Benelux

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

economische unie tussen België, Nederland en Luxemburg.

De inwerkingtreding van het verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie op 1 november 1960 betekende een mijlpaal in de geschiedenis van de toenadering van België en Nederland. Na het uiteenvallen van het Verenigd Koninkrijk in 1830 bleef het Zuiden op grond van zijn industriële ontwikkeling protectionistisch denken, terwijl het op handel gerichte Noorden minder tot tariefbescherming was geneigd. In 1921 kwam de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie tot stand. Wegens territoriale aanspraken van België, de Nederlandse neutraliteitspolitiek en de Nederlandse gerichtheid op Duitsland bleef samenwerking tussen Nederland en België moeilijk. Toenadering kwam er pas door de wereldcrisis van de jaren 1930. Bij het afsluiten van de Conventie van Oslo in 1930 verbonden de drie landen zich ertoe de bestaande rechten niet te verhogen en geen nieuwe rechten in te voeren. In het in 1932 tussen Nederland en de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie gesloten Tractaat van Ouchy kwamen de regeringen overeen de douanetarieven ten opzichte van elkaar niet te verhogen, de invoerrechten te verlagen en de bestaande handelsbeperkingen zo snel mogelijk op te heffen. Door de gespannen internationale toestand, de oppositie vanuit de Belgische landbouwkringen en de tegenwerking van sommige grote mogendheden mislukten deze pogingen tot economische samenwerking. Met name het Verenigd Koninkrijk lag dwars. Het maakte op basis van de meestbegunstigingsclausule in eerder aangegane handelsovereenkomsten met de drie Benelux-landen aanspraak op dezelfde voordelen als de drie Ouchy-partnerlanden elkaar schonken en ondermijnde daarmee de hele operatie.

Na succesvol lobbywerk van de Nederlandse minister van financiën J. van den Broek en zijn Belgische collega Camille Gutt sloten de drie regeringen in Londen op 21 oktober 1943 een monetaire overeenkomst om het onderlinge betalingsverkeer na de oorlog te regelen en de economische betrekkingen te versterken. Op 5 september 1944 ondertekenden de regeringen, eveneens in Londen, de Belgisch-Nederlands-Luxemburgse douaneovereenkomst. Hoewel zowel aan Nederlandse als aan Belgische kant zowel economische als politieke bezwaren tegen een Benelux-douane-unie werden geuit, kwam het toch tot een dergelijke overeenkomst. Hierbij speelde de overweging dat een dergelijk project de positie van de kleine landen zou verbeteren in een wereld gedomineerd door grote mogendheden die in de eerste plaats aan hun eigen belang aandacht schonken. De Benelux-regeringen beseften ook terdege dat een Benelux-douane-unie mooi aansloot bij een clausule die gericht was op de vermindering van discriminatie in de internationale handel in zowel het Atlantisch handvest als de Lend-Lease-akkoorden. Men wist dus vooraf dat de Benelux een gunstig onthaal zou krijgen in de Verenigde Staten en hoopte op deze wijze in Washington meer aandacht te krijgen voor de problemen van de kleine landen.

Als gevolg van de naoorlogse economische ontreddering en de onwelwillende houding van de Nederlandse naoorlogse regering werd de douane-unie pas op 1 januari 1948 geïmplementeerd. De Nederlandse regering besloot pas de douaneovereenkomst uit te voeren toen de Belgen dreigden geen lening te verstrekken ter financiering van het groeiende Nederlandse handelstekort met België. Toen de Nederlandse regering ontdekte dat het Benelux-project naadloos aansloot bij de door de Amerikanen gewenste Europese samenwerking in het kader van het Marshallplan, werd er alles aan gedaan om op basis van hun ambitieuze project zoveel mogelijk dollars te verkrijgen. Uiteindelijk bleek dat een gezamenlijke Benelux-aanvraag tot dollarhulp zou leiden tot een geringere totale hulp, omdat het Belgische overschot het Nederlandse tekort ten dele compenseerde. Toen heeft men toch twee afzonderlijke aanvragen ingediend, waarbij Nederland een hoog bedrag kreeg en België, gezien zijn solide economische positie, een bescheiden som. Het verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie werd op 3 februari 1958 in Den Haag ondertekend.

De Unie is gebaseerd op rechtstreekse intergouvernementele samenwerking. Dat kon moeilijk anders, omdat supranationale samenwerking tussen twee kleine landen en één zeer klein land soms kan inhouden dat het laatste een doorslaggevende stem bezit. De krachtsverhoudingen in de Benelux waren dus niet geschikt voor meerderheidsstemming. Een comité van ministers bepaalt het beleid. Beslissingen worden genomen in onderlinge overeenstemming en uitgevoerd door de nationale instanties. De centrale administratie van de Unie is het secretariaat-generaal te Brussel. Adviserende instellingen zijn de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad en de Economische en Sociale Raad van Advies. Geschillen tussen de partijen in het verdrag kunnen door het College van Scheidsrechters beslecht worden. Vanaf 1969 neemt de Benelux nieuwe taken ter hand, zoals de grensoverschrijdende samenwerking op vele gebieden en de bescherming van merken.

Door de V.B. werd het ontstaan van de Benelux met instemming begroet. Zoals het Benelux-akkoord zijn voorlopers had in de verdragen van Oslo en Ouchy, had het Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag, gesloten in 1946 in het kader van de Benelux-overeenkomst, zijn voorloper in het in 1927 gesloten verdrag betreffende de intellectuele toenadering tussen België en Nederland. Het verdrag van 1927 heeft eigenlijk nauwelijks gefunctioneerd en al vóór 1940 riepen figuren als Herman Vos, Tony Herbert en Frans van Cauwelaert op tot een intensievere samenwerking. Wel diende het verdrag als model voor het Cultureel Verdrag van 1946. Een gemengde technische commissie was belast met de uitvoering van het akkoord. Na de afsluiting ervan spraken de Vlamingen de wens uit dat de economische afspraken de politieke samenwerking zouden bevorderen, vooral ter behartiging van de gemeenschappelijke culturele belangen. Deze culturele belangen heeft de gemengde technische commissie samen met de Algemene Conferentie der Nederlandse Letteren bevorderd. Ze heeft op deze wijze bijgedragen tot de totstandkoming van de Nederlandse Taalunie in 1980. Door de werkzaamheden van de Taalunie en door de federalisering van de Belgische staat zijn de specifieke werkzaamheden van de Benelux op cultureel terrein gering geworden, omdat de Vlaamse en Nederlandse regering op dit terrein direct samen bestuursdaden kunnen stellen.

Overigens waren er op economisch terrein wel bedenkingen van Vlaamse zijde. De Vlaamse boeren bijvoorbeeld hebben altijd aangedrongen op een uitzonderingspositie binnen de douane-unie en hebben deze ook gekregen.

In de begintijd van de Benelux, tot in het begin van de jaren 1970, waren de Franstalige Belgen voorstanders van de Benelux. De Belgische regering in ballingschap te Londen bijvoorbeeld bestond bijna geheel uit Franstaligen. Pas in de jaren 1970 werden de Franstalige Belgen terughoudend. Zij vreesden dat de Franssprekenden in een Benelux die meer zou zijn dan een economische unie, een minderheid zouden blijven en dat nauwere samenwerking de positie van de Vlamingen in België zou versterken. Ook de sterke oriëntering op Frankrijk en linkse politieke standpunten inzake Europese en internationale samenwerking beïnvloeden deze houding. Dat de Benelux-samenwerking geleid en uitgevoerd zou worden door supranationale organen, wordt door de regeringen nog steeds afgewezen.

Literatuur

M. Weisglas, Benelux: Van nabuurstaten tot uniepartners, 19492; 
J. Meade, The Negotiations for Benelux 1943-1956, 1956; 
A. Boekestijn, 'Een nagel aan Adam Smiths doodskist: de Beneluxonderhandelingen in de jaren veertig en vijftig', in E. Bloemen, Het Benelux-effect, 1992, p. 143-168; 
A. Postma, H. Balthazar en L. Brinkhorst (red.), Benelux in de kijker, 1994. 

Auteur(s)

Joris de Deurwaerder; Arend Jan Boekestijn