Brulez, Raymond

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Blankenberge 18 oktober 1895 – Brussel 17 augustus 1972). Broer van Ferdinand en Lucien Brulez.

Ging na zijn humaniora aan het atheneum van Elsene in 1912 Germaanse filologie studeren aan de Université libre de Bruxelles, doch de oorlog brak deze studie in 1914 af. Na de oorlog bekleedde Brulez verscheidene functies tot hij in 1936 werd aangesteld tot literair adviseur bij het Nationaal Instituut voor Radio-omroep te Brussel. Van 1938 tot 1940 was hij directeur van het secretariaat, verantwoordelijk voor de programmatie, tijdens de bezettingsjaren 1940-1944 werkte hij bij het Commissariaat-Generaal voor Wederopbouw en van 1945 tot zijn pensionering in 1960 was hij adjunct-directeur-generaal van de Vlaamse gesproken uitzendingen van de Belgische Radio en Televisie. (omroep)

Hoewel cultureel sterk Frans georiënteerd, was Brulez altijd een overtuigd flamingant die zijn hele leven geijverd heeft voor de ontplooiing en verdieping van het Vlaamse cultuurleven en de culturele integratie van Noord en Zuid. In zijn eerste roman, André Terval of Inleiding tot een leven van gelijkmoedigheid, tekent hij een psychologisch portret van de vooroorlogse jonge Vlaamse intellectueel, een individualistische nihilist en anarchist onder invloed van August Vermeylens opstellen en Max Stirners Der Einzige und sein Eigentum. Het werk vond echter in 1919 bij de Vlaamse uitgevers nog geen genade, omdat men het niet Vlaamsgezind genoeg achtte. Met zijn narcistisch individualisme, verwoord in een ietwat gemaniëreerde laat-19de-eeuwse stijl, was hij een al te vreemde eend in de bijt van het naoorlogse humanitaire expressionisme. Het duurde tot 1930 eer het boek een uitgever vond, hoewel geestverwanten van het tijdschrift 't Fonteintje er reeds fragmenten uit gepubliceerd hadden. Pas met de publicatie van de autobiografische vierdelige cyclus Mijn woningen (1950-1954), een kroniek van een halve eeuw maatschappelijk, politiek, geestelijk, religieus en sentimenteel leven in Vlaanderen, trad er een kentering ten gunste op in de appreciatie van zijn autobiografische werken en voltairiaanse contes philosophiques.

Een onrechtvaardige bejegening door het Vlaamse lezerspubliek trof Brulez pijnlijk. Want ondanks de verfransende invloed van familie en school koos hij resoluut voor de Nederlandse cultuur: reeds in 1910 stichtte hij met medeleerlingen als Robert en Max Lamberty op het atheneum een Vlaamsgezinde studentenkring De Vlaamsche Taalvrienden en zijn eerste literaire schetsen publiceerde hij in het tijdschrift van de Vlaamse Brusselse atheneumstudenten, De Goedendag. Ook later treffen we Brulez vaak aan in het bestuur van Vlaamse culturele verenigingen of in de redactie van nieuwe tijdschriften: in 1932 stichtte hij met zijn zwager Hendrik Cayman, Jozef Muls en Victor Leemans de tweemaandelijkse studiereeks De Zeshoek, gewijd aan literatuur, kunst en sociale economie; van 1934 tot 1936 verzorgde hij als opvolger van Jan A. Goris de rubriek Nederlandse letteren bij het Franstalige, te Brussel uitgegeven weekblad Cassandre; in 1936 behoorde hij tot de stichters van de Brugse culturele kring de Maffia met de maandelijkse reeks publicaties De Garve; hij maakte deel uit van de redactie van De Vlaamse Gids, Nieuw Vlaams Tijdschrift en Het Boek van Nu, en schreef recensies in talrijke Noord- en Zuid-Nederlandse kranten. Als directeur bij de BRT heeft hij de verspreiding van het Algemeen Beschaafd Nederlands in Vlaanderen gestimuleerd en door de promotie van de Nederlandse literatuur via dit medium heeft hij bijgedragen tot de bevordering van de culturele eenheid van Noord en Zuid. Ondanks zijn vaak defaitistische uitlatingen over een gunstige afloop van de Vlaamse strijd heeft hij zich daar toch ten volle voor ingezet. Een officiële erkenning van zijn verdiensten kwam in 1960 door zijn benoeming tot lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, waarvan hij in 1965 bestuurder was.

Sinds 1970 was hij ook lid van het IJzerbedevaartcomité.

Werken

André Terval of Inleiding tot een leven van gelijkmoedigheid, 1930; 
De Laatste verzoeking van Antonius, 1932; 
Sheherazade of literatuur als losprijs, 1932; 
De Noord-Nederlandsche letterkunde sinds 1914, 1936; 
Novellen en schetsen, 1936; 
De schone slaapster, 1936 (toneel); 
Een mei - De klok, 1937; 
Ecrivains flamands d'aujourd'hui, 1938; 
Mijn woningen: Het Huis te Borgen, 1950; 
Het pakt der triumviren, 1951; 
De haven, 1952; 
De beste der werelden, 1953 (toneel); 
De verschijning te Kallista, 1953; 
Het mirakel der rozen, 1954; 
Diogeentjes, 1962; 
De toren van Lynkeus, 1969.

Literatuur

J. Kuypers, 'Raymond Brulez, de gelijkmoedige beschouwer', in Verslagen en Mededelingen van de KVATL (1960), p. 357-388; 
K. Jonckheere, 'Raymond Brulez', in Monografieën over Vlaamse letterkunde, nr. 20 (1961); 
J. Florquin, 'Raymond Brulez', in Ten huize van..., I, 1962, p. 38-54; 
J. de Ceulaer, Te gast bij Vlaamse auteurs, II, 1962, p. 5-10; 
P. de Wispelaere, 'Raymond Brulez', in VWS-cahiers, jg. 1, nr. 2 (1966), p. 1-4; 
M. Galle, 'In memoriam Raymond Brulez', in Dietsche Warande en Belfort, jg. 117, nr. 10 (december 1972), p. 768-769; 
R. Vervliet, 'Raymond Brulez of het pakt van de flamingant met de frankofiel' in Ons Erfdeel (1977), p. 550-563.

Auteur(s)

Raymond Vervliet