Boon, Louis-Paul

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Aalst 15 maart 1912 – Erembodegem 10 mei 1979).

Volgde lager onderwijs tot zijn 14 jaar, daarna twee jaar academie te Aalst. Op zijn zestiende ging Boon werken, eerst een jaar als autoschilder in Brussel, daarna tien jaar als schilder in een Aalsterse brouwerij. Tijdens de mobilisatie in 1939 schreef hij zijn eerste boek, maar het ging verloren. In de Tweede Wereldoorlog werkte hij onder meer als huisschilder en schreef in 1941 3 mensen tussen muren, een boek dat pas jaren later werd uitgegeven. In 1942 werd zijn roman De Voorstad groeit bekroond met de Leo Krynprijs, wat het begin van zijn literaire loopbaan betekende.

Boon, die tijdens de bezetting contact had met de verzetsbeweging, werd na de bevrijding medewerker van de socialistische weekbladen Zondagspost en Parool en tevens redacteur van De Rode Vaan, het dagblad van de Belgische communistische partij. In 1947 ging hij over naar Front, het weekblad van het Onafhankelijkheidsfront (verzetsgroep), waarvan hij redactiesecretaris werd. Van 1948 tot 1954 werkte hij als freelance journalist, daarna werd hij redacteur van het socialistische partijblad Vooruit in Gent. Tot aan zijn pensionering in 1972 leidde hij de wekelijkse pagina "Geestesleven". Nog geruime tijd bleef hij meewerken met dagelijkse cursiefjes. In de jaren 1970 werd verscheidene keren zijn kandidatuur voor de Nobelprijs literatuur ingediend.

Voor de V.B. is een aantal kronieken en verhalend proza belangrijk vanwege de historische sfeer die zij tekenen en de visie die zij vertolken. Een voorbeeld is Mijn kleine oorlog, een levensechte getuigenis over de ellende van de kleine man in de Tweede Wereldoorlog, waarin iederéén slachtoffer is. Dit boek besloot hij in 1946 met de beroemd geworden uitroep "Schop de mensen tot zij een geweten krijgen".

Hét levenswerk van Boon is De Kapellekensbaan (1953) en het vervolg Zomer te Ter Muren (1956). Hij noemde het zelf een boek "dat in zijn grote lijnen de moeizame opgang van het socialisme wil tekenen en de ondergang van de burgerij" en dat tegelijkertijd het leven weergeeft of bespreekt van een heleboel personen en van de auteur zelf, "op zoek naar de waarden die waarlijk tellen, op zoek naar iets, dat de neergang van het socialisme tegenhouden kan".

Ouder wordend evolueerde Boon van een wanhopige opstandeling - - een auteur die schopt – naar een man die steeds meer twijfelt aan de mogelijkheden van de mensheid en die ten slotte 'zijn geloof' verloor en nog alleen waarde hechtte aan "ergens ne goeie mens". Toen werkte hij, jarenlang, aan het omvangrijke levensverhaal over de christen-democraat Pieter Daens en diens broer priester Adolf Daens. Boon vatte dit werk op als een kroniek, waarvoor hij een beroep deed op allerlei geschriften van de Aalsterse sociale strijder en journalist met vinnige pen, met wie hij zich naar de geest verwant voelde. Dit werk is ook een illustratie van de evolutie in zijn eigen houding. In diverse interviews matigde Boon in deze periode zijn inzichten en pleitte voor een samenwerking tussen allen die het goed met de arbeider menen.

In de taal, de humor, de stijl van Boon kan men vaak typische kenmerken van de Vlaming ontdekken, maar dan de Vlaming uit de arbeiderswereld voor wie niet de Vlaamse Leeuw maar Reinaert de Vos het zinnebeeld is. Zijn Vlaamsgezindheid moet dan ook geïnterpreteerd worden als een gezindheid voor de kleine verdrukten en onwetenden, voor het individu aan wie belet wordt zijn eigen leven te leiden. In zijn geschriften heeft hij zich meer dan eens afgezet tegen het nationalisme. Het activisme bijvoorbeeld beschouwde hij als een "zijspoor". In een monografie over Gustaaf Vermeersch heeft hij het zelfs over een antisociale beweging. Tegenover de staat was hij, die zich graag een anarchosyndicalist noemde, altijd wantrouwig, aangezien die staat vooral in handen was van een bovenlaag. Typisch is zijn versie van de Reinaert (Wapenbroeders, 1955), een satire op "Nobelgië", waarin hij zich liet inspireren door zijn eigen wedervaren in de communistische partij en door zijn republikeinse opvattingen.

In zijn essayistisch werk voor krant en tijdschrift heeft Boon betoogd dat "alle wetenschap en alle waarachtige kunst in wezen zelf revolutionair is". Deze uitspraak is de eerste zin van een opstel (in De Rode Vaan, 27 juni 1946) over Hendrik Conscience en De Leeuw van Vlaanderen, waarin hij zegt dat Conscience angstvallig de ogen sloot voor de realiteit van de eigen tijd en ook voor die van de Middeleeuwen: "De naakte en bloedende waarheden ontliep hij, om zich te vermeien, met zijn romantische waan-gedachten, in een romantische wereld van edele ridders en mooie jonkvrouwen." Tegenover deze auteur, die zijn volk leerde lezen en "tevens braaf zijn", zag hij diens tijd- en landgenoot Eugeen Zetternam staan, "die de strijd van het proletariaat als zijn strijd aanzag, alhoewel hij wist dat hij de weg der miskenning en der doodzwijgerij inging".

Werken

'Het literatuur- en kunstkritische werk. I. De Roode Vaan, 1994', in het Louis-Paul Boon-boek van het tijdschrift Komma, nr. 5-6, zj.

Literatuur

'Het bibliografische vernuft, secundaire Boon-bibliografie', in De Kantieke Schoolmeester (1991- ).

Auteur(s)

Gaston Durnez