Borms, August

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Sint-Niklaas 14 april 1878 – Etterbeek 12 april 1946).

Was afkomstig uit de gegoede burgerij van Sint-Niklaas en kreeg zijn middelbare opleiding aan het Klein Seminarie van Sint-Niklaas. Borms werd er lid van de studentenbond De Blauwvoeterie. Tussen 1896 en 1902 volgde hij de pas opgerichte leergang voor Germaanse filologie aan de Katholieke Universiteit Leuven. In 1901 werd hij huisleraar bij minister E. Descamps te Leuven; een jaar later promoveerde hij en werd leraar in Nijvel. Borms vertrok in 1903 met een Belgische commissie naar Peru om er het onderwijs te helpen verbeteren. Daar werd hij getroffen door de verdrukking van de Inca-taal door het Spaans. Na zijn terugkeer in 1906 vestigde hij zich in Lokeren. Hij werd achtereenvolgens benoemd tot leraar aan de athenea van Gent, Mechelen en Antwerpen. Vanaf 1908 vestigde hij zich in Merksem bij Antwerpen.

Borms was een bijzonder bedrijvig flamingant die al zijn vrije tijd en energie in de actie stak. Hij reisde naar verschillende steden in Vlaanderen om er acties in het kader van de V.B. te promoten. Hij was bestuurslid van het Algemeen-Nederlands Verbond (takken in Mechelen en Antwerpen). Van 1910 af nam hij deel aan de Vlaamsche Wetenschappelijke Congressen waar hij meewerkte in de afdeling van de Vlaamsche Taal- en Geschiedkundige Congressen. Hij ijverde voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit en stichtte eind 1912 de kring Pro Westlandia. In dat verband ondernam hij verscheidene reizen naar Frans-Vlaanderen en organiseerde er volksavonden. Bij de behandeling van de legerwet (1913) steunde hij de amendementen voor een splitsing van het Belgisch leger in Vlaamse en Waalse regimenten. Bij de bespreking van de schoolwet in 1914 (onderwijs) voerde hij eveneens flamingantische agitatie buiten het parlement. Met zijn krachtige stem was hij een gevierd en veelgevraagd spreker.

Onmiddellijk na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog toonde Borms zich in een artikel voor Het Handelsblad van Antwerpen (13 augustus 1914) sterk Belgischgezind en resoluut anti-Duits. Alhoewel de flamingantische organisaties waarin hij actief was alle hun werking stillegden in het kader van de Godsvrede, vergaderde Borms vanaf de herfst van 1914 in het geheim met een kleine groep radicale flaminganten. Onder invloed van de doorsijpelende taalklachten van Vlaamse soldaten aan het front, versterkt door de Duitse propaganda in het kader van de Flamenpolitik veranderde Borms' houding. Hij riep de Vlamingen op te reageren op de franskiljonse beschuldigingen, maar bleef wel nog loyaal ten opzichte van de Belgische regering. Geleidelijk echter ging Borms over tot het activisme. Vooral de in Antwerpen opererende Duitse agent Max Gerstenhauer speelde daarbij een belangrijke rol.

Vanaf midden april gaf Borms met enkele andere activisten het halfmaandelijks blad Antwerpen Boven uit. Toen in juni 1915 de bezetter de Antwerpse kranten onder druk zette om als spreekbuis van de Duitse politiek te dienen, trokken vele redactieleden en eigenaars zich terug en wist Borms, samen met Albert van den Brande, de redactie van Het Vlaamsche Nieuws over te nemen. Ondertussen was hij, samen met Cyriel Rousseeu, druk bezig met boekenzendingen naar Vlaamse krijgsgevangenen in Duitse kampen (Göttingen). Al deze activiteiten wekten veel wantrouwen bij het gros van de Antwerpse flaminganten dat Duitse beïnvloeding vreesde. Slechts een deel van hen was bereid Borms te volgen en dan vaak nog slechts tot op beperkte hoogte.

Aanvankelijk toonde Borms zich binnen het activisme unionistischgezind (unionisten): hij eiste een vorm van zelfbestuur voor Vlaanderen binnen het Belgisch staatsverband. Daarna stelde hij zich echter op het radicale Jong-Vlaamse standpunt (Jong-Vlaanderen) met de eis van zelfstandigheid, los van de staat België.

Borms zou zich enthousiast aansluiten bij al de initiatieven van de bezetter om de flaminganten in botsing te brengen met het Belgische patriottisme. Toen de bezetter op 15 maart 1916 de vernederlandsing van de Gentse universiteit afkondigde was Borms een van de medeondertekenaars van een Hoogeschoolbondmanifest dat de vernederlandsing rechtvaardigde.

Ondertussen was hij in contact getreden met de activistenkernen in Brussel en Gent. Borms speelde een actieve rol bij de oprichting van de Raad van Vlaanderen (februari 1917) en profileerde er zich als een van de voornaamste voorstanders van een verregaande collaboratie met de bezetter. Op 3 maart 1917 ontving de Rijkskanselier te Berlijn een delegatie van de Raad van Vlaanderen, waaronder Borms als meest bekende flamingant. Begin oktober werd hij lid van het Bureau van de Raad van Vlaanderen; eind november 1917 volgde zijn benoeming tot lid van het Persbureel van de Raad. Op 22 december 1917 werd, op voorstel van Borms, de zelfstandigheid van Vlaanderen uitgeroepen. Als gevolg daarvan werd hij op 8 januari 1918 door het Belgisch gerecht gearresteerd. Door tussenkomst van de bezetter werd hij echter meteen in vrijheid gesteld. Borms pleitte daarna bij de bezetter voor de aanhouding en deportatie van de magistraten die hij voor deze gerechtelijke actie verantwoordelijk achtte.

Hij wenste dat de Duitsers de oorlog zouden winnen. In dat verband was hij tevens voorstander van het inschakelen van Vlaamse dwangarbeiders in de Duitse oorlogsinspanning, ook al waren hun levensomstandigheden zeer slecht en vielen er daarbij veel doden. Borms streefde tevens naar de oprichting van een gewapende activistische macht. Op 17 januari 1918 was hij in de pas opgerichte Commissie van Gevolmachtigden benoemd tot hoofd van het Nationaal Verweer. Hij was in die functie verantwoordelijk voor de oprichting van knokploegen, die de kleine activistische groep moest beschermen tegen de groeiende en openlijk betoonde volkswoede. Hij probeerde onvermoeibaar de toestemming te krijgen om activistische rijkswachteenheden en een geheime politie te mogen oprichten. Tussen mei 1917 en juli 1918 maakte Borms verscheidene reizen naar de Duitse krijgsgevangenkampen waar hij de kern van zijn Vlaamse strijdmacht hoopte te vormen. Borms vriend en naaste medewerker, Rousseeu, voerde in Göttingen een wervingscampagne, maar de Duitse legerleiding vond een militaire collaboratie niet opportuun.

Toen in augustus 1918 de Gevolgmachtigden ontslag namen, de Raad van Vlaanderen werd afgeschaft en een nieuwe Commissie van Zaakgelastigden werd opgericht, kreeg Borms op 26 september 1918 in deze Beirat bij de Duitse gouverneur-generaal opnieuw het Nationaal Verweer onder zijn hoede.

Bij de wapenstilstand weken de meeste activisten uit naar Nederland of Duitsland. Borms keerde vrij vlug terug, na afspraken met de Duitse verantwoordelijken. Hij zou de agitatie van de met dat doel achtergebleven kernen leiden. Deze kernen moesten een verbinding met de soldaten van de Frontbeweging bewerkstelligen en allerlei vormen van agitatie bevorderen. Dit opzet mislukte volledig door een overschatting van de macht van de Frontbeweging en door een onderschatting van de bijzonder vijandige stemming van de Vlaamse bevolking.

Op 8 februari 1919 werd Borms gearresteerd. Zijn proces begon op 2 september 1919. Borms zocht geen verontschuldigingen, verhulde nauwelijks iets en stuurde zo aan op een zware veroordeling, waarmee hij hoopte sympathie te winnen bij Vlaamsgezinden. Wel wees hij de beschuldiging dat de activisten hun optreden hadden gebaseerd op een Duitse overwinning van de hand. Volgens hem moest heel de politiek van het activisme gezien worden in het licht van de hoop op een vrede door vergelijk, waardoor de activisten op de vredesconferentie hun eisen zouden kunnen stellen. Borms situeerde zijn verdediging in de strijd tussen Vlaanderen en België en minimaliseerde de Duitse impact. Zijn verdedigers waren Edmond van Dieren en Emiel Schiltz. Hij werd door het hof van assisen van Brabant op 9 september 1919 ter dood veroordeeld. Deze straf werd omgezet in levenslange hechtenis die hij grotendeels in de gevangenis van Leuven zou doorbrengen.

Het naoorlogse hevig Belgisch-nationalistische en anti-Vlaamse klimaat creëerde een gunstige voedingsbodem voor de martelaarsstrategie van Borms. Op 7 september 1919 schreef Fronter Hendrik Borginon in Ons Vaderland een artikel, waarin hij Borms voorstelde als de man die zich te goeder trouw had laten gebruiken door een vijandelijke macht die de knechting van Vlaanderen onder Pruisische heerschappij nastreefde. Dat Duitse aspect zou de komende jaren volledig uit de retoriek verdwijnen.

De regering wilde al na korte tijd af van de activisten in gevangenschap. In 1921 kreeg Borms van regeringswege een voorstel tot vrijlating, op voorwaarde dat hij zich van alle politieke activiteit zou onthouden. Borms weigerde. Ondertussen verheerlijkten Vlaams-nationalistische groeperingen Borms als hoogstaand idealist en slachtoffer van verdrukking. In 1924 wilde Het Vlaamsche Front (tak Antwerpen) Borms kandidaat stellen voor de volgende Kamerverkiezingen. Dit was een louter propagandistische zet vermits Borms toch niet verkiesbaar was, aangezien zijn burgerrechten hem ontnomen waren. Deze kandidatuur verstikte echter in interne intriges. Ze werd gebruikt in de strijd om de heerschappij tussen de anti-Belgische vleugel, aangevuurd door het weekblad Vlaanderen, en de Antwerpse partijleiding. De pas vrijgelaten activist Antoon Jacob speelde, als woordvoerder en raadgever van Borms, in deze campagne een belangrijke rol. Het resultaat was dat de Bormskandidatuur door de partij werd geschrapt. De irrealistische en wispelturige houding van Borms, die volstrekt niet inzag hoe hij gebruikt werd in een machtsstrijd, deed zijn imago bij vele leidende Vlaams- nationalisten geen goed. De meesten van hen laakten binnenskamers zijn gebrek aan politiek inzicht en zijn zelfingenomenheid. Ondertussen draaide de propagandamolen intensief verder en werd de man voor het gros van de Vlaams- nationalisten hét symbool voor het verdrukte Vlaanderen. Er ontstond een beeldvorming van de 'gekerkerde heilige' en de 'ongekroonde koning van Vlaanderen'. Bij de gewone militanten werd Borms het symbool waarmee fanatiek kon gedweept worden.

Toen in Antwerpen in 1928 tussentijdse verkiezingen moesten worden gehouden, stelde de Frontpartij Borms kandidaat voor de Kamer, tegen de liberale kandidaat Paul Baelde, een notoir franskiljon (Bormsverkiezing). In deze zwartwitsituatie kon het symbool ten volle spelen. Op 9 december 1928 werd Borms door een overdonderende meerderheid (83.058 stemmen tegen 44.410) tot volksvertegenwoordiger 'gekozen'. De Kamer verklaarde deze verkiezing ongeldig en Baelde werd volksvertegenwoordiger.

Inmiddels had de regering al beslist dat ze van de gevangen Borms af wilde. De amnestiebeweging was immers, op de golven van het ongenoegen over België, erg breed geworden en deed mensen naar het Vlaams-nationalisme overgaan. Het symbool Borms was al sinds verscheidene jaren de enige en laatste activistische gevangene. De amnestiewet werd in de Kamer op 6 december 1928 goedgekeurd. Op grond daarvan werd Borms op 17 januari 1929 vrijgelaten, ondanks het feit dat de wet pas op 19 januari 1929 officieel werd afgekondigd (Uitdovingswet). De regering vreesde manifestaties en onlusten. Borms werd te Antwerpen triomfantelijk ontvangen. Op vele plaatsen werden huldemanifestaties op touw gezet. Die kregen nooit een echt massaal karakter hetgeen de regering geruststelde: de hoge electorale score in Antwerpen was slechts een proteststem en betekende geen massale overgang naar Het Vlaamsche Front, al was het gevaar voor een verdere electorale verschuiving daarmee natuurlijk niet geweken.

Na zijn vrijlating nam Borms deel aan de actie van het Vlaams- nationalisme, zonder er een leidende rol in te spelen. Hij wilde zich niet binden aan een van de bestaande groeperingen en hoopte de tegenstellingen te kunnen overbruggen. In dat verband zou hij zich inzetten voor de oprichting van een Derde Raad van Vlaanderen (1931). Borms kon rekenen op de bewondering van de militanten, maar bezat weinig capaciteiten voor politiek leiderschap. Deze Raad zou weinig succes hebben. Borms hielp in september 1929 nog de Vlaamsch-Nationale Blauwvoetbond oprichten, een turnvereniging waarvan hij eveneens voorzitter werd. In de jaren na 1933, zou hij zich nog keren tegen het Verdinaso en verder opereren in de marge van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV). Bij tal van gelegenheden trad hij op als eregast en formeel boegbeeld van het anti-belgicisme. Op de eerste VNV-landdag (1935) hees Borms de VNV-vlag. In maart 1933 nam hij, met Adelfons Henderickx en Herman van Puymbrouck, het beheer van het dagblad De Schelde (later Volk en Staat) op zich, de krant die van 1934 af in VNV-vaarwater zat.

Op 11 juni 1937 werd een wet aangenomen waardoor de veroordelingen omwille van oorlogsfeiten uit het strafregister geschrapt werden. De veroordeelden kregen weer kiesrecht, uitgezonderd de ter dood veroordeelden. Deze bepaling was in belangrijke mate gericht tegen Borms. Ondertussen bleef hij beschermend optreden voor de Vlaamse nationaal-socialisten die het VNV probeerden te radicaliseren, tot ergernis van partijleider Staf de Clercq. Nog vóór de Duitse inval stond Borms zijn besluit vast dat hij een tweede gelegenheid tot activisme onmiddellijk zou aangrijpen als een Duitse bezetting die kans opnieuw zou scheppen.

Op 10 mei 1940, na de Duitse aanval, werd onder anderen een aantal anti-Belgische leiders waaronder Borms, die ervan verdacht werden een veiligheidsrisico te vormen, aangehouden. Zo werd Borms naar de militaire gevangenis van Orléans gebracht. Na de capitulatie van het Franse leger werden deze gevangenen bevrijd. (Spooktreinen)

Op 11 juli 1940 was Borms weer in Antwerpen. Als vanzelfsprekend koos hij opnieuw de zijde van de bezetter waarbij hij zich concentreerde op propagandistische activiteiten. Hij nam deel aan tal van manifestaties maar invloed op de besluitvorming had hij niet. Borms kreeg enkel de leiding van de Bormscommissie. Vooral Borms' propaganda voor een Vlaamse deelname aan de Duitse oorlog tegen de Sovjet-Unie was opvallend. Borms was daarbij tevens een van de propagandistische boegbeelden die geleidelijk zouden opschuiven van VNV-kringen naar het vaarwater van de SS en des te nadrukkelijker het nationaal-socialistische gedachtegoed zouden verdedigen. Bij de intocht van de geallieerde troepen in september 1944 vluchtte hij naar Duitsland waar hij de Vlaamsche Landsleiding steunde als lid van een adviescomité en Vlamingen hielp ronselen voor Duitse krijgsdienst met het oog op een herovering van Vlaanderen.

Na de overgave van Duitsland dook Borms onder maar na enige tijd werd hij opgemerkt; in augustus 1945 volgde zijn arrestatie. Zijn proces ging snel van start en half oktober 1945 werd hij door de krijgsraad ter dood veroordeeld. Op 4 januari 1946 verscheen hij in beroep voor het krijgshof, waar zijn straf werd bevestigd. Genade werd geweigerd. Op 12 april 1946 werd hij terechtgesteld in de kazerne te Etterbeek. Het vuurpeloton van 1946 zou vervullen waar Borms al in 1919 mee rekening hield, omdat een terechtstelling, zoals in Ierland gebeurde met enkele leiders van de Paasopstand in 1916, kon aangewend worden als een wapen tegen de Belgische staat. Geleidelijk zou het gebruik van de Bormsexecutie als wapen tegen de Belgische staat effect sorteren. In de jaren na 1946 kreeg onder meer daardoor het anti-belgicisme het grootste deel van de V.B. in zijn greep. De historische figuur, August Borms, verdween daarbij op de achtergrond om plaats te maken voor een heilig verklaarde, omweven door een uitgebreide hagiografische literatuur.

Borms was een man die zich liet leiden door een rotsvaste overtuiging. Achter zijn onverzettelijkheid schuilde ook een onvermogen tot scherpe politieke analyse. Argumenten hadden op hem geen vat. Hij wenste als verzoener op te treden in het anti-Belgische Vlaams-nationalistische kamp, maar zag niet hoe hij vaak een speelbal van intriges was. Hij overschatte zijn mogelijkheden mede door zijn succes als romantisch en gloedvol spreker en door het onmiskenbare effect van zijn rol als Vlaamse 'martelaar' na de Eerste Wereldoorlog.

Werken

Dr. August Borms voor het gerecht, 1920; - - 'Bijdrage tot de geschiedenis van het Antwerpsch aktivisme', in Voor - 1830 - Na. Een bundel opstellen. In opdracht van den Dietschen Bond, 1930, p. 95-100; 
Tegen leugen en laster, 1930; 
Tien jaar in den Belgischen kerker, 1930; 
Kerkerbloemen, vergaard uit het Leuvensch gevangeniskrantje, 1931.

Literatuur

L. Augusteyns, Borms, 1927; 
Les archives du Conseil de Flandre, 1928; 
A.L. Faingnaert, Verraad of zelfverdediging?, 1933; 
M. Basse, De Vlaamsche Beweging van 1905 tot 1930, 2 dln., 1930-1933; 
I. van Beugem, Bormsgalerij, 1943; 
Borms, een leven van liefde en trouw, 1951; 
J. Dierickx, Dr. Borms, 1951; 
H.J. Elias Geschiedenis van de Vlaamse gedachte, IV, 1965; 
id., 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, 4 dln., 1969; 
A.W. Willemsen, Het Vlaams-nationalisme. De geschiedenis van de jaren 1914- 1940, 19692; 
L. Wils, 'Bormsverkiezing en Compromis des Belges. Het aandeel van regerings- en oppositiepartijen in de taalwetgeving tussen beide wereldoorlogen', in BTNG, jg. 4, nr. 3-4 (1973) p. 265- 330; 
id., Flamenpolitik en aktivisme, 1974; 
L. Vandeweyer, 'De politieke rol van August Borms tussen 1918 en 1933', in Verschaeviana (1986), p. 81-117; 
B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994; 
L. Vandeweyer, 'Kiezen tussen Kardinaal en Kaiser. Vlaamse katholieke activisten tijdens de Eerste Wereldoorlog', in Trajecta (1996) p. 134-155; 
id., 'Herman Van den Reeck: pacifist in een gewelddadige beweging?', in WT, bijzonder nummer colloquium Herman van den Reeck, UFSIA 9 december 1995 (1996), p. 37-69; 
id., 'Collaboreren en arbeiders deporteren! Dilemma's voor activisten en Duitsers tijdens de Eerste Wereldoorlog?', in Brood en Rozen. Tijdschrift voor de Geschiedenis van Sociale Bewegingen, jg. 1, nr. 1 (1996), p. 15-32.

Verwijzingen

zie: activisme, amnestie, Antwerpen-stad, Jozef Devroe, Berten Fermont, Maurits Geerardyn, Katholieke Vlaamsche Volkspartij Turnhout, Pro Westlandia, Vlaams Nationaal Zangfeest, West-Vlaanderen.

Auteur(s)

Luc Vandeweyer