Blauwvoeterij

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

benaming voor de eerste fase van katholieke Vlaamse studentenbeweging, vanaf De Groote Stooringe in 1875 in het Klein Seminarie van Roeselare tot omstreeks 1880, toen zijn voornaamste inspirator Albrecht Rodenbach overleed.

De blauwvoeterij ontstond niet toevallig in West-Vlaanderen waar Guido Gezelle zich had geprofileerd als de katholieke tegenpool van het vrijzinnige flamingantisme van zodra zich dat vanaf de jaren 1850 manifesteerde. Ten gevolge van de doorgedreven ideologische polarisatie in de V.B. na 1870 kwamen katholieke scholieren in beweging op basis van een gecombineerd engagement van combattief katholicisme en strijdende Vlaamsgezindheid. In het Klein Seminarie van Roeselare werden leerlingen tot dat engagement aangewakkerd door gezelliaans geïnspireerde leraren als Hugo Verriest, Alfons van Hee en Emiel Demonie. Verriest hield in 1872-1873 enkele opgemerkte toespraken waarin hij de West-Vlaamse, in het bijzonder de Roeselaarse jeugd aanspoorde om de tandem van de katholiek- V.B. voorgoed in beweging te brengen. Door het verschijnen, op initiatief van Brugse seminaristen, van de Almanak voor de leerende jeugd van Vlaanderen voor 1875 en de eerste aflevering van De Vlaamsche Vlagge met Pasen 1875 werd het jeugdig zelfbewustzijn bij de Roeselaarse leerlingen aangewakkerd. In het bijzonder de poësisklas met onder meer Rodenbach, Jules Devos, Aloïs Bruwier, K. Watteeuw, C. Lievens en Renaat Adriaens raakte dat schooljaar, 1874-1875, bovendien in de greep van de Kerelsromantiek onder invloed van Hendrik Consciences De Kerels van Vlaanderen. "Vliegt de Blauwvoet, storm op zee" werd een ingeburgerde leuze op het Klein Seminarie en gaf uitdrukking aan het enthousiasme waarmee de leerlingen zich, tezamen met hun leraars en directie, wilden inzetten in de strijd tegen verfransing en vrijmetselarij.

In deze sfeer besloot de poësisklas, belast met de organisatie van het jaarlijkse superiorsfeest in juli, bij die gelegenheid twee Vlaamse en geen enkel Frans lied te zingen. Rodenbach schreef daarvoor Het lied der dichters en Het lied der Vlaamsche zonen, liederen die overvloeiden van blauwvoetromantiek en die de dank en de hulde van de leerlingen aan de superior uitdrukten "omdat hij ons Vlaams zijn mint". Superior Henri Delbar eiste evenwel dat op zijn feest één Frans- en één Nederlandstalig lied zou worden gezongen. Het gedweep van een aantal leerlingen met de strijd van de Kerels tegen de Isegrims dreigde in de praktijk de goede verstandhouding met Waalse of Franstalige leerlingen in het gedrang te brengen en bovendien het Franstalige karakter van de instelling aan te tasten. Zelfbewuste Vlaamsgezinde leerlingen, die zich gesteund wisten door een deel van het lerarenkorps, weigerden uit protest nog iets te zingen en veroorzaakten een kleine revolte op het superiorsfeest. Toen de superior daarop Devos aan de deur zette bezorgde hij aan de beweging een eerste 'martelaar'. Rodenbachs tweede verscherpte versie van Het lied der Vlaamse zonen werd de strijdzang van de verbolgen blauwvoeters. Tijdens het volgende schooljaar bleef de atmosfeer op het Klein Seminarie gespannen. De directie nam disciplinaire maatregelen tegen Vlaamsgezinde leraars en leerlingen, wat bij die laatsten voedsel gaf aan een enigszins verbitterde opstandige geest.

Intussen had de beweging zich buiten de muren van het Klein Seminarie verspreid. Vanaf de grote vakantie 1875 en in 1876 ontstond vooral op initiatief van Roeselaarse leerlingen een net van vakantie-spelersgilden in West-Vlaanderen. De beweging vond ook snel weerklank in andere West-Vlaamse colleges, in het bijzonder in het Sint-Jozefscollege van Tielt, en ook buiten West-Vlaanderen zoals in het Klein Seminarie van Mechelen en het Klein Seminarie van Sint-Niklaas. Nadat Rodenbach en een aantal van zijn klasmakkers aan de Leuvense universiteit waren gearriveerd gaven zij impulsen aan de Vlaamsgezinde universitaire studentenbeweging en brachten zij in de paasvakantie 1877 de nationaal overkoepelende Vlaamsche Studentenbond tot stand die evenwel maar kortstondig zou bestaan. Een van de redenen daarvoor was dat zijn sterkste pijler, de West- Vlaamse, tegenwerking ondervond vanwege de overheid.

Via De Vlaamsche Vlagge, die tijdens zijn eerste jaargangen verscheen onder een felblauwe omslag, en het nieuwe bondstijdschrift van de Vlaamsche Studentenbond Het Pennoen werd de blauwvoetersideologie uitgebouwd en uitgedragen. Hoewel zij in verscheidene opzichten een typisch West-Vlaams verschijnsel bleef, zoals in haar cultus van de gewesttaal, haar gezelliaanse kunstopvatting, haar kritiek op de classicistische opvoeding en op het gezag, haar gering vertrouwen in staat en politiek, toch werd zij de overheersende ideologie voor de hele katholieke Vlaamse studentenbeweging in de periode 1875-1880. Vooral Rodenbach gaf door zijn liederen en gedichten een blijvende mobiliserende kracht aan de blauwvoetsymboliek, waarvan hij trouwens door zijn voortijdige dood in 1880 zelf ging deel uitmaken. Deze symboliek raakte voorgoed ingeburgerd in de studentenbeweging en de V.B. vanaf het laatste decennium voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en zou haar hoogtepunt bereiken tijdens het interbellum.

Literatuur

F. Rodenbach, Albrecht Rodenbach en de blauwvoeterij, 1909; 
L. Gevers en M. de Bruyne, Kroniek van Albrecht Rodenbach, 1980; 
L. Gevers, Bewogen Jeugd. Ontstaan en ontwikkeling van de Katholieke Vlaamse studentenbeweging (1830-1894), 1987.

Auteur(s)

Lieve Gevers