Borginon, Hendrik

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Pamel 2 november 1890 – Brussel 2 januari 1985).

Schoonvader van Jaak Van Waeg, grootvader van Alfons Borginon, via zijn echtgenote verwant met de familie Leo Lindemans.

Stamde uit een katholieke Brabantse burgerfamilie. Borginon volgde humaniora in het Klein Seminarie van Mechelen en promoveerde in 1919 tot doctor in de rechten en licentiaat in de wijsbegeerte aan de Katholieke Universiteit Leuven. Hij onderging daar de invloed van Frans van Cauwelaert, een streekgenoot, die hij goed kende. Voor de Eerste Wereldoorlog was hij actief in de katholieke flamingantische beweging. Hij maakte deel uit van de groep Taalgrens Wakker!, met onder meer Jozef Goossenaerts, Philip van Isacker, Adiel Debeuckelaere, Jules Spincemaille, Ernest Claes en Staf de Clercq, met wie Borginon levenslang bevriend zou blijven. Samen met De Clercq voerde hij campagne voor zijn oom August, die bij de verkiezingen van 1912 de kandidaat van de Katholieke Vlaamsche Landsbond op de katholieke lijst was. Zijn militaire dienst volbracht hij in de Compagnie universitaire. Aan het eind van zijn universitaire opleiding brak de Eerste Wereldoorlog uit. Als soldaat maakte hij de gevechten te Namen mee en belandde daarna, via Rouen en Le Havre, in de vesting Antwerpen en aan het IJzerfront. Begin november 1914 werd hij wegens ziekte naar Calais overgebracht, waar men hem ongeschikt verklaarde voor de militaire dienst. Tot augustus 1916 verbleef hij achtereenvolgens in Londen en aan de universiteiten van Cambridge en Oxford, waar hij colleges in verschillende vakken volgde. Toen hij in augustus 1916 weer naar het front mocht, hervatte hij daar de contacten met de studenten uit wier acties de Frontbeweging was ontstaan. Hij was in Londen de ontwerper geweest van het speciale nummer van het studentenblad Ons Leven Hoogstudent, dat de ondertitel kreeg "Hoogstudenten op den IJzer. Oorlogsnummer 1914-1915-1916". Samen met Filip de Pillecyn werd hij de adjunct en 'geheimschrijver' van de zogenaamde 'ruwaard' (leider) van de Frontbeweging, Debeuckelaere. De legering in eenzelfde sector van de eenheden waartoe zij behoorden, vergemakkelijkte de geregelde ontmoeting tussen deze drie, zodat zij in feite een soort van dagelijks bestuur vormden. In oktober 1917 stelde Borginon met De Pillecijn, in opdracht van de leiding, het clandestiene geschrift Vlaanderen's Dageraad aan den Yzer op, waarvan de eindredactie bij Borginon berustte. Dit geschrift zette de ideologische grondslag van de beweging uiteen en zou ook na de oorlog invloed uitoefenen, namelijk bij de bepaling van de ideologische achtergrond van de Frontpartij. Het stuk bepleitte de federalisering van België en eiste het straffeloos stellen van de activisten. Bij een bezoek van Van Cauwelaert aan het front kwamen meningsverschillen tot uiting, zowel over de tactiek als over de ideologie van de Vlaamsgezinden. "Zelfbestuur voor een volk acht ik een der helderste begrippen die in de staatkunde gangbaar zijn", zo schreef Borginon toen aan Alfons van de Perre, als antwoord op het verwijt van Van Cauwelaert dat zelfbestuur slechts een vaag begrip bleef.

Hoewel nog geen advocaat trad Borginon, samen met meester A. de Groeve en meester Herman de Jongh, als verdediger op van veertien soldaten die begin 1918 om hun Vlaamsgezinde activiteiten terechtstonden. Dit 'proces van de zesde divisie' baarde veel opzien, niet het minst door het pleidooi van Borginon, die niet de veertien militairen, maar de veertien Belgische ministers in Le Havre de ware schuldigen noemde. Ook voor andere Vlaamsgezinde soldaten was hij de verdediger. In het dagblad Ons Vaderland publiceerde hij zowel onder zijn naam als onder schuilnaam scherpe bijdragen. In een ervan, ondertekend Zander, legde hij er de nadruk op dat de opvattingen van het Front afweken van de politiek van het blad Vrij België en van het Vlaamsch-Belgisch Verbond van Van Cauwelaert. Het bevestigde de verwijdering en de radicalisering. Borginon was op de hoogte van de geheime missie van Jules Charpentier die als gezant van de Frontbeweging contact moest leggen met gematigde activisten. Samen met de andere leiders van de geheime Frontbeweging stond Borginon op de rand van een definitieve breuk met de Belgische loyauteit. Deze kwestie stond centraal op het proces tegen Debeuckelaere in 1921. Mede onder impuls van Borginon volgde de verdediging met succes de tactiek waarin elke verantwoordelijkheid voor de missie van de Sublieme Deserteurs van de hand werd gewezen.

Na de oorlog trad Borginon onmiddellijk op de voorgrond in de V.B. Zo werd hij in januari 1919 gearresteerd, omdat hij als soldaat in uniform op een debatavond in Gent voor zelfbestuur was opgekomen. Begin 1919 behoorde hij ook tot de stichters van het Verbond der Vlaamse Oud-Strijders (VOS). In juli 1920 trad Borginon samen met Van Cauwelaert op als advocaat van de activist Lodewijk Dosfel tijdens diens geruchtmakend proces. Ook andere activisten zou hij verdedigen, onder meer Wies Moens en Bert d'Haese. In de evolutie naar een Frontpartij zou hij een belangrijke rol spelen. In de eerste helft van 1919 onderhandelde Borginon en de andere leiders van de Frontbeweging met de minimalisten rond Van Cauwelaert maar door hun vasthouden aan het pluralistische Godsvredeprincipe en de eis tot zelfbestuur was een akkoord niet mogelijk, ondanks uitzicht op verkiesbare plaatsen. Borginon zou later nog meer dan eens aarzelen tegenover de wenselijkheid van een afzonderlijk optreden van de nationalisten. Hij geloofde dat de partij een tijdelijk karakter had en haar doelstellingen elders kon helpen realiseren.

Borginon kandideerde in 1919 voor de Frontpartij in het arrondissement Aalst. Hij wilde uit het electorale vaarwater blijven van zijn oom August die in Brussel opkwam op een Vlaamsgezinde katholieke lijst. In Aalst had de Frontpartij bovendien een kartel gesloten met de daensisten zodat Borginon op de tweede plaats verkozen kon worden in de Kamer (Daensistische Beweging). Hij haalde 724 voorkeurstemmen. Maar volgens een stemafspraak moest hij zijn zetel afstaan aan de daensist Jan-Baptist de Neve, die evenwel de zetel niet wenste en zijn partijgenoten kon overtuigen Borginon zijn zetel te laten behouden. In hetzelfde jaar promoveerde hij aan de Leuvense universiteit tot doctor in de rechten. Hij vestigde zich als advocaat in Brussel waar hij heel zijn verdere leven woonde. In 1921 kandideerde hij voor de Frontpartij in het arrondissment Brussel op de tweede plaats van de Kamerlijst na De Clercq. Hij werd niet verkozen. In 1923 nam hij ontslag als lid van de partijraad. Borginon trok zich een tijdlang terug uit de actieve politiek, al liet hij nog geregeld van zich horen. In april 1924 trad hij op als verdediger in het ophefmakende proces van Remy de Man, die tijdens een Vlaamsgezinde betoging een Franstalige tegenbetoger had doodgeschoten. In oktober 1924 trok hij in een redevoering voor het Leuvense Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV) zo van leer tegen de academische overheid dat die de KVHV-leiders Gerard Romsée en Tony Herbert verplichtte er afstand van de nemen. Toen die dat weigerden werden ze van de universiteit gestuurd, wat aanleiding gaf tot een open revolte van Vlaamsgezinde studenten, waarin Borginon geregeld als redevoerder optrad. In februari 1925 publiceerde Borginon in het Rechtskundig Tijdschrift een voorstel tot radicale vernederlandsing van het gerecht in Vlaanderen. In 1926 woonde hij de plechtigheid bij waarop de eerste paal voor de IJzertoren werd ingeheid. Toen dat jaar, in november, een groot debat over de "naoorlogse studentenpsychologie" ontstond, behoorde Borginon tot hen die het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond verdedigden.

In 1927 trad hij opnieuw op de voorgrond bij de onderhandeling ter voorbereiding van een katholieke Vlaams-nationalistische partij. Toen in 1928 hieruit het Algemeen Vlaamsch Nationaal Verbond (AVNV) ontstond, zetelde Borginon in het directorium, de opperste leiding die zichzelf 'dictatoriale' bevoegdheden toekende om het partijpolitieke Vlaams- nationalisme uit het slop te halen. De Frontpartij was versplinterd geraakt in regionale groeperingen mede als gevolg van onoverbrugbare ideologische meningsverschillen. Radicale antidemocratische Groot-Nederlanders stonden tegenover gematigde democratische federalisten. Borginon behoorde tot de laatste groep, al noemde hij zich een principieel Groot- Nederlander. De invloed van Pieter Geyl, met wie Borginon reeds voor 1914 bevriend was geworden, was hieraan niet vreemd. Borginon slaagde er evenwel niet in het AVNV van de grond te krijgen. In 1929 bekleedde hij weer de tweede plaats van de Vlaams-nationalistische Kamerlijst in het arrondissement Brussel achter Staf De Clercq. Hij behaalde 562 voorkeurstemmen maar werd niet verkozen. Hij werd wel in de Brabantse provincieraad verkozen. In 1931 vertegenwoordigde Borginon Brussel in de hoofdraad van de pas opgerichte Vlaamsch Nationale Volkspartij (VNVP), een doodgeboren poging om het democratische Vlaams-nationalisme te verenigen tegen het Verdinaso.

In 1932 werd Borginon als lijsttrekker verkozen voor de Kamer in het arrondissement Brussel doordat De Clercq van de lijst geschrapt werd na een onvrijwillige overtreding van de kieswet. Borginon haalde 1306 voorkeurstemmen. Hij werd meteen fractievoorzitter, mede door het wegvallen van de Vlaams- nationalistische tenoren De Clercq en Herman Vos, maar ook doordat hij de meest getalenteerde parlementaire politicus was van zijn politieke familie. Zo speelde Borginon weer de eerste viool op de vooravond van de stichting van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV), een gebeurtenis die het Vlaams-nationalisme in het algemeen en Borginons leven in het bijzonder diepgaand zou tekenen.

Borginon was nauw betrokken bij de onderhandelingen die tot de stichting van het VNV in oktober 1933 leidden. Hij redigeerde mee ontwerpen voor de stichtingsverklaring van de nieuwe partij. Hij aanvaardde een principieel Groot-Nederlands programma, maar wenste dat de Vlaamse politieke zelfstandigheid als uitgangspunt van de praktische politieke werking zou gelden. Voorts trachtte hij de antidemocratische programmapunten te milderen. Hij bepleitte een principieel standpunt ten gunste van een "gezonde en aangepaste volksmedezeggenschap en democratie". Bij de publicatie van de stichtingsverklaring werd deze zinsnede geschrapt, omdat ze voor de radicalen onaanvaardbaar was. Dat was de reden dat Borginon afzag van de functie van gouwleider voor Brabant die hem in de nieuwe partij was toegewezen.

Zo kwam Borginon in een dubbelzinnige situatie die kenmerkend was voor zijn positie in het VNV. Hij was de parlementaire leider van een politieke partij waarvan hij de grondslagen afwees. Borginon heeft met dit probleem geworsteld. Hij heeft verschillende keren ontslag genomen, omdat de grens voor hem bereikt was. Telkens keerde hij op zijn stappen terug, wellicht omdat hij besefte dat hij buiten het VNV geen politieke rol van betekenis kon spelen. Het behoud van zijn parlementair mandaat bond hem aan het VNV. Ook zijn vriendschap met VNV-leider De Clercq speelde een rol. Zo heeft hij ondanks zichzelf de grens verlegd in de richting van het Nieuwe Orde-gedachtegoed en speelde hij willens nillens het democratische uithangbord van een partij die de democratie principieel afwees. Toen dat spoedig ondubbelzinnig bleek in de VNV-partijpers, gaf Borginon in februari 1935 voor de eerste keer ontslag. In een brief aan de VNV-leider schreef hij dat het VNV wegens zijn krasse antidemocratische stellingname voor hem 'onbewoonbaar' werd. Maar hij maakte zijn ontslag niet openbaar en trok het weer in. Toen in september 1935 bekend werd dat de nationaal-socialist en enfant terrible Ward Hermans als lid in het VNV werd aanvaard, gaf Borginon weer ontslag. Dit keer schreef hij aan de VNV-leider dat het VNV een dictatoriaal regime nastreefde. Hij kon zich geen erger ramp voor Vlaanderen voorstellen dan dat het VNV zijn programma zou uitvoeren. Al die tijd speelde Borginon zijn rol als zeer actieve fractieleider in de Kamer. Hij maakte een eerste opvallende tussenkomst toen hij op 22 februari 1934 bij de bespreking van het rouwadres van de Kamer bij de dood van Albert I, bij een ordemotie het woord vroeg om onder meer te zeggen dat de overleden koning niets had gedaan voor de Vlamingen. Het werd op hevige protesten bij de andere partijen onthaald. Dat parlementair jaar was Borginon voorts actief bij de bespreking van het wetsontwerp ter vernederlandsing van het gerecht. Het was een terrein waarop Borginon al veel langer actief was. In 1930 werd er door de Vlaams-nationalisten een grotendeels door Borginon geformuleerd wetsvoorstel over ingediend. Hij was toen als secretaris van de Bond der Vlaamsche Rechtsgeleerden uiterst actief in een sensibiliseringscampagne rond de vernederlandsing van het gerecht. Samen met Romsée bestookte Borginon de regering met amendementen waarin de onvolkomenheden van het ontwerp werden blootgelegd. Bij de stemming in de Kamer onthield hij zich. In februari 1936 diende hij samen met andere Vlaams- nationalistische Kamerleden een wetsvoorstel in tot opzegging van het Frans-Belgisch Militair Akkoord.

Borginons rol in het VNV is in zekere zin ook tragisch te noemen doordat hij mee ongewild een democratisch Vlaams- nationalistisch alternatief heeft getorpedeerd. Borginon heeft zich ingespannen om een akkoord te bereiken met de Antwerpse Frontpartij, die weerstand bood tegen het VNV. Hij hoopte zo de gematigde strekking in het VNV en dus zijn eigen positie te versterken, maar zag onvoldoende in hoe de VNV-leiding een politieke concurrent van de kaart wilde vegen door een salamitactiek toe te passen. In elke onderhandelingsronde verloor de Frontpartij een deel van zijn aanhang. De definitieve klap kwam er bij de verkiezingen van 1936 toen de Antwerpse Frontpartij in een Vlaamsch Nationaal Blok (VNB) kartel met het VNV stapte met Borginon als lijsttrekker. De leiding van het Front wist dat Borginon zijn kandidatuur had gekoppeld aan een hele reeks voorwaarden tegenover de VNV- leiding. Borginon eiste onder meer de uitschakeling van enkele al te Nieuwe Orde-gezinde kandidaat-parlementsleden. Voorts eiste hij de controle over De Schelde, de Antwerpse VNV- gezinde krant die onder leiding van Herman van Puymbrouck nazi-Duitsland kritiekloos bewonderde, tot grote ergenis van Borginon die de VNV-leiding hierover herhaaldelijk zijn beklag deed. Ten slotte eiste hij waarborgen over het optreden van de parlementaire fracties. Het is duidelijk dat Borginon probeerde om de werkelijke leiding over het VNV in handen te krijgen. Het is in die optiek dat hij de leiding aanvaardde van de Landelijke Commissie voor Verkiezingsaangelegenheden van het VNB. Naarmate de verkiezingen dichter kwamen werd duidelijk dat de VNV-leiding de gestelde voorwaarden niet nakwam. Borginon verklaarde in die omstandigheden niet langer op de lijst in Antwerpen te willen staan zodat het kartel op springen stond. Ter elfder ure kon hij toch overhaald worden, onder meer door morele chantage waarvoor August Borms werd ingeschakeld. Borginon schreef aan De Clercq dat hij "in de smadelijkste omstandigheden" de kandidatuur had aanvaard, maar dat hij vast van plan was zich niet in de minste mate solidair te tonen met de partij. Borginon werd verkozen. Hij haalde 778 voorkeurstemmen. De kartellijst in Antwerpen deed het overigens niet goed, mede doordat de Antwerpse Frontpartij uiteenspatte als gevolg van het feit dat een deel van het bestuur het kartel niet meer wenste te steunen. Zo verloor Borginon het laatste steunpunt om het Vlaams-nationalisme van binnenuit in een meer democratische richting te sturen. Hij gaf evenwel niet op en zou na de verkiezingen als leider van de Vlaams-nationale Kamergroep hetzelfde doel nastreven in een poging het VNV te verankeren in een ruime Vlaamsgezinde katholieke coalitie: de concentratie.

Tegen de verwachtingen van Borginon in, had het VNV buiten Antwerpen uitstekende resultaten gehaald in de verkiezingen van 1936. Mede ook door het zware verlies van de katholieke partij en de schok die de winst van Rex veroorzaakte, ontstond een postelectoraal klimaat waarin het thema van politieke frontvorming aan de orde was. Op 19 juli 1936 vond onder impuls van het weekblad Nieuw Vlaanderen, waarin Borginon al op 6 juli 1935 had gepleit voor een samenwerking van alle Vlaamsgezinde katholieken, het congres van de Vlaamsche Concentratie plaats. Borginon was er aanwezig, maar trad niet op de voorgrond. Achter de schermen was hij des te actiever. Toen na de bekendmaking van het geheim akkoord Rex-VNV in oktober 1936 rechtstreekse onderhandelingen werden gevoerd tussen de VNV-leiding en de leiding van de pas gefederaliseerde Katholieke Vlaamsche Volkspartij (KVV) zat Borginon mee aan de onderhandelingstafel en ontpopte zich spoedig tot leider van de VNV-delegatie. Mede onder zijn impuls werd op 8 december 1936 een Beginselakkoord KVV-VNV ondertekend. Op 9 en 10 januari 1937 was Borginon aanwezig op het congres van de Katholieke Vlaamsche Landsbond. Hij rekende erop dat de VNV- leiding wel zou volgen, maar dat bleek een grove misrekening. Het was uitgerekend De Clercq die van VNV-zijde het akkoord torpedeerde. Tijdens een rede op 7 februari 1937 voor het Katholiek Vlaamsch Oud-Hoogstudentenverbond (KVOHV) onder de titel "Waarom de concentratie er niet kwam" stak Borginon de schuld op de KVV. Binnenskamers gaf hij toe dat hij eens temeer zijn hand overspeeld had door ten onrechte te veronderstellen dat zijn vriend De Clercq wel zou volgen. Hij greep opnieuw naar een beproefd middel: in september 1937 dreigde hij ermee ontslag te nemen als leider van de Vlaams- nationale Kamergroep. Daar bleef het voorlopig bij. Borginon speelde zijn rol als gematigd VNV-boegbeeld voort. In het parlement bleef hij de actiefste Vlaams-nationalist. Hij onderscheidde zich met goed onderbouwde betogen, onder meer naar aanleiding van de installatie van de cultuurraden (7 februari 1938) en de wet op het taalgebruik in het leger (30 juli 1938). Hetzelfde jaar diende Borginon een wetsvoorstel in tot de evenredige verdeling van de openbare ambten onder de twee bevolkingsgroepen, volgens hun getalsterkte (bestuur). Borginon moest evenwel constateren dat zijn fractie onvoldoende presteerde in het parlement doordat te veel leden het halfrond louter met propagandistische reden betraden. Toen einde 1937 VNV- verkozenen acties ... la Flor Grammens ondernamen, beschouwde hij dat als goedkope na-aperij. Het standpunt van het VNV dat Brussel als 'Vlaamse grond' beschouwde, wees hij af als onrealistisch. Voorts bleef hij zich ergeren aan de al te pro-nazi standpunten van de VNV-pers. Toen Volk en Staat de Nederlands-joodse journalist Marcus van Blankenstein met antisemitische argumenten aanviel (antisemitisme), kroop hij in de pen en verontschuldigde zich bij Van Blankenstein voor deze "manifestaties van politieke verwildering". Tegenover De Clercq dreigde hij ermee de brief openbaar te maken als Volk en Staat niet ophield. Maar ook op dit punt bleek Borginon zeer soepel. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1938 sprak hij in Antwerpen onder een spandoek "weg met de joden", weliswaar binnenskamers protesterend.

Borginon bleef hopen dat hij de in zijn ogen nefaste ontwikkelingen in het VNV zou kunnen keren. Na de Tsjechoslovaakse crisis en de akkoorden van München zag hij daartoe weer een kans. Op 26 oktober 1938 sprak hij voor het KVOHV een rede uit waarin hij betoogde dat voortaan Duitsland een groter gevaar betekende voor de vrede dan Frankrijk en dat bijgevolg Vlaanderen er baat bij had in een Belgisch federaal verband militair samen te werken met Nederland. Hiertoe konden de Vlaams-nationalisten maar bijdragen als ze enerzijds elk autoritarisme en totalitarisme afwezen en anderzijds het federalisme aanvaardden. De redevoering werd enigszins afgezwakt gepubliceerd in Nieuw Vlaanderen (5 en 12 november 1938) onder de titel "Het nieuwe beeld van Europa en de Vlaamsch-nationale positie". Daarmee stond hij lijnrecht tegenover VNV-leider De Clercq die ondanks zijn Groot- Nederlands stokpaardje een militaire samenwerking met Nederland afwees omdat dit Frankrijk ten goede kwam, een houding die alleen maar te begrijpen is vanuit een (deels geheime) strategie die van een bondgenootschap met Duitsland uitging. Hij begon dan ook onmiddellijk met Borginons demarche in de pers te neutraliseren. Voor de zoveelste keer moest Borginon de duimen leggen. Op 17 november 1938 gaf hij ontslag als fractieleider, officieel om professionele redenen, in werkelijkheid omdat, zoals hij aan zijn fractiegenoten schreef, er tussen de leiding van het VNV en hemzelf "in allerlei kapitale kwesties een te zeer verschillend inzicht bestond". Openlijk desolidariseerde hij zich niet, wel integendeel. Rond de tijd van zijn ontslag leidde hij in de Brusselse regio de onderhandelingen met KVV en Rex over de vorming van coalities na de gemeenteraadsverkiezingen. Zelf kandideerde hij op de Brusselse VNV-lijst. In 1939 duwde hij de VNB-Kamerlijst in het arrondissement Brussel. Hij kreeg 611 naamstemmen, maar werd niet verkozen. Borginon werd gecoöpteerd senator. Ook in die functie bleef hij actief. Hij onderhandelde met rexistische provincieraadsleden aangaande de verkiezing van provinciale senatoren. Als senator interpelleerde hij verscheidene malen toen de Belgische overheid, die gedeeltelijk op de hoogte was van de geheime contacten tussen de VNV-leider en nazi-Duitsland, maatregelen nam tegen het VNV. Toen De Clercq op 10 mei 1940 werd opgepakt door de Belgische Veiligheid onderhandelde Borginon met eerste minister Hubert Pierlot over diens vrijlating en die van alle andere opgepakte VNV'ers.

Op 14 mei 1940 was Borginon aanwezig op de vergadering van de Vlaams-nationalistische parlementsleden waarop het parool 'geen tweede activisme' werd afgesproken. De vergadering gaf Borginon en Edmond van Dieren de opdracht de regering naar Frankrijk te volgen om de belangen van de weggevoerde VNV'ers en de Vlaamse vluchtelingen te behartigen. Die opdracht spoorde met het verzoek dat Borginon van de minister van openbaar onderwijs Eugène Soudan had gekregen om voor kinderen van de Belgische oorlogsvluchtelingen onderwijs te organiseren. Het plan werd verijdeld door de oprukkende Duitse troepen. Terug in België kreeg hij na de Franse capitulatie van een door de secretarissen-generaal opgericht repatriëringscomité de opdracht in Frankrijk op zoek te gaan naar weggevoerden. Hij vertrok op 21 juli 1940 en kwam in Vichy in contact met de Belgische regering, waarvan verscheidene ministers zijn opdracht steunden. In het gevangenkamp te Le Vernet d'Ariège kon hij 90 weggevoerde Belgen, onder wie heel wat Vlaamsgezinden, rexisten en communisten vrij krijgen en naar België laten terugbrengen. Hij bleef nog tot 13 augustus 1940 in Frankrijk en had nog herhaaldelijk contact met Belgische ministers. Over zijn reis handelde een van de schaarse boeken van zijn hand: Op zoek naar de weggesleepten van mei 1940 (1973).

Tijdens de zomer van 1940 was Borginon uiterst actief. Hij onderhandelde samen met andere gematigde VNV'ers met leden van het Belgische establishment om het Vlaams-nationalisme te betrekken bij een Belgische aanwezigheidspolitiek rond koning Leopold III. De federalisering van het land en machtsposities voor Vlaamsgezinden waren daartoe de voorwaarden in de ogen van Borginon. Over de positie van zijn eigen partij maakte hij zich geen zorgen. De leuze "onverfranst, onverduitst" zou geen "ijdel woordengekraam" blijken, schreef hij zelfverzekerd in een nota. Hij was niet op de hoogte van het feit dat De Clercq toen al de samenmerking van het VNV met de bezetter in het vooruitzicht had gesteld. Borginon heeft geen rol gespeeld in de evolutie naar een onvoorwaardelijke collaboratie van het VNV. Hij liet de VNV-leider weten dat hij het niet eens was met die politiek en met de ermee gepaard gaande beslissingen zoals de militaire collaboratie. Toch was zijn houding opnieuw dubbelzinnig. Achter de schermen ijverde hij voor de benoeming van Vlaamsgezinden in het gerecht. De aanstelling van een 'goedgezinde' secretaris-generaal van justitie was daartoe een vereiste. Borginon ijverde mee voor de benoeming van Romsée. Toen die uiteindelijk in april 1941 op binnenlandse zaken werd benoemd, beschouwde Borginon dit als een nederlaag. Toen de VNV-leiding en Romseé hem een benoeming als burgemeester van Brussel voorstelden, weigerde hij omdat de VNV-leiding niet kon ingaan op zijn eisen, die noch min noch meer het terugtreden uit de collaboratie inhielden. Tot grote verrassing van de VNV-leiding en Romsée aanvaardde hij even later op 17 oktober 1941 wel een benoeming tot rijkscommissaris voor de grote agglomeraties. De eenmaking van de grote stedelijke centra, waarvan voor de oorlog de noodzakelijkheid reeds werd gevoeld, was zijn werk. Borginon argumenteerde tijdens zijn proces na de oorlog dat zijn functie en optreden apolitiek was en volledig binnen de Belgische wettelijkheid viel. Het verloop van de fusies bewijst dat ze ook deel uitmaakte van de greep naar de macht die het VNV uitvoerde in de lokale besturen, al is het juist dat Borginon zeker niet uitsluitend oog had voor de belangen van het VNV. In de loop van 1942 nam hij meer en meer afstand van de collaboratie. Het voorwoord van zijn hand van de programmabrochure van het 9de Vlaams Nationaal Zangfeest geraakte niet door de Duitse censuur omdat het al te expliciet elke opbodpolitiek van de hand wees en de Nederlands-Vlaamse toenadering als een recht voorstelde waarvoor geen prijs hoefde betaald te worden. Naar aanleiding van het goedpraten van de Duitse verordening tot de verplichte tewerkstelling van oktober 1942 door het VNV, gaf hij zijn ontslag als lid van de partij, ditmaal definitief. In zijn ontslagbrief (16 oktober 1942) schreef hij dat hij overtuigd was dat de collaboratie noodlottig was voor het Vlaamse volk. De ironie van het lot wilde dat enkele dagen later De Clercq overleed. Borginon droeg een van de linten van het baarkleed op de begrafenis.

Bij de bevrijding vluchtte Borginon niet. Hij werd ook niet onmiddellijk gearresteerd en probeerde zelfs zijn functie als senator weer op te nemen. Hij werd evenwel onmiddellijk uit het parlementair halfrond geweerd en in november 1944 werd zijn parlementaire onschendbaarheid opgeheven. Het Krijgshof van Brussel veroordeelde hem op 8 februari 1946 tot twintig jaar buitengewone hechtenis en tien miljoen frank schadevergoeding. Borginon werd verdedigd door René Victor. Op 4 augustus 1949 werd hij in vrijheid gesteld. Zijn vrijlating veroorzaakte een regeringscrisis doordat het partijbestuur van de Belgische Socialistische Partij het ontslag van zijn ministers eiste. Enkele jaren later werd Borginon gerehabiliteerd. Daarna werd hij opgenomen in de balie van Antwerpen, waar hij zijn advocatenpraktijk hervatte.

Borginon speelde geen directe partijpolitieke rol meer. Na zijn vrijlating pleitte hij ervoor geen nieuwe Vlaams- nationalistische partij op te richten, maar via een brede beweging druk uit te oefenen op de traditionele partijen, en vooral dan de Christelijke Volkspartij (CVP). Bij de verkiezingen van 1949 steunde hij de verruiming van de CVP en wees hij de Vlaamse Concentratie af. In 1952 was hij betrokken bij de stichting van de Vlaamse Volksbeweging (VVB). Hij werd uiterst actief in tal van niet-partijpolitieke Vlaamsgezinde initiatieven en organisaties. Hij trad talloze keren op als spreker op Vlaamsgezinde manifestaties. Vooral in de VVB was hij actief. Hij trad op als specialist van de taalwetgeving die hij met kennis van zaken aan kritiek onderworp. In 1958 leidde hij een VVB-werkgroep die het verzet tegen de talentellingen organiseerde. Op het VVB-congres van 1965 pleitte hij voor federalisme. Van 1962 af zetelde Borginon in het IJzerbedevaartcomité. Van 1966 af nam hij alle toespraken namens het comité voor zijn rekening in de plaats van de 80-jarige voorzitter Jan F. Fransen. Van mei 1968 tot 1971 was hij zelf voorzitter. Ook op dit forum pleitte hij voor federalisme. Tevens kwam hij op voor amnestie. Opvallend was in 1969 zijn vergoelijking van de Vlaamse oostfrontstrijders. Voor het overige maakte hij analyses van de politieke toestand in toespraken die als nuchter en kritisch werden ervaren door de meeste waarnemers. Borginon bleef ook ijveren voor een Vlaams-Nederlandse toenadering in samenwerking met onder meer Geyl, met wie hij door alle stormen heen bevriend was gebleven.

Borginon was ook begaan met de geschiedschrijving van de periode waarin hij actief was geweest. Al vroeg hield hij redevoeringen, waarin hij de hete hanghijzers niet schuwde, onder meer op het congres van het Vlaams Verzet op 6- 7 december 1958 over de oorsprong en motieven van de collaboratie (Handelingen, p. 27-38). Enkele keren vloeiden publicaties voort uit zijn redes, zoals het hierboven geciteerde boek over zijn verblijf in Frankrijk in 1940. Hij liet zijn invloed echter vooral onrechtstreeks gelden. Zo beïnvloedde hij de visie van Arie W. Willemsen die bij Geyl promoveerde. Zo is het te verklaren dat de Nederlandse historicus, die Borginon wel eens zijn copromotor noemde, de geschiedenis van het Vlaams-nationalisme schreef vanuit het gematigde perspectief van Borginon. Mede door Borginons aanwijzingen werden in de tweede uitgave van Willemsens werk de voor De Clercq compromitterende passages over de Militaire Organisatie geschrapt. Zelf heeft Borginon de VNV-leider als mens blijven verdedigen. Dat deed hij reeds in een rede onder de titel "Staf De Clercq, mijn vriend" voor het Algemeen Vlaams Oud-Hoogstudentenverbond in 1956 en dat hield hij vol tot het eind van zijn leven, ook al wist hij toen dat De Clercq een eigenzinnig beleid had gevoerd dat volkomen haaks stond op zijn opvattingen.

Borginon hield er niet van in de schijnwerpers te worden gehuldigd. Toen Karel Lambrechts en Ernest van den Berghe het initiatief tot een huldiging namen naar aanleiding van zijn 90ste verjaardag, werd dit op verzoek van de gevierde in het teken van 75 jaar V.B. geplaatst. De viering ging door in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg (KVS) te Brussel op 29 november 1980 in aanwezigheid van talrijke medestanders en prominenten. Op zijn uitvaart waren ook tal van prominenten aanwezig, onder wie de staatsministers August de Schryver, Gaston Eyskens en Frans van der Elst, naast de ministers Rika Steyaert, Hugo Schiltz en Hugo Weckx. Ter gelegenheid van de herdenking van de honderste verjaardag van zijn geboorte greep in KVS een plechtige herdenking plaats onder meer georganiseerd door het Archief en Documentatiecentrum voor het Vlaams-nationalisme, het VOS, het Verbond der Vlaamse Academici, de VVB en het Vlaams Pleitgenootschap bij de Balie te Brussel.

Literatuur

Het proces Borginon, 1949; 
A.W. Willemsen, Het Vlaams-nationalisme. De geschiedenis van de jaren 1914-1940, 19692; 
H.J. Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, 1969; 
Herdenking van 75 jaar Vlaamse beweging: naar aanleiding van de 90ste verjaardag van Hendrik Borginon, 1980; 
G. Provoost (ed.), Borginon-nummer (VOS-visies, nr. 1, 1981); 
L. Wils, Honderd jaar Vlaamse Beweging, 3 dln., 1977-1989; 
Gedenkboek Mr. Hendrik Borginon 1890- 1990, 1991; 
G. Durnez, 'De stem van Borginon', in De Standaard (20-22 maart 1991); 
B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933- 1945, 1994.

Verwijzingen

zie: Arthur de Bruyne, Frontbeweging, Ward Hermans.

Auteur(s)

Gaston Durnez; Bruno de Wever