Belgisch-Nederlands Verdrag

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(1925-1927).

Tijdens de conferentie van Versailles, na afloop van de Eerste Wereldoorlog, vroeg België de herziening van de verdragen van 1839, waarin zijn neutraliteit en zijn grenzen waren vastgelegd. België eiste de afschaffing van de verplichte neutraliteit en, indirect, de aanpassing van de grensbepalingen in Nederlands-Limburg en Zeeuws-Vlaanderen, waardoor het zijn defensie in de toekomst op de Maas- en Scheldelinies zou kunnen steunen. Beide gebieden hadden niet alleen een strategische maar ook een economische betekenis: België vroeg de co-soevereiniteit over de Scheldemonding en het kanaal Gent-Terneuzen, en een betere Schelde-Rijnverbinding door Nederlands-Limburg.

Tijdens de conferentie van Versailles kwam het tot een eerste confrontatie tussen de twee buurlanden. De Belgische delegatie, geleid door minister van buitenlandse zaken Paul Hymans, stuurde duidelijk op gebiedswinst aan. Begin maart 1919 beslisten de mogendheden dat de verdragen van 1839 integraal herzien moesten worden. Nederland, dat als neutraal land niet aan de conferentie deelnam, werd naar Parijs uitgenodigd. De relaties tussen beide buurlanden hadden intussen, als gevolg van de annexionistische campagne in België en de pro-Belgische agitaties in Limburg, een absoluut dieptepunt bereikt. De eerste ronde werd dan ook een maat voor niets. Begin juni 1919 besliste de conferentie dat België en Nederland, samen met de grote mogendheden, besprekingen moesten beginnen over de verdragen van 1839, maar grenswijzigingen werden bij voorbaat uitgesloten.

Eind juli 1919 gingen de onderhandelingen in weinig serene omstandigheden van start. België wilde het koste wat het kost betrokken worden bij de verdediging van Nederlands-Limburg en de Scheldemonding en gaf aanvankelijk zijn annexionistische plannen nog niet op. Nederland vertrouwde na de oorlog meer dan ooit op zijn neutraliteitspolitiek en wees iedere militaire samenwerking met de lastige zuiderbuur beslist af. De sfeer aan de onderhandelingstafel werd verder verziekt door het uitlekken van een vertrouwelijke instructienota van buitenlandse zaken aan de Belgische 'agenten' in Limburg. Deze nota werd in augustus 1919 gepubliceerd door het Vlaamsch Persbureau, dat eind 1918 met Duitse steun in Den Haag was opgericht door enkele uitgeweken activisten. Dit document bood hun een buitenkans om het gehate België een hak te zetten: in de nota werden de Belgische 'agenten' immers opgeroepen om de bevolking van Nederlands-Limburg voor een 'terugkeer' naar België te winnen. De verontwaardiging in Nederland was groot en de besprekingen liepen in het najaar hopeloos vast. Op economisch gebied was er, na een moeilijke start, wel vooruitgang geboekt en eind januari 1920 werd een voorlopig akkoord bereikt. België zou op voet van gelijkheid betrokken worden bij het beheer van de Scheldemonding en het kanaal Gent-Terneuzen. Nederland verzette zich evenmin tegen een directe verbinding van Antwerpen met de Moerdijk en de Rijn. Het ontwerpakkoord lekte echter voortijdig uit en lokte in Wallonië en in Belgisch-nationalistische kringen ongemeen fel verzet uit. Het gekibbel over de Wielingen, de belangrijkste toegang tot de Westerschelde, was er in deze omstandigheden te veel aan en de onderhandelingen werden eind mei 1920 opgeschort.

De besprekingen tussen beide landen werden pas eind 1924 hervat en leidden begin april 1925 tot een nieuw verdrag. De politieke en militaire kwesties waren ondertussen naar de achtergrond verdwenen en de overeenkomst handelde in hoofdzaak over de economische problemen. Het akkoord werd in België, behalve in de harde nationalistische kernen, goed onthaald. In juli 1926 keurde het Belgisch Parlement het verdrag met een grote meerderheid goed; alleen de leden van de Frontpartij onthielden zich in de Kamer. In Nederland daarentegen veroorzaakte het verdrag een storm van kritiek. De Nederlandse havensteden, geleid door Rotterdam, en de plaatselijke belangengroepen vormden front met Hollandse aanhangers van de Groot-Nederlandse Beweging. De goedkeuring van het Moerdijkkanaal en de Schelde-Rijnverbinding betekende volgens de havensteden dat de Nederlandse belangen waren opgeofferd ten voordele van concurrent Antwerpen. De Groot-Nederlanders, die geleid werden door de historicus-journalist Frederik C. Gerretson en gesteund door uitgeweken activisten, poneerden dat het verdrag de vermaledijde Belgische staat, dat willoze werktuig van Frankrijk, verder zou versterken. De Groot-Nederlander Anton van Vessem wees in verscheidene publicaties op de blijvende onduidelijkheid in de verdragsteksten over de zogenaamde Scheldereserve, waarbij België het recht zou hebben om in bepaalde situaties oorlogsschepen over de Westerschelde te laten varen. De verwerping van het verdrag kon alleen maar de Vlaamse Groot-Nederlanders ten goede komen. De tegenstanders van het verdrag verenigden zich in een Nationaal Comité van Actie, met als voorzitter de latere leider van de Nationaal-Socialistische Beweging Anton Mussert. Zij haalden hun slag thuis: op 24 maart 1927 werd het verdrag door de Eerste Kamer verworpen. De kwalijke herinnering aan de annexionistische campagne, gekoppeld aan het niet-aflatend gestook van de Groot-Nederlanders en de oppositie van de Rotterdamse haven- en scheepvaartkringen, hebben een definitieve regeling van de Belgisch-Nederlandse problemen vóór 1940 belet. Het grote struikelblok was en bleef de Schelde-Rijnverbinding. Wel kwam de Nationale Unie, een conservatieve politieke pressiegroep waar Gerretson actief in was, met een alternatief: een door E. van Konijnenberg ontworpen verbinding tussen Antwerpen en de Moerdijk. De beide regeringen hebben dat plan niet overgenomen. Verdere onderhandelingen zijn van 1917 wel geëntameerd maar resultaten bleven uit.

In 1949 werden de besprekingen over de economische problemen tussen België en Nederland opnieuw hervat. De oprichting van de Benelux had voor een ommekeer gezorgd in de Belgisch-Nederlandse relaties, maar de rivaliteit tussen de Vlaamse en Nederlandse havens bleef bijzonder zwaar wegen. Op 10 juni 1961 werd een akkoord over het kanaal Gent-Terneuzen getekend. Twee jaar later, op 13 mei 1963, ondertekenden de Belgische premier Theo Lefèvre en zijn Nederlandse ambtgenoot J. de Quay een nieuw verdrag over de Schelde-Rijnverbinding. Aan de betwisting rond de Wielingen kwam pas in 1977 een einde.

Literatuur

C.A. van der Klaauw, Politieke betrekkingen tussen Nederland en België, 1953; 
C. Smit, De Scheldekwestie, 1966; 
R.L. Schuursma, Het onaannemelijk tractaat. Het verdrag met België van 3 april 1925 in de Nederlandse publieke opinie, 1975; 
M. de Waele, Naar een groter België! De Belgische territoriale eisen tijdens en na de Eerste Wereldoorlog. Een onderzoek naar de doeleinden, de besluitvorming, de realisatiemiddelen en de propagandavoering van de buitenlandse politiek, RUG, onuitgegeven doctoraatsverhandeling, 1989; 
B. van Waesberghe, 'De Belgisch-Nederlandse verhoudingen en het gevaar van een Duitse aanval op de Lage Landen', in BTNG, jg. 25, nr. 1-2 (1994-1995), p. 103-236.

Auteur(s)

Maria de Waele