waren er al 5 Brusselse gemeenten zonder Vlaams lager katholiek onderwijs en 7 zonder gemeentelijk. Net voor de Tweede Wereldoorlog restten er dan ook nog maar 23% Vlaamse leerlingen in de bewaar- en kleuterscholen en 19% in het lager onderwijs.

De ruimtelijke uitbreiding van de verfransing werd ook in de hand gewerkt door de politieke implicaties in de vorm van een speciaal taalstatuut, die sinds 1921 aan de resultaten van de talentellingen werden gekoppeld. Zo kon de verstedelijkte Brusselse agglomeratie, aanvankelijk een informeel samenwerkingsverband tussen 15 gemeenten, uitdijen tot 16 gemeenten in 1932, terwijl Brussel-stad zelf ondertussen zijn grondgebied met 3 gemeenten verruimde. Dat speciaal statuut impliceerde dat de gemeenteraden zelf de taal van hun inwendige diensten en van hun externe betrekkingen konden kiezen, wat vooral leidde tot eentalig functionerende gemeentediensten, vaak zonder tweetalig personeel. Op die manier werden van steeds meer gemeentelijke instellingen belangrijke verfransingsinstrumenten op het formele taaldomein gemaakt.

Ook vanuit de kerkelijke structuren gingen te Brussel verfransende impulsen uit en dat terwijl de lagere clerus in Vlaanderen zich sterk identificeerde met de V.B. Volgens het taalgebruik in de missen werd in Brussel katholicisme duidelijk niet gebruikt om een Vlaamse identiteit te continueren. Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw breidden de Franse diensten zich uit en bleven alleen de meidenmissen in het Nederlands. Ook kerkelijke plechtigheden en parochiale werken vonden plaats in het Frans. Belangstelling voor de V.B. trof men evenmin aan bij de priesters. Waarschijnlijk werden deze laatsten daartoe ook niet gestimuleerd door het kerkpubliek: het potentieel Nederlandstalig kerkpubliek te Brussel, de Brusselse arbeidersklasse, werd ten gevolge van de sterke secularisering weinig aangesproken door kerkbezoek, terwijl de burgers en kleinburgers sterk verfransten. De Brusselse kerk ontsnapte met andere woorden niet aan de taalsociologische realiteit van Brussel.

De V.B. te Brussel tot aan de Tweede Wereldoorlog

Van Vlaemsch Midden-Comiteit tot Vlamingen Vooruit: de democratisch-flamingantische zoektocht naar een derde partij (jaren 1840-1860)

Het flamingantisme manifesteerde zich te Brussel vanaf de jaren 1840 van de 19de eeuw. Dat het werd 'geïmporteerd' door immigranten uit Vlaamse steden – eenderde kwam uit Antwerpen – die zich om den brode in Brussel kwamen vestigen, was niet toevallig, gegeven de vanzelfsprekende verfransing van de kleine intelligentsia die elders het voetvolk voor de V.B. leverde. Het ging om een jonge generatie, geboren tussen 1815 en 1830, zonder orangistisch verleden (orangisme). Dat ze zich niet steeds te Brussel thuis voelden, verwonderde evenmin. Het had veel te maken met de Brusselse taalomgeving, die hen zeer pessimistisch stemde, en met hun bescheiden levensstandaard als eenvoudige bedienden of onderwijzers. Deze arme geletterden hadden wel een opleiding genoten die hoger was dan hun beroep vereiste en ze waren perfect tweetalig, soms drietalig. Zoals voor de gehele Brusselse intelligentsia van toen was Frans dus ook voor hen een constant gehanteerd professioneel instrument, waarvan het cultureel prestige door hen trouwens niet in vraag werd gesteld. Het was het bewust weren van het Nederlandstalige element – strategisch onderdeel van een nationale assimilatiepolitiek, die ook door de lokale besluitvormers werd bijgetreden – dat hen tegen de borst stuitte.

Hun bescheiden afkomst ontzegde hen niet alleen stemrecht en dus politiek gewicht om hierin verandering te brengen, maar ook de financiële middelen om van hun pen te leven, ofschoon dat niet zou volstaan hebben in een stad waarin het literaire leven volledig verfranst was en Vlaamse uitgevers onbestaand waren.

Via de klassieke toenmalige actiemiddelen zoals culturele manifestaties en petities en de oprichting van culturele organisaties probeerde deze kleine, maar actieve kern van flaminganten de lokale linguïstische onverschilligheid tegenspel te bieden en het Nederlands als cultuurtaal te bevorderen. Het Nederduitsch Tael- en Letterkundig Genootschap (1842), De Vlaemsche Verbroedering (1845) en het literair orgaan Het Vaderland (1844-1845) werden daartoe met wisselend succes opgericht.

De culturele verwantschap die daartoe met Nederland werd ingeroepen en die de Brusselse flaminganten onder leiding van Michiel van der Voort in de spellingoorlog tegen Pieter Behaegel en Frans Boon partij deed kiezen, impliceerde evenwel geen anti-belgicisme, integendeel. Het Brussels flamingantisme van toen was zeer patriottisch, zag het Nederlands als een element van een Belgische identiteit die niet in tegenspraak stond met het bestaan van verschillende nationaliteiten en als een dam tegen het als bedreigend aangevoelde Frankrijk. Door een aantal flaminganten, zoals Lucien Jottrand, werd wel een administratieve decentralisatie verdedigd. Qua ideeëngoed leunden deze Brusselse flaminganten aan bij het petitionnement van 1840: op grond van de grondwettelijke vrijheden eisten ze bestuur op in de eigen taal in Vlaanderen. Ontbrak tweetaligheid nog wel als eis, dan drongen ze wel aan op een tweetalig straatbeeld in Brussel, iets waarop ze zouden moeten wachten tot het aantreden van Karel Buls.

Na een minder succesvolle poging via Het Taelverbond (1844) probeerde Van der Voort via het Vlaemsch Midden-Comiteit (1849) een geconcerteerde actie op gang te brengen om de taalvrijheid en de gelijkheid van alle burgers te verdedigen. Dat het wettelijke maatregelen eiste om Nederlands en Frans op gelijke voet te behandelen in Vlaanderen en het Nederlands ook als voertaal in het lager onderwijs van de Brusselse laagstad wou invoeren, illustreert de meer dan louter literaire bekommernissen van het Midden-Comiteit. Het onderstreept enerzijds hoe het Franstalig onderwijs toen al werd ingeschat als een verfransend instrument – On leur apprend l'inconnu par l'inconnu liet Van der Voort er zich over uit – anderzijds hoe zeer de flaminganten van toen zich bewust waren van de ruimtelijke blauwdruk van de taalverhoudingen. De verschillende arbeiderswijken in de benedenstad vormden immers een Vlaamse gordel, de bovenstad was Franstalig en werd door de burgerij bewoond. Zonder dat er sprake was van echte gettovorming leefden Nederlands- en Franstaligen er in linguïstisch en sociaal vrij homogene buurten.

Het was niet hun herderiaanse visie op taal en identiteit – taal als identificatiemiddel voor een volk – die de Brusselaars van andere flaminganten onderscheidde, mar wel een al sterk aanwezig antigouvernementalisme en vooral de aandacht bij sommigen voor de sociale dimensie van taalgebruik. Die radicale, antigouvernementele strekking was in Brussel zo sterk omdat in dat bastion van liberalisme de klerikaal-antiklerikale strijd niet belangrijk was. Het katholicisme was in Brussel trouwens van weinig betekenis, ook in de V.B., maar de doctrinair-progressieve tegenstelling was dat des temeer. De vroege identificatie tussen radicalisme en flamingantisme zorgde voor een vroege democratische belangstelling van deze flaminganten en voor een verruiming van het programma tot niet-linguïstische elementen. Bij afwezigheid van een klerikale tegenmacht groeide in Brussel ook snel de idee van een derde neutrale partij.

Democraten als Jacob Kats, Lucien Jottrand, De Hou, Edouard van der Plassche, Cornelis Verbruggen, Domien Sleeckx zagen de Franse taal als een instrument van klasseonderdrukking. Culturele vernieuwing, onderwijs in de moedertaal en algemeen stemrecht dienden volgens hen de economische en intellectuele armoede te bestrijden. De volkstaal werd daarbij ingeschat als een beschavingsmiddel. Hiermee profileerde zich al zeer spoedig een andere opvallend aanwezige constante in het Brusselse flamingantisme: het belang dat het steeds zou hechten aan het onderwijs als emancipatiemiddel. In een stad waar onderwijs als een zeer efficiënt verfransingsinstrument gold, werd onderwijs in de moedertaal aangeprezen als middel om aan de intellectuele en linguïstische onderwerping te ontsnappen. Het was het zeer geïndividualiseerd antwoord van het progressisme op de materiële ongelijkheid en de maatschappelijke segregatie: individuele sociale promotie via en dankzij de moedertaal. Het grote gewicht van de onderwijzers en kleine intelligentsia, de samenwerking met Brusselse universitairen, de verstrengeling met het progressisme en de groeiende verfransende invloed van het onderwijs verklaren de blijvende aandacht van het Brusselse flamingantisme voor de onderwijsproblematiek.

De politieke impact van het Midden-Comiteit bleef onder meer beperkt door haar pogingen om zich buiten de politiek (neutralisme) te houden. Uiteindelijk werd het in 1857 slachtoffer van interne verdeeldheid. Drie vooraanstaande Brusselse flaminganten (Jottrand, Van der Voort en Eugeen E. Stroobant) speelden wel een rol in de Grievencommissie (1856).

Ondanks hun sociale bekommernissen waren en bleven de V.B.'ers van toen ook kleinburgers, die andere prioriteiten hadden dan de arbeidersklasse waarmee ze maar weinig affiniteit hadden. Al vormde de Vlaamse arbeidersklasse van Brussel de voor de hand liggende achterban voor deze V.B.'ers, dan hadden ze toch niet dezelfde prioriteiten: bij de arbeiders was het cultiveren van een cultureel bewustzijn duidelijk ondergeschikt aan materiële prioriteiten, met name het overleven in een periode van diepe armoede. Het ontbrak Brussel dus aan een autochtone flamingantische elite, die bovendien de sociale kloof met de arbeidersklasse via een gemeenschappelijk geschraagde cultuurtaal kon overbruggen.

Het was vooral in Vlamingen Vooruit (1858-1863) dat de eerder aanwezige stromingen zich op een meer coherente manier zouden uiten en zich zeer actief zouden tonen. De ontmoeting van flamingantisme (via een Jean B. Langlois, Van der Voort, Hippoliet Bauduin, Karel F. Stallaert, Geeraard-Jan Dodd...) en jong-liberalisme (Eugène van Bemmel, G. Tiberghien, Alfons Willems, François Haeck...) resulteerde in een hevig antiklerikaal, rationalistisch, anticentralistisch flamingantisme, dat op zijn beurt een reactie was tegen het doctrinair karakter van het Brusselse liberalisme. Het Brussels flamingantisme van toen werd gedragen door een nieuwe generatie van jonge geïmmigreerde Vlamingen, die met elkaar verbonden waren door logelidmaatschap, vriendschaps- en familiebanden en democratisch engagement. Sociale gelijkheid en verplicht onderwijs vormden centrale begrippen in hun doctrine. Verplichte vorming en onderwijs werden ook door hen gezien als het middel om alle kwalen – zowel de materiële achterstelling als het intellectueel obscurantisme van de Vlamingen – te bestrijden. Vooral geschriften van Haeck en Langlois getuigen van deze ontmoeting van vroegsocialistische, rationalistische en flamingantische ideeën. Radicaal was Vlamingen Vooruit ook in het verdedigen van zelfbestuur, taalgelijkheid en publieke tweetaligheid in geheel België. Ofschoon er geen specifiek statuut voor Brussel werd bepleit, opteerde men wel voor eentaligheid voor individuen en in gemeentelijke materies. Het ontbreken van uitgewerkte beschouwingen over het statuut van Brussel is opvallend. De afwezigheid van linguïstische spanningen in de hoofdstad kan dit waarschijnlijk verklaren. De hegemonie van het Frans was er zo overweldigend dat de stad door de flaminganten snel als 'verloren' werd beschouwd.

Achteraf gezien legde Vlamingen Vooruit dus wel de basis voor een in Brussel sterk aanwezige democratisch flamingantische stroming, zonder dat deze evenwel aanleiding gaf tot een meer blijvende verstrengeling met de arbeidersbeweging. Enkel Emiel Moyson betrok in die periode de Gentse arbeidersorganisaties bij de werking van Vlamingen Vooruit. De door hem opgerichte Association Générale Ouvrière, waarin hij arbeiders- en flamingantische eisen probeerde te verenigen, ademde volledig het ideeëngoed van Vlamingen Vooruit. Evenmin succesvol was een andere poging van Vlamingen Vooruit om via de oprichting van het Vlaamsch Verbond (1861-1862) een anti-doctrinair suprapolitiek front van flaminganten uit geheel Vlaanderen tot stand te brengen.

De democratisch-flamingantische erfenis van Vlamingen Vooruit – decentralisatie, anti-gouvernementalisme, verwevenheid van sociale en Vlaamse kwestie – werd in de jaren 1860 verder gedragen door het progressieve liberalisme. Vooral de Meeting libéral, een liberale afscheuring van 1863, en zijn flamingantische voorman Van der Plassche kaartten de Vlaamse kwestie aan. Vroegere leden van Vlamingen Vooruit als Van Bemmel, Van der Voort Jan van Droogenbroeck... participeerden samen met andere progessistische en democratische krachten (Jottrand, P. Splingard...) in de in 1864 opgerichte Ligue de l'Enseignement/Onderrigtingsbond, waarin voor het Brussels flamingantisme 'klassieke' thema's als volksonderwijs centraal stonden.

Zowel op nationaal vlak als op gemeentelijk vlak scherpten deze progressisten de oppositiestrijd tegen het regerende liberalisme aan en creëerden zo de voorwaarden voor samenwerking over de klassieke ideologische verdelingen heen. Het overlijden van Van der Voort vormde in 1867 de aanleiding tot de oprichting van een eigen electorale Vlaamse organisatie van katholieken, progressisten en flaminganten om de Vlaamse eisen te verdedigen.

In dezelfde periode was de strijd voor een Vlaams theater een ander eenheidsvormend conflictthema. Dat het theater de inzet vormde van Vlaamse frontvorming te Brussel was niet toevallig: reeds jaren fungeerden literaire en theatergezelschappen als De Veldbloem, De Wijngaerd en De Morgenstar als propaganda- en vormingsorganen voor het Brussels flamingantisme. Slaagde men er te Brussel nauwelijks in Nederlandstalige literatuur aan de – overwegend Franstalige – intelligentsia te slijten, dan bereikte het gesproken woord de vaak analfabete Vlaamse achterban des te gemakkelijker en des te talrijker. In de sporen van Jacob Kats, die het volkstoneel te Brussel had uitgebouwd tot een volksopvoedend instrument en zo bijdroeg tot het behoud van het Nederlands als cultuurtaal voor de arbeidersklasse, droegen Emmanuel van Driessche – via het overkoepelend Vlaemsch Tooneelverbond(1858) – en Felix vande Sande bij tot de bloei van het amateur- respectievelijk professioneel Vlaams theater te Brussel. Vande Sande raakte in conflict met de gemeentelijke overheid en won uiteindelijk het pleit: in 1875 werd hij directeur van de toen opgerichte Koninklijke Vlaamse Schouwburg, die met gemeentelijke en staatsgelden zou worden gesubsidieerd. In ruil voor de noodzakelijke electorale Vlaamse steun hadden de progressieven de flaminganten immers een Vlaamse schouwburg beloofd.

Al was Vlaamse frontvorming tegen het doctrinair liberalisme in deze materie succesvol, toch was het onvoldoende om er een derde neutrale Vlaamse partij mee te voeden. Door het katholiek succes in 1870 en de opkomst van het ultramontanisme werden de liberale rangen immers weer gesloten.

Limieten aan de flamingantische expansie: de onmacht van het liberale flamingantisme en van de Vlaamsche Volkspartij

Uiteindelijk zou het dan ook vooral het progressief liberalisme zijn dat het Brusselse flamingantisme opslorpte en zo de Vlaamse strijd uiteindelijk in eerste instantie een levensbeschouwelijke, veeleer dan een sociale, betekenis meegaf. Julius Hoste (sr.) werd de verpersoonlijking van een veel talrijker nieuwe generatie flaminganten, die liberalisme, rationalisme en onderwijs centraal stelden, maar veel minder sociale bekommernissen toonden dan hun voorgangers. Bestaande organisaties zoals de literaire vereniging De Veldbloem werden in de jaren 1880 uitgebouwd tot politieke organen voor dit flamingantisme. De Veldbloem illustreerde trouwens zeer goed hoe belangrijk culturele verenigingen waren – en nadien ook bleven – voor het flamingantisme in Brussel: zij rekruteerden de Vlamingen, fungeerden als propaganda-instrumenten, leverden publiek voor politieke verenigingen en speelden uiteraard ook een grote rol als opvoedings- en vormingsinstrumenten.

De Zweep, gesticht in 1869, werd vanaf het midden van de jaren 1870 het orgaan waarin het Vlaams liberalisme te Brussel zijn wensen omtrent een flamingantische derde macht ventileerde. In de jaren 1880 werd het het orgaan van de doctrinaire vleugel van het liberale flamingantisme. Gebrek aan geld en aan Nederlandstalige lezers en kopers verklaren waarschijnlijk waarom het tot en met de oprichting van De Zweep (1869) en eigenlijk tot Het Laatste Nieuws (1888) duurde vooraleer een Vlaamse pers levensvatbaar werd in de hoofdstad. Nochtans werden talrijke Vlaamse literaire tijdschriften en bladen uitgegeven, maar die waren meestal geen lang leven beschoren: Vlaemsch België, die De Vlaemsche Belgen werd, bestond als onzijdig, nadien katholiek Vlaams traditionalistisch blad slechts van 1844 tot 1845; het periodiek De Broederhand verscheen van 1845 tot 1848; De Vlaemsche Beweging fungeerde in 1851 en 1852 als orgaan van het Vlaemsch Midden-Comiteit; nadien verschenen nog De Vlaemsche Stem (1846-1853), De Moedertaal, De Brabander, het Brusselsch Nieuwsblad, De Vrede, De Vlaemsche Stem (1850-1856), De Klauwaert (1857-1863) – het orgaan van Vlamingen Vooruit – het katholieke De Tijd. In diezelfde context is het ook te begrijpen waarom de conservatieve pers (De Vrede, De Tijd, De Vlaamsche Tijding) langer standhield.

In dezelfde periode belichaamde Xavier Havermans aanvankelijk de meer nationalistische vleugel van dit flamingantisme, dat via De Kerels (1870) in een virulente stijl een derde Vlaamse partij verdedigde, de "Vlaamsche stam" verheerlijkte en tegen Wallonië en België fulmineerde.

Uiteindelijk waren het deze twee grote strekkingen die zich op politiek vlak met het liberalisme engageerden tegen de katholieken. Organisatorische uitingen daarvan waren de Vlaamsche Liberale Bond (1876), de oprichting van een Brusselse afdeling van het Willemsfonds (in 1873) en de samenwerking met de studentenvereniging Geen Taal Geen Vrijheid. Parallel met de uitbouw van deze studentenbeweging aan de Université libre de Bruxelles, werd eveneens in de jaren 1880 de basis voor de politisering van de humaniorascholieren gelegd via Help U Zelf. Dergelijke organen bevoorraadden vervolgens het Brusselse flamingantisme met nieuwe intellectuelen. August Vermeylen, Hoste, Lodewijk de Raet, Emanuel Hiel, Maurits Josson, Alfons Prayon-van Zuylen, Emile de Veen en Beving maakten er deel van uit. Ondanks hun betekenis voor de V.B. beperkte hun aanhang zich evenwel tot slechts enkele procenten van het toenmalige studentenkorps.

De samenwerking tussen progressieve liberalen en liberale flaminganten in de jaren 1870 en 1880 gaf de flaminganten dus een zekere invloed in de liberale partij. Het is mede via de gezamelijke steun van flaminganten en progressieven dat de onderwijsdeskundige Karel Buls, geëngageerd in de Ligue de l'Enseignement en hoofdrolspeler in de levensbeschouwelijke polarisatie van die periode achtereenvolgens gemeenteraadslid (1877), schepen van onderwijs (1879) en burgemeester (1881) werd en de hoofdstad probeerde te voorzien van een tweetalig uitzicht. Daarvan getuigen zijn onderwijspolitiek (aanpassingsklassen-transmutatieklassen), de verplichte tweetaligheid voor stedelijke ambtenaren, de taalkeuze voor administratieve akten, tweetalige straatnamen, zijn steun aan de actie voor een Vlaamse Schouwburg.

Na de verkiezingsnederlaag van 1884 en het succes van een Parti Indépendant in het Brusselse evolueerde de tegenstelling tussen doctrinairen en progressieven tot een opsplitsing in twee kiesverenigingen, een doctrinaire Ligue libérale en een progressieve Association libérale. Deze ideologische scheuring sleurde ook de liberale flaminganten mee, ofschoon zij aanvankelijk probeerden hun Vlaamse macht te behouden door te ijveren voor een federatieve inrichting van de liberale partij met de erkenning van het flamingantisme als derde macht. Daartoe werd door de 'oude' generatie flaminganten – die al sinds de jaren 1860 en 1870 actief waren zoals Hoste, Florimond Kops, Hiel, Emmanuel van Driessche, Frans Reinhard – in 1885 de Liberale Vlaamsche Bond opgericht. Hierin werkten zowel het progressief liberaal ideeëngoed door als de idee van Vlaamse samenwerking, maar deze laatste werd snel op de proef gesteld door de ideologische tweespalt. Terwijl De Veldbloem in uitsluitend progressief vaarwater belandde, evolueerde de Liberale Vlaamsche Bond tot een doctrinaire spreekbuis. Samen met Hoste steunde de Bond Buls. Hij was het flamingantisch boegbeeld te Brussel bij uitstek en had zich ook bij het doctrinaire kamp aangesloten. Toen de Liberale Vlaamsche Bond in 1888 uit onvrede met het uitblijven van de erkenning als derde macht een eigen lijst indiende, werd een dieptepunt bereikt. De concurrentie van de Onafhankelijken en van de progressief-doctrinaire tegenstelling zorgden immers voor een electoraal fiasco. Het illustreerde duidelijk de beperkte electorale impact van het liberaal flamingantisme en trouwens van het flamingantisme in het algemeen. Het experiment met de Vlaamsche Volkspartij, een reactie op de ideologische en persoonlijke twisten in het liberalisme, zou dat later ook illustreren. Symptomatisch voor deze flamingantische baisse, was dat ook het aanvankelijk succesvolle Willemsfonds in die periode achteruitboerde.

Als reactie op de verdeeldheid probeerden de flaminganten rond Reinhard, Prayon van Zuylen, Josson, De Raet de oude traditie van de derde neutrale partij te revitaliseren door het propageren van de Landdagbeweging, de stichting van een Nationaal Vlaamsch Verbond (1891-1914), de participatie in een Vlaamsche Volksraad (1892-1914) en uiteindelijk de oprichting van een Vlaamsche Volkspartij in 1892. In het zoeken naar samenwerking met andere flaminganten over de ideologische grenzen heen was eerder al De Vlaamsche Wacht (1889) opgericht, die met een sterk Vlaams radicalisme succes kende bij de jongere generatie en tot de vooravond van de Eerste Wereldoorlog bleef bestaan. Uiteindelijk slorpte de Vlaamsche Volkspartij, nadien herdoopt tot Nationale Volkspartij, de Liberale Vlaamsche Bond gedeeltelijk op. De Raet en Prayon-van Zuylen drukten hun stempel op het programma van de Vlaamsche Volkspartij, die sterk geïnspireerd was op het manifest van De Veldbloem van 1886. Naast de verwezenlijking van de Vlaamse eisen als vervlaamsing van het gerecht, bestuur, onderwijs en leger, verdedigden ze algemeen stemrecht, evenredige vertegenwoordiging, lokaal referendum, vermindering van de militaire begroting en sociale wetgeving.

Ook deze nationalistische stroming liep spaak op het uitblijven van electorale erkenning en op ideologische en persoonlijke twisten. Met een geografische actieradius, die tot Brussel beperkt bleef en een te kleine sociale rekruteringsbasis, was ook de Vlaamsche Volkspartij tot mislukken gedoemd. In tegenstelling tot de Belgische Werkliedenpartij (BWP), waarbij ze qua programma zeer dicht aanleunde, richtte ze zich immers tot de kleinburgerij, die in Brussel bij uitstek Franstalig was of sterk verfranste. Zelfs de eerste gemeenteraadsverkiezingen met algemeen meervoudig stemrecht (AMS) (1895) brachten hun electorale aanhang niet boven de 2%. Het AMS gecombineerd met het meerderheidssysteem was immers ook niet van aard om haar groeikansen te verhogen. In de tegenstelling tussen de groep rond Prayon-van Zuylen en Josson, die elkaar ook bestreden via hun persorganen De Flamingant respectievelijk Schild en Vriend, probeerde Reinhard tevergeefs te bemiddelen. Uiteindelijk keerden de meeste progressieve flaminganten terug naar de Association libérale en na 1895 verlieten ook kopstukken als Josson en Beving de partij.

De V.B. te Brussel had dus de nieuwe impulsen vanuit de democratische en liberale beweging in het laatste kwart van de 19de eeuw niet echt weten te benutten. Dit had vooreerst te maken met de machtsverhoudingen in Brussel, waar de politiek van Buls hevige tegenstand ontmoette van de francofonen en de verfransing geïntensifieerd werd. De verruiming van de kiescijns in 1883 en het AMS van 1893 verruimden bovendien niet het electoraal rekruteringsveld van de flamingantische stromingen, die het moesten hebben van een middenklasse-aanhang. Daarbij konden ze niet optornen tegen de verfranste hogere middenklasse. Hun achterban uitbreiden via de Vlaamse arbeiders in Brussel, lag evenmin voor de hand: de Brusselse arbeidersklasse was precies in die periode volop aan het verfransen en werd bovendien eerder door de BWP aangesproken; de flaminganten van het laatste kwart van de 19de eeuw – meestal niet-gefortuneerde intellectuelen – hadden maar weinig voeling met de Brusselse arbeidersklasse.

Ook de Vlaamsche Volkspartij mislukte bij gebrek aan een klassenbasis.

Ondanks de kruisbestuiving tussen socialisme en flamingantisme in het midden van de 19de eeuw, restte er maar weinig flamingantisme bij de BWP. We weten wel dat de Brusselse arbeidersverenigingen in de eerste jaren van hun bestaan rekening hielden met de 'dubbele' taalidentiteit van het Brussels proletariaat door pamfletten in beide talen te verspreiden en op bijeenkomsten de aanwezige arbeiders toe te spreken in beide talen. Maar dit leidde niet tot het verbinden van taalverhoudingen met klassentegenstellingen. De eerste syndicaten ontstonden trouwens in het verlengde van corporatieve verenigingen, waar het beroep de grootste gemene deler was. En aangezien de manuele arbeidsmarkt niet echt etnisch was gesegregeerd maar iedere beroepsgroep in mindere of meerdere mate wel anderstaligen telde, waren de vakverenigingen ook op een niet-etnische basis opgebouwd.

In de Brusselse BWP, die overheerst werd door sterk Franstalige werkliedenbonden, ageerde trouwens geen Vlaamse drukkingsgroep – zoals dat wel bij de liberalen en de katholieken het geval was – die de aandacht van de strijd voor het algemeen stemrecht kon afleiden of deze explicieter kon verbinden met de Vlaamse eisen. De sociale samenstelling van de Brusselse BWP en van haar achterban wordt hier als belangrijkste verklaring aangehaald. Dat Brussel een weinig talrijke arbeidersklasse had, die veeleer in kleine, ambachtelijke bedrijfjes werkte, werd eerder al uiteengezet. Dat de arbeidersaristocratie van goed geschoolde arbeidskrachten vaak Frans moest kennen, vaak zeer gevoelig was voor het grote sociale gewicht van het Frans en door de verruiming van het onderwijs volop verfranste sinds het einde van de 19de eeuw, werd ook reeds vermeld. Precies deze groepen – in casu arbeiders uit de drukkerijsector – speelden een grote rol in de opbouw van het Brusselse socialisme. Zij werden bijgestaan door een vrij grote groep intellectuelen die geen Nederlands kende. Het witteboordenproletariaat dat in Brussel de grootste achterban van de BWP vormde, was in groten getale Franstalig. De Brusselse federatie had bovendien, zoals de hoofdstad, een meer dan lokale functie en die vervlechting van lokale en nationale politiek richtte de aandacht vooral op Wallonië.

Het duurde trouwens tot het begin van de 20ste eeuw en tot de concurrentie van het daensisme, vooraleer in Brussel in het Nederlands campagne werd gevoerd, er een Nederlandstalig socialistisch weekblad (De Gazet van Brussel, 1904) verscheen en via een speciale meeting expliciet aandacht werd geschonken aan het taalvraagstuk (1906). De eerste Vlaamsgezinde die in het Brusselse arrondissement op een verkiesbare plaats kwam, werd meteen ook verkozen (Leo Meysmans). In 1910 kwam Camille Huysmans erbij, zodat de Vlaamse socialisten twee vertegenwoordigers van het arrondissement Brussel in de Kamer hadden. Het was mede onder impuls van deze twee jonge Vlaamsgezinde militanten dat de socialisten in het parlement een toenemende belangstelling toonden voor de Vlaamse eisen. Samen met Albéric Deswarte, Franz Fischer, Jan Bergmans en F. Elbers namen ze in 1906 het initiatief tot de oprichting van een Vereeniging van Vlaamsche Socialisten, die Vlaamse sprekers en kaders diende te vormen voor een Vlaams dagblad te Brussel. In de Brusselse gemeenteraad was het Rochette, nadien opgevolgd door Huysmans, die vaak de onderwijspolitiek van de stad bekritiseerde en daardoor de steun kreeg van de Vlaamsche Volkspartij. Ofschoon het Vlaamse socialisme zich meer en meer engageerde in de Vlaamse strijd vanaf het tweede decennium van de 20ste eeuw, was de druk van deze flamingantische socialisten in Brussel zeker niet opgewassen tegen de impact van de francofone politieke krachten of tegen de verfransende invloeden. Net zoals heel wat 'verlichte' burgers beschouwden sommige socialisten het Frans trouwens als een evident mobiliteitsinstrument, dat arbeiderskinderen aangeleerd werd via verfranst onderwijs en hen omvormde tot tweetaligen met betere kansen op de arbeidsmarkt.

Weinig tegenwicht ondervonden de socialisten voor de Eerste Wereldoorlog te Brussel van flaminganten van katholieken huize, die er slechts een kleine minderheid vormden. In het progressistisch, radicaal-liberaal flamingantisch milieu van de 19de eeuw waren katholieke flaminganten uitzonderingen op de regel. Ook in de studentenbeweging bleven de katholieke Jonge Klauwaerts, gesticht in het Brusselse Sint-Michielscollege in 1887, in een marginale positie. Het katholiek flamingantisme was er wel structureel aanwezig sinds 1889 met de oprichting van een Katholieke Vlaamsche Bond van het arrondissement Brussel, die openstond voor samenwerking met andersdenkenden. Het was de voorzitter van deze bond, Karel G. Brants, die vermoedelijk de uitgever was van het waarschijnlijk eenmalig verschenen blaadje (1891) van de katholieke studentenbeweging in Brussel, Jong Brabant. In 1894 werden de twee kandidaten (Juliaan de Vriendt en Juliaan van der Linden) van de bond op de lijst van de Association Catholique gezet en verkozen voor het parlement, waar ze een belangrijke rol speelden bij de totstandkoming van de Gelijkheidswet van 1898. Kreeg deze Vlaamse bond geen verkiesbare plaatsen in 1912, dan werd Gustaaf Borginon toch verkozen via de voorkeurstemmen.

Het ontbreken van een Vlaamse arbeiders- en middenklasseachterban speelde ook de Daensistische partij parten. Na de breuk met de christen-democratische groep van de Justice Sociale van Jules Renkin en Henry Carton de Wiart, waarmee ze aanvankelijk samenwerkten, probeerden ze in het Brusselse een eigen partij op te bouwen. Maar het was vooral dankzij de rurale Brabantse arbeidersgroepen (steenbakkers, hopboeren...) dat ze enige populariteit kende. De katholieke concurrentie maaide haar daar evenwel het gras voor de voeten weg. Pogingen om een Franstalig en een middenklasse-kiespubliek te bereiken – via een coalitie met kleinhandelaars van Brussel, via Franstalige toespraken.... – volstonden slechts om in 1902 Adolf Daens als volksvertegenwoordiger te laten verkiezen. Later werkten de opvolgers van Daens (onder leiding van Florimond-Alphonse Fonteyne) rond een uitgesproken Vlaams programma nog samen met onafhankelijke en vrijzinnige flaminganten als Josson, met even weinig succes overigens.

Het was dus vooral via het liberalisme dat het Brussels flamingantisme zich voor de Eerste Wereldoorlog bleef uiten. Binnen de liberale partij moesten ze wel optornen tegen agressief-anti-Vlaamse, Brussels-Waalse en Franstalige verenigingen.

Een bloei vlak voor de Eerste Wereldoorlog dankte het liberale flamingantisme van toen aan het bereiken van arbeiders en middenklasse via de uitbouw van liberale sociale structuren. De in 1909 opgerichte Liberale Volksbond reorganiseerde het liberale flamingantisme en beëindigde de vroegere verdeeldheid. Via plaatselijke afdelingen, jongeren- en vrouwenafdelingen, onderwijs- en toneelafdelingen en een ziekenkas bereikte de Liberale Volksbond net voor de oorlog een 2000-tal leden.

Vanaf de eeuwwisseling trad een nieuwe generatie academisch gevormde flaminganten uit de hogere middenklasse en lagere burgerij aan. Deze generatie oversteeg het Brusselse kader ruim door de V.B. inhoudelijk te vernieuwen en paste tegelijk ook volledig in de Brusselse traditie, waarin vorming en de strijd voor Nederlandstalig onderwijs steeds zo belangrijk geweest waren. Het was De Raet die de vorming van een nieuwe Vlaamse elite verdedigde ter versterking van de "Vlaamsche Volkskracht" via de strijd voor een Vlaamse universiteit en daartoe argumenteerde vanuit de economische belangen. Het was de 'literaire anarchist' Vermeylen, die de beperktheid van de V.B. tot een burgerlijk-romantische taalbeweging aanklaagde en stoffelijke en taalbelangen verbond. Net zoals vroeger vormden culturele verenigingen, zoals het letterkundig genootschap De Distel met latere leden van Van Nu en Straks als Vermeylen, Herman Teirlinck, Alfred Hegenscheidt, Fernand V. Toussaint, belangrijke flamingantische ontmoetingsplaatsen.

Dat deze belangrijke culturele ontmoetingsplaats het gedeelde 'stambewustzijn' tussen Noord en Zuid wou stimuleren, aansloot bij het Nationaal Vlaamsch Verbond en een afdeling werd van het Algemeen-Nederlands Verbond, illustreert de groeiende impact van de Groot-Nederlandse gedachte in de eerste decennia van deze eeuw, ook te Brussel.

Activisten en passivisten te Brussel

Frustraties omtrent de onmacht van de V.B. te Brussel in verhouding tot de snelle verfransing van de hoofdstad, de niet-toepassing respectievelijk het uitblijven van taalwetten en interne flamingantische tegenstellingen vormden de achtergrond voor activistische activiteiten in de hoofdstad tijdens de Eerste Wereldoorlog. Door de oprichting van een bijzondere afdeling voor Vlaamse aangelegenheden en Duitse verordeningen omtrent de voertaal in het lager onderwijs in Brussel trok de Duitse bezetter een aantal flaminganten over de activistische streep.

De Brusselse Vlaamsgezinden raakten evenwel al in 1914 verdeeld in een groep die in het activisme belandde (Maurits Josson, Jacob Lambrichts, Frans Reinhard...) en de in een Vlaamsche Studiekring georganiseerde 'loyalen' (August Vermeylen, Alfred Hegenscheidt, Fernand V. Toussaint, Karel Van de Woestijne, Emile de Veen, Julius Hoste (sr.), Jef Mennekens...).

De georganiseerde samenwerking met de bezetter verliep via de Vereeniging van Vrienden der Vlaamsche Zaak, opgericht door Lambrichts, die als vroegere voorzitter van de Katholieke Vlaamsche Bond (Katholieke Vlaamsche Landsbond) van het arrondissement Brussel ook een deel van de katholieken naar het activisme leidde. Nochtans was het Brussels activisme, zoals het Brussele flamingantisme in het algemeen trouwens, vooral een zaak van vrijzinnigen. In tegenstelling tot het gros van de activisten elders, die meestal geboren waren tussen 1880 en 1890, behoorden de Brusselse activisten – zoals Reinhard of Josson - eerder tot een oudere generatie, die vanuit het progressief-liberalisme in liberale en nationalistische organisaties waren beland. Reinhard en Josson speelden samen met Jozef Haller von Ziegesar, Lambrichts en Arthur Faingnaert de hoofdrol in de in 1916 opgerichte Vlaamsche Landsbond, die de gematigde leden van de Vereeniging van Vrienden der Vlaamsche Zaak opslorpte en via de door de Duitsers gecontroleerde Gazet van Brussel ageerden voor Vlaanderen als een Duitse bondsstaat en voor een Vlaamse Hogeschool. De radicale restanten van het Brusselse activisme voegden zich bij Jong-Vlaanderen. Wel was er sinds 1916 te Brussel ook een activistische afdeling van het Nationaal Vlaamsch Studentenverbond actief met onder anderen de zoon van Reinhard (Willem).

Begin 1917 verhuisde het zwaartepunt van de activistische werking zelfs naar Brussel met de organisatie van een bijeenkomst, waarin de Brusselaars zwaar doorwogen. Deze diende een activistisch eenheidsprogramma te ondersteunen, eiste de bestuurlijke scheiding en kondigde de oprichting van de Raad van Vlaanderen aan.

In oktober 1918 werd nog een Vlaamsche Unie opgericht, door onder anderen Reinhard, Alfons Hessens en Hendrik Tanrez, om op de valreep nog een federaal België met taalhomogeniteit in Vlaanderen te verdedigen.

Net zomin als elders verwierf dit activisme te Brussel echter een massabasis. Daartoe ontbrak een Nederlandstalige achterban – dat bewees de beperkte afzet van de Gazet van Brussel, toen het enig Nederlandstalig dagblad – en flamingantische eensgezindheid: vooraanstaande flaminganten als Camille Huysmans, Frans van Cauwelaert en Vermeylen wezen immers de Duitse gunsten af. Het nationalistische flamingantisme diende te Brussel op succes te wachten tot de jaren 1930.

Toenemende flamingantische initiatieven tegen de verfransende stroom in: de V.B. te Brussel tijdens het interbellum en tijdens de Tweede Wereldoorlog

Net zoals elders in Vlaanderen maakte de V.B. te Brussel tijdens het interbellum een bewogen periode door. De oorlogsgebeurtenissen verhoogden daarenboven nog de verfransingsdruk. De Brusselse gemeentebesturen voerden een politiek die erop gericht was om onder het mom van de 'taalvrijheid' het Nederlands als bestuurstaal te weren. Het onderwijs werd ten dienste gesteld van dit objectief. Dat de politieke activiteiten van Brusselse flaminganten zich vooral tegen dit 'denationaliseringsproces' richtten, lag voor de hand. Dit Vlaams verzet uitte zich zowel in de bestaande partijen als via nieuwe initiatieven, maar ook via een rijk en gevarieerd verenigingsleven.

Bij de liberalen werd dit onder andere ter harte genomen door Victor Heymans en J.B. Sach, maar vooral door Julius Hoste (jr.), de eigenaar van het dagblad Het Laatste Nieuws, die in 1936 minister van onderwijs werd. Als meest vooraanstaande Vlaamse liberaal in Brussel, onderhield hij een goede verstandhouding met toonaangevende liberale politici en bepleitte hij bij hen de zaak van de Brusselse Vlamingen. Tijdens zijn tweejarig ministerschap poogde hij met enig succes op te treden tegen de erbarmelijke onderwijssituatie van de Brusselse Vlamingen. Hij kreeg daarbij echter tegenwind van sommige Brusselse liberalen, die in hun hoedanigheid van burgemeester en schepenen de plannen van de minister weigerden te ondersteunen.

Op hetzelfde verzet botsten trouwens de pogingen van de Liberale Volksbond om aan bod te komen in de liberale partij. Na vier jaar inactiviteit hadden de Brusselse Vlaamse liberalen immers in 1918 hun werkzaamheden hervat in dezelfde ideologische traditie als voor de oorlog en via dezelfde organisatie. Deze Liberale Volksbond herleefde snel met de ziekenkas De Blauwe Bloem als belangrijkste onderafdeling. Na zelf Ons Strijdblad en De Toekomst te hebben uitgegeven, kreeg de Liberale Volksbond vanaf 1926 ruimte in Het Volksblad, orgaan van het Liberaal Vlaams Verbond, om het ledennieuws bekend te maken. Ook het dagblad Het Laatste Nieuws stelde zijn kolommen ter beschikking. Desondanks groeide de Liberale Volksbond nooit uit tot een grote organisatie. In 1924 zouden slechts een 400-tal personen lid zijn geweest.

Dit verklaart wellicht ten dele ook het halsstarrige verzet van de Brusselse liberalen tegen Vlaamse liberale pogingen om meer aan bod te komen in de liberale partij. Pogingen van de Liberale Volksbond om zelfstandig aan de wetgevende verkiezingen deel te nemen, verraadden echter zijn beperkte electorale impact: slechts 1,3% van de in het arrondissement Brussel uitgebrachte stemmen in 1921 en amper 1% in 1929. Nochtans had de Liberale Volksbond ondertussen, in 1926, het adjectief "Vooruitstrevende" aan haar naam toegevoegd om zich meer te distantiëren van de Brusselse liberale partij-instanties.

Toen in 1925 de Liberale Volksbond wel eigen kandidaten op de liberale lijst kon plaatsen, volstonden een intense propaganda en de opstelling van schrijver Herman Teirlinck op een strijdplaats evenmin om succes te boeken. In de jaren 1930 waagde de Liberale Vooruitstrevende Volksbond zich dan ook niet meer aan electorale krachtmetingen. Op gemeentelijk vlak waren enkele Volksbonders er wel in geslaagd om zich via liberale eenheidslijsten tot gemeenteraadslid te laten verkiezen.

De in 1919 herstichte Katholieke Vlaamsche Bond (KVB) botste eveneens op interne tegenwerking, met name van de Association Catholique, het belangrijkste katholieke politieke bolwerk in het arrondissement (Katholieke Vlaamsche Landsbond). Toen deze weigerde het Vlaams minimumprogramma van de Vlaamse katholieken te onderschrijven en hen in 1919 een eigen vertegenwoordiging op de katholieke lijst ontzegde, besloot de KVB een eigen koers te volgen. Na mislukte onderhandelingen met Het Vlaamsche Front presenteerde zij zich samen met de Belgische Boerenbond en de Christen Volksbond – het arbeiderssegment – als Christene Volkspartij – Vlaamsche Front aan de kiezer. Zij onderschreef het Vlaams minimumprogramma en eiste de transformatie van de Association Catholique tot een standenpartij. De twee zetels die deze Christene Volkspartij behaalde (tegenover de zeven van de Association Catholique) dankte ze vooral aan haar impact in het rurale deel van het arrondissement. De kandidaat van de KVB, uittredend volksvertegenwoordiger Gustaaf Borginon, werd trouwens niet gekozen.

Via dezelfde tactische samenwerking kwamen in 1921 voor het eerst ook Vlaamse kandidaten in de Brusselse gemeenteraad.

De KVB trad vanaf 1921 niet meer in naam toe tot het 'christen-democratisch' verkiezingskartel, maar de Vlaamse katholieken werden wel bij de samenstelling van de lijsten betrokken en de kandidaten van de Christene Volkspartij bleven het Vlaams minimumprogramma onderschrijven. Dit laatste gebeurde ook toen tussen 1925 en 1936 de Association Catholique en de Christene Volkspartij akkoorden sloten voor de wetgevende verkiezingen. Deze samenwerking beïnvloedde nauwelijks de rekruteringskracht van de Brusselse Vlaamse katholieken, die vooral aangewezen bleven op een rurale aanhang en electoraal beduidend minder succes hadden dan de Brusselse katholieke conservatieven.

De nieuwe nationale katholieke partijstructuren, die rekening hielden met de taaldualiteit, en de al te nadrukkelijke rol van de standen deden de conservatieven in 1939 de samenwerking beëindigen.

In het parlement steunden de verkozenen van de Christene Volkspartij, die lid waren van de Katholieke Vlaamsche Kamergroep van Frans van Cauwelaert, de totstandkoming van de Vlaamse taalwetten (taalwetgeving). Het was trouwens Brusselaar Albert Bouweraerts die in 1926 Van Cauwelaert als voorzitter van de Katholieke Vlaamsche Landsbond opvolgde. In de jaren 1930 werd te Brussel met de steun van diverse katholieke verenigingen eveneens het Katholiek Vlaamsch Secretariaat opgericht. Bedoeling was de Vlaamse inwijkelingen op te vangen en te vrijwaren van verfransing.

In tegenstelling tot de liberale en katholieke partij bestond in de schoot van de Brusselse federatie van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) nog altijd geen Vlaamse drukkingsgroep. Ondanks de grote groep Nederlandstalige leden was in het arrondissementeel bestuur en in de partijafdelingen het Frans de bestuurstaal. De zwakte van de socialistische beweging in het rurale en Vlaamse deel van het arrondissement was hiervoor verantwoordelijk. Alleen in het industriële Vilvoorde wisten vader en zoon Frans Gelders een Vlaamse klok te luiden. Hun weekblad De Demokraat was trouwens het enige Nederlandstalige partijorgaan van het arrondissement. In 1924 trachtte de Brusselse BWP-federatie met een Nederlandstalig dagblad wel haar greep op de Vlaamse kiezer te versterken, maar met een dagelijkse verkoop van slechts 5000 exemplaren werd het Volksblad geen succes. Een regionale editie van De Volksgazet werd ook maar enige jaren volgehouden. Een nog korter bestaan was de Sociaal-democratische vereeniging van het arrondissement Brussel beschoren, een cultureel initiatief uit 1925 van enkele Vlaamse socialisten uit Brussel.

Uit electorale overwegingen voerde de Brusselse federatie wel propaganda in het Nederlands en de vooroorlogse traditie om Vlamingen op verkiesbare plaatsen te zetten ging in de jaren 1920 verder. In 1925 waren in het parlement G. Melckmans, Gelders (1874-1949) en Albéric Deswarte de Vlaamse verkozenen uit Brussel. Op gemeentelijk vlak zetelden enkele uitgesproken Vlaamsgezinde raadsleden in een aantal Brusselse gemeenten langsheen de kanaalzone en een kleine groep socialistische gemandateerden was zelfs Fransonkundig. Een opmerkelijke tussenkomst in het Brussels onderwijsvraagstuk werd toen trouwens door een socialist veroorzaakt. Als minister van kunsten en wetenschappen trachtte Camille Huysmans, vooroorlogs Brussels gemeenteraadslid en volksvertegenwoordiger, in 1926 – overigens tevergeefs – de Brusselse gemeentebesturen te verplichten tot het inrichten van Nederlandstalig onderwijs.

In de loop van de jaren 1930 werden de Vlaamse socialisten evenwel in het defensief gedrongen. Gelders (1874-1949) restte als enige Vlaamsgezinde Brusselse socialist in het parlement. Er waren ook steeds meer socialisten die inzake de taalkwestie de thesen van de Franstalige actiegroepen gingen onderschrijven in ruil voor electorale steun. Dit kwam duidelijk tot uiting op een congres van de Brusselse BWP-federatie in 1938, waar de erg strijdvaardige feministe Isabelle Blum de afschaffing van elke taaldwang en de invoering van de liberté du père de famille bepleitte. Vlaams verzet werd gevoerd door de jeugdige Hendrik Fayat, toen bestuurslid van het Vlaamsch Verbond voor Brussel (VVB).

Na de Eerste Wereldoorlog dienden de Vlaams-nationalisten zich ook in Brussel aan als een nieuwe politieke factor. Voortgesproten uit de Frontbeweging kwamen vanaf 1919 enkele afdelingen tot stand in verschillende gemeenten van de agglomeratie, die een erg wisselvallig bestaan zouden leiden en waarvan de activiteiten vooral electoraal geïnspireerd waren.

Het zwaartepunt van Het Vlaamsche Front lag evenwel in het rurale Pajottenland, waar Staf de Clercq met een kleine schare propagandisten een stevige partijstructuur uitbouwde en via dienstbetoon zijn succes consolideerde. Voor dit Vlaamsche Front vormde Brussel een belangrijk strijdpunt: de hoofdstad diende terug "gaaf Vlaams" te worden via het uitschakelen van de verfransingsmechanismen die op termijn ook Vlaanderen bedreigden. Het Vlaamsch Huis op de Brusselse Grote Markt vormde het middelpunt van de Vlaams-nationalistische actie. In het verlengde van Het Vlaamsche Front Brussel werden andere verenigingen opgericht en activiteiten ontplooid: zo organiseerden de vrouwen zich in een Roza de Guchtenaerekring, hadden de jongeren een Frontwacht, waren in Brussel en Molenbeek Vlaams-nationalistische toneelkringen actief, defileerde er regelmatig een Vlaamsche Harmonie, werd de Guldensporenslag (Guldensporenviering) jaarlijks herdacht en de IJzervlakte jaarlijks bezocht... Aan het eind van de jaren 1920 kregen de Vlaams-nationalistische sociale organisaties uit Aalst zelfs vaste voet aan de grond in Brussel.

Ofschoon De Clercq de eerste leider werd van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV), verliep de overgang van Het Vlaamsche Front naar centraliserend en meer autoritair VNV in het Brusselse niet van een leien dakje. Talrijke ontevredenen van Het Vlaamsche Front vonden elkaar te Brussel trouwens in het rechtse en uit West-Vlaanderen afkomstige Verbond van Dietsche Nationaal Solidaristen (Verdinaso) van Joris van Severen. Frantz van Dorpe werd de eerste Brusselse Verdinaso-leider. Toen Van Severen vanaf 1934 een meer Belgischgezinde koers ging varen, raakte het verbond ook in Franstalige kringen ingeburgerd.

Op electoraal vlak bemachtigde Het Vlaamsche Front al in 1919 één Kamerzetel. De Clercq bleef quasi onafgebroken volksvertegenwoordiger. Vanaf 1936 kreeg hij het gezelschap van Karel Lambrechts, die de Vlaams-nationalisten in Brussel leidde na het aantreden van De Clercq als VNV-baas. Op gemeentelijk vlak brak het VNV in de Brusselse agglomeratie geen potten. Alleen in Evere vaardigde men twee raadsleden af. Ook op dit niveau lag het electorale zwaartepunt in het Pajottenland. Concrete initiatieven om acties in Brussel te ondernemen werden vooral door deze electorale overwegingen ingegeven. Ook het akkoord met Rex diende het draagvlak van de partij in Brussel te verruimen. Het ontbreken van een grondige analyse van de Brusselse situatie en een functionele strategie om de taalsituatie daar te keren, waren niet van aard om daaraan te verhelpen en zorgden trouwens voor interne spanningen. Het heeft er het VNV achteraf niet van weerhouden om via figuren als Hendrik Borginon (rijkscommissaris van de grote agglomeraties), Jan Grauls (oorlogsburgemeester), Lode Claes, Willem Reinhard, Piet Finné, Maurits Liesenborghs (VNV-oorlogsschepenen) ook te Brussel mee in de collaboratie te stappen.

Tijdens het interbellum stonden de Vlaamse katholieken, liberalen en socialisten in de schoot van hun respectievelijke partijen dus duidelijk te zwak om op te boksen tegen de door francofonen gedomineerde partijafdelingen, die een sterke greep hadden op het politieke leven van het arrondissement Brussel. Katholieke en liberale Vlamingen koppelden er hun taalverzuchtingen dan ook aan democratische hervormingen van de partijstructuren. Ofschoon het Vlaams-nationalisme een logische verderzetting vormde van de zogenaamde derde-weg-idee die in Brussel al lang aanwezig was, wist het evenmin een echte doorbraak te forceren. Dat aan deze partij het odium van activisme en Duitsgezindheid kleefde, was hier niet vreemd aan. Bovenal lag de geringe aantrekkingskracht van Brusselse flaminganten, van welke partij dan ook, en dit ongeacht de organisatorische uitbouw van een zelfstandige Vlaamse partij, in het verlengde van de maatschappelijke en linguïstische transformaties van Brussel tijdens het interbellum. De Brusselse gemeentelijke autoriteiten zetten ook alles in het werk om het gebruik van het Nederlands in het openbaar leven te ontmoedigen. Het verfransende onderwijs en een toenemende verfransingsdruk op alle niveaus deden de rest. Dat niettemin aan de basis een zekere gehechtheid aan het Nederlands bleef bestaan bewees het rijke verenigingsleven, dat even sterk bloeide als elders in Vlaanderen, met identieke problemen werd geconfronteerd, maar wel in een zeer specifieke linguïstische omgeving bedrijvig was.

Het amateurtoneel bleef tijdens het interbellum zijn rol van belangrijk taalbehoudend instrument verder spelen. In 1925 was er een tachtigtal maatschappijen bedrijvig, waarvan de helft in Brussel en Molenbeek. Om het peil op te krikken werden zelfs twee toneelscholen opgericht en in een aantal gemeenten sloegen de meeste amateurtoneelkringen de handen in elkaar in de vorm van een verbond. Bleef bij de oudste maatschappijen de band met het liberalisme bestaan, dan verschenen er tijdens het interbellum ook verenigingen van katholieke, socialistische en Vlaams-nationalistische signatuur.

De Koninklijke Vlaamse Schouwburg (KVS) en de Volksschouwburg Folies-Bergère waren de Vlaamse professionele toneelgezelschappen van de hoofdstad. Terwijl het verhaal van de KVS er een was van financiële en artistieke moeilijkheden – directeur Jan Poot probeerde tevergeefs om met een modern repertoire publiek te lokken – boekte de Folies Bergère succes met een populair programma in het Brusselse dialect.

Andere pogingen tot intellectuele vorming werden ondernomen door de Brusselse afdelingen van de cultuurverenigingen Willemsfonds (WF), Davidsfonds (DF) en Algemeen-Nederlands Verbond (ANV), die tegelijk de aandacht probeerden te vestigen op de Brusselse taalsituatie. In het Brusselse Willemsfonds speelde Emile de Veen, opvolger van Julius Hoste (sr.) als voorzitter een cruciale rol.

Ofschoon het katholieke Davidsfonds in het Brusselse vooral pas na de Eerste Wereldoorlog tot bloei kwam, werd het met gemiddeld 2000 leden bijna viermaal zo groot als het vrijzinnige WF en ontplooide het veel meer activiteiten. Pogingen van Vlaams-nationalisten en rexisten om in de jaren 1930 afdelingen in hun greep te krijgen, leidden vaak tot ruzies.

De activistische rol van sommige leiders van het ANV, de kleinste cultuurvereniging, verhinderde jarenlang de uitbouw van activiteiten. Het was de Brusselse afdeling die het voortouw nam in de heropstanding.

Het gemis aan een hoogstaande culturele vereniging werd door een aantal Vlaamse intellectuelen waaronder August Vermeylen met succes bestreden via de oprichting van de Vlaamse Club voor Kunsten, Wetenschappen en Letteren in 1923.

Van de tijdens het interbellum opgerichte debatclubs hield De Gong het het langst uit. Talrijk waren ook de volksopvoedkundige initiatieven. Eind jaren 1920 verspreidde Het Vlaamse Kruis kennis over hygiëne en eerste hulp bij ongevallen, terwijl de Katholieke Vlaamse Hogeschooluitbreiding samen met het DF lezingen over literatuur, kunst en economie organiseerde. Het juiste gebruik van het Nederlands werd gepromoot door de Vereniging voor Beschaafde Omgangstaal, Esperanto kon worden geoefend in de afdeling van de Flandra Esperanto Grupo, stenografie kon worden geleerd bij de Vlaamsche Stenografenbond...

De Brusselse afdeling van de Vlaamse Toeristenbond(VTB), die nauwelijks enkele weken na de oprichting te Antwerpen in 1921 werd opgestart, organiseerde voordrachten, wandelingen en uitstappen.

Het Vlaams muziekleven daarentegen was eerder beperkt en werd beoefend in de schoot van enkele toneelmaatschappijen of via de koren Peter Benoitskring, Scola cantorum en later het Hendrik Baeyens-koor. De in 1904 opgerichte Vlaamsche Muziekschool bleef als Wilfordschool (Arthur Wilford) de enige inrichting.

Een nieuw verschijnsel in Brussel waren de gewestelijke bonden, alhoewel de Bond der West-Vlamingen al in 1906 werd opgestart. Deze verenigingen poogden de inwijkelingen uit een provincie te verzamelen om zo de herinnering aan de geboortestreek levendig te houden. In de jaren 1920 organiseerden de Oost-Vlamingen en de Antwerpenaren zich. Er bestonden eveneens kringen met ingezetenen uit een stad. (Brusselse Gouwbonden)

Uit een comité dat een sinterklaasfeest wou inrichten ontstond in 1920 Kindergeluk, een hechte en gestructureerde vereniging voor het Vlaams kind in Brussel, die ondanks haar neutraal karakter een band met het liberalisme hield.

Terwijl begin jaren 1920 in Vlaanderen een reactie ontstond tegen het als militaristisch en Franstalig bestempelde scoutswezen, duurde het tot rond 1930 alvorens dit in Brussel succesvol navolging kreeg.

Het beperkte aanbod aan Nederlandstalig onderwijs in de Brusselse agglomeratie verhinderde evenmin dat leerlingenorganisaties totstandkwamen. Dit was vooral het geval in officiële scholen. De Roeland-vereniging in het Koninklijk Atheneum van Brussel, opgericht in 1927, is er maar één voorbeeld van. De Brusselse leerlingen behoorden trouwens tot de medestichters van het Algemeen Vlaamsch Studentenverbond van het officieel middelbaar onderwijs, dat een twintigtal bonden uit het Vlaamse land overkoepelde. Op enkele schaarse en kortstondige initiatieven in de directe naoorlogse periode in Laken en Anderlecht na, duurde het eveneens tot 1927 vooraleer een katholieke Vlaamse studentenbond werd opgericht. Het verschijnen van Nederlandstalig onderricht in de jaren 1930 stimuleerde het ontstaan van afdelingen van de Katholieke Studentenactie (KSA).

Een actief Vlaams verenigingsleven bloeide eveneens aan de protestantse Silo-school.

Op het belang van het Vlaams studentenleven aan de Université libre de Bruxelles voor de V.B. werd reeds eerder gewezen. Na de wapenstilstand functioneerde aanvankelijk alleen een – niet-erkende – afdeling van het Algemeen Vlaamsch Hoogstudentenverbond. In de jaren 1930 ontwikkelde zich een Vrijzinnig Vlaamsch Hoogstudentenverbond (VVHV) uit socialistische en liberale studentenverenigingen. Door in 1932 de naam Geen Taal Geen Vrijheid aan te nemen, beklemtoonde de Brusselse afdeling de band met de roemrijke 19de-eeuwse organisatie. Brusselse studenten aan de Katholieke Universiteit Leuven richtten in 1925 eveneens een eigen kring op, de Bezemclub Brussel.

Het optreden van diverse Vlaamse sportclubs in deze periode getuigde niet alleen van de grote belangstelling voor sportbeoefening – vooral gymnastiek, voetbal en korfbal waren populair – maar eveneens van een ongenoegen over het taalgebruik in de meeste Brusselse clubs.

Socio-professionele drukkingsgroepen waren in deze periode eveneens goed vertegenwoordigd. Dat de Vlaamse ambtenaren van Brussel via het in 1921 opgerichte Verbond van het Vlaamsch Personeel der Openbare Besturen een voortrekkersrol speelden in de beslissingen van het hoofdbestuur tijdens de behandeling van de bestuurstaalwetten in 1929 en 1935 heeft uiteraard te maken met de aanwezigheid van de centrale staatsadministratie in de hoofdstad. Ook de wegens activisme afgezette en veroordeelde ambtenaren hadden zich snel in enkele actiegroepen voor amnestie (Recht voor Allen, Plaatselijk Amnestiekomiteit) georganiseerd.

Het beginsel 'moedertaal is onderwijstaal' werd dan weer verdedigd door onderwijsorganisaties, zoals de in 1922 opgerichte Brusselse afdeling van de Vlaamsche Leeraarsbond van het officieel middelbaar onderwijs en de Vlaamsche Opvoedkundige Vereeniging. Nadat de nasleep van het activisme ervoor zorgde dat het Vlaams Pleitgenootschap bij de Balie te Brussel pas in 1920 de werkzaamheden hervatte, was het zeer bedrijvig in de periode 1929-1935 rond de behandeling van de taalwet in rechtszaken.

Net als in Vlaanderen kende het Verbond der Vlaamse Oud-Strijders (VOS) in Brussel een snelle groei. Het opereerde via verschillende afdelingen en was in de jaren 1920 betrokken bij Vlaamsgezinde manifestaties. In haar schoot ontstond zelfs een paramilitaire organisatie, het Vlaamsch Zelfverweer, als reactie op het optreden van fascistoïde belgicistische groepjes. Vanaf de jaren 1930 deemsterde het VOS in Brussel weg. De Brusselse afdeling van het Vlaams Economisch Verbond (VEV) ten slotte was een van de oudste.

Het Vlaams verenigingsleven in Brussel kende na 1919 dus duidelijk een opbloei die zich eerst door verspreide initiatieven manifesteerde. Een pluralistische samenwerking struikelde aanvankelijk over tegenstellingen tussen Vlaams-nationalisten en Belgischgezinden enerzijds en op ruzie tussen katholieken, liberalen en socialisten anderzijds. Het duurde tot 1932 vooraleer het Vlaamsch Verbond voor Brussel (VVB) de Vlaamse verdeeldheid in Brussel beëindigde en op pluralistische wijze het Vlaams verenigingsleven te Brussel overkoepelde. Niet toevallig waren toen nieuwe taalwetten in voorbereiding en profileerden er zich enkele radicale francofone actiegroepen in Brussel. De resultaten van de talentelling van 1930 waren evenmin bemoedigend. Het VVB volgde de toepassing van de taalwetten en de situatie in het onderwijs op de voet en bood informatie aan Vlaamse Brusselaars en inwijkelingen uit Vlaanderen. Het waren trouwens vooral deze inwijkelingen die, net zoals in de 19de eeuw, voor vers bloed zorgden in deze Vlaamse organisaties en deze zo toelieten de druk van de intense verfransing te weerstaan. Het resultaat van de verfransing via het onderwijs werd voor het eind van de jaren 1930 al vermeld. Het was via samenwerking met de Duitse bezetter dat een aantal Brusselse flaminganten probeerden de onderwijsklok terug te draaien en de taalwetten te doen toepassen. Daartoe werd door de bezetter de bestaande Commissie voor Taaltoezicht omgevormd en geactiveerd, zonder er evenwel een effectieve beslissingsmacht aan te verlenen. Er waren duidelijk grenzen aan de Duitse Vlaamsgezindheid, grenzen die duidelijk getrokken werden wanneer de francofone bourgeoisie te sterk verontrust werd. 'Volksverwantschap' tussen Duitsers en Vlamingen speelde enkel een hoofdrol in het Duitse discours, want in feite genoten de economische inschakeling van België en de openbare veiligheid prioriteit. Dat een Duitse overwinning tot een succesvolle taalpolitiek in Brussel zou geleid hebben, kan op basis van de Duitse taal- en cultuurplannen weerlegd worden. Het resultaat van de Flamenpolitik was dan ook allesbehalve een succes: deze dreef het percentage Vlaamse leerlingen in de bewaarscholen en in het lager onderwijs wel op, maar anderzijds beantwoordde de vernederlandsing zeker niet aan de objectieven van de collaborerende Vlamingen onder wie Flor Grammens. Bovendien droeg het gedwongen les volgen in Nederlandstalige scholen, door de nazi's, bij tot de anti-Vlaamse naoorlogse sfeer. Het tij zou voor de Brusselse flaminganten pas keren in de jaren 1950.

De V.B. te Brussel na de Tweede Wereldoorlog

Brussel in het oog van de communautaire strijd: de economische, demografische en geografische transformaties als achtergrond

Na de Tweede Wereldoorlog is de communautaire strijd in België zich steeds nadrukkelijker gaan toespitsen op de Brusselse hoofdstedelijke regio. Die vaststelling geldt zowel voor de traditionele taalstrijd als voor de meer recente strijd voor de federalisering van het Belgische staatsbestel (federalisme). In Vlaanderen en Wallonië deden deze twee verschijningsvormen zich voor als opeenvolgende stadia in de communautaire strijd met de tussenoorlogse periode als overgangsfase. In het naoorlogse Brussel daarentegen bleven ze elkaar wederzijds versterken en versmolten ze als het ware tot een enkel moeilijk te ontwarren en politiek zeer explosief complex van tegenstellingen.

Ofschoon de taalwetten van het interbellum van Vlaanderen en Wallonië officieel eentalige gebieden hadden gemaakt, werd deze strijd in het Vlaamse 'kerngebied' pas definitief beslecht in 1968, met de afloop van de kwestie 'Leuven Vlaams'. Ondertussen was de aandacht van de V.B. meer en meer verschoven naar het tweetalige gebied Brussel en naar enkele kleinere betwiste gemeenten langsheen de taalgrens.

Maar ook de geleidelijke evolutie van België in de richting van een federale staat heeft van Brussel een communautair probleemgebied bij uitstek gemaakt. Vooral aan Vlaamse zijde werd de taalsituatie in de hoofdstedelijke regio immers gezien als een ernstig obstakel voor de verdere federalisering van het land. Indien Brussel de legitieme hoofdstad wou worden van wat voortaan een tweeledige federatie zou zijn – zo redeneerde het grootste deel van de V.B. – dan moesten beide grote gemeenschappen zich in die stad thuis kunnen voelen. Dat laatste was na meer dan een eeuw verfransingsdruk in de ogen van vele Vlamingen evenwel niet langer het geval. Vooral vanaf de late jaren 1950 werden daarom steeds luider tegemoetkomingen geëist vanwege de Franstaligen in de hoofdstad. Die tegemoetkomingen hadden betrekking op drie grote terreinen en vatten tegelijk de inzet en de doelstellingen van de V.B. te Brussel samen. Om te beginnen moest dringend een rem worden gezet op de alsmaar verderschrijdende verfransing van de Brusselse regio. Afdwingbare taalwetten en de definitieve afbakening van het tweetalig gebied Brussel werden gezien als middel bij uitstek om dit doel te bereiken. Daarnaast moest ook worden gewerkt aan een Vlaamsvriendelijk imago voor de metropool. Dit hield onder meer in dat er financiële middelen moesten worden voorzien voor de uitbouw van een Vlaams cultureel leven in de hoofdstad. Ten slotte werd naar analogie van de pariteit voor de Franstalige minderheid van het land op het nationaal vlak aan Vlaamse zijde een gelijkwaardige participatie in de Brusselse beslissingsorganen geëist.

En dat er voor de (toekomstige) deelstaten in het naoorlogse Brussel belangen te verdedigen vielen, niet alleen in culturele, maar ook in meer materiële zin, was zonder meer duidelijk. De concentratie van economische en politieke beslissingsmacht die er met de Belgische onafhankelijkheid een definitieve start nam, had er zich na 1945 immers onverminderd doorgezet. Zoals dat na de oorlog overal in Europa gebeurde, ging ook de Belgische nationale staat zich geleidelijk bemoeien met steeds meer aspecten van het openbaar leven. Daartoe werd een hele reeks nieuwe beslissings- en beheersorganen in het leven geroepen. Vele van deze nieuwe organen en de daarbij behorende administraties werden te Brussel gevestigd.

Bovendien heeft de geleidelijke federalisering van de Belgische staat vanaf 1970 aan deze concentratiebeweging niet echt een halt toegeroepen. Terwijl aan Waalse zijde geregeld de vraag naar de 'ontvetting van Brussel' klonk en klinkt – daarom werd de hoofdstad van het Waalse gewest in de provinciestad Namen ondergebracht – was aan Vlaamse zijde het doel veeleer een versterkte aanwezigheidspolitiek te Brussel. Onder meer met het oog daarop besliste de Vlaamse Gemeenschap in 1984 haar hoofdstad in Brussel te vestigen. Aangezien aan Vlaamse zijde gewest- en gemeenschapsinstellingen samenvallen, betekende dit concreet dat de meeste Vlaamse politieke instellingen en de Vlaamse administratie in Brussel een onderdak zouden krijgen. Brussel is bovendien ook de officiële hoofdstad van de Franse gemeenschap. Mede daardoor is het aantal politieke beslissingsorganen dat in Brussel gevestigd is, niet afgenomen doorheen de recente staatshervorming, maar integendeel nog toegenomen.

De uitbreiding van Brussel na de Tweede Wereldoorlog is evenwel vooral het gevolg van de internationale dimensie die het politieke concentratieproces er vanaf de jaren 1950 kreeg. De Wereldtentoonstelling kan hiervoor symbool staan. In datzelfde jaar 1958 werd Brussel de hoofdzetel van de Europese Economische Gemeenschap. In 1967 volgde de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO). Het overbrengen van het Europese parlement naar Brussel in 1992 en de te verwachten verdere uitbouw van de Europese Unie kunnen de internationale positie van Brussel in de nabije toekomst alleen maar verstevigen.

Brussel is bovendien ook een grootstad op economisch vlak. Nagenoeg alle grote Belgische en daarna heel wat multinationale ondernemingen hebben dicht bij de instellingen van de politieke macht, in het ruimere stadsgewest, hun (hoofd)zetel gevestigd. Hetzelfde geldt voor allerhande nationale en internationale drukkingsgroepen. In het midden van de communautair-woelige jaren 1970 hadden 144 van de 298 belangrijkste Belgische ondernemingen (dit is bijna 50%) hun maatschappelijke zetel in Brussel. Dat percentage liep op tot 63% wanneer alleen de niet-industriële ondernemingen in aanmerking worden genomen. Voor de multinationals gelden nagenoeg dezelfde verhoudingen. 63% van de Belgische of buitenlandse banken was in dezelfde periode in Brussel gevestigd, terwijl 44% van de privé-spaarkassen en alle openbare kredietinstellingen er onderdak vond. In het zog van al deze grote instellingen kwamen ook heel wat beoefenaars van vrije beroepen en grotere en kleinere dienstverlenende bedrijven zich in de hoofdstad vestigen (advocaten, perslui, reclameagentschappen, immobiliënkantoren, vertaalbureaus...). Meer dan welke andere Belgische stad werd Brussel door dit proces een stad van kantoren.

Dit betekent niet dat er geen industriële bedrijvigheid te bespeuren viel, integendeel, want tot de crisis van 1974 was Brussel, uitgedrukt in absolute aantallen tewerkgestelde actieven, de eerste industriestad van België en tot de dag van vandaag bekleedt Brussel op dat vlak de tweede plaats, na Antwerpen. Sinds de Tweede Wereldoorlog stelt Brussel zo'n 600.000 mensen (zowel loontrekkenden als zelfstandigen en patroons) tewerk, waarvan zowat de helft dagelijks naar de hoofdstad pendelt. De overgrote meerderheid werkt in de tertiaire sector. Tabel 2 vergelijkt de samenstelling van de in Brussel actieve beroepsbevolking voor 1980 en 1990 met die van de actieve beroepsbevolking in heel België en illustreert duidelijk het dominante karakter van de dienstensector.

<IMG src="../beelden/extra/641.JPG"></IMG>

Het is in deze dienstensector en onder de bedienden in de industriële sector dat de V.B. – zoals overigens ook de francofone beweging – in Brussel ook na de Tweede Wereldoorlog een groot deel van haar aanhang bleef rekruteren. Voor al deze hoofdarbeiders vormde de eigen taal in combinatie met het taalbeleid in de Brusselse politieke en economische instellingen een belangrijke indicator voor de werkgelegenheidskansen, voor de positie binnen de instelling en voor eventuele promotiekansen. Elke claim terzake van Vlaamse kant werd daardoor aan Franstalige kant als een regelrechte bedreiging ervaren. Brussel had een bindteken moeten vormen in het federale België, maar werd een van de grote twistappels. Doorheen die twist werden aan beide zijden sterk verschillende argumentatieschema's ontwikkeld. Zoals eerder al werd gezegd, werd aan Vlaamse zijde verwezen naar de hoofdstedelijke rol van Brussel en gerefereerd aan het verleden van Brussel als een Vlaamse stad. Aan Franstalige kant beriep men zich op de sociologische realiteit van de grootstedelijke samenleving, die zich onder andere manifesteerde via een verstedelijkende en verfransende Brusselse regio. Deze sociologische realiteit was op het eerste gezicht trouwens niet zo verschillend van die van de meeste Europese grootsteden in dezelfde periode.

De suburbanisatiebeweging die er al tijdens het interbellum begonnen was, zette zich onverminderd door en zorgde na verloop van tijd zelfs voor een absolute daling van het aantal inwoners in de kernstad.

<IMG src="../beelden/extra/642.JPG"></IMG>

De rijkere residentiële gemeenten in het oosten en het zuiden als Oudergem, Ukkel, Watermaal-Bosvoorde en de beide Woluwes vertoonden direct na de bevrijding demografische en sociaal-economische karakteristieken die hen eerder deden gelijken op landelijke dorpen uit de rand dan op centrum-gemeenten als Brussel-stad, Elsene of Schaarbeek, waar het fenomeen van de verstedelijking zich al vanaf de 19de eeuw manifesteerde. Behalve de grote onderlinge demografische en sociaal-economische verschillen waren en zijn ook de minderheidsgroepen zeer verschillend aanwezig in de verschillende Brusselse gemeenten. Vreemdelingen uit het Middellandse-Zeegebied zijn het sterkst vertegenwoordigd in het centrale 19de-eeuwse deel van de agglomeratie, in buurten van Sint-Joost-ten-Node, Sint-Jans-Molenbeek, Schaarbeek en Sint-Gillis, aangewezen als ze zijn op buurten met goedkope huurwoningen. Vreemdelingen uit de buurlanden, die doorgaans gefortuneerd zijn, hebben een voorkeur voor het zuidoostelijke, residentiële gedeelte van de agglomeratie.

Het was dus zeker niet de maatschappelijke werkelijkheid die de 19 gemeenten tot een eenheid maakte. Hun administratieve verbondenheid dankten ze daarentegen aan een gedeeld taalstatuut, het resultaat van de acties van de V.B. na de Tweede Wereldoorlog.

Van Brusselse flamingantische frontvorming tegen de talentelling tot communautaire pacificatiepoging in het Gewest: de politieke impact van de V.B. te Brussel

In 1947 vond de laatste tienjaarlijkse volks- en talentelling plaats. Onder Vlaamse druk werd de publicatie van de resultaten van deze telling tot 1954 uitgesteld. Zoals elders werd uitgelegd, werd heel wat methodologische kritiek uitgebracht op de tellingsverrichtingen en bleek de talentelling bijzonder nadelig voor de Vlaamse aanwezigheid in het taalgrensgebied en in de hoofdstad. Door een aanwezigheid van meer dan 50% Franstaligen werden de gemeenten Evere, Sint-Agatha-Berchem en Ganshoren immers bij de Brusselse agglomeratie gevoegd. Om in de toekomst te vermijden dat nog meer Vlaamse gemeenten bij Brussel zouden worden gevoegd werd het Vlaams verzet tegen een nieuwe talentelling – die normaal in 1960 had moeten plaatsvinden – geradicaliseerd en gebundeld in het Vlaams Aktiekomitee voor Brussel en Taalgrens (VABT). Het VABT bundelde de belangrijkste bestaande Vlaamse verenigingen, onder meer de Vlaamse Volksbeweging (VVB) met Paul Daels als afgevaardigde, het Verbond van het Vlaams Overheidspersoneel (VVO) dat door M. Bové werd vertegenwoordigd, de Vlaamse Automobilistenbond en de Vlaamse Toeristenbond (VAB-VTB) van Jozef van Overstraeten, het Vlaams Economisch Verbond (VEV), het IJzerbedevaartcomité, het Algemeen Nederlands Zangverbond (ANZ), het Vlaams Jeugdkomitee onder Wilfried Martens en de drie grote fondsen: het Davidsfonds (Eduard Amter), het Vermeylenfonds (M. de Buck) en het Willemsfonds (E. Loockx). Andere belangrijke leidende figuren binnen deze beweging waren Maurits Coppieters, Antoon Roosens en Staf Verrept. De Vlaamse tegenmobilisatie mondde uit in een aantal succesvolle manifestaties, zoals de 'geen-talentelling-dag' in 1959, de boycot van de Vlaamse burgemeesters om de tweetalige formulieren van de volkstelling te gebruiken en de Marsen op Brussel in 1961 en 1962. Deze acties verhoogden de druk op de Vlaamse Christelijke Volkspartij (CVP), die zich genoodzaakt zag meer uitgesproken Vlaamse standpunten in te nemen. Een deel van de Vlaamse CVP'ers groepeerde zich in een interne pressiegroep, die als de Groep der Acht de geschiedenis inging. Spilfiguren hierin waren Jos de Saeger en Jan Verroken.

De groeiende politieke bewustwording van de Vlamingen vanaf de jaren 1950 kan niet los worden gezien van de naoorlogse economische expansie die in Vlaanderen tot de golden sixties zou leiden, terwijl in Wallonië een periode van industrieel verval werd ingeluid. Geruggensteund door de algemeen gunstige sociaal-economische en politieke situatie traden de Vlamingen als vragende partij naar voren. Als symbool van de achterstelling van Nederlandstaligen was de hoofdstad prioritair. De taalpolitieke situatie in de hoofdstad had het de Nederlandstaligen tot dan toe immers zeer moeilijk gemaakt om gelijkwaardige posities op te eisen en hun materiële en professionele aspiraties te verwezenlijken in hun moedertaal. Het Frans werd nog steeds beschouwd als de cultuurtaal en verfransen was bijgevolg zoals vroeger het middel bij uitstek voor sociale mobiliteit, zodat de beschermende taalwetten van 1932 de verfransingsdruk in Brussel niet hadden doen afnemen. In ruil voor de pariteit op nationaal vlak eisten de Vlamingen in deze periode de strikte tweetaligheid in de hoofdstad en een paritaire aanwezigheid in de lokale administraties. Om de verdere verfransing van de randgemeenten tegen te gaan behoorde de definitieve afbakening van de tweetalige Brusselse agglomeratie eveneens tot het Vlaamse eisenpakket. Ondertussen evolueerden de Belgische bevolkingscijfers dusdanig in het voordeel van de Vlamingen dat een Vlaamse meerderheid in het parlement realiseerbaar was. Samen met de Vlaamse eisen in de hoofdstad effende de Waalse vrees voor minorisatie op het nationaal vlak mee de weg voor het taalcompromis van Hertoginnedal. De resultaten van het in 1948 opgerichte Centrum-Harmel, voluit het Centrum voor onderzoek voor de nationale oplossing van de maatschappelijke, politieke en rechtskundige vraagstukken van de verschillende gewesten van het land, dienden als uitgangspunt voor het uitwerken van een oplossing voor de Brusselse taalproblematiek. De conclusies van het centrum zouden trouwens mee de basis vormen van het akkoord inzake het huidige statuut van Brussel.

De taalwetten van 1963 waren het resultaat van een moeizaam bereikt compromis, maar kwamen tegemoet aan de belangrijkste Vlaamse verzuchtingen. Brussel werd beperkt tot de 19 gemeenten die er reeds deel van uitmaakten en zou omringd worden door het Nederlandstalige arrondissement Halle-Vilvoorde. Taalexamens werden ingesteld, de rekrutering van Nederlandstalig overheidspersoneel werd gewaarborgd en binnen de tien jaar diende op het niveau van de leidinggevende functies de taalpariteit te worden gerealiseerd. De externe tweetaligheid van het bestuur zou sterker gecontroleerd worden en in het intern bestuur werd het principe van de tweetaligheid vastgelegd, waarbij achtereenvolgens de localisatie van de behandelde zaak en de taal van de betrokkenen of van de ambtenaar als taalbepalend criterium werden gehanteerd. Ook aan de eis om een afdoende controle op de naleving van de taalwetgeving in te stellen werd – zeer tegen de zin van de Franstaligen – tegemoetgekomen door de oprichting van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht en door de instelling van een vice-gouverneur van Brabant. Leo Cappuyns werd als eerste met dit mandaat belast. Ook zijn opvolger, vice-gouverneur Van Lent, zou vooral door het Front démocratique des Francophones (FDF) tijdens zijn mandaat geregeld op de korrel genomen worden.

De eindbalans van de taalwetten van 1963 werd door de meeste Vlamingen als positief ervaren, maar niettemin werden bepaalde onderdelen van de taalwetten zwaar gecontesteerd. Vooral het faciliteitenstatuut van zes randgemeenten bleef een doorn in het oog van meer radicale flaminganten. Bij de Franstalige meerderheid in Brussel was het ongenoegen over het bereikte taalcompromis bijzonder groot. De inwilliging van de Vlaamse taaleisen vormde immers een directe bedreiging voor de promotiekansen van veel Franstalige ambtenaren en kaderleden. Bovendien ging men er aan Franstalige zijde van uit dat er geen rem mocht worden geplaatst op de verfransing. De grondwettelijke 'taalvrijheid' werd daarbij als voornaamste argument gebruikt.

Oorspronkelijk bedoeld als eindstation in het communautaire pacificatieproces betekende Hertoginnedal in de praktijk het startsein voor een toenemende polarisatie van beide taalgroepen in en om de hoofdstad. Dit politieke klimaat legde mee de voedingsbodem voor de taalpartijen met federalistische inslag, die vanaf de tweede helft van de jaren 1960 een permanente plaats zouden opeisen in het Belgische politieke landschap. Het electoraal potentieel van het communautaire conflict zou in de volgende jaren duidelijk tot uiting komen.

De Franstalige mobilisatie vanuit verschillende francofone drukkingsgroepen werd in 1964 politiek vertaald in de oprichting van het FDF. Het FDF slaagde erin de frustraties van vele Franstalige Brusselaars te kanaliseren. De electorale opgang was spectaculair: al bij haar eerste deelname aan de gemeenteraadsverkiezingen in 1970 behaalde zij een 28% van de stemmen in de Brusselse 19. Hoewel het FDF deze score niet meteen kon verzilveren in werkelijke macht, was en is haar rol als zweeppartij niet te onderschatten. De electorale kracht van het FDF zou in de loop van de jaren 1970 nog toenemen met een hoogtepunt in 1976. Zij werd dan ook op het nationale plan als gesprekspartner betrokken bij de verschillende communautaire overlegrondes. Met de terugkeer van een relatieve communautaire rust in de Brusselse agglomeratie vanaf de jaren 1980 gingen de FDF-resulaten bergaf en werd zelfs een fusie met de Brusselse Parti réformateur libéral overwogen. Het PRL-FDF kartel vanaf de gemeenteraadsverkiezingen van 1988 was een eerste stap in die richting. Dat de rol van het FDF echter nog lang niet is uitgespeeld, bewijzen de lokale verkiezingen van 1994. Het FDF bepaalde vanaf dan in meer Brusselse colleges dan ooit tevoren (in 10 van de 19) mee het beleid en sinds de gewestelijke verkiezingen van 1995 zetelt het FDF ook opnieuw in de Brusselse gewestregering.

<IMG src="../beelden/extra/644.JPG"></IMG>

De traditionele partijen waren dus niet bij machte het taalongenoegen in de hoofdstad op te vangen. De Brusselse afdelingen van de nog unitaristische liberale partij en socialistische partij verstrakten onder druk van de overwegend Franstalige achterban wel gevoelig hun posities ten opzichte van de Vlaamse eisen en gaandeweg namen ze zelfs een deel van de FDF-retoriek over. Dit leidde dan weer tot spanningen tussen Vlaamsgezinden en unitaristen binnen de traditionele partijen en gaf vanaf de parlementsverkiezingen van 1968 aanleiding tot de opkomst van lijsten van Rode Leeuwen en later ook van Blauwe Leeuwen. In de tweetalige Brusselse partijafdelingen bleven gematigde Nederlandstaligen en Franstaligen samenwerken. Deze afscheuringen van Vlaamsgezinde liberalen en socialisten hebben de evolutie naar de opsplitsing van de nationale partijen in taalvleugels zeker bespoedigd. In 1971 vond de boedelscheiding plaats tussen Vlaamse en Franstalige liberalen en in 1978 gaven de socialisten als laatsten hun eenheidsstructuur op. Dit wil niet zeggen dat er in Brussel geen tweetalige lijsten meer voorkwamen: in vele gemeenten vormden ideologische eenheidslijsten over de taalgrenzen heen immers de meest efficiënte strategie om (meestal gematigde) Nederlandstaligen in de gemeenteraden te krijgen. In meer gepolariseerde gemeenten werd vaker geopteerd voor Vlaamse kartellijsten in de hoop zo een zetel in de raad te kunnen bemachtigen, meestal zonder succes.

De communautaire opstelling van de christen-democraten in Brussel was complexer. Al in 1968 splitsten de christen-democraten in Christelijke Volkspartij en Parti Social Chrétien op. Uit electorale overwegingen wilde Paul vanden Boeynants met zijn Union pour l'Avenir de Bruxelles-Unie voor de Toekomst van Brussel (later PSC-Christelijke Volkspartij Brussel) vanaf 1970 in Brussel een gematigd en tweetalig alternatief bieden.

Hoe marginaal ze ook waren, de Brusselse Vlamingen stemden immers zoals hun taalgenoten in de rest van Vlaanderen overwegend christen-democratisch. Uit de Vlaamse vertegenwoordiging in de gemeenten en in het gewest blijkt inderdaad dat de CVP het grootste aantal verkozenen voor haar rekening neemt. Wat verder opvalt is de opkomst van extreem-rechtse partijen in de recente lokale verkiezingen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 bekwam het Vlaams Blok (VB) verkozenen in 4 Brusselse gemeenten. Met 3% van de stemmen bij de verkiezingen voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werd zij de tweede Vlaamse partij na de CVP, die 3,29% van de stemmen behaalde. Dat het VB een groot deel van zijn stemmen dankt aan zijn migrantenstandpunt, staat vast. Hoewel het VB in zijn propaganda beklemtoont dat Brussel een Vlaamse stad is, richt deze partij zich ook uitdrukkelijk tot het Franstalige electoraat, getuige de kiescampagnes die in bepaalde gemeenten in de beide talen werden gevoerd. De Volksunie (VU), die in 1988 nog in 2 Brusselse colleges aanwezig was, is in 1994 volledig uit de gemeenteraden verdwenen.

<IMG src="../beelden/extra/645.JPG"></IMG>

De lokale verkiezingsresultaten illustreren grote verschillen qua Vlaamse stemmenverdeling. Doorheen de agglomeratie lijkt er een soort demarcatielijn te lopen: de Vlamingen scoren het best ten noordwesten van die lijn (met ongeveer 20% van de stemmen), maar halen in de zuidoostelijke gemeenten vaak niet eens 10%. In deze laatste gemeenten haalt het FDF verpletterende successen. Dat ondanks de taalwetten en de taalbeschermende waarborgen de positie van de Vlamingen vooral in de lokale besturen zeer zwak is, zal dan ook wel niemand verbazen. Het afdwingen van een correcte toepassing van de taalwetgeving verliep van in het begin trouwens zeer moeizaam.

Het aandeel van de Vlaamse verkozenen in de 19 gemeenten samen is tot ongeveer 11% teruggelopen. In Elsene en Sint-Gillis werd ook bij de laatste plaatselijke verkiezingen geen enkele Vlaming verkozen. Anderzijds is de aanwezigheid van de Vlamingen in de colleges in de loop van de periode 1988-1994 wel toegenomen. Daarvoor is artikel 276 van de wet van 16 juni 1989 verantwoordelijk, die enkele nieuwe bepalingen toevoegde aan de gemeentewet. Een college van burgemeester en schepenen van een gemeente van het Brussels gewest dat ten minste 1 schepen van elke taalgroep omvat, mag het aantal schepenen met een eenheid verhogen. In gemeenten waar geen enkele schepenpost aan een Nederlandstalige toebehoort, mag een bijkomende schepen worden verkozen op voorwaarde dat deze tot de Nederlandse taalgroep behoort. Is er al een Vlaamse schepen dan kan echter ook een Franstalige aan het college worden toegevoegd. Niet alle gemeenten maakten gebruik van die mogelijkheid en in de meeste gevallen ging het dan nog om een Franstalige extra schepen. Het Sint-Michielsakkoord schiep dus wel de mogelijkheid om in de colleges in de aanwezigheid van beide taalgroepen te voorzien, maar dit hield geen verplichting in, in tegenstelling tot de OCMW-raden waarvoor wel een systeem van gewaarborgde vertegenwoordiging voor de Vlamingen werd uitgewerkt. In gemeenten met een sterke FDF-aanwezigheid in het bestuur werd de toepassing van deze waarborgen voor de Vlamingen in de OCMW-raden fel bemoeilijkt.

Op het niveau van het Brussels gewest werken de pacificatiemechanismen zolang beide taalgroepen ervan overtuigd blijven belang te hebben bij dit consensusmodel. In het gewest is immers een meerderheid in de beide taalgroepen nodig, wat betekent dat zowel de Vlamingen als de Franstaligen in staat zijn de werking van de gewestelijke instellingen te blokkeren. Binnen de Brusselse gewestregering beschikken de Nederlandstaligen over een bijna paritaire vertegenwoordiging, maar in de raad hebben zij geen gewaarborgde aanwezigheid. Alles hangt er bijgevolg af van hun electorale kracht. In de hoofdstedelijke raad telt de Vlaamse taalgroep sinds de gewestverkiezingen van 21 mei 1995 nog 10 leden; bij de eerste gewestverkiezingen van 1989 waren er dat 11. De leden van de Nederlandse taalgroep van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad zijn op dit moment, juli 1997, voor de CVP: Jan Béghin, Brigitte Grouwels, Walter Vandenbossche; voor de Vlaamse Liberalen en Democraten (VLD): Guy Vanhengel en Leo Goovaerts; voor de SP: Michiel Vandenbussche en Robert Garcia; voor het VB: Etienne Lootens-Stael en Roeland van Walleghem en voor de VU: Sven Gatz. In de Brusselse Hoofdstedelijke Regering zetelen de Vlamingen Jos Chabert (CVP) en Rufin Grijp (SP) als ministers en Vik Anciaux (VU) als staatssecretaris (tot november 1997).

De Brusselse parlementsleden worden op taalgesplitste lijsten gekozen, wat een tegemoetkoming was aan de Vlamingen die een sluitend systeem van poolvorming voor de verdeling van de stemmen over Nederlandstalige en Franstalige lijsten wensten om een herhaling van de problemen naar aanleiding van de agglomeratieraadsverkiezingen te vermijden.

<IMG src="../beelden/extra/647.JPG"></IMG>

Behalve als politieke toetssteen worden de verkiezingen in de Brusselse agglomeratie ook aangegrepen als parameter voor de numerieke sterkte van de beide taalgroepen of als waardemeter voor het taalbewustzijn van de Nederlandstaligen. Op basis van het aantal stemmen dat Vlaamse en Franstalige kandidaten verzamelen, worden geregeld pogingen ondernomen om conclusies te formuleren over de taalverhoudingen tussen Nederlandstalige en Franstalige Brusselaars en de verkiezingen te interpreteren als een soort talentelling. Verkiezingen in Brussel liggen ook om die reden communautair erg gevoelig.

Vergelijkingen tussen verschillende verkiezingsresultaten laten bovendien concluderen dat Vlaamse lijsten doorgaans minder goed scoren naarmate het beleidsniveau daalt. Bij verkiezingen voor Kamer en Senaat zijn de Brusselse Vlamingen dus eerder geneigd te stemmen op Nederlandstaligen dan bij gemeentelijke of gewestverkiezingen. Dit verwijst naar fenomenen als het 'burgemeestereffect', naar het belang van de plaatselijke aangelegenheden enzovoort. Tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 kon in 14 van de 19 Brusselse gemeenten worden gestemd op een 'lijst van de burgemeester'. In 4 gemeenten behaalden deze lijsten zelfs de absolute meerderheid.

Of de taalfactor het stemgedrag verklaart, is ook sterk afhankelijk van de communautaire spanning of kalmte op het nationale niveau. In de meeste gemeenten wegen de klassieke politieke thema's algemeen zwaarder door dan de linguïstische tegenstellingen. Plaatselijke zwaargewichten en traditioneel sterke inplantingen van bepaalde partijafdelingen bepalen er veeleer de kleur van het lokale beleid. Deze factoren verklaren ten dele de discrepantie tussen het aantal geschatte Vlamingen in de Brusselse agglomeratie en het aantal op Vlaamse lijsten uitgebrachte stemmen. Het is echter zo dat geen officiële talentellingen meer werden georganiseerd sinds 1947 en dat de taalramingen – met schattingen van 10% tot 25% Vlamingen – nadien vaak vanuit de respectievelijke taalstandpunten worden geïnterpreteerd en ook om methodologische redenen met de nodige omzichtigheid dienen te worden behandeld. Vele Brusselse Vlamingen hebben wel stellig de indruk dat de Nederlandstaligen niet proportioneel door 'gelijktalige' verkozenen vertegenwoordigd worden in de politieke instellingen.

De V.B. aan de basis: het verenigingsleven

Net zoals voor de Tweede Wereldoorlog fungeerden onderwijs en administratie verder als taalintegrerende mechanismen bij uitstek. Het verenigingsleven werd te Brussel ook in de naoorlogse periode door de Vlamingen als een van de ultieme verdedigingsinstrumenten beschouwd voor het behoud van het Nederlandstalig identiteitsgevoel en tegen de voortschrijdende verfransing.

Vanaf het einde van de oorlog tot de late jaren 1960 werd het verenigingsleven in globo gedragen door enkelingen die het Vlaamse leven in een vijandig Brussel staande trachtten te houden via diverse initiatieven. Al in 1946 werd in het verlengde van het vooroorlogse Vlaamsch Verbond voor Brussel een Vlaams Komitee voor Brussel opgericht, dat vooral tussen 1950 en 1965 succesvol was en vooraanstaande flaminganten als Jozef Clottens, Hendrik Fayat, Auguste Wauters, later Leo Lindemans tot zijn leden rekende. Sinds 1950 werd De Brusselse Post het orgaan van dit Komitee.

In deze diaspora speelde het Vlaams-Brusselse socio-culturele leven zich af. Van enige coördinatie, overkoepeling of samenwerking was geen sprake. Organisaties als de drie culturele fondsen, de gouwbonden en andere min of meer gesloten 'clubs' fungeerden als enige onthaal- en opvangstructuren voor de Vlamingen in Brussel.

Het ontbreken van enige structuur belette evenwel de verdere uitbouw van het Nederlandstalig socio-culturele leven in Brussel. Vanaf het midden van de jaren 1960 groeide dan ook op spontane wijze de behoefte aan samenbundeling van de krachten. De oprichting van gemeentelijk gestructureerde Verbonden van Vlaamse Verenigingen gaf een eerste aanzet tot overkoepeling. Deze tendens zou zich in de daaropvolgende jaren ook op agglomeratievlak doorzetten en zou zo leiden tot een kanalisering en integratie van het lokaal socio-cultureel leven in een globaal netwerk van gemeenschapsstructuren. De Verbonden van Vlaamse Verenigingen profileerden zich als coördinatieorganen ten behoeve van de lokale Nederlandstalige verenigingen met het oog op het stimuleren van de Vlaamse weerbaarheid en de onderlinge samenhorigheid.

Rond het einde van de jaren 1960 werd het concept van sociaal-culturele raden geïntroduceerd onder impuls van de Stichting-Lodewijk de Raet. Deze raden verlieten de defensieve opstelling die de verbonden kenmerkten en streefden naar bundeling van alle Vlaamse verenigingen en instellingen op gemeentelijk niveau tot een representatief orgaan dat zou fungeren als gesprekspartner van de overheid.

Naast deze participatiegedachte lag het accent ook op effectieve samenlevingsopbouw: het werkterrein werd verruimd van het loutere verenigingsleven naar de globale samenwerking van mensen, verenigingen en andere actieve kernen. Daarbij lag het accent op emancipatorische werking en systematische gemeenschapsopbouw. Parallel met dit lokale gegeven werd in dezelfde cruciale periode 1967-1970 een begin gemaakt met de gestructureerde opbouw van het sociaal-cultureel leven op agglomeratievlak en dit via de oprichting van koepelorganisaties en dienstverlenende centra die de agglomeratie als hun werkterrein beschouwden.

Als belangrijkste exponenten van deze overkoepelingstendensen moeten hier zeker het Contact- en Cultuurcentrum Brussel-CCC (1966), het Vlaams Onderwijscentrum Brussel-VOC (1967) en de Agglomeratieraad voor het Plaatselijk Sociaal-Kultureel Werk-APSKW (1972) vernoemd worden. Van fundamenteel belang voor het Nederlandstalig gemeenschapsleven te Brussel is ongetwijfeld de oprichting van de Nederlandse Commissie voor de Cultuur van de Brusselse Agglomeratie (NCC) geweest. Opgericht als grondwettelijk orgaan bij de grondwetsherziening in 1970 hield de NCC enerzijds een expliciete erkenning in van de Vlaamse gemeenschap te Brussel en paste ze anderzijds duidelijk in de Vlaamse strategie om eigen Nederlandstalige instellingen te creëren onder voogdij van de Vlaamse Gemeenschap, een reactie tegen het expliciet verfransend en Vlaams-onvriendelijk gemeentebeleid.

Men kan de oprichting van de NCC ook beschouwen als het toenmalig voorlopig hoogtepunt van de institutionalisering, die het Nederlandstalig gemeenschapsleven inkapselde en kanaliseerde. Na 1977 had de NCC een enorme impact op het Nederlandstalig sociaal-cultureel beleid. De redenen daartoe waren velerlei: het orgaan werd bij wet ruime bevoegdheden toegekend, het genoot het officieel statuut van overheidsorgaan en was wettelijk voorbeschikt om te intermediëren tussen de Nederlandstalige gemeenschap te Brussel en de overheid. Doorslaggevend was uiteraard dat de NCC over een dotatie beschikte en op die manier kon fungeren als subsidiëringsinstrument.

Door zich van de samenwerking en loyauteit van de bestaande sociaal-culturele instellingen te verzekeren en op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze impulsen te geven aan nieuwe initiatieven, verwierf de NCC zich een eersterangspositie in het netwerk van gemeenschapsstructuren dat uiteindelijk aan de basis lag van de 'boom' in het verenigingsleven aan het einde van de jaren 1970.

De NCC gebruikte eveneens haar bevoegdheid inzake onderwijsaangelegenheden om een Nederlandstalig onderwijsnet te Brussel te subsidiëren teneinde kinderen uit taalgemengde gezinnen uit het Franstalig onderwijs te houden. Na de Tweede Wereldoorlog bleef het onderwijs immers een verfransend mechanisme bij uitstek en net zoals vroeger een van de zorgenkinderen van de Brusselse flaminganten. In 1960-1961 zaten amper 5732 kleuters (18% van de kleuters in het onderwijs in de agglomeratie) en 14.725 scholieren (17% van de scholieren in het onderwijs van de agglomeratie) in het Nederlandstalig onderwijs in de Brusselse agglomeratie. Het Rapport-Kint, resultaat van een onderzoek dat op vraag van minister van nationale opvoeding Frans Grootjans werd uitgevoerd, wees in 1966 op de noodzaak van meer Nederlandstalig onderwijs in Brussel. Op basis van het rapport werden in de daaropvolgende jaren 10 Nederlandstalige rijkslagere scholen met een afdeling voor kleuters opgericht. De uitholling van de uitvoeringsbesluiten van de taalonderwijswet van 1963 en de in 1971 heringevoerde vrijheid van het gezinshoofd deden het Nederlandstalig onderwijs echter verder achteruitboeren. Eind de jaren 1970 was het aantal Nederlandstalige kleuters en scholieren dan ook gezakt tot 4377 respectievelijk 9535 kinderen en ook hun aandeel in de schoolbevolking was aanzienlijk gedaald. De aanpak van de NCC boog deze trend vanaf dan om in een geleidelijke aangroei van eerst het kleuter- en dan het lager onderwijs. Het had dus niets vandoen met een eventuele demografische expansie van de Vlamingen in Brussel. Ze verouderen immers, terwijl de groepen met de hoogste nataliteit – de allochtonen – eerder het Franstalig onderwijs bevolken. Veeleer werd deze aanpak van de NCC in de hand gewerkt door de expansie van voorschoolse opvang en het verlenen van gunstnormen inzake leerlingenaantallen – ter compensatie van de liberté du père de famille (1970) – en door de gewijzigde mentaliteit tegenover het Nederlands als cultuurtaal.

Het succes van de NCC-campagne, die de tweetaligheid van het Nederlandstalig onderwijs als sociale mobiliteitstroef promootte, dreef het kleuter- en leerlingenaantal wel op tot meer dan 8000 respectievelijk 9000 kinderen in 1993, maar creëerde anderzijds ook nieuwe problemen. Het aantrekken van grote groepen kinderen uit taalgemengde en anderstalige gezinnen bevolkt de kleuterscholen immers voor de helft met kinderen die thuis geen Nederlands spreken, maar wier ouders op deze wijze Franstalige 'concentratiescholen' vol allochtone kinderen willen vermijden. In het lager onderwijs is de situatie minder doorgedreven, maar in wezen dezelfde. Geïnspireerd en geleerd door 150 jaar Brusselse onderwijsgeschiedenis experimenteert men nu met allerlei vormen van intercultureel onderwijs om de culturele achterstelling van deze allochtone kinderen via verschillende vormen van intercultureel onderwijs weg te werken en het Nederlandstalig onderwijs een toekomst te verzekeren ondanks een slinkend aantal Nederlandstalige kinderen.

Ook de voortschrijdende diversifiëring van het sociaal-culturele leven naar andere en nieuwe sectoren was in de jaren 1970 een tendens die de verdere integratie van de Vlamingen in Brussel bewerkstelligde. Deze diversifiëring breidde zich uit naar diverse leeftijdsgroepen (senioren, jeugd) en naar verschillende maatschappijgebonden sectoren (leefmilieu, sport, welzijn, stadskernvernieuwing).

Ging in de jaren 1960 alle aandacht uit naar Vlaamse weerbaarheid, het behoud van het Nederlandstalig gemeenschapsgevoel en globale integratie-instrumenten als onderwijs en verenigingsleven in se, dan was er nadien voldoende ruimte om ook andere sectoren te betrekken in het proces van gemeenschapsopbouw. Na structurele opbouw en omkadering droeg diversifiëring zo bij tot het groeiende gemeenschapsbewustzijn van Vlamingen te Brussel.

Sinds de oprichting van een Brussels Hoofdstedelijk Gewest werd de rol van de NCC overgenomen door de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

Brussel en de federalisering

De communautaire problematiek was na de bevrijding niet meer weg te denken van de politieke agenda. Terwijl de V.B. door het stigma van de collaboratie enige tijd werd lamgelegd en er in de Vlaamsvijandige naoorlogse sfeer bovendien weinig plaats was voor Vlaams-nationalistische politieke initiatieven, waren het vooral Waalse tendensen die aan de basis lagen van de aanpak van het taalprobleem op regeringsniveau. Inzonderheid de Waalse christen-democraten wilden door een sluitende taalwetgeving de federalistische stromingen, die vooral in Wallonië succes kenden, zoveel mogelijk inperken (federalisme). De oprichting van het eerder vermelde Centrum-Harmel in 1948 paste in deze strategie. De schoolstrijd van 1958 en het verzet tegen de Eenheidswet van de regering-Gaston Eyskens maakten een oplossing voor de communautaire kwestie tijdelijk minder prioritair. De verschillende opstelling van Vlamingen en Walen naar aanleiding van de Koningskwestie had de regionale verschillen al eerder scherp gesteld. De stakingsgolf van 1960-1961 tegen de wetten voor economische expansie illustreerde opnieuw de politieke verschillen tussen de regio's.

Dat de communautaire spanningen veel dieper zaten en dat de verhoudingen tussen beide taalgroepen door taalwetten alleen niet fundamenteel verbeterd konden worden, werd snel duidelijk. Zowel langs Vlaamse als langs Waalse kant werden eind jaren 1960 blauwdrukken voor een federale oplossing van de communautaire problematiek uitgewerkt. In juni 1968 werd de werkgroep-Eyskens of de Groep der 28 geïnstalleerd om de grondwetsherziening (staatshervorming) voor te bereiden. Daarin zetelden behalve de regeringspartijen ook afvaardigingen van de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV), Volksunie (VU), Front démocratique des Francophones (FDF) en Rassemblement wallon (RW). De partijen bereikten binnen deze 'denktank' een communautair compromis over culturele autonomie en over economische decentralisatie, maar strandden op het statuut van Brussel en de faciliteitengemeenten. De daaropvolgende Groep der 24 – de VU had ondertussen de onderhandelingstafel verlaten – boog zich in de eerste plaats over de Brusselse problemen, maar een akkoord daarover bleef uit.

Over de vraag of men in de toekomstige structuren de nadruk zou leggen op de tweeledigheid van de gemeenschappen of de drieledigheid van de regio's, waren Vlamingen en Walen het fundamenteel oneens. Aangezien ze er alle belang bij hadden op de politieke meerderheid in Vlaanderen te kunnen rekenen, verwierpen de Brusselse Vlamingen het voorstel om van Brussel een apart gewest te maken. Als hoofdstad van het land diende Brussel veeleer een ontmoetingsplaats van beide gemeenschappen te zijn en moest de band met zowel Vlaanderen als Wallonië worden behouden. Aan Franstalige zijde wenste men daarentegen het doortrekken van de regionalisering tot het hoofdstedelijk gebied en het doorbreken van het carcan van de 19 gemeenten.

Brussel was in de discussie over federalisering aanvankelijk geen vragende partij. De francofone elite in de hoofdstad stond eerder weigerachtig ten opzichte van een federalisering. Brussel ontleende zijn machtspositie immers aan zijn centrale plaats in het unitaire staatsbestel. Naarmate de federalistische stromingen sterker werden, sloten de Franstaligen echter de rangen en werd ook aan de Brussels-francofone zijde de strijd aangebonden voor een volwaardige gewestvorming.

Vanaf 1970 werd een aanvang gemaakt met de federalisering. De Vlaamse hang naar autonomie op het vlak van cultuur, onderwijs en persoonsgebonden materies en de Waalse verzuchtingen over meer economische ontplooiingsmogelijkheden, leidden tot een voorzichtig compromis tussen unitaristen en gematigde federalisten met betrekking tot de doorvoering van de gemeenschaps- en gewestvorming. De taalgebieden werden territoriaal omschreven en het tweetalig gebied Brussel werd beperkt tot de 19 gemeenten. De Nederlandse en Franse cultuurraden werden ingesteld, bevoegd

voor hun eigen taalgebied, alsook voor de 'eigen' instellingen in Brussel. Zo werd de band tussen de Vlamingen in het Nederlandse taalgebied en die in het tweetalige Brussel beklemtoond.

In navolging van de Franstalige aspiraties, werd tegelijkertijd de oprichting van drie gewesten in de grondwet ingeschreven. De uitvoering van de gewestvorming liet echter op zich wachten, vooral omdat het probleem Brussel en de begrenzing van het tweetalig gebied onoplosbaar leken. Dat Brussel een volwaardig derde gewest moest worden, une région à part entière, werd door de Franstaligen even sterk bepleit als het door de Vlamigen werd afgewezen. Bij gebrek aan consensus werd de discussie op de lange baan geschoven. Brussel-Hoofdstad zou voorlopig geen autonome regio vormen. De oprichting van de agglomeratieraad en het -college in 1971 leek daarentegen meer te voldoen aan de Vlaamse verzuchtingen voor tweeledigheid. De nadruk lag er op samenwerking tussen de twee gemeenschappen en onder voogdij van de nationale overheid. Pariteit in het college, indeling in taalgroepen en een alarmbelprocedure zouden de positie van de Nederlandstaligen moeten beschermen. Maar de garanties bleken niet waterdicht. De 11 Nederlandstaligen die in de Agglomeratieraadsverkiezingen van 1971 werden verkozen op lijsten van het Rassemblement Bruxellois (de zogenaamde 'valse Vlamingen'), slaagden erin de procedures, uitgewerkt om de minderheidspositie van de Vlamingen te beschermen, volledig uit te hollen en aldus de Agglomeratieraad om te bouwen tot een uitsluitend Franstalig apparaat.

Deze wetenschap zou de Vlamingen ertoe brengen in latere onderhandelingsrondes sluitende maatregelen te eisen inzake hun vertegenwoordiging.

Terwijl aan Franstalige zijde de aanspraken op een doorgedreven regionalisering radicaliseerden en pogingen werden ondernomen om de Brusselse agglomeratie uit te breiden, werd aan Vlaamse kant verder aangestuurd op een grotere machtsparticipatie in de Brusselse agglomeratie en de gemeentelijke structuren. Door de successen van het FDF en door de radicaal-Franstalige opstelling van de socialistische partij en liberale partij in de gemeenten, voelden vele Vlaamse Brusselaars zich precies op het lokale terrein bijzonder kwetsbaar. Eerder werd al uiteengezet hoe de verdere uitbouw van de gemeenschapsautonomie en de ondersteuning van een Nederlandstalig verenigingsleven in Brussel een belangrijke politiek-strategische keuze was. Een uitgebreid netwerk van Vlaamse sociaal-culturele verenigingen, zou de Vlaamse gemeenschap in Brussel meer gestalte geven. Tegelijkertijd hoopten de Vlaamse partijafdelingen in Brussel via dit kanaal een breder electoraat aan te spreken.

In Vlaanderen konden deze aspiraties op volle steun rekenen. De sociaal-economische dynamiek in het Vlaamse landsgedeelte diende verzilverd te worden door een grotere machtsparticipatie in Brussel. Dat een autonoom Brussels Gewest, in samenwerking met Wallonië, de Vlamingen in een minderheidspositie zou duwen, moest tot elke prijs vermeden worden. Tegelijkertijd dienden verdere stappen in de federalisering Vlaanderen (en Wallonië) meer slagkracht te geven.

Slechts door de niet-regeling van Brussel als uitgangspunt te nemen (de zogenaamde koelkastpolitiek), konden verdere hervormingen worden doorgevoerd. Het was de regering-Wilfried Martens-III die in 1980 representatieve organen zou creëren voor het Waalse en Vlaamse Gewest. Dit betekende een belangrijke overdracht van bevoegdheden van het nationale niveau naar de Gemeenschappen en Gewesten. Vooral inzake structuren viel er een duidelijke voortzetting van de federale inspanningen te merken. Vanaf 1982 functioneerden er in Vlaanderen een Vlaamse Raad en een deelregering, bevoegd voor zowel culturele als persoonsgebonden en economische zaken. Franstalig België opteerde daarentegen voor een behoud van de opsplitsing tussen gemeenschap en gewest en installeerde naast een Waalse Gewestraad een Franstalige Gemeenschapsraad, ook bevoegd ten aanzien van de Franstaligen in Brussel.

Over de fundamentele aspecten van het federale staatsbestel en over Brussel raakte men het acht jaar later (1988) wel eens. Hoewel toen definitief voorrang gegeven werd aan de federale logica en het principe van zelfbestuur, werd voor Brussel een ingewikkelde structuur uitgewerkt, waarin naast territoriale principes ook de groepsgebonden logica een rol speelt. Hierbij werd rekening gehouden met een aantal Vlaamse eisen. Om hun positie te verstevigen hebben de Vlamingen in Brussel er immers steeds voor gepleit de Vlaamse aangelegenheden in de hoofdstad te blijven beheren in samenspraak met Vlaanderen. Tegelijkertijd wenste Vlaanderen in Brussel-Hoofdstad een sterke voet in huis te houden. Het compromis over Brussel hield dan ook een bevestiging in van de institutionele banden tussen de Brusselse Vlamingen en Vlaanderen. Zo werd Hugo Weckx in 1988 als eerste aangesteld als Vlaams minister voor Brusselse aangelegenheden.

Het Brussels gewest moest wachten tot de bijzondere wet van 12 januari 1989 om zijn gewestelijke organen gerealiseerd te zien. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werd wel een derde gewest, met een rechtstreeks verkozen raad en een executieve die over uitgebreide bevoegdheden inzake gewestmateries zou beschikken. Als compensatie voor deze fundamentele toegeving verkregen de Vlamingen een aantal garanties inzake machtsparticipatie. De indeling in taalgroepen van de leden van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, de paritaire samenstelling van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve, de consensusregel voor beslissingen, de alarmbelprocedure, het zijn enkele van de mechanismen die werden uitgewerkt om de participatie van Vlamingen aan het gewestelijk bestuur te garanderen. Voor de regeling van de bicommunautaire aangelegenheden uit de welzijns- en gezondheidssfeer – deze gemeentelijke en privaatrechtelijke instellingen worden door Frans- en Nederlandstaligen samen beheerd onder bevoegdheid van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie – werden overlegd, en coördinatieorganen ingesteld. Net zoals in de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve beschikken de Vlamingen hier over een vetorecht. De desalniettemin voor de Vlamingen slecht functionerende bicommunautaire instellingen - de toegankelijkheid voor Vlamingen als cliënt of als personeelslid zorgt voor blijvende klachten - motiveren Vlaamse eisen tot het afbouwen van deze sector.

Inzake gemeenschapsmateries hebben beide taalgroepen een uitgebreide autonomie. De eigen instellingen voor welzijn, onderwijs en cultuur zijn voor de Vlaamse gemeenschap in Brussel een belangrijk platform om haar identiteit als gemeenschap uit te bouwen. De band met Vlaanderen blijft hierbij belangrijk.

Enerzijds kan de Vlaamse gemeenschap in Brussel niet overleven zonder steun uit Vlaanderen. Anderzijds levert het economische, politieke en culturele prestige van de hoofdstad Vlaanderen onmiskenbaar een aantal voordelen op. Dat Vlaanderen Brussel tot hoofdstad van de Vlaamse Gemeenschap heeft gekozen, is dan ook niet toevallig. Ook symbolisch is deze keuze belangrijk: "Vlaanderen laat Brussel niet los". Toch is de relatie tussen Vlaanderen en de Brusselse Vlamingen niet ondubbelzinnig. De belangen van beiden lopen immers niet steeds parallel. De Vlamingen in Brussel zijn voor een heleboel materies afhankelijk van het Brussels Gewest, waar de Franstaligen een duidelijke meerderheid bezitten. Vlaanderen heeft met andere woorden niet steeds de middelen om zijn taalgenoten in Brussel tegemoet te komen. Verder zijn de institutionele banden tussen Vlaanderen en Brussel versoepeld, sinds met het Sint-Michielsakkoord (1993) werd besloten het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde te splitsen voor gemeenschaps- en gewestverkiezingen. Ook met de splitsing van de provincie Brabant in Vlaams- en Waals-Brabant, is Brussel institutioneel losgekoppeld. Brussel draait nu meer en meer op zichzelf en de Brusselse Vlamingen kunnen minder en minder op de steun van Vlaanderen rekenen. Bovendien wordt er vanuit Vlaams Brussel steeds nadrukkelijker voor gepleit dat Vlaanderen de specificiteit van Brussel zou erkennen. Vlaanderen moet het Brussels Hoofdstedelijk Gewest als een realiteitsgegeven aanvaarden en beseffen dat sommige zaken beter door de Brusselaars zelf worden geregeld, zo luidt het.

De vraag vanuit de Vlaamse Gemeenschapscommissie naar samenwerkingsakkoorden tussen Vlaanderen en het Brusselse Gewest en het pleidooi van een Vlaams-Brusselse politica als Annemie Neyts om de gewestbevoegdheden door een (rechtstreeks verkozen) Vlaamse en de Franstalige Gemeenschapscommissie samen te laten uitoefenen, zijn hiervoor illustratief.

Epiloog

Voor de toekomst van de Vlaamse gemeenschap in Brussel hangt veel af van de electorale positie van de Vlamingen en die is uitermate precair. Dat over de toekomstige positie van de Brusselse Vlamingen ongerustheid heerst, bleek nog uit de vraag van het Congres van Brusselse Vlamingen om een gegarandeerd aantal vertegenwoordigers, zowel binnen de Brusselse Hoofdstedelijke Raad als in de lokale besturen. Hoewel over de electorale impact van de Europese aanwezigheid in de hoofdstad niets met zekerheid kan worden gesteld, ziet het er echter niet naar uit dat de electorale positie van de Brusselse Vlamingen zal versterken. Volgens een recent onderzoek zouden de meeste onderdanen van de Europese Unie (EU) hun stem geven aan tweetalige lijsten. De participatie van EU-onderdanen aan de gemeenteraadsverkiezingen vanaf 2000 zou voor bepaalde gemeenten een aanzienlijke uitbreiding van het kiezerskorps betekenen. In Sint-Gillis bijvoorbeeld, een van de twee gemeenten zonder Vlaamse verkozenen in de gemeenteraad, zouden er 33% kiezers bijkomen. Dat de aanwezigheid van een grote groep buitenlanders de communautaire krachtsverhoudingen in de toekomst zal beïnvloeden, laat weinig twijfel. Van het begin van de jaren 1960 tot einde jaren 1980 nam de Belgische bevolking te Brussel met 25% af (van 953.806 naar 715.937 Belgen), maar groeide het aandeel van vreemdelingen van 7% naar 26% (van 68.989 naar 254.409 vreemdelingen). In het begin van deze periode vormden de Fransen nog als van oudsher de belangrijkste buitenlandse kolonie, maar sinds de jaren 1980 zijn het de Marokkanen die de grootste groep vormen. Ook van de niet-Europese inwijkelingen verkiezen de meesten nog steeds de Franse taal om zich hier aan te passen. Sinds de komst van talrijke migranten in de hoofdstad en in de rand is de Brusselse problematiek dan ook veel ruimer te beschouwen dan als een communautaire strijd tussen twee taalgroepen (immigratie).

Literatuur

De onderzoeksvorderingen van het 'Centrum Brussel' van de VUB werden uitgegeven in de reeks Taal en Sociale Integratie,13 delen, 1978-1989, nadien opgevolgd door Brusselse Thema's,waarvan reeds twee volumes verschenen. (1993,1995). De auteurs maakten gebruik van de artikels van Gubin, De Metsenaere, Deneckere, Logie, De Lannoy, Langenakens en Van de Craen, Baetens Beardsmore, Van Velthoven, Vermeersch, De Jonghe, Van Alboom, Jansegers, Deschouwer, Sieben, Haagdorens, Banen, Martin, De Groof, Michielsen, Gerard, Rydant, Brassine, Coninckx, Peiren, Tyssens, Deslé, Kesteloot, Witte, Detant. Ook volgende monografieën, verschenen in de reeks, werden geraadpleegd: F. Louckx, Vlamingen tussen Vlaanderen en Wallonië (Taal en Sociale Integratie, nr. 5, 1982); 
M. De Metsenaere, Taalmuur: sociale muur? De negentiende-eeuwse taalverhoudingen als resultaat van geodemografische en sociale processen (Taal en Sociale Integratie, nr. 9, 1988); 
S. Parmentier, Vereniging en identiteit. De opbouw van een Nederlandstalig sociaal-cultureel netwerk te Brussel (1960-1986) (Taal en Sociale Integratie, nr. 10, 1988); 
A. Detant, De toepassing van de taalwetgeving in de Brusselse gemeentelijke instellingen (Brusselse Thema's, nr. 2, 1995). En verder: L. Wils, Flamenpolitik en activisme, 1974; 
L. Buning, 'Nieuw licht op het Brussels activisme', in WT jg. 38, nr. 4 (1979), p. 193-228; 
E. Gubin, Bruxelles au XIXe siècle: berceau d'un flamingantisme démocratique (1840-1874), 1979; 
J. Stengers (red.), Brussel: groei van een hoofdstad, 1979; 

F. Vanhemelryck, Het Daensisme in het arrondissement Brussel, 1979;

E. Witte, 'Centrumvorming in België. De rol van Brussel tijdens de stichtingsfase van de belgische staat (1830-1840)', in BMGN, jg. 101, nr. 4 (1986), p. 601-629; 
E. Witte and H. Baetens Beardsmore (ed.), 'The Interdisciplinary Study of Urban Bilingualism in Brussels', in Multilingual Matters, nr. 28 (1987), p. 167-194; 
K. Deschouwer, 'De dorpen van de hoofdstad. Gemeentelijke coalities in de Brusselse agglomeratie sinds 1946', in Tijdschrift voor Sociologie, nr. 1-2 (1988), p. 87-98; 
P. Cabus, C. Kesteloot en H. van der Haegen, Stads(v)lucht maakt vrij. Verslag van het colloquium stadsvlucht, 1989; 
A. Smolar-Meynart en J. Stengers (ed.), Het Gewest Brussel. Van de oude dorpen tot de stad van nu, 1989; 

Werkgroep Mort Subite. Barsten in België. Een sociale geografie van de Belgische maatschappij, 1990;

P. Berckx, 150 jaar institutionele hervormingen in België, 1990; 
M. de Metsenaere en E. Witte, 'Taalverlies en taalbehoud bij de Vlamingen te Brussel in de negentiende eeuw', in BMGN, jg. 105, nr. 1 (1990), p. 1-38; 
D. Vanacker, Het aktivistisch avontuur, 1991; 
E. Witte, 'De plaats van Brussel in het gefederaliseerde België', in Internationale Spectator, nr. 10 (1993), p. 560-565; 
E. Witte, 'Taal en territorialiteit. Een overzicht van de ontwikkelingen in België sinds 1830', in Tijdschrift voor Geschiedenis, nr. 10 (1993), p. 208-229; 
B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994; 
E. Lentzen en X. Mabille, 'Les résultats des élections communales du 9 octobre 1994', in Courrier Hebdomadaire du CRISP, nr. 1457-1458 (1994); 
N.I.S., Bevolkingsstatistieken, nr. 3a (1994); 
N.I.S., Statistische Studiën, nr. 102 (1994); 
P. Blaise en E. Lentzen, 'Les élections du 21 mai 1995. Les conseils de région et de communauté', in Courrier Hebdomadaire du CRISP, nr. 1483-1484 (1995); 
H. van Velthoven, 'De positie van de Vlamingen in Brussel. Terugblik en status quaestionis vanuit de ontwikkeling van het basisonderwijs', in A. Verhulst en L. Pareyn (red.), Huldeboek Prof. Dr. Marcel Bots, 1995, p. 289-312; 
E. Witte, M. de Metsenaere, A. Detant (e.a.), Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Taalwetgeving (Brusselse Thema's, nr. 5, 1998).

Verwijzingen

zie: Lydia Deveen, Front démocratique des Francophones, onderwijs (lager), socialistische partij, Waalse Beweging.

Auteur(s)

Machteld de Metsenaere; Els Deslé; Anja Detant; Ann Mares; Sabine Parmentier; Luc Sieben; Machteld De Metsenaere