Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

op 16 mei 1946 in Den Haag gesloten ter bevordering van de wederzijdse betrekkingen op het gebied van onderwijs, wetenschap en kunst.

Al eerder, op 26 oktober 1927, was op initiatief van minister Camille Huysmans een "verdrag betreffende de intellectueele toenadering tusschen België en Nederland" gesloten. Door gebrek aan financiële middelen is dat verdrag nooit uitgevoerd.

Het verdrag uit 1946 voorzag op het gebied van onderwijs en wetenschap in de uitwisseling van docenten en studenten in alle vormen van onderwijs en in het bestuderen van de mogelijkheid elkaars getuigschriften als gelijkwaardig te erkennen. De samenwerking tussen erkende jeugdorganisaties in beide landen zou worden bevorderd. Op het gebied van kunst en cultuur zou de uitwisseling tussen beide landen worden geïntensiveerd. Ten slotte werden afspraken gemaakt over het behartigen van gezamenlijke culturele belangen in het buitenland. In 1957 werd dit verdrag aangevuld met een bepaling omtrent het bevorderen van de eenvormigheid in de schrijfwijze van de Nederlandse taal. In 1968 kwam er een addendum over coproductie van films. Een zeer belangrijke stap in het officiële samenwerkingsproces was het sluiten van het verdrag inzake de Nederlandse Taalunie in 1980. De werkzaamheden aangaande de Nederlandse taal in ruime zin werden van het cultureel verdrag, voor zover ze daarin opgenomen waren, overgeheveld naar de Taalunie.

Ten gevolge van de invoering van meer culturele bevoegdheden voor de gemeenschappen in België werd in 1983 binnen het cultureel akkoord het overleg tussen Vlaanderen en Nederland geïntensiveerd en losgekoppeld van het overleg met de Franse en Duitstalige gemeenschap. Deze nauwere relaties tussen Vlaanderen en Nederland werden officieel vastgelegd in een Vlaams-Nederlands Cultureel Verdrag, dat gesloten is op 17 januari 1995. Het Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag is sindsdien alleen nog van toepassing op de relaties tussen de Franse en Duitstalige gemeenschap en Nederland.

Het afsluiten van het Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag wekte van het begin af vooral onder Vlamingen grote verwachtingen. De samenwerking kreeg ruime steun in alle culturele milieus. Hoewel samenwerking met Vlaanderen meer voor de hand lag en ook meer voorkwam, bleek het moeilijk vóór de invoering van de Vlaamse culturele autonomie de officiële Vlaams-Nederlandse betrekkingen uit te bouwen.

De uitvoering van het akkoord werd in handen gegeven van een vaste gemengde commissie. De leden ervan werden benoemd door de respectievelijke ministers van onderwijs. De Belgische delegatie stond van 1946 tot 1963 onder de bezielende leiding van Julien Kuypers. De gemengde commissie handelde lopende zaken af en had een redelijk grote vrijheid om activiteiten te initiëren. Belangrijke beleidsbeslissingen werden door de ministers van onderwijs en cultuur genomen. De eindverantwoordelijkheid voor het uitvoeren van het cultureel verdrag lag bij de ministeries van buitenlandse zaken.

Samenwerkingsvormen tussen 1946 en 1980

Onderwijs (1)

Een belangrijk element in de samenwerking vormden contacten op universitair niveau: uitwisselingen van hoogleraren, studiebezoeken van groepen studenten over en weer en het verstrekken van studiebeurzen voor studie in het andere land. Vooral voor studiebeurzen – elk land verstrekte rond 100 beursmaanden per jaar, te verdelen over ongeveer 20 kandidaten – bestond grote belangstelling.

Een speciale subcommissie heeft veel werk gestoken in het wederzijds erkennen van diploma's en het verlenen van effectus civilis (het verlenen van rechten bij een diploma tot uitoefening van een beroep). Het vergelijken van niveaus en diploma-eisen was erg ingewikkeld vanwege de verschillende onderwijssystemen en de vele onderwijshervormingen in beide landen.

Een groot succes vormden de vanaf 1951 jaarlijks georganiseerde vakantiecursussen voor leraren en onderwijzers. Deze cursussen boden onderwijsgevenden uit beide landen de kans kennis te maken met allerlei aspecten van de samenleving en de cultuur van het andere land.

Vanaf het begin van de jaren 1950 breidden contacten op allerlei niveaus – inspecties, directies, leraren, onderwijzers en studenten – buiten het universitair onderwijs zich uit. Vanaf de vroege jaren 1970 werd het overleg meer gestructureerd en geïntensiveerd.

In de jaren 1970 bleven pogingen om gezamenlijk een universiteit voor beide Limburgen en een Open Universiteit op te zetten, vruchteloos, onder andere vanwege de te zeer verschillende onderwijssystemen.

Kunst

Er zijn vele tentoonstellingen, concerten en – voornamelijk Nederlandstalige – toneeluitwisselingen totstandgekomen in het kader van het cultureel akkoord.

Volksontwikkeling, jeugd- en jongerenwerk en cultureel grensverkeer

Het in de jaren 1950 opgerichte Belgisch-Nederlands Tijdschrift voor Volksopvoeding en de Conferenties voor Volksopvoeding waren de eerste gezamenlijke activiteiten op het gebied van volksontwikkeling. Vanaf eind jaren 1950 stimuleerde de gemengde commissie de Belgisch-Nederlandse contacten in het particulier georganiseerde volksontwikkelingswerk, onder andere met een gezamenlijke subsidieregeling voor beide landen. Er werden uitwisselingen en gezamenlijke cursussen voor kaderleden georganiseerd en er werd aandacht besteed aan het cultureel grensverkeer (dit zijn alle culturele contacten in de grensgebieden). Jongerenwerk en jeugduitwisselingen waren een onderdeel van het volksontwikkelingswerk. In de jaren 1960 en 1970 werden cultureel grensverkeer en volksontwikkelingswerk beschouwd als middelen om meer groepen in de samenleving te betrekken bij de Belgisch-Nederlandse culturele samenwerking. Over het algemeen verliep de samenwerking goed, maar de contacten bleven meestal beperkt tot leidinggevenden.

Nederlandse taal en cultuur

Hoewel de Nederlandse taal in het cultureel verdrag niet genoemd werd, heeft de gemengde commissie altijd veel aandacht besteed aan samenwerking op het gebied van de Nederlandse taal. In 1951 ontstond de Algemene Conferentie der Nederlandse Letteren als onafhankelijk orgaan. Het oprichten van een gezamenlijk instituut voor de Nederlandse taal kwam al in de vroege jaren 1960 ter sprake. In het advies uit 1962 van de gemengde commissie over de Belgisch-Nederlandse samenwerking in de meest nabije toekomst (het 'rode boekje') was het idee van een Hoge Raad voor de Nederlandse Cultuur geopperd. Deze zou onder andere zorg moeten dragen voor de culturele integratie van het Nederlandse taalgebied. De aanleiding tot dit advies was het ontbreken van culturele samenwerking ten opzichte van het buitenland. De Hoge Raad is niet van de grond gekomen omdat dit politiek niet haalbaar was. Een struikelblok vormde het begrip 'Nederlandse cultuur'. Het idee dat één Nederlandse cultuur in Vlaanderen en Nederland, gebaseerd op de gemeenschappelijke taal, het uitgangspunt moest zijn voor een gezamenlijk optreden, kreeg officieel weinig bijval. Maar de discussie over een gezamenlijke instelling voor de Nederlandse taal was hiermee wel op gang gebracht.

In 1971 adviseerde de gemengde commissie beide regeringen over te gaan tot de instelling van een Academie voor de Nederlandse Taal. Het eerste voorstel daartoe was gedaan door minister Frans van Mechelen van Nederlandse cultuur. Het invoeren van culturele autonomie voor Vlaanderen speelde bij dit initiatief een grote rol. Een gezamenlijk instituut voor de Nederlandse taal, de Taalunie, kwam echter pas in 1980 tot stand. Vrij snel daarna werd een belangrijke taak van de gemengde commissie, de zorg voor de neerlandistiek in het buitenland, overgedragen aan de Taalunie.

De Vlaams-Nederlandse samenwerking binnen het Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag, 1980-1995

Als gevolg van de staatshervorming van 1980 werden vanaf 1983 aparte vergaderingen van de drie gemeenschappen met Nederland gehouden. Vlaanderen deed dat vaker dan de twee andere gemeenschappen. In deze belangrijke periode voor de Vlaams-Nederlandse betrekkingen stond de Vlaamse delegatie onder leiding van Johan Fleerackers (1978-1989). In 1993 stuurde de gemengde commissie een advies naar de ministers van het door haar ingestelde Comité van Wijzen over haar toekomstige structuur en werkwijze, met de aantekening dat er een nieuwe structuur moest komen als Vlaanderen internationaal verdragsrecht gekregen zou hebben. Dat recht kreeg Vlaanderen in 1993; in 1995 werd, dankzij de inspanningen van de Vlaamse delegatie in de jaren daarvoor, het Vlaams-Nederlandse verdrag op het gebied van cultuur, onderwijs, wetenschappen en welzijn gesloten. Tegelijkertijd werden enige andere belangrijke Vlaams-Nederlandse verdragen, onder andere de langverwachte waterverdragen, gesloten.

Onderwijs (2)

De reeds bestaande, uitgebreide onderwijssamenwerking werd voortgezet. Met de sluiting van de GENT-akkoorden (Gehele Europese Nederlandse Taalgebied) in 1990, 1992 en 1993 werd de samenwerking op het gebied van onderwijs en wetenschappelijk onderzoek overgeheveld van de gemengde commissie naar het ambtelijk overleg. De GENT-akkoorden voorzagen in maatregelen om de mobiliteit van studenten, docenten en wetenschappelijke onderzoekers te verhogen, om structurele samenwerking in alle vormen van onderwijs en wetenschappelijk onderzoek te verbeteren en om te komen tot beleidscoördinatie. De gelijkstelling van diploma's werd voortaan besproken in het kader van deze akkoorden.

Vlaams Cultureel Centrum De Brakke Grond

Met de invoering van culturele autonomie voor de gemeenschappen werd het mogelijk een Vlaams cultureel centrum in het buitenland op te richten. Gedurende de jaren 1970 werden hierover contacten gelegd tussen de Nederlandse Cultuurgemeenschap en Nederland. Uiteindelijk werd in Amsterdam het pand De Brakke Grond aangekocht, dat op 23 mei 1981 werd geopend als eerste Vlaams cultureel centrum in het buitenland. Het doel ervan is tweeledig: ten dienste staan van alle gemeenschappelijke Nederlands-Vlaamse culturele activiteiten en bekendheid geven aan de Vlaamse kunst en cultuur in Nederland.

Andere vormen van samenwerking

Er waren veelvuldige uitwisselingen op het gebied van de podiumkunsten: toneel, muziek, cabaret, ballet en dans. In 1989 werd een Vlaams-Nederlands coproductiefonds voor podiumkunsten opgericht. Sinds eind jaren 1980 is er samenwerking tussen de Vlaamse en Nederlandse theaterinstituten en kunstvakopleidingen. De samenwerking op het gebied van jeugd, volksontwikkeling, amateuristische kunstbeoefening, kunstzinnige vorming en openbare bibliotheken, samengebracht in één subcommissie, verliep minder vlot als gevolg van de verschillende organisatiestructuren van ministeries en particuliere organisaties in beide landen. Er waren veel vormen van particuliere samenwerking, maar op officieel niveau haperde de samenwerking nog wel eens. In 1993 werd deze vorm van samenwerking geheel overgeheveld van de gemengde commissie naar het ambtelijk overleg.

Besluit

Bijna veertig jaar heeft het Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag gefunctioneerd en in die periode is er een grote verscheidenheid aan samenwerkingsactiviteiten ontstaan. Er zijn duurzame contacten gelegd, de wederzijdse verstandhouding is verbeterd en er is een unieke instelling, de Nederlandse Taalunie, opgericht. De Vlaams-Nederlandse samenwerking binnen het cultureel verdrag heeft altijd bestaan, maar kon vóór de culturele autonomie moeilijk uitgebouwd worden. Met iedere fase in de staatshervorming groeiden de culturele bevoegdheden van Vlaanderen, wat resulteerde in exclusief Nederlands-Vlaamse samenwerking op alle terreinen van het cultureel verdrag. Het sluiten van een apart Vlaams-Nederlands Cultureel Verdrag in 1995 betekent dan ook, wat samenwerking met Nederland betreft, het sluitstuk van 25 jaar Vlaamse culturele autonomie en de officiële voortzetting van al langer bestaande Vlaams-Nederlandse samenwerking.

Literatuur

Tien jaar culturele samenwerking België-Nederland 1946-1956, 1956; 
J. Dedeurwaarder, 'Omzien in bewondering. 25 jaar Belgisch-Nederlands kultureel verdrag', in Ons Erfdeel, jg. 14, nr. 3 (1971), p. 5-13; 
P. Berckx, '25 jaar Belgisch-Nederlands cultureel akkoord', in Open Deur, jg. 3, nr. 3 (1971), p. 1-9; 
W. Debrock, 'België en de internationale culturele betrekkingen', in Belgisch buitenlands beleid en internationale betrekkingen. Liber amicorum prof. O. de Raeymaeker 1978, p. 509-529; 
A.W. Willemsen, 'Nederland en Vlaanderen; Frans-Vlaanderen', in Twintig eeuwen Vlaanderen, VI, 1979, p. 335-360; 
J. Deleu, 'De Brakke Grond, cultureel centrum van de Vlaamse Gemeenschap in Amsterdam', in Ons Erfdeel, jg. 24, nr. 3 (1981), p. 460-461; 
S. Govaert, 'La Flandre et les Pays-Bas: rapports nouveaux', in Courrier Hebdomadaire du CRISP, nr. 960-961 (30 april 1982); 
J. Fleerackers, 'De herziene Belgische grondwet en het Belgisch-Nederlands cultureel verdrag', in Neerlandia, jg. 88, nr. 2 (1984), p. 49-51; 
C.A. Tamse, 'Veertig jaar Belgisch-Nederlands cultureel accoord', in Neerlandia jg. 91, nr. 4 (1987), p. 146-148. 

Auteur(s)

Iris Steen