Belpaire, Maria (eigenlijk Marie-Elisabeth)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Antwerpen 31 januari 1853 – Antwerpen 9 juni 1948).

Werd sterk beïnvloed door het familieverband van moederszijde: de familie Teichmann behoorde tot de hoogste Antwerpse kringen en had via haar activiteit in de wapenindustrie een aanzienlijk fortuin opgebouwd. Dit werd, samen met een oorspronkelijk Franstalige, ruime culturele bagage en een intensieve filantropische activiteit, door de vrouwelijke lijn van de familie doorgegeven. Frédéric Belpaire stuurde de liberaal-katholieke familie omstreeks 1870 in ultramontaanse richting en nam daarbij ook zijn nicht Maria op sleeptouw. Zij werd voorzitster van het Anna Bijnsgenootschap, dat in het kader van de schoolstrijd voortgezet onderwijs voor meisjes inrichtte. Maar Belpaire legde zich bij voorkeur toe op de letterkunde. Ze verwierf een ruime talenkennis en las de romantische Europese literatuur in haar oorspronkelijke versie, waaronder ook de Vlaamse literatoren Jan J. de Laet en Hendrik Conscience. Ze debuteerde in 1887 met een Vlaamse bundel kortverhalen. Na het overlijden van haar ongehuwde tante en voorgangster Constance Teichmann in 1896 en haar moeder Betsy Teichmann in 1900 trad ze meer op de voorgrond, bijgestaan door haar medewerkster Louisa Duykers. In 1897 richtten zij in Antwerpen de Extension universitaire pour les femmes op met een specifiek maar degelijk wetenschappelijk aanbod voor vrouwen. Aan de uitwerking van een hogere vorming voor vrouwen voegde ze zo een Vlaams en een sociaal element toe.

De literaire samenwerking met de Antwerpse letterkundige Mathilde Ramboux (pseudoniem: Hilda Ram) voor de uitgave van de Vlaamse reeks kindervertellingen Wonderland bracht Belpaire in 1898 rechtstreeks in contact met de V.B. Zij werd medeoprichtster van de kring Eigen Leven. Ze financierde binnen die kring de totstandkoming van het Vlaams katholiek tijdschrift Dietsche Warande en Belfort. Belpaire en Ram ontplooiden in dat kader een bijzondere vrouwenwerking. De Constance Teichmannkring was erop gericht vrouwen van de Franstalige hogere burgerij te winnen voor het Nederlands als beschaafde omgangs- en opvoedingstaal; hij had slechts een kort bestaan. De Vlaamse leergangen van de extensie daarentegen waren succesvol en kregen vanaf 1902 een vervolg in de zelfstandige damesafdeling van de Katholieke Vlaamse Hogeschooluitbreiding. Hilda Ram betrok Belpaire ook in de ontluikende sociale vrouwenbeweging. Zij werd in 1900 voorzitster van de pas opgerichte Mariakrans. Het geloof in de rol van Vlaamse vrouwen als overdraagsters van katholieke waarden was het uitgangspunt van de opvoedend georiënteerde werking van deze vereniging, waaraan ook de Constance Teichmannkring meewerkte.

Belpaire investeerde tussen 1902 en 1910 een aanzienlijk deel van haar fortuin in de uitbouw van het Belpaire-instituut aan de De Bomstraat. Het instituut werd door zijn Franse en Vlaamse studiekringen een draaischijf in de ontwikkeling van een 'algemene vrouwenactie'. Belpaire richtte in 1910 volgens eigen inzichten een vrouwenbond, de Constance Teichmannbond, op, naar het model van de Duitse katholieke vrouwenbond. De onafhankelijke opstelling tegenover de Kerk, de evangelisch-protestantse teneur van de statuten en de persoonlijke moeilijkheden van Belpaire met kardinaal Désiré Mercier zijn mogelijke verklaringen waarom de organisatie niet werd aanvaard als de Vlaamse afdeling van een nationale katholieke vrouwenorganisatie. Maar ongetwijfeld had dit Antwerpse model invloed op de verdere ontwikkeling van de Vlaamse katholieke vrouwenbeweging.

Belpaire werd in 1906 herhaaldelijk door kardinaal Mercier geraadpleegd inzake de Vlaamse kwestie, meer bepaald de vernederlandsing van het middelbaar onderwijs. Zij schatte de intenties van de kardinaal en de politieke gevoeligheid van de flaminganten verkeerd in toen ze zich openlijk garant stelde voor Mercier in Dietsche Warande en Belfort. De bisschoppelijke instructies van 1906 (Instructions) en het Vlaamse ongenoegen daaromtrent plaatsten Belpaire in een moeilijke positie. Zij opteerde voor het behoud van haar Vlaamse geloofwaardigheid en distantieerde zich van het bisschoppelijk beleid. Deze positiebepaling bezorgde haar een flamingantisch imago en de benaming "Moeder van de Vlaamse Beweging". Belpaire hield vast aan de grond van de zaak, al had ze het als diepgelovige duidelijk moeilijk met de veroordeling door de kerkelijke overheid. In het Vlaamse milieu werd Maria Belpaire een kostbare relatie, niet het minst vanwege de financiële steun die ze kon bieden. Reeds in 1904 was dankzij haar de oprichting van het Vlaams Kwartet mogelijk gemaakt aan het Antwerps Muziekconservatorium. Een Oudersbond van Antwerpse flaminganten dwong in 1912 haar goedkeuring en steun af om in het Franstalige Institut Belpaire de Nederlandstalige meisjesschool Sint-Lutgardis in te richten.

De zestigjarige Belpaire verbleef tijdens de Eerste Wereldoorlog in De Panne en ontplooide een indrukwekkende activiteit. Voor de werking ten bate van de verpleegsters en de atelierarbeidsters bouwde ze voort op vooroorlogse initiatieven. Ze maakte in 1915 de uitgave mogelijk van het Vlaams-katholieke dagblad De Belgische Standaard, waarvoor ze eigen bijdragen leverde en bekende medewerkers aantrok. Maar de zeer gematigde stellingnames en sociale werken van het blad werden door de Frontbeweging gaandeweg bekampt. Via het werk van Kunst aan den IJzer en als voorspreekster voor het verkrijgen van talloze individuele gunsten bij het Hof en bij de Belgische regering bleef ze haar rol als kunstmecenas vervullen.

De belangrijkste realisatie van Belpaire na de Eerste Wereldoorlog was de oprichting van de Katholieke Vlaamse Hogeschool voor Vrouwen, die zij in 1919 mogelijk maakte en die de bekroning was van haar opvoedingsdenken. Belpaire speelde nadien geen sturende rol meer in het maatschappelijk leven en trok zich van het publieke forum terug om zich te wijden aan de letterkunde. Ze werd in 1922 benoemd tot werkend lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.

Werken

Artikelen in Dietsche Warande en Belfort; De Belgische Standaard; 
met A. Ariëns en J. de Cock, Dr. Jules Persijn, z.j.; 
Uit het leven, 1887; 

Vrouweninvloed, 1903;

Kunst- en levensbeelden, 1906; 
De vier wondere jaren, 1920; 
August Cuppens: zes en twintig jaar Vlaamsche vriendschap, 1924; 
met H. Ram, F. Timmermans en L. Duykers, Wonderland: vertellingen, 19243; 
De families Teichmann en Belpaire, 3 dln., 1925-1934; 
Beethoven: een kunst- en levensbeeld, 1933; 
Gestalten in 't verleden, 1947.

Literatuur

B. Roose, De wijze vrouw van Vlaanderen. Het leven van Maria-Elisabeth Belpaire, 1948; 
L. van den Eynde, De persoonlijkheid van M.E. Belpaire zoals zij uit haar oeuvre spreekt, KUL, onuitgegeven licentiaatverhandeling, 1952; 
P. Hildebrand, Het Vlaamsgezinde dagblad "De Belgische Standaard" van de kapucijn Ildefons Peeters, 1915-1919, 1957; 
J. Persyn, De wording van het tijdschrift Dietsche Warande en Belfort en zijn ontwikkeling onder de redactie van Em. Vliebergh en Jul. Persyn (1900-1924), 1963; 
H. Schrooten, De sociale en politieke actie van Mej. M. Belpaire tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918), 1977; 
H. Boonen, Van maatschappij van onderlinge bijstand voor vrouwen tot vrouwengilde. Bijdrage tot de geschiedenis van de katholieke sociale vrouwenbeweging in Antwerpen, KUL, onuitgegeven licentiaatverhandeling, 1983; 
L. Govaerts, Marie Elisabeth Belpaire (1853-1948) en haar inzet voor het katholiek onderwijs tot 1914, KUL, onuitgegeven licentiaatverhandeling, 1993.

Verwijzingen

zie: Frontbeweging.

Auteur(s)

Ria Christens