Benoit, Peter

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Harelbeke 17 augustus 1834 – Antwerpen 8 maart 1901).

Werd in 1851, na muzieklessen bij zijn vader en bij de Desselgemse koster-organist Pieter Carlier, leerling van F.J. Fétis, de toenmalige directeur van het Brusselse conservatorium en een toonaangevend figuur binnen het Belgische muziekleven. Benoit beëindigde zijn studies in juni 1854, maar bleef in Brussel om zich met Fétis en Muntdirigent K.L. Hanssens jr. op de Prix de Rome voor te bereiden. Ondertussen kwam hij aan de kost als dirigent en componist bij het Tooneel der Volksbeschaving van Jacob Kats. Benoit, die zich met zijn eerste pianocomposities en zijn Franstalige liederen naar de Brusselse salons richtte – hij ondertekende zijn honderden Franstalige brieven met "Pierre Benoit" – kwam hier voor het eerst in contact met een flamingantisch, sociaal bewogen milieu. In 1857 behaalde hij de Prix de Rome met de cantate Le Meurtre d'Abel, op een verplichte Franse tekst, zoals het staatsreglement het toen nog eiste. Met zijn studiebeurs trok hij in 1858 eerst naar Duitsland, waar hij kennismaakte met de vernieuwende denkbeelden van Wagner, die hij onder invloed van Fétis aanvankelijk verwierp. Tussen mei 1859 en maart 1863 verbleef Benoit meestal in Parijs, waar hij vooral actief was als componist van salonachtige pianomuziek en (vanaf april 1862 tot februari 1863) als dirigent bij de Bouffes parisiens, het operettetheater van Offenbach. Mede omdat zijn carrière als componist in Parijs niet echt van de grond kwam en omwille van zijn aanstaande huwelijk met Flore Wantzel, een Franstalige uit de Brusselse bourgeoisie, keerde hij in 1863 definitief naar Brussel terug. Na de succesrijke creaties van zijn Te Deum en Requiem werkte hij zich op tot een van de vooraanstaande figuren in het officiële, dus Franstalige, muziekleven. Maar door zijn contacten met Emanuel Hiel en de Brusselse vereniging Vlamingen Vooruit groeide bij Benoit geleidelijk aan een Vlaams engagement. Hiel schreef de tekst voor zijn eerste Nederlandstalig oratorium Lucifer, dat in 1866 werd gecreëerd in aanwezigheid van de koninklijke familie en verschillende regeringsleden. Overigens bleef Benoit nog lang twijfelen om Lucifer toch in het Frans te laten uitvoeren, omdat er te weinig zangers waren die het Nederlands machtig waren.

Via gouverneursdochter Constance Teichmann werd Benoit ook in het Antwerpse muziekleven geïntroduceerd. Met succes, want in 1867 werd hij directeur van L'école de musique, die hij als de Vlaamsche Muziekschool van Antwerpen zou uitbouwen tot het centrum van de Vlaamse muziekbeweging. Een ideologische fundering vond Benoit in de Duitse romantische opvatting van de terugkeer naar de natuur en naar het eigen volk. Zijn grote voorbeeld werd Wagner, wiens volksverbondenheid hij ondertussen was gaan waarderen. In navolging van hem wou hij een muziekkunst creëren die de eigen volksaard ten volle uitdrukte. Dit ging lijnrecht in tegen de kosmopolitische principes van Fétis en diens opvolger François-Auguste Gevaert, die België als één ondeelbaar muziekgebied beschouwden, een eclectisch kruispunt van Latijnse en Germaanse invloeden. Om zijn ideeën tegen het Belgische muziekestablishment te verdedigen schreef Benoit als een van de eersten binnen de Europese beweging van het muzieknationalisme doorwrochte essays en polemieken. Daarin is hij onzorgvuldig in het hanteren van de centrale begrippen 'volk', 'ras' en 'natie', die hij door elkaar gebruikt, en ook maakt hij veralgemenende en raciale opmerkingen over het onderscheid tussen 'noorder- en zuiderrassen'. Hij ontwikkelde een allesomvattend pedagogisch systeem waarin componisten, uitvoerders én publiek dezelfde (weliswaar eerder cultuur-nationalistische dan technisch-muzikale) opvoeding zouden genieten, omdat "de band die eenen toondichter aan eenen uitvoerder verbindt, en het werk en den uitvoerder aan den hoorder, zoodanig innig (is), dat alle esthetiek evenwicht verdwijnt, wanneer die band verbroken is of niet bestaat". Daartoe ontwikkelde hij een centraliserend plan waarin hij de muzikale volksopleiding vatte vanaf de huismuziek over koren en fanfares tot het conservatorium en het professionele muziekleven. De hoekstenen van zijn pedagogie zijn de moedertaal en het volkslied. Het gebruik van de moedertaal in de muziekopvoeding beschouwde hij als essentieel, want "er heerscht in het karakter der zangen eene geheimzinnige overeenstemming met den vorm en den zinsbouw der taal", zodat "een volk dat zijne eigene taal niet spreekt nooit oorspronkelijke melodische kunsttypen (zal) voortbrengen". En omdat hij ervan overtuigd was dat in het volkslied de volksaard het zuiverst geconserveerd bleef, wou hij een nieuwe Vlaamse muziek baseren op de ritmiek en de melodiek van de volksmuziek. Volksliederen waren voor hem de "voorboden der nationale toonkunst".

Uit Benoits zienswijze vloeide noodzakelijkerwijze zijn pleidooi voor muzikaal federalisme voort: hij pleitte voor een vernederlandsing van het muziekonderwijs, voor religieuze muziek in de volkstaal, voor een Vlaamse opera en een Vlaams festival, voor een Vlaamse en Waalse editie van de Rome-prijs, voor Vlaams muziektheater in kleine steden, voor culturele samenwerking met Nederland. Een deel van deze projecten kon hij realiseren. Zo was hij in 1890 medestichter van het Nederlandsch Lyrisch Tooneel in Antwerpen, dat in 1893 tot 'Vlaamsche Opera' werd hervormd. Maar een groot deel van zijn plannen bleek slechts in de 20ste eeuw levensvatbaar.

Het eerste compositorische gevolg van Benoits toch vrij plotselinge, maar resolute bekering tot het muzieknationalisme kwam er in 1868 met de compositie van De Schelde op verzen van Hiel. In het begin van de jaren 1870 schreef hij nog wel enkele opmerkelijke en originele werken, zoals het oratorium De Oorlog (op tekst van Jan van Beers) en de cyclus Liefdedrama (tekst William Shakespeare en van Eugeen van Oye), waarin hij ten gevolge van een emotionele crisis op zoek ging naar individuele emoties.

Van dan af schreef hij bijna geen instrumentale of abstracte muziek meer en stelde hij zich als gemeenschapskunstenaar volledig in dienst van de V.B. Muziek werd een middel tot volksopvoeding én, nadat in 1872 een hem vijandig liberaal stadsbestuur aantrad, een propagandawapen waarmee hij een zo groot mogelijk publiek voor zijn plannen wilde sensibiliseren. Dat publiek ging hij zoeken op marktplaatsen en pleinen, met massale openluchtuitvoeringen van grootse nationalistische cantates en oratoria als De Leie (1875; tekst van Adolf Verriest), Rubenscantate (1878; Julius de Geyter), Theodoor van Ryswyckcantate (1884; De Geyter), De Rijn (1889; De Geyter), Ledeganckcantate (1897; Jan Boucherij). Met de steun van vrijzinnige vrienden uit het literaire milieu (Max Rooses, De Geyter, Julius Sabbe, Hiel, Arthur Cornette (sr.) en Julius Hoste (sr.)) en dankzij het enthousiasme dat zijn werken losweekten, slaagde Benoit er in 1898 in om, niettegenstaande de tegenkanting van het officiële muziekleven, zijn De Vlaamsche Muziekschool door de Belgische Staat te doen erkennen als Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium. Deze bekroning van zijn inzet in de V.B. was maar mogelijk omdat Benoit zijn compositorische middelen bewust heeft aangepast en in dienst gesteld van zijn maatschappelijke en pedagogische doelstellingen. Zijn invloed en overwicht waren daarbij zo groot dat hij weinig ruimte liet voor muziek die los van de Vlaamse muziekbeweging evolueerde. Daarenboven verwarden veel van zijn medestanders en volgelingen doel en middelen, en gingen ze zijn nationalistische gemeenschapskunst als typisch Vlaamse muziek beschouwen. Benoit heeft enorme verdiensten gehad in de Vlaamse muziekbeweging, maar de mythe die rond hem ontstond, is een rem geweest op de latere ontwikkeling van de Vlaamse (symfonische) muziek.

Werken

'Over de nationale toonkunst', in De Vlaamsche Kunstbode (1873-1874); 
'Over nationale dramatische muziek', in De Vlaamsche Kunstbode (1875); 
'Opvoedingsleer der Nationale Toonkunde', in De Vlaamsche Kunstbode (1875); 
'Een Koninklijk Vlaamsch Conservatorium', in De Vlaamsche Kunstbode (1879); 
'Vlaamsche brieven', in De Vlaamsche Kunstbode (1885).

Literatuur

C. Stoffels, Peter Benoit et le mouvement musical flamand, 1901; 
J. Sabbe, In Memoriam: Peter Benoit, zijn leven, zijne werken, zijne beteekenis, 1902; 
H. Baccaert, Peter Benoit. Een kampioen der nationale gedachte, 1919; 
A. Pols, Peter Benoits leertijd, 1934; 
F. van der Mueren, Benoit man van zijn volk, 1935; 
A. Corbet, Peter Benoit. Leven, werk en betekenis, 1939; 
id., Geschriften van Peter Benoit, 1942; 
Ch. van den Borren, Peter Benoit, 1942; 
P. Douliez, Peter Benoit, 1954; 
L. Leytens en M. Somers, Peter Benoit, 1984; 
K. Cooremans (red.), Gedenkboek Peter Benoit 1834-1901, 1984; 
H. Willaert, Peter Benoit, de Levenswekker, 1984.

Verwijzingen

zie: muziek, Taalverbond.

Auteur(s)

Jan Dewilde