Belgisch nationalisme

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Bestaat er nog zoiets als een Belgische natie en een Belgisch nationaal gevoel? Voelen de inwoners van het koninkrijk zich nog verbonden met België of met elkaar, of geven zij de voorkeur aan de communautaire of regionale niveaus? Het antwoord op deze vragen is noch eenvoudig, noch eenduidig. De evolutie schetsen van dit Belgisch gevoel sinds de onafhankelijkheid van 1830 is, om redenen waar we onmiddellijk op terugkeren, zonder meer een hachelijke opdracht.

Over de terminologie

Een min of meer wetenschappelijke definitie geven van 'nationalisme' en van verwante begrippen zoals 'natie', 'nationaal gevoel' en 'volk' is nog steeds een omstreden zaak. Aangezien het weinig zin heeft deze discussie nog eens over te doen, stellen we voor 'natie' te definiëren als een groep mensen die, alhoewel intrinsiek verschillend, een gevoel van gemeenschappelijkheid heeft, zich onderscheidt van naburige groepen en daaraan de wil ontleent om gezamenlijk verder te leven. Wel is het noodzakelijk om een onderscheid te maken tussen 'het nationaal gevoel', een diffuus maar herkenbaar gevoel van samenhorigheid dat leeft bij brede lagen van de bevolking, en le nationalisme des nationalistes, of het nationalisme als allesoverheersende ideologie. Het Belgisch nationalisme, dat tijdens en na de Eerste Wereldoorlog een beperkte weerklank had, behoorde duidelijk tot het tweede type. Aangezien dit Belgisch nationalisme er nooit in geslaagd is een doorbraak naar bredere lagen van de bevolking te realiseren, zal deze bijdrage vooral handelen over het nationaal gevoel. Daarmee worden de problemen alleen maar verschoven, want dit Belgisch gevoel, diffuus en veelal nauwelijks zichtbaar, laat zich behalve tijdens crisis- of emotionele momenten niet zo gemakkelijk opsporen. Men wordt voortdurend geconfronteerd met een cruciale maar moeilijk te beantwoorden vraag: in hoeverre leefde dit nationaal gevoel bij verschillende lagen van de bevolking? Het is nagenoeg onmogelijk, behalve voor meer recente periodes waarvoor opiniepeilingen beschikbaar zijn, om de aanwezigheid van dit gevoel te 'meten'. Een poging tot overzicht van het Belgisch nationale gevoel is om nog andere redenen een netelige onderneming. Over het ontstaan, de evolutie en de duurzaamheid bestaat grote onenigheid onder historici, analisten en commentatoren. Hun kijk op het Belgisch fenomeen werd en wordt niet alleen sterk beïnvloed door de politieke actualiteit van hun tijd, maar ook door hun eigen politiek-communautaire opstelling. Zo werd en wordt de voorstelling van België's nationaal verleden in toenemende mate beïnvloed door de V.B. en het moderne Vlaamse bewustzijn, met het risico dat de ene mythologie door de andere vervangen wordt.

1830

Ook bij de analyse van de opstand van 1830 moet men zich een weg banen door een woud van mythen en Hineininterpretierungen. Het traditionele beeld van een eensgezinde 'nationale' opstand werd in de loop van de 20ste eeuw in toenemende mate aangevochten. Vooral na 1960 groeide de twijfel over het nationale karakter van de opstand en werden denkbeelden en opvattingen van het heden in het verleden geprojecteerd. Vormde het uiteengroeien van Vlamingen en Walen niet het ultieme bewijs dat zij in 1830 op een kunstmatige manier door de toenmalige Europese mogendheden verenigd waren?

Toch kan maar moeilijk ontkend worden dat de opstand van 1830 inderdaad een nationaal karakter had. Het amalgaam van Noord en Zuid in het Koninkrijk der Nederlanden had niet gewerkt. De staat had zijn natievormende rol dit keer niet gespeeld, want de Belgen beschouwden het Koninkrijk der Nederlanden niet als hun staat. De 15 jaar durende vereniging had de kloof tussen Noord en Zuid groter gemaakt, maar creëerde wel een amalgaam tussen 'België' en Luik. De benamingen 'België' en 'Belgen', die in de 18de eeuw veel minder gebruikelijk waren, drongen voorgoed door in het taalgebruik en omvatten nu ook de Luikenaars. In 1830 waren er geen sporen te vinden van een Vlaams of Waals gevoel, meer nog, de termen Vlaanderen en Wallonië bestonden in feite nog niet. Vlamingen, Walen en Brusselaars, om nog maar te zwijgen van Limburgers en Luxemburgers, namen deel aan het oproer. In Brussel, het centrum van de opstand, telde men onder de doden en gewonden naast een meerderheid Brusselaars, ook een aanzienlijk aantal slachtoffers afkomstig uit Vlaanderen en Wallonië. De erkenning van het nationaal karakter van de opstand impliceert anderzijds niet dat men het belang van de economische moeilijkheden en de sociale onrust bij de opstand of de rol van de Europese mogendheden op de conferentie van Londen ontkent.

Belge est notre nom de famille

De opstand van 1830 mocht dan een nationaal karakter hebben, toch is het nagenoeg onmogelijk om na te gaan in hoeverre dit alles werkelijk doorgedrongen was bij brede lagen van de bevolking. Leefde er een hecht nationaal bewustzijn in la Belgique profonde, of bleef dit beperkt tot een vaag en weinig uitgesproken nationaal gevoel? En had de meerderheid van de bevolking geen andere, dringender zorgen aan het hoofd? Hoe dan ook, de nieuwe machtshebbers waren overtuigd van de noodzaak het nationaal samenhorigheidsgevoel te bevorderen. Aangezien de overlevingskansen van het jonge België niet erg hoog werden ingeschat, wilden zij ook het bestaansrecht ervan internationaal legitimeren, tot 1839 ten opzichte van Nederland, daarna vooral ten opzichte van Frankrijk. De beste manier om dit doel te bereiken was het benadrukken, en zo nodig creëren, van een groots nationaal verleden. De Revue Nationale spande zich in om aan te geven welke bijdrage het Belgisch volk tot de Europese beschaving kon leveren. Historici, schrijvers en kunstenaars werden ingeschakeld om aan te tonen dat de ware oorsprong van België niet te vinden was in 1830, maar in een veel verder verleden. In de jaren 1830-1840 verschenen talloze, min of meer romantisch gekleurde Belgische geschiedenissen, waarin het nationale verleden werd verheerlijkt. De kruistochten, met Godfried van Bouillon als historische held van het ontwakende 'België', de opstand tegen Spanje met Egmont en Hoorn, Albrecht en Isabella aan het hoofd van een soort 'België' avant la lettre, al deze gebeurtenissen werden voorgesteld als evenzovele stappen in de vorming van de Belgische natie. Aan de Guldensporenslag werd in de reconstructie van dit nationaal verleden een bijzondere plaats toegekend: de slag werd voorgesteld als een hoogtepunt in de vrijheidsstrijd van onze voorvaderen en als een directe voorbode van de opstand van 1830. Bovendien ging de Guldensporenslag tegen 'Frankrijk', decennialang de felste belager van de Belgische onafhankelijkheid. In 1838 verscheen De Leeuw van Vlaendren van Hendrik Conscience, een werk dat geschreven werd met financiële steun van Leopold I. Dit pro-Belgische werk kreeg ook in flamingantische milieus ruime weerklank: op termijn gaf het de V.B. niet alleen een nieuw symbool, de Leeuw, het droeg ook bij tot de ontluiking van een Vlaams bewustzijn.

Belgen en Vlamingen

Na 1830 was hiervan nog lang geen sprake, ook het ontstaan van de V.B. was nauw verbonden met de dominerende Belgisch patriottische stemming. De prille V.B. wilde België meer 'Belgisch' maken, vooral ten opzichte van Frankrijk, en ijverde voor het versterken van de nationale traditie die zowel anti-Frans als anti-Hollands was. Dit romantisch Vlaams-Belgisch patriottisme, dat aanvankelijk louter literair en historisch was gericht, benadrukte dat de teloorgang van het Vlaamse element een aanzienlijke verarming zou betekenen van de Belgische identiteit en cultuur aangezien het er een wezenlijk bestanddeel van uitmaakte. Zo beschouwde Conscience het Vlaamse element als de oudste en 'heiligste' expressie van de oeroude Belgische volksgeest, en zocht hij zijn inspiratie in het nationaal verleden om de grandeur des Belges te loven. In 1840 begon Conscience, opnieuw met steun van de overheid, aan zijn Geschiedenis van België, die après des siècles d'esclavage uitmondde in de apotheose van 1830: "Als onze vaderen, mogen wij het hoofd opbeuren en recht gaan tusschen de volkeren der aarde; de naam van Belgen is nog eens het zinnebeeld geworden der vreedzame vrijheidsmin, en der vlijtige nijverheid."

De patriottische opstelling van de V.B. werd nog extra gestimuleerd door de vrees voor de Franse annexatieplannen, die in 1848 een eerste hoogtepunt bereikte. De zuiderbuur kon maar moeilijk de onafhankelijkheid van België accepteren en beschouwde het kleine buurland veelal als une terre sans nationalité propre, un prolongement naturel de la France. In deze omstandigheden stelde de V.B. dat zij de beste garantie was voor het behoud van de onafhankelijkheid. De voorbeelden in dit verband zijn legio: de Vlaamse verenigingen verzekerden Leopold I van hun trouw, groepen vrijwilligers organiseerden patriottische straatmanifestaties en flamingantische spreekbuizen, zoals de Antwerpse Roskam, kozen voor een meer vaderlandse naam, in dit geval Het Vaderland (1848), "een nationael Weekblad".

De hernieuwde Franse dreiging onder Napoleon III, die vooral in de jaren 1867-1871 acuut werd, versterkte wederom de Belgische opstelling van de V.B., maar dat gebeurde in mindere mate dan in 1848. Na de Franse nederlaag tegen Duitsland in 1870 vormde de zuiderbuur niet langer een direct gevaar en het wegvallen van de buitenlandse dreiging verzwakte de koppeling tussen flamingantisme en Belgisch patriottisme. De veteranen van 1830 waren dood of bejaard. Maar het waren vooral het onbegrip en de desinteresse van de opeenvolgende regeringen en van Franstalig België voor de Vlaamse eisen, die aan de basis lagen van het langzaam uiteengroeien van een Belgisch en Vlaams gevoel en van een stijgende onverschilligheid bij jongere flaminganten ten opzichte van België. Om alle misverstanden te vermijden: tot 1914 was er van een anti-Belgische strekking nog geen sprake.

Wat de Belgen bindt...

Op het einde van de 19de eeuw was het algemene beeld meer verbrokkeld, enigszins tegenstrijdig en, naar bredere lagen van de bevolking toe, erg moeilijk te beoordelen. Het Belgisch patriottisme, versie 1830, mocht dan al lang van het voorplan verdwenen zijn, met name bij de Brusselse burgerij nam de trots op de Belgische culturele, economische en, op termijn, koloniale prestaties toe, wat het nationaal gevoel versterkte. Alhoewel in België in eerste instantie weinig belangstelling bestond voor het koloniale avontuur van Leopold II, raakten in de daaropvolgende jaren financiële en economische belangengroepen in toenemende mate betrokken bij de exploitatie van Kongo en vormden zich koloniale lobbies. Aangemoedigd door het succes in Kongo breidde de Belgische industrie haar actieterrein in de jaren 1895-1914 verder uit naar Rusland, het Nabije en Midden-Oosten, China en Latijns-Amerika. Belgische schrijvers, kunstenaars en wetenschapslui verwierven internationale bekendheid. Het toonaangevende artistieke milieu rond de eeuwwisseling was dat van de progressieve Brusselse burgerij. Het was in deze kringen dat de literaire beweging La Jeune Belgique ontstond, en dat de art-nouveau-stijl doorbrak.

Daar stond tegenover dat het politieke leven in toenemende mate beheerst werd door binnenlandse tegenstellingen waardoor België, ook internationaal, meer en meer het imago kreeg van een intern verdeeld land. Van verschillende zijden werd dan ook geprobeerd om de eenheid van het Belgisch volk te benadrukken en de middelpuntvliedende krachten te neutraliseren. De binnenlandse twistpunten, zo luidde de centrale stelling, deden geen afbreuk aan de nationale eenheid want de Belgen hadden door de eeuwen heen een eigen karakter ontwikkeld en eigen kenmerken bewaard. Alhoewel het bestaan van twee taalgemeenschappen niet langer kon genegeerd worden, werd precies deze dualiteit aangegrepen om de originaliteit van de Belgische identiteit te bewijzen. De historische fundering voor deze stellingen werd geleverd door de werken van Godefroid Kurth en Henri Pirenne. De drijfveer van beide historici was duidelijk nationaal en zij aarzelden niet om hun werk in dienst van het Belgisch vaderland te stellen. Kurth ontkende met name de rol van de taal in het Belgisch natievormingsproces. Hij onderstreepte dat de 'Belgen' van oudsher onverschillig stonden ten opzichte van des considérations linguistiques: En un mot, nulle part, en Belgique, l'on ne croyait qu'il fallut parler la même langue pour avoir la même patrie. Voor Kurth werd de kern van une vraie nationalité gevormd door l'attachement au même principe et aux mêmes institutions, c'était la jouissance des mêmes droits civils et politiques, c'était la profession du même culte et l'amour du même foyer. Henri Pirenne, de beroemdste pleitbezorger van de Belgische natie, zette in zijn redevoering La Nation belge (1899) voor het eerst de krachtlijnen van zijn visie op de Belgische geschiedenis uiteen. België was helemaal geen artificiële creatie, wel integendeel, het ontstaan van een Belgische staat was de onvermijdelijke uitloper van een eeuwenlange evolutie: Depuis des siècles, les différentes provinces féodales de la rive droite et de la rive gauche de l'Escaut tendaient inconsciemment à l'unité. La maison de Bourgogne n'a fait que recueillir les résultats d'un travail commencé bien avant elle. Ce qu'elle a accompli n'est pas l'oeuvre du hasard. Si elle a réuni nos divers territoires en un Etat commun, c'est parce que ceux-ci possédaient d'ancienne date une civilisation commune. Ils formaient, en dépit du bilinguisme et du morcellement politique, une seule région de culture intellectuelle, comme de solidarité économique. In zijn Histoire de Belgique, waarvan het eerste deel in 1900 in het Frans verscheen, werkte Pirenne deze stelling meer in detail uit en probeerde hij la civilisation belge nader te definiëren. Deze was het resultaat van een eeuwenlange kruisbestuiving tussen de Romaanse en de Germaanse cultuur, met het graafschap Vlaanderen als kerngebied en microkosmos van het latere België. De Histoire de Belgique kreeg een ongemeen grote weerklank, ook commercieel, en verwierf snel de status van nationaal monument. Dit werk was niet alleen historiografisch opvallend vernieuwend, het leende zich bijzonder goed om het bestaansrecht en de nationale eenheid van België te funderen. Bovendien verscheen het op een vitaal moment. Aan beide zijden van de taalgrens waren de centrifugale krachten sterker geworden. Naarmate de internationale spanning steeg, werd met name door de Franstalige politieke elites, het leger en de Kerk het belang van de nationale eendracht benadrukt. De toon van de handboeken voor het middelbaar onderwijs werd patriottischer, en in sommige gevallen chauvinistischer. Ook de 75ste verjaardag van de Belgische onafhankelijkheid in 1905 bood talloze gelegenheden om Pirennes visie te populariseren tijdens patriottische manifestaties, in gelegenheidspublicaties, via een speciale voordrachtencyclus op de Luikse wereldtentoonstelling enzovoort.

Een van de vurigste propagandisten van Pirennes opvattingen was de jurist, publicist, senator en non-conformistische duizendpoot Edmond Picard, die de theorie van de âme belge ruimere bekendheid gaf. Hij zette zijn denkbeelden voor het eerst uiteen in 1897, en met de publicatie van zijn Essai d'une psychologie de la nation belge in 1906 was de âme belge voorgoed gelanceerd. Volgens Picard bestond er geen afzonderlijke Vlaamse of Waalse identiteit, maar was de Belgische volksziel het resultaat van een eeuwenlange communauté de volonté. Picards nadruk op het belang van het 'ras', een term waarmee in die tijd erg nonchalant werd omgesprongen, had tot gevolg dat Pirenne zeer terughoudend reageerde op de âme belge. Ook Picard was van oordeel dat het bestaan van twee taalgemeenschappen de Belgische natie had versterkt: Si nous avons une originalité nationale, en Belgique, si nous n'avons pas été absorbés soit par l'Allemagne, soit par la France, c'est parce que nous devons à deux langues d'avoir une nationalité, une essence, une âme spéciale. Cette orginalité provient précisément de ce que nous sommes un peuple double, ouvert aux aliments de deux civilisations, et que toute notre psychologie dans le passé s'est formée là-dessus. Notre art, notre commerce, notre industrie, tout vient de là. Een Vlaams-Waalse dualiteit in België werd dan ook afgewezen, al konden sommige âme belge-aanhangers, met name Picard zelf, begrip opbrengen voor sommige Vlaamse taaleisen. Naarmate de V.B. openlijk de eentaligheid van Vlaanderen eiste en sommige Vlaamsgezinden ijverden voor de creatie van een Vlaamse identiteit, moest er een antithese groeien tussen de V.B. en de âme belge.

De âme belge-theorie kreeg heel wat belangstelling bij de hogere burgerij, maar de harde kern van de aanhang bevond zich in de Brusselse rechtswereld. Picard en zijn dauphin Léon Hennebicq waren beiden zeer bedrijvig in het rechtsmilieu en, meer algemeen, in het intellectuele societyleven van de hoofdstad. De Conférence du Jeune Barreau, de Fédération des Avocats en de Journal des Tribunaux werden door de alomtegenwoordige Hennebicq volop ingeschakeld bij het uitdragen van het nationalistisch credo. Hennebicq legde zich, veel meer dan de eerder theoretisch ingestelde Picard, toe op de uitwerking van een nationalistisch programma en zijn interventies waren doorgaans scherper van toon dan deze van zijn leermeester. Onder invloed van de stijgende internationale spanning besteedde Hennebicq grote aandacht aan de militaire situatie van het land. Hij had geen goed woord over voor de opgelegde neutraliteit die van België un état eunuque had gemaakt. Zij was er de oorzaak van dat de politici zich blindstaarden op binnenlandse problemen en nauwelijks belangstelling toonden voor internationale kwesties. Pas als België zich van zijn interne splijtzwammen ontdeed zou het een doortastende buitenlandse en militaire politiek kunnen voeren. Hennebicq viel dan ook geregeld uit tegen de V.B., die de eenheid van het land bedreigde en een kunstmatig nationaliteitenprobleem schiep. Op militair gebied moest België vooral op zichzelf rekenen en een sterk leger en goede grenzen vormden hierbij de beste garanties. Goede grenzen veronderstelde dan weer dat het gebiedsverlies van 1815 (de Waalse kantons) en 1839 (Nederlands-Limburg, Zeeuws-Vlaanderen en het groothertogdom Luxemburg) ongedaan werd gemaakt. Aan de vooravond van de oorlog nam de interesse voor de verloren gebieden opvallend toe in de nationalistische cenakels.

Het bescheiden nationalistisch reveil rond Picard en Hennebicq wordt meestal beschouwd als de directe aanzet naar het Belgisch nationalisme, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog op 'bredere' schaal doorbrak. Verschillende componenten van het latere nationalistisch ideeëngoed, zoals het annexionisme, waren in embryonale vorm aanwezig en sommige personen, die tijdens de oorlog in het nationalistische kamp belandden, waren voor 1914 in contact gekomen met de denkbeelden van Picard en Hennebicq. Toch moet men opletten voor een al te grote rechtlijnigheid in dit verband. De weerklank van de initiatieven van de groep-Hennebicq bleef voor 1914 uitermate beperkt. Deze eerste vertegenwoordigers van een Belgisch staatsnationalisme raakten niet los uit de gesloten wereld van het Brusselse Justitiepaleis. Hun denkbeelden riepen bovendien uiteenlopende reacties op, ook bij latere medestanders. De traditionele politieke en diplomatieke milieus reageerden terughoudend: het aanmoedigen van de nationale eenheid was een zaak, maar de pleidooien voor een meer agressieve buitenlandse politiek vonden nauwelijks gehoor. De top van het ministerie van buitenlandse zaken, die de annexionistische zaak tijdens en na de oorlog warm zou steunen, zat zelfs danig verveeld met de agressieve toon van Hennebicq ten opzichte van Nederland en Duitsland. Ook de Brusselse krant Le Soir, rond de jaarwisseling 1918-1919 een van de grote verdedigers van de gebiedseisen, stak voor de oorlog lustig de draak met de annexionistische pretenties van Hennebicq en Co. Pierre Nothomb, de latere voorman van het Belgisch nationalisme, zwierf voor de oorlog rond in het Brusselse Justitiepaleis, maar het zou verkeerd zijn hieruit af te leiden dat hij al voor 1914 geëvolueerd was tot een volbloed nationalist.

De Eerste Wereldoorlog

Het begin van de Eerste Wereldoorlog kan gerust beschouwd worden als het hoogtepunt van het Belgisch nationaal gevoel. De Duitse inval van 4 augustus 1914 lokte bij de bevolking een algemene patriottische reactie uit, waarvan men zich vandaag maar moeilijk de omvang en de intensiteit kan voorstellen. "Wezen we Belg!" en "Allen tegen den aanvaller!", deze twee koppen vatten de bevlogen patriottische sfeer in de volledige Belgische pers bondig samen. De pathetische toon van de meeste artikels mag voor de hedendaagse lezer moeilijk verteerbaar zijn, in 1914 was ieder woord, zoals in dit citaat uit Het Volk van 4 augustus, geméénd: "Wezen we allen Belg, ten volle! Vergeten we voor dezen tijd alles wat ons scheiden kan. Denken we alleen aan 't leven van het groote lichaam, dat ons Belgisch volk is. Wij allen, wij zijn er de levenscellen van. (...) Aller harten moeten daar wezen waar onze zonen, waar onze broeders, waar de jonge echtgenooten, waar de jonge vaders zijn, waar ons eigen leven leeft en strijdvaardig staat voor ons levensbehoud. Aller harten moeten kloppen voor ons Belgisch leger, aller geesten moeten denken voor ons Belgisch leger, aller handen moeten werken voor ons Belgisch leger, aller gemoederen moeten met hart en geest bidden voor ons Belgisch leger. God behoede ons duurbaar Vaderland. Leve België! Leve de koning!" De schok van de inval, de wreedheden tegenover burgers tijdens de Duitse opmars, de deportatie van arbeidskrachten tijdens de oorlog ... dit alles versterkte de nationale samenhorigheid en de morele weerstand tegen de bezetter. Koning Albert I werd in deze omstandigheden het symbool van het 'heldhaftig strijdende België', en de monarchie groeide uit tot een van de fundamenten van de Belgische staat en de nationale samenhorigheid.

Ook het overgrote deel van de Vlaamsgezinden voelde zich vurig Belg. Op 26 augustus liet Julius Hoste (jr.) in Het Laatste Nieuws weten dat de Vlamingen "onvervalschte vaderlanders zijn. Wij willen noch Fransen, noch Duitschers worden! Wij willen onszelf zijn!". Paul Fredericq sloot zich daarbij aan: "Er is een wind van eendracht en vaderlandsliefde als een zuiveringsorkaan over Vlamingen en Walen, clericalen en liberalen en socialisten, flaminganten en Franskiljons gegaan. Met eenen zoo populairen en almachtigen Koning als Albert zijn zal, kan er geen spraak meer zijn, in de eerste jaren van een partijdige regeering." Vrij België, het weekblad dat Frans van Cauwelaert sinds augustus 1915 in Nederland uitgaf, en De Stem uit België, de krant die onder leiding van Floris Prims in Londen verscheen, waren allebei "even Belgisch en even Vlaamsch in het Belgisch kader". Anderzijds werd tijdens de oorlog, met de Flamenpolitik en het activisme, ook de basis gelegd voor de anti-Belgische opstelling van een gedeelte van de V.B. De jonge Gerard Walschap, die 20 was in 1918, stelde verbijsterd vast dat "het activisme (...) koos tussen Vlaanderen en België, twee vaderlanden voor ons tot dan toe identiek en die plots tot onze verstomming onverzoenlijke vijanden waren". Het resultaat was niet alleen een diep verdeelde V.B., de creatie van een tegenstelling tussen Vlaanderen en België zou zich in de tussenoorlogse periode in steeds scherpere mate laten voelen.

Het Belgisch nationalisme in de schijnwerper

Tijdens de oorlog kreeg het Belgisch nationalistisch ideeëngoed, dat voor 1914 nog een marginaal verschijnsel was, ruimere weerklank, vooral in de exilkolonies in Frankrijk en Nederland. De Belgisch nationalistische doctrine werd definitief uitgebouwd en de invloedrijke exilkranten Le XXe Siècle en La Nation belge ontpopten zich, onder impuls van hoofdredacteur Fernand Neuray, tot de luidruchtigste spreekbuizen van het nationalisme. De belangrijkste werken, zoals Etapes de nationalisme belge (1918) en Notre nationalisme. But, bases, principes, méthode, programme général (1926) van Pierre Nothomb, en La Belgique nouvelle à travers de quatre ans de guerre (1918) van Neuray verschenen pas na de oorlog en waren voor het grootste deel compilaties van krantenartikels. De buitenlandse politiek en de militaire veiligheid kregen uiteraard de grootste aandacht en de vooroorlogse stellingen van Hennebicq werden in de overtreffende trap overgenomen. In het voetspoor van de Action française werd aan de oorlog een permanent en alomtegenwoordig karakter toegekend. België moest steeds op zijn hoede zijn voor een mogelijke inval en de nationalisten lieten er geen twijfel over bestaan dat het gevaar in de toekomst opnieuw van Duitsland zou komen. De opgelegde neutraliteit, die België een vals gevoel van veiligheid had gegeven, werd resoluut afgewezen. Het land moest in de toekomst kunnen rekenen op concrete veiligheidsgaranties, wat betekende dat het kon beschikken over une bonne armée, de bonnes frontières et de bonnes alliances. Een strategisch verantwoorde oostgrens impliceerde het bezit van Nederlands-Limburg, met Maastricht als bruggenhoofd op de Maas, de Oostkantons en het groothertogdom Luxemburg. België moest vanzelfsprekend ook meester worden over de linkeroever van de Schelde. Deze militair-strategische argumenten waren op termijn het belangrijkst, maar zij werden in de annexionistische propaganda overschaduwd door lange, lyrische verhalen over het groots gemeenschappelijk verleden van 'België', Luxemburg, Limburg en de Oostkantons. De nationalisten wilden het koste wat het kost aantonen dat deze gebieden voor België eenzelfde betekenis hadden als Elzas-Lotharingen voor Frankrijk, wat al bij al een fraai staaltje rechtvaardigingsgeschiedenis opleverde. Het annexionisme groeide tijdens de oorlog snel uit tot het meest controversiële onderdeel van het nationalistisch programma, dat zowel in de pers als in de exilkolonies zeer verdeelde reacties opriep.

Aan de Belgische staat die in het vooroorlogse nationalisme al grote aandacht kreeg werd een cruciale rol toegekend, want hij had het meest bijgedragen tot de vorming van het nationaal bewustzijn. Binnenlandse twisten mochten niet langer de politieke agenda domineren en een 'echt' nationaal beleid in de weg staan. Dat het Belgisch nationalisme hierbij frontaal in botsing moest komen met die Vlaams-nationalisten die België afwezen, is duidelijk en overbekend. Maar ook het segment van de Waalse Beweging, dat ijverde voor federalisme en verregaande toenadering tot la vraie mère-patrie Frankrijk, en hun blad L'Opinion Wallonne, vormden een geliefkoosde schietschijf voor de nationalisten.

Het nationalistisch gedachtegoed werd op luidruchtige wijze gepropageerd door een groep journalisten en publicisten in Le Havre en Parijs. De harde kern werd gevormd door Neuray en zijn medewerkers bij Le XXe Siècle en La Nation belge. De nationalisten waren overwegend van katholieken huize, maar ook de andere politieke strekkingen waren, zij het in ongelijke mate, vertegenwoordigd. De journalisten Louis Dumont-Wilden en Maurice des Ombiaux en, wat later, Jacques Pirenne behoorden tot het liberale kamp, Jules Destrée en Louis Piérard waren de bekendste socialistische 'bekeerlingen'. De auteur van de beroemde zinsnede Sire, il n'y a pas de Belges had voor 1914 ironisch gereageerd op de âme belge-theorie, maar na de Duitse inval was er voor Destrée geen enkele tegenstelling meer tussen nationalistisch en wallingantisch engagement. Piérard liet Nothomb weten dat hij het marxisme afgezworen had pour envisager nettement une plus grande Belgique, une patrie vraiment indépendante et forte. Alhoewel een enkeling zoals de grillige oud-daensist Léonce du Castillon in het nationalistische kamp terechtkwam, was voor de rest de afwezigheid van de Vlamingen opvallend. Het Belgisch nationalisme tijdens (en na) de oorlog was een Franstalige en, in tweede instantie, Brusselse aangelegenheid. Meer nog, loyale Vlaamsgezinden zoals Frans van Cauwelaert en Julius Hoste (jr.) ontpopten zich tot de natuurlijke tegenspelers van de nationalisten. Na de affaire van 'De Vlaamsche Stem' – deze Vlaamse, in Nederland verschijnende krant kwam in de zomer van 1915 in handen van een groep Groot-Nederlanders – en de eerste activistische agitaties verklaarde Le XXe Siècle de jacht op alle Vlaamsgezinden, ook de loyale flaminganten, open. Het werd er niet beter op toen de Vlamingen in Nederland resoluut elke gebiedswinst ten koste van de noorderburen afwezen. De nationalisten tilden niet zwaar aan deze bezwaren en Neuray was zeker niet van plan in te binden: La plume me démange aujourd'hui quand je vois Van de Perre et Van Cauwelaert, aussi ignorants de l'histoire que des aspirations des Belges de Belgique, traiter en ennemis publiques les hommes qui rêvent pour la Patrie d'autres réparations que des réparations monétaires.

Over de bredere impact van de Belgisch nationalisten moet genuanceerd geoordeeld worden. De meesten onder hen waren naar Frankrijk gehaald om de Belgische zaak met de pen te verdedigen en zij hielden zich op in de coulissen van de officiële milieus. Sommigen onderhielden nauwe contacten met enkele ministers, zoals Jules Renkin (kolonies), de peetvader van de nationalistische lobby in de regering. Enkele topdiplomaten van buitenlandse zaken, die voor 1914 afwijzend hadden gereageerd op de annexionistische ambities van Hennebicq en Co, toonden van in het begin van de oorlog grote interesse voor gebiedswinst, en deze belangstelling nam in de volgende jaren alleen maar toe. Toch mag men hier niet uit afleiden dat de steun van buitenlandse zaken aan de annexionistische zaak vooral te wijten was aan de invloed van de nationalisten. De wens tot herstel van het vroegere gebiedsverlies was sinds 1839 een permanente, maar weinig zichtbare onderstroom in de buitenlandse politiek. Tijdens de voorbereiding van de annexionistische campagnes in Luxemburg en Limburg kwam het wel tot een nauwe samenwerking tussen buitenlandse zaken en enkele nationalisten. Nothomb, die zich door zijn alomtegenwoordigheid snel opwerkte tot hét nationalistisch boegbeeld, werd vanaf de zomer van 1917 officieus verbonden aan buitenlandse zaken.

Anderzijds mag de 'doorbraak' van het nationalistisch ideeëngoed, naar de bredere bevolking toe, niet overdreven worden. De weerklank van het nationalistisch geraas in het bezette België bleef beperkt. Uit de antwoorden op de verschillende rondvragen die de regering bij achtergebleven prominenten uit de politieke, economische en academische wereld organiseerde, bleek dat er een aanzienlijke mentale kloof gegroeid was tussen de diaspora en het bezette land. De bevolking snakte naar het einde van de oorlog en een terugkeer naar normale levensomstandigheden. De campagne van Le XXe Siècle en het roofzuchtige werkstuk van P.A. Oudenne, La Belgique au tournant de son histoire waren schamper onthaald: (...) ces visées annexionistes n'ont trouvé aucun écho. On les a traitées d'extravagances. De liberale politicus Paul-Emile Janson ging nog verder: Il est bien rare que nous ayons entendu exprimer que la Belgique aurait intérêt à s'agrandir. En tout cas, cette perspective nous inquiète et nous la repoussons nettement. L'agrandissement territorial au préjudice des autres nations n'apporterait aucune force féconde: elle ferait nécessairement naître des antagonismes et créerait une source de conflits graves dont la prévision grèverait l'activité nationale.

Na de wapenstilstand

Na de bevrijding kende het nationaal gevoel onmiskenbaar een nieuw hoogtepunt in België. De verschrikkingen van de oorlog en de ellende van de bezetting, de herinneringen aan het front en de gesneuvelde strijdmakkers bij de soldaten, de populariteit van koning Albert I, de bewondering voor nationale helden als de Brusselse burgemeester Adolphe Max, kardinaal Désiré Mercier en Henri Pirenne, het gevoel van trots bij de overwinning... al deze elementen versterkten de identificatie van de Belgen met vorst en vaderland. Ook De Standaard ging op 4 december 1918 van start onder het motto "Wij zijn katholiek, vaderlandslievend en Vlaamsch".

De Belgisch nationalisten hadden bijzonder grote verwachtingen bij het einde van het conflict. De oplage van La Nation belge, nog altijd de onbetwiste spreekbuis van het nationalisme, bedroeg 100.000 exemplaren. Sommige nationalisten droomden luidop van de oprichting van un grand parti national, die de bestaande partijpolitieke verhoudingen door elkaar zou schudden. In december 1918 werd het Comité de Politique nationale (CPN) opgericht, de rechts-nationalistische drukkingsgroep rond Pierre Nothomb die op zeer rumoerige wijze ijverde voor gebiedswinst. Rond de jaarwisseling 1918-1919 kregen de activiteiten van het CPN heel wat aandacht in Franstalig België, en bij sommige Franstaligen in Vlaanderen. De activiteiten van het Comité werden discreet gesteund door het ministerie van buitenlandse zaken en Nothomb werd door het departement ingeschakeld bij de annexionistische campagnes in Luxemburg en Limburg. Het stichtingsmanifest van het Comité, dat vanaf januari 1919 op grote schaal verspreid werd, kreeg heel wat respons in politieke, diplomatieke en gerechtelijke milieus en in de pers. Begin juli hadden 275.000 particulieren en 1650 (op 2600) gemeenteraden het manifest ondertekend. Betekende dit dat al deze ondertekenaars zich in le nationalisme des nationalistes van Nothomb en Co. herkenden en de gebiedseisen voluit steunden? Waren de nationalisten erin geslaagd om een doorbraak te forceren naar bredere lagen van de bevolking, en het hoger geschetste onderscheid tussen 'nationaal gevoel' en nationalisme des nationalistes te overbruggen? Het antwoord op deze vraag is niet eenvoudig. Het manifest moet eerst en vooral in het juiste tijdsperspectief, met name in de euforische sfeer net na de bevrijding, gesitueerd worden. Algemeen leefde de overtuiging dat het land recht had op betere militaire garanties en ruime schadeloosstellingen, en het Comité speelde daar met een zekere handigheid op in. In de loop van april-mei 1919 werd de respons op het CPN-manifest dan weer gestimuleerd door de ontevredenheid over de behandeling, die België op de vredesconferentie was te beurt gevallen. Van een voorkeursbehandeling was niets in huis gekomen en de publieke opinie concludeerde dat de mogendheden het land in de steek hadden gelaten. In Vlaanderen kregen de esbattementen van Nothomb en Co. veel minder aandacht. Alleen De Standaard volgde het CPN op de voet en Frans van Cauwelaert hervatte zijn polemiek met de nationalisten.

Nothomb had, met karakteristieke zin voor overdrijving, het CPN in juni uitgeroepen tot de grootste politieke organisatie van het land, maar na afloop van de vredesconferentie verdwenen de nationalisten snel uit de belangstelling. In politiek België ging men opnieuw over tot de orde van de dag. Onder de naam Parti de la Renaissance Nationale namen Nothomb en zijn medestanders deel aan de eerste naoorlogse parlementsverkiezingen van 16 november 1919. Het resultaat was ontnuchterend: de nationalisten haalden bijna nergens meer dan 5% van de stemmen en stuurden één verkozene naar de Kamer. Zelfs in oud-strijdersmiddens bleef de steun beperkt. De Fédération Nationale des Combattants, de grootste oud-strijdersvereniging, en de Fédération Nationale des Invalides-Mutilés de Guerre waren patriottisch, royalistisch en conservatief, maar zij wezen de excessen van het CPN en La Nation belge af. Beide organisaties hadden het honend over de Parti de la Renaizwanze Nationale, en beschouwden Nothomb en zijn medestanders als patriotards sans courage, embusqués dans les bureaux du Havre. Bij de verkiezingen van 22 november 1921 was het resultaat nog slechter. De nationalisten kwamen dit keer op onder de naam Parti National Populaire. Zij dienden alleen lijsten in voor de provincieraden, maar behaalden geen enkele verkozene.

De tussenoorlogse periode

Na afloop van de oorlog en de vredesconferentie bleven de loyaliteit ten opzichte van België en de dynastie bij de bevolking onloochenbaar. Dit patriottisme werd levendig gehouden door allerlei vaderlandslievende manifestaties, die nog steeds gericht waren op koning Albert I en andere grote Albertijnen, zoals Adolphe Max, kardinaal Désiré Mercier, Henri Pirenne en generaal Leman. De overwinningsroes wakkerde in Franstalig België een sterk belgicistische reflex aan, die gedeeltelijk ten koste ging van de Waalse Beweging. Het Belgisch patriottisme mocht dan minder nadrukkelijk zichtbaar zijn aan Vlaamse kant, de meerderheid van de Vlamingen zag nog altijd geen enkele tegenstelling tussen Vlaanderen en België. De oorlog en de overwinning hadden ook bij hen het patriottisch bewustzijn versterkt. De meeste Vlaamsgezinden bleven zich Belg voelen en hielden, zeker tot 1930, vast aan de Belgische eenheidsstaat. De feestelijkheden naar aanleiding van de 100ste verjaardag van de onafhankelijkheid vormden de apotheose van dit Belgisch patriottisme. Aan Franstalige kant verscheen een overvloed van patriottische gelegenheidsliteratuur, die het historisch karakter en de eenheid van België benadrukten. De populaire dimensie van dit Belgisch patriottisme kwam nog eens duidelijk tot uiting bij het onverwacht overlijden van koning Albert op 17 februari 1934. De dood van Albert lokte even massale en even emotionele reacties uit als het overlijden van koning Boudewijn in 1993. Ook in 1934 stroomden tienduizenden naar Brussel om een laatste groet te brengen aan de koning. Dit ging gepaard met een verheerlijking van het éne, ondeelbare België van 1914-1918, waarvan Albert het onbetwistbare symbool was.

Het Belgisch nationalisme bleef ook tijdens de jaren 1920 een randverschijnsel in de Belgische politiek. De meeste energie van Pierre Nothomb en Co. werd besteed aan de erg luidruchtige maandelijkse diners en de verbale krachtpatserij van Nothomb evolueerde omgekeerd evenredig met zijn invloed en aanhang. Na een laatste, kortstondige heropflakkering tijdens de Frans-Belgische Ruhrbezetting van 1923 veranderde het Comité de Politique nationale definitief van koers. Begin 1924 werd de Fédération de l'Action Nationale opgericht, die alle overblijvende nationalistische groupuscules wilde verenigen. De jonge militanten werden in 1925 gegroepeerd in de Jeunesses Nationales. De buitenlandse politiek verdween naar de achtergrond, en de Action Nationale concentreerde zich in hoofdzaak op de binnenlandse politiek, die in een reactionair katholiek perspectief werd geplaatst. De antidemocratische en antiparlementaire opvattingen, die al voor 1914 in de kiem aanwezig waren en tijdens de oorlog op rudimentaire wijze waren uitgewerkt, kwamen voorgoed op de voorgrond. De mislukking van het expansionistisch programma, die werd toegeschreven aan de zwakheid van het politiek systeem, en de nederlagen bij de verkiezingen van 1919 en 1921 hadden de afkeer van de nationalisten voor de parlementaire democratie nog versterkt. Waar men onmiddellijk na de oorlog nog te doen had met een Belgisch nationalisme, dat antidemocratisch was, evolueerde men naar een antidemocratische beweging van Belgisch nationalistische inspiratie. In de anti-flamingantische opstelling van de nationalisten kwam er geen verandering, wel integendeel. Aangezien de Belgisch nationalisten hardnekkig bleven vasthouden aan de tweetaligheid van Vlaanderen, beschouwden zij ook het minimalistisch eisenprogramma (minimumprogramma) letterlijk als staatsgevaarlijk.

In 1930 werd niet alleen de 100ste verjaardag van de onafhankelijkheid gevierd, het was ook het jaar waarin de Gentse universiteit werd vernederlandst. De binnenlandse politieke agenda werd in de jaren 1920 evenzeer gekenmerkt door groeiende tegenstellingen tussen Vlaamsgezinden en Franssprekenden, waarbij de strijd voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit een centrale én symbolische plaats innam. Ook de buitenlandse politiek, met als grootste twistpunt het Frans-Belgisch militair akkoord van 1920, zorgde voor toenemende verdeeldheid en verhitte, zij het allesbehalve verhelderende, polemieken.

De polarisatie tussen Belgisch patriottisme en Vlaams-nationalisme, en de antithese België-Vlaanderen, zetten zich verder door in de jaren 1930. In dit klimaat kon het amnestievraagstuk uitgroeien tot een centrale strijdvraag. De amnestie-eis veroorzaakte grote rancune bij patriotten, belgicisten en Belgisch nationalisten, maar het waren de oud-strijders die het heftigst reageerden op dit 'eerherstel voor de landverraders'.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog leidde het dreigende oorlogsgevaar tot een versterking van het nationaal gevoel. Ook de meeste Vlaamsgezinden en wallinganten schaarden zich rond het neutrale België, dat ondanks alles een kans, hoe klein ook, op vrede en veiligheid leek te bieden. In bepaalde Brusselse en conservatief-katholieke milieus probeerden enkele overlevenden van het Belgisch nationalisme, zoals Pierre Nothomb, burggraaf Charles Terlinden en oud-minister Paul Crokaert, de notie neutraliteit te verbinden met een meer autoritaire staatsinrichting.

De Tweede Wereldoorlog

Hoe evolueerde het nationaal gevoel bij de publieke opinie tijdens de Tweede Wereldoorlog? De latere senaatsvoorzitter Paul Struye, die informatie uit het hele land verzamelde, noteerde in 1941-1942 dat het Belgisch patriottisme versterkt was bij vele loyale flaminganten, en dat de federalistische stroming op de terugweg was. Na de ontbinding van de Communistische Internationale in 1943 richtte ook het communistisch verzet zich in toenemende mate op la lutte patriotique, wat meteen een bredere frontvorming vergemakkelijkte. Toch was het algemeen beeld minder homogeen dan tijdens de Eerste Wereldoorlog. Alhoewel Struye weinig sporen zag van een uiteengroeien van Vlaanderen en Wallonië, toch was er in Franstalig België een zekere wrevel merkbaar ten opzichte van Vlaanderen, vooral als gevolg van de behandeling van de Vlaamse krijgsgevangenen, de Vlaamse collaboratie enzovoort.

De onmiddellijke naoorlog

Alhoewel door de oorlog de tegenstellingen tussen Vlamingen en Franstaligen duidelijker tot uitdrukking kwamen, bleven de gelijkenissen, die hen verenigden, toch nog sterker. In de jaren 1944-1945 waren er aan Vlaamse kant verschillende pogingen om het nationaal gevoel te doen herleven en de tegenstelling tussen België en Vlaanderen op te heffen. In november 1944 kwam de krant De Standaard in handen van de groep Tony Herbert-Léon Bekaert. Boven deze Standaard, die na enkele weken verscheen onder de naam De Nieuwe Standaard, wapperde de nationale driekleur, "omdat wij (...) door volledig onszelf te zijn, met verrassing die spoedig blijdschap werd, ons Vlaanderen als integrerend deel van België hebben herkend". De Nieuwe Standaard benadrukte dat deze "spontaan gegroeide trouw aan het gemeenschappelijk vaderland gepaard (gaat) met het bewustzijn dat wij Zuid-Nederlanders zijn en behoren tot de Nederlandse beschavingsgemeenschap". Toen de groep-Sap in mei 1947 opnieuw de controle verwierf over De Standaard verminderde het Belgisch gehalte aanzienlijk. Herberts De Nieuwe Standaard stond in 1944-1945 niet alleen: ook het Davidsfonds propageerde de identiteit van vaderlands- en Vlaamsgezindheid, zoals die voor 1914 had geleefd en zoals ze tot uiting kwam in haar leuze uit 1875: "Godsdienst, Taal, Vaderland". Volgens het Davidsfonds was er geen sprake van een zwenking, "wel een verlegging van een klemtoon", om een eventuele nieuwe collaboratie in de toekomst te voorkomen. In brede katholieke kring werd op een gelijkaardige wijze gereageerd: de schok van de oorlog en de bevrijding hief tijdelijk de tegenstelling op tussen "Vlaanderen en België, twee vaderlanden voor ons identiek". Ook de Christelijke Volkspartij (CVP) sloot zich hierbij aan. De federalistische eisen werden afgewezen en de partij wilde zich profileren als "de nationale partij, waarin Vlamingen en Walen zich thuis voelen. Hoe beter Vlaams of Waals wij zullen zijn, hoe beter wij de belangen van de Belgische gemeenschap zullen kunnen dienen. Vlamingen en Walen hebben elk hun eigen aard, hun eigen cultuur, zij hebben slechts één vaderland: België." De CVP wilde voortaan ijveren "voor de gaafheid en schoonheid van ons Vlaamse volk, de grootheid van ons Belgisch vaderland".

Maar de ene bevrijding was de andere niet. Ten gevolge van de bestraffing van de collaboratie (repressie) en de afloop van de Koningskwestie kwam er al snel een einde aan de idylle van een gedeelte van de brede V.B. met het vaderland België. Zo veranderde het Davidsfonds, dat in 1945 nog de lof gezongen had van België, snel en ingrijpend van koers. Het wilde zelfs niet langer accepteren dat Vlaamse voormannen zoals Jan-Baptist David en Hendrik Conscience Belgische patriotten waren geweest, en dat zij de prille V.B. als een versterking van België zagen. Na de verkiezingsoverwinning van de CVP in 1946 kwam het flamingantisme in de partij, en in de katholieke pers, strijdbaarder naar voren. In de loop van de jaren 1950 viel de V.B. terug op de taalstrijd, terwijl aan Waalse kant een groeiende bekommernis over de demografische en economische achteruitgang steeds sterker opviel.

De 'Belgen' in het defensief

De jaren 1960 werden gekenmerkt door een stijgende radicalisering, zowel aan Vlaamse als aan Franstalige kant. De communautaire problemen kwamen in een stroomversnelling terecht en de eis voor federalisme werd, aanvankelijk vooral aan Waalse kant, voorgoed op de voorgrond geplaatst. Communautaire partijen en pressiegroepen aan beide zijden van de taalgrens maakten zich in toenemende mate meester van de politieke agenda. In de jaren 1961-1965 probeerden de toen nog unitaire traditionele partijen de meningsverschillen tussen hun Vlaamse en Waalse vleugels te verdoezelen. Het is opnieuw bijzonder moeilijk om te achterhalen hoe brede lagen van de bevolking op deze communautaire polarisatie reageerden. Zo kon het resultaat van de parlementsverkiezingen van 1965 uiteenlopend geïnterpreteerd worden: in Vlaanderen gingen zowel de vernieuwde, maar sterk unitaire Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV) als de Volksunie (VU) vooruit. De liberale partij, traditioneel een belgicistisch-unitair bastion, bood hardnekkig weerstand aan de middelpuntvliedende krachten. De hervormde PVV/PLP van voorzitter Omer Vanaudenhove wilde niet alleen de anti-collectivistische, maar ook de unitaristische krachten groeperen. Tijdens de campagne voor de verkiezingen van 1968, die beheerst werd door de communautaire problemen, voerde de PVV de 'nationale eenheid' hoog in het vaandel. De partij ging als enige de verkiezingsstrijd in onder het motto mon parti, c'est mon pays. De liberale propaganda was opvallend getooid met de nationale driekleur en bevatte scherpe uitvallen tegen "extremisten", die België wilden "splitsen". Maar de verkiezingsuitslag betekende een bittere teleurstelling voor voorzitter Vanaudenhove: de partij verloor nationaal één zetel en de grote overwinnaars waren de VU in Vlaanderen en het Front démocratique des Francophones (FDF)/Rassemblement wallon (RW) in Franstalig België. Na 1968 bleek ook binnen de traditionele partijen de evolutie naar afzonderlijke Vlaamse en Waalse partijen onafwendbaar. De 'Belgen' waren niet alleen in het defensief gedrongen door de communautaire partijen en drukkingsgroepen, zij beschikten na de echtscheiding van de traditionele partijen amper over een politieke spreekbuis. Het Belgisch nationaal gevoel kreeg, nog meer dan daarvoor, een weinig uitgesproken karakter, dat maar zichtbaar werd in uitzonderlijke, sterk emotioneel geladen omstandigheden of bij opmerkelijke sportieve prestaties, zoals de Tourzeges van Eddy Merckx, de onverwacht sterke resultaten van het nationaal voetbalteam en het behalen van olympische medailles door Belgische atleten.

De harde kernen van verzet tegen de mogelijke federalisering waren alvast niet representatief voor brede lagen van de bevolking. Het Belgisch nationalisme, stijl Wereldoorlog Een, leefde nog voort in enkele marginale groepjes in het Brusselse. Zij beschikten over enkele periodieken met namen zoals La Nation belge en Belgique-Europe, waarbij het Belgisch nationalisme gekoppeld werd aan een latent antidemocratisme. Rond deze bladen circuleerde een groep jongeren die zich, net als de jongerenmilitie van Pierre Nothomb in de jaren 1920, Jeunesses Nationales noemde. In februari 1962 werd het manifest Contre le séparatisme – Pour l'unité verspreid. Ook dit manifest, dat het federalisme beschouwde als gecamoufleerd separatisme en de terugkeer verdedigde naar de oude provinces belgiques, lag in de lijn van het traditionele Belgisch nationalisme. Het manifest werd trouwens voorgesteld door de oude burggraaf Charles Terlinden, een van de veteranen van het Belgisch nationalisme. In de loop van 1962 werd, met de oprichting van de Mouvement pour l'Unité du Pays, de rekruteringsbasis verruimd tot de patriottische verenigingen. Het Comité d'Action nationale pour l'Unité du Pays et la Liberté Linguistique, dat rond diezelfde tijd werd gesticht, vond zijn oorsprong in Franstalige milieus in Vlaanderen. Beide groeperingen organiseerden in maart 1963 in Brussel een manifestatie over het thema le rendez-vous des Belges, waarbij de taalvrijheid en de uitbreiding van de tweetaligheid vooropstonden. De grondwetsherziening van 1970-1971 was voor deze nationalisten een onaanvaardbare stap: La Belgique unitaire – seule viable – a été assassinée par une démocratie décadente, schreef La Nation belge. De Belgisch nationalisten lieten nog eens van zich horen in 1976, naar aanleiding van de 25ste verjaardag van de regeringsperiode van koning Boudewijn, met een Lettre adressée à Sa Majesté le Roi par les patriotes.

Sire, zijn er nog Belgen?

Vanaf de jaren 1970 werd het Belgische politieke leven gedomineerd door de aanhoudende discussies over de staatsstructuur. De opeenvolgende grondwetsherzieningen en staatshervormingen deden niet alleen twijfels rijzen over de finale leefbaarheid van het land, paradoxaal genoeg leidden zij ook tot een grotere aandacht voor het fenomeen België. Bestond er nog zoiets als een Belgische natie en een Belgisch nationaal gevoel? Had de Belgische staat nog een toekomst? Voelden de inwoners zich nog verbonden met België en met elkaar, of gaven zij de voorkeur aan de communautaire of regionale niveaus? Het beeld dat kan gedistilleerd worden uit verschillende publicaties, polemieken, studiedagen en peilingen is allesbehalve eenduidig.

De wat oubollige termen 'belgicisme' en 'patriottisme' werden in de loop van de jaren 1980 geregeld vervangen door het eigentijdser klinkende, maar vage 'belgitude'. Deze term werd in 1976 voor het eerst gebruikt door de socioloog Claude Javeau, naar eigen zeggen zonder al te ernstige bijbedoelingen en zeker niet met het voornemen een existentiële discussie over België te openen. De term 'belgitude' brak voorgoed door in 1979, naar aanleiding van de opening van het Centre Culturel de la Communauté Française de Belgique in Parijs. Een 15-tal Franstalige en Vlaamse artiesten omschreef 'belgitude' als datgene wat hen verbond, als een geheel van culturele waarden, un imaginaire et une sensibilité. Zij wilden niet op één lijn gesteld worden met ouderwetse unitaristen of andere verdedigers van la Belgique à papa à la La Libre Belgique. In 1980 werd de term overgenomen door Hendrik Brugmans in een dossier, dat het tijdschrift Kultuurleven aan de toekomst van België wijdde. Brugmans stelde het ontstaan vast van een Vlaams nationaal gevoel en, wat later, van een Waalse identiteit. Hij vroeg zich af of het federalisme in deze omstandigheden nog kansen op slagen maakte en meende een antwoord te vinden in een 'Belgische samenhorigheid', die hij aanduidde met het woord 'belgitude'. De reacties waren verdeeld. Was de 'belgitude' een moderne vermomming van de aloude âme belge, die gekoesterd werd door een opmerkelijke alliantie van Brussels-Belgische artistieke kringen en klassieke bourgeoisie, al dan niet verenigd in bijvoorbeeld de groep Coudenberg? Of was deze term niets meer dan een verzamelnaam voor enkele typisch Belgische verschijnselen, zoals mosselen, geuze, wielrennen, strips en surrealisme? Het colloquium Belgitude et crise de l'état belge, georganiseerd in november 1988, formuleerde evenmin een eensluidend antwoord.

Vanaf het einde van de jaren 1970 werd zoals gezegd met grote regelmaat gepeild naar de verbondenheid van de bevolking met België, respectievelijk Vlaanderen en Wallonië en naar de standpunten in verband met de staatsstructuur. De peilingen waren van uiteenlopende kwaliteit en opzet en sommige werden gekenmerkt door een merkwaardige vraagstelling en een nog merkwaardiger interpretatie. De peiling, uitgevoerd in opdracht van de driemans-vzw Belg en Fier Het Te Zijn/Belge et Fier de l'Etre in 1988, viel in dit opzicht moeilijk te evenaren. Het Front tegen Confederalisme en Separatisme, geleid door oud-minister Albert Coppé, stelde in 1990 met genoegen vast dat amper 3% van de ondervraagden de staatshervorming begreep en leidde daaruit af dat het Belgisch gevoel onaangetast was.

Twee meer ambitieuze peilingen, uitgevoerd in 1979-1982 en in 1992, probeerden ernstige antwoorden te geven op bovengenoemde vragen. Tussen 1979 en 1982 ondervroegen het Interuniversitair Instituut voor Opiniepeilingen UNIOP-UNISOP en de Groupe de Sociologie Wallonne 1659 personen over hun verbondenheid met België en over de toekomstige staatsstructuur. Op nationaal vlak identificeerde ongeveer 45% zich op de eerste plaats met België, maar een even grote groep voelde zich vooral verbonden met de eigen (taal)gemeenschap en het eigen gewest. De 'Belgische' gevoelens waren wel ongelijk verdeeld over de drie landsdelen: in Vlaanderen schommelde het aantal 'Belgen' tussen 32 en 38%, maar dit aantal liep in Wallonië op tot meer dan 50% en in Brussel zelfs tot meer dan 60%. De primaire identificatie met de gemeenschap en het gewest schommelde tussen 1979 en 1982 in Vlaanderen rond 46-47% en in Wallonië rond 32%, maar daalde in Brussel van 46% naar 33%. Kort samengevat, een meerderheid van de Vlamingen, de numerieke meerderheid in België, voelde zich in het begin van de jaren 1980 op de eerste plaats Vlaming. Een meerderheid van de Brusselaars en de Walen, de numerieke minderheid in België, voelde zich op de eerste plaats Belg. Aan welke staatsvorm, een unitaire of een federalistische, gaven de ondervraagden de voorkeur? De regionale verschillen waren opnieuw opvallend groot. De meeste 'unitaristen' woonden in Brussel (42 tot 49%) en Wallonië (38 tot 51%), in Vlaanderen was amper 25 tot 30% gewonnen voor de unitaire staat. Niet alle Belgen bleken even goed vertrouwd met de toenmalige staatsstructuur, want in alle landsdelen was de groep onbeslisten/geen antwoord opvallend groot.

Begin 1992, tien jaar na de Régioscopes en net na de verkiezingen van 24 november 1991, ondervroeg de Leuvense politoloog Bart Maddens opnieuw Vlamingen en Walen over hun natiebewustzijn en de staatsvorm. Brussel werd om technische redenen buiten beschouwing gelaten, waardoor een vergelijking met de Régioscopes niet helemaal opgaat. De primaire identificatie met 'België' was in Vlaanderen gestegen tot 42% en in Wallonië tot 67%. In Vlaanderen tekende zich een nek-aan-nekrace af tussen het Belgische en het Vlaamse natiegevoel: 42% voelde zich op de eerste plaats verbonden met België, 39,7% met Vlaanderen. In Wallonië zag de situatie er helemaal anders uit: 67% van de Walen identificeerde zich vooral met België, amper 22,5% met de Waalse regio of de Franse gemeenschap. Maar men kon zich uiteraard tegelijk Belg én Vlaming/Waal/Brusselaar voelen, beide identiteits- en verbondenheidsgevoelens sloten elkaar geenszins uit. Deze 'gelaagde' verbondenheid zou meteen de complexe, moeilijk interpreteerbare reacties op de staatsvorm helpen verklaren. Gaven sommige ondervraagden de voorkeur aan een federale staatsstructuur, omdat zij deze beschouwden als de enige leefbare staatsvorm voor België? Hoe dan ook, de peiling toonde een opvallende 'unitaristische' onderstroom: in beide landsdelen wilde ongeveer eenderde terugkeren naar het unitaire België, met name 30,8% in Vlaanderen en 28,5% in Wallonië. Zij kozen ondubbelzinnig voor België en wilden zoveel mogelijk macht toekennen aan de federale regering. In beide landsdelen waren er ook aanzienlijke intermediaire groepen, die door de onderzoekers als "aarzelende regionalisten" en "aarzelende unitaristen" omschreven werden, en de omvang van de groep onbeslisten was opnieuw opvallend (15%).

Door het Sint-Michielsakkoord werd België in de zomer van 1993 officieel een federale staat. In zijn toespraak van 21 juli deed koning Boudewijn een oproep tot "communautaire vrede", "verzoeningsgezindheid" en "federale burgerzin". Zijn onverwacht overlijden tien dagen later lokte een opvallende Belgische reflex uit. "Eén Belgische vlag per minuut verkocht" blokletterde De Gentenaar op 3 augustus, en de media raakten maar niet uitgepraat over dit 'politiek feit'. Ook enkele, vooral Franstalige, politici gaven blijk van enig heimwee naar 'België' en vroegen zich af of er niet opnieuw kon gedacht worden aan nationale politieke partijen.

Een nuchterder evaluatie van de berichtgeving over de dood van Boudewijn laat toe om sommige overtrokken reacties aanzienlijk te relativeren. De meeste kranten en tijdschriften namen op geen enkel moment afstand van de emotionaliteit, integendeel, zij moedigden de irrationaliteit nog aan. Bovendien hadden de moeizame onderhandelingen over het Sint-Michielsakkoord de sluimerende ongerustheid over de toekomst van het land en de communautaire fuite en avant vergroot. Toen in de zomer van 1992 de dialoog van gemeenschap tot gemeenschap doodliep, leek het alsof ook het separatisme een bespreekbare optie was geworden. Op 25 april 1993 lokte de betoging "tegen het separatisme" meer deelnemers dan verwacht. Alhoewel De Standaard maar 15.000 betogers telde – de politie schatte hun aantal op 25.000 – toch moest ook deze krant toegeven dat de opkomst boven de verwachtingen lag. Het federaliseringsproces had zich niet alleen grotendeels boven de hoofden van de bevolking afgespeeld, uit de peilingen bleek dat veel Belgen weinig vertrouwd waren met hun veranderende staatsstructuur. Zou de nieuwe federale staatsvorm werken, of was dit de zoveelste fase in de verdere ontbinding van het land? De jaarlijkse communautaire koortsaanvallen rond 11 juli wakkerden de onzekerheid nog aan. In deze omstandigheden groeide koning Boudewijn, naar bredere lagen van de bevolking toe, uit tot het onomstreden symbool van de nationale eenheid en de laatste garantie voor het voortbestaan van België.

Van nationale politieke initiatieven, zoals aangekondigd in 1993, kwam niet veel in huis. De autonomisten en (con)federalisten beheersten zoals steeds de politieke agenda. Het Belgisch gevoel nam opnieuw zijn vertrouwd latent karakter aan: zonder eenduidig identiteitsgevoel, weinig merkbaar in normale omstandigheden, maar taaier dan menigeen had gedacht of gehoopt. "België is een onzichtbaar bindmiddel tussen volksgroepen die het liefst hun eigen gang gaan," schreef Derk Jan Eppink in De Standaard van 22-23 juli 1995. "België (is) veeleer een geestesgesteldheid dan een nationaal staatsgevoel. Het gedraagt zich, overeenkomstig zijn nationale psyche, in het buitenland als een eigentijdse Schwejk. Geen voorloper of betweter, maar schipperaar en overlever tussen Groten. Schwejk had wel degelijk een natie-gevoel; een nationalisme met een knipoog. Maar hij kon er op drinken en er over lachen tegelijk. Belgen kunnen dat ook, als enigen in Europa."

Literatuur

Sentiment national en Allemagne et en Belgique (XIXe-XXe siècles). Colloque des 25 et 26 avril 1963, zj.; 
A. Fierens, Het Belgische Vaderland. Een bijdrage tot de wijsbegeerte van de Vlaamsche Beweging, 1922; 
L. Franck, La nationalité belge et le mouvement flamand, 1931; 
F. Prims, De wording van het nationaal bewustzijn in onze gewesten, 1939; 
J. Stengers, 'Sentiment national, sentiment orangiste et sentiment français à l'aube de notre indépendance', in Revue Belge de Philologie et d'Histoire, jg. 28, nr. 3-4 (1950), p. 993-1029; 
G. Goriely, 'Du lien entre l'évolution du sentiment national en Belgique et la position internationale du pays', in Revue de l'Institut de Sociologie, jg. 1 (1954), p. 41-87; 
J.A. van Houtte, 'Le sentiment national belge au XIXe siècle', in Revue générale belge, jg. 98, nr. 2 (1961), p. 1-24; 
'Positions et mouvements en faveur de l'unité belge', in Courrier Hebdomadaire du CRISP, nr. 191 (1963); 
L. Outers, Le divorce belge, 1968; 
G. Galand, La question belge, 1969; 
G.A. Kelly, 'Belgium: New Nationalism in an Old World', in Comparative Politics, nr. 1 (1968-1969), p. 343-365; 
J. Beaufays, 'Aspects du nationalisme belge au lendemain de la grande guerre', in Annales de la Faculté de Droit à Liège, jg. 16 (1971), p. 105-171; 
E. Defoort, 'Het Belgisch nationalisme voor de Eerste Wereldoorlog', in Tijdschrift voor Geschiedenis, jg. 85 (1972), p. 524-542; 
L. Wils, De Vlaamse Beweging in het kader van de nationale beweging, 1977; 
'Dossier Heeft België nog zin? De Belgische staat na 150 jaar', in Kultuurleven, jg. 47, nr. 7 (1980); 
J. Stengers, 'Le mythe des dominations étrangères dans l'historiographie belge', in Revue Belge de Philologie et d'Histoire, jg. 59, nr. 1-2 (1981), p. 382-401; 
J. Stengers, 'Belgian National Sentiments', in A. Lijphart (ed.), Conflict and Coexistence in Belgium. The Dynamics of a Culturally Divided Society, 1981, p. 46-60; 
R. Devleeshouwer, 'La Belgique: contradictions, paradoxes et résurgences', in Histoire et historiens depuis 1830 en Belgique. Revue de l'ULB, nr. 1-2 (1981), p. 21-35; 
E. Gubin, 'D'une histoire nationale à l'autre: à propos de l'historiographie du mouvement flamand en Belgique', in Histoire et historiens depuis 1830 en Belgique. Revue de l'ULB, nr. 1-2 (1981), p. 125-146; 
E. Gubin, 'Flamingantisme et patriotisme en Belgique au XIXe siècle', in Tijdschrift voor Geschiedenis, jg. 95, nr. 4 (1982), p. 558-576; 
J. Stengers, 'Natievorming van België en Nederland in de 19de eeuw', in Tijdschrift voor Geschiedenis, jg. 95, nr. 4 (1982), p. 483-487; 
N. Delruelle-Vosswinkel en A.P. Frognier, 'Régioscope I, II, III en IV. L'opinion publique et les problèmes communautaires', in Courrier Hebdomadaire du CRISP, nr. 880 (1980); nr. 927 (1981); nr. 966 (1982); nr. 991 (1983); 
Rapport van de groep Coudenberg: naar een ander België?, 1987; 
L. Wils, 'Van de Belgische naar de Vlaamse natie', in Kultuurleven, jg. 54, nr. 2 (1987), p. 222-240; 
R. de Schryver, 'Vlaams bewustzijn en interpretatie van het Belgisch verleden. Vragen rond wederzijdse beïnvloeding', in Handelingen der Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, jg. 42 (1988), p. 73-92; 
H. Dumont, Belgitude et crise de l'état belge. Actes du Colloque organisé par la Faculté de Droit des Facultés Universitaires Saint-Louis, le 24 novembre 1988, 1988; 
F. Perin, Histoire d'une nation introuvable, 1988; 
J. Stengers, 'La genèse du sentiment national belge', in J. Craeybeckx (e.a.), Op gescheiden wegen. Handelingen van het colloquium over de scheiding der Nederlanden, gehouden te Brussel, 22-23 november 1985, 1988, p. 237-253; 
H. van Velthoven, 'De Belgische identiteitskrisis en de groei van het kommunautaire machtskonflikt', in J. Craeybeckx (e.a.), Op gescheiden wegen. Handelingen van het colloquium over de scheiding der Nederlanden, gehouden te Brussel, 22-23 november 1985, 1988, p. 281-292; 
M. de Waele, Naar een groter België! De Belgische territoriale eisen tijdens en na de Eerste Wereldoorlog. Een onderzoek naar de doeleinden, de besluitvorming, de realisatiemiddelen en de propagandavoering van de buitenlandse politiek, RUG, onuitgegeven doctoraatsverhandeling, 1989; 
B. Maddens, 'Een vaderland om te beminnen? Het nationale bewustzijn van de Vlaamse laatstejaarsscholieren', in Res Publica, jg. 31, nr. 1 (1989), p. 49-74; 
A. Mean, La Belgique de papa: 1970, le commencement de la fin, 1989; 
B. Maddens, 'De monarchie en de publieke opinie in België', in Res Publica, jg. 33, nr. 1 (1991), p. 135-176; 
A. Coppé, Polemiek rond België, 1992; 
L. Wils, Van Clovis tot Happart. De lange weg van de naties der Lage Landen, 1992; 
J. Gotovitch, Du rouge au tricolore. Les communistes belges de 1939 à 1944. Un aspect de l'histoire de la résistance en Belgique, 1992; 
H. le Paige (ed.), Questions royales. Réflexions à propos de la mort d'un roi et sur la médiatisation de l'événement, 1994; 
B. Maddens, R. Beerten en J. Billiet, O dierbaar België? Het natiebewustzijn van Vlamingen en Walen, 1994; 
L. Vos, 'De nationale identiteit in België: een historisch overzicht', in R. Detrez en J. Blommaert (red.), Nationalisme. Kritische opstellen, 1994, p. 120-150; 
G. Deneckere, 'Oudstrijders op de vuist in Brussel. Het amnestieconflict tijdens het interbellum', in BTNG, jg. 25, nr. 3-4 (1995), p. 273-327; 
A. Morelli, Les grands mythes de l'histoire de la Belgique, de Flandre et de Wallonie, 1995; 
H. Hasquin, Historiographie et politique en Belgique, 1996.

Verwijzingen

zie: Nederland-Vlaanderen.

Auteur(s)

Maria de Waele