Brel, Jacques

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Schaarbeek 8 april 1929 – Bobigny 9 oktober 1978).

Was de zoon van Romain Brel, een Brussels kartonfabrikant. De Brels waren eeuwenlang prominent aanwezig in het West-Vlaamse plaatsje Zandvoorde (nu Zonnebeke). De Franstalig opgevoede Brel vertrok in 1953 vanuit zijn woonplaats Dilbeek naar Parijs en werkte zich op tot een grote naam van het Franse chanson.

Het repertoire van Brel is voor een deel gekleurd door zijn ergernis over de Vlaamse medeburger. In 1959 hekelde hij in Les Flamandes de onderdanigheid van de biddende en barende Vlaamse vrouw. De pers reageerde geprikkeld. In het testamentaire La...La...La, anno 1967, krijgen de monarchie en de flaminganten een veeg uit de pan. Het nummer bleef onopgemerkt. Tien jaar later werd op zijn laatste grammofoonplaat in het schotschrift Les F... het 'Vlaams' als een niet gesproken maar geblafte taal opgevoerd, en brandmerkte Brel de overdosis rechts in rooms Vlaanderen: Nazis durant les guerres et catholiques entre elles ("Nazi's tijdens de oorlogen en katholiek daartussenin"). Het chanson comique, dixit Brel, veroorzaakte een lang aanhoudende mediarel en zorgde voor parlementaire commotie. Het lied is in Vlaanderen grotendeels taboe gebleven.

Het (West-)Vlaamse land zelf inspireerde Brel tot ontroerende titels, zoals in 1961 het tweetalige Marieke en een jaar later het literair-poëtische Le plat pays. Binnen die Vlaamse cyclus vielen in 1967 door hun persoonlijke verbondenheid ook het kritisch-autobiografische Mon enfance en het Brugs-melancholische Mon père disait op.

Veel van Brels werk is in het Nederlands vertaald, grotendeels door de Nederlander Ernst van Altena. Bijna alle Nederlandstalige cabarettiers en chansonniers brengen nummers van Jacques Brel.

Auteur(s)

Johan Anthierens