Beerten, Marcel (eigenlijk Leopold A.M.)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Zolder 12 juni 1919).

Moest als oudste van tien kinderen zijn studie onderbreken toen zijn vader bij een ongeval om het leven kwam. In het college te Tervuren was Beerten lid van het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond (AKVS) en vriend van Theo Brouns. Beïnvloed door de eerste Limburgse mijnstaking die hij in 1936 meemaakte als bediende in de kolenmijn te Zolder, werd hij actief in culturele en sociale organisaties.

Eind 1940 was hij gouwleider voor de Limburgse Kempen van het Algemeen Vlaamsch Nationaal Jeugdverbond (AVNJ) en in januari 1941 tevens waarnemend gouwsecretaris voor Limburg van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV). Na voor de eerste lichting (augustus 1941) te zijn afgekeurd, werd hij in april 1942 toch opgenomen in het Vlaamsch Legioen. Samen met een twintigtal kameraden weigerde hij, in de buurt van Leningrad, de SS-eed af te leggen. Hij behoorde dan ook tot de zogenaamde Rebellenclub in het Legioen. Na de oorlog werd hij veroordeeld tot levenslange hechtenis, een straf die tot 15 jaar werd teruggebracht. In juni 1950 kwam hij vrij, in 1976 werd hij in eer hersteld.

In januari 1951 trad Beerten in dienst van de uitgeverij Heideland in Hasselt, eerst als colporteur, daarna als lector-corrector. Weldra was hij van dichtbij betrokken bij een aantal voor de naoorlogse Vlaamse boekenwereld belangrijke initiatieven: het Pantheon der Nobelprijswinnaars Literatuur, de Vlaamse Pockets, het Poëtisch Erfdeel der Nederlanden (door hem ontworpen) en Twintig Eeuwen Vlaanderen.

Als letterkundige publiceerde Beerten gedichten en verhalen. Eind 1950 verscheen onder meer zijn reeds bij een poëziewedstrijd (Het daghet, 1948) opgemerkte ballade over een Duitse vrouw op de vlucht voor de oprukkende Russen, "Vrouw Griese", in de succesvolle bundel Aan de Zelfkant. Vrouw Griese werd gezien als "het episch symbool voor miljoenen vluchtelingen". In 1952 publiceerde Beerten een nieuw episch gedicht in dezelfde geest, Marlene Helmsen. Een jaar later verscheen zijn novelle Fait-divers, het sterk vertelde verhaal van een politieke delinquent die in een kolenmijn moet werken en die zich als mens tracht te handhaven. Beerten vertolkte als dichter fel en bewogen de gevoelens en ervaringen van een (verloren) generatie jonge Vlamingen in en na de desillusies en ellende van hun engagement.

In 1980 behoorde hij tot de stichters van de Vlaams-Nationale Debatclub, in 1984 tot de stichters van het Archief en Documentatiecentrum voor het Vlaams-nationalisme; verder is hij erelid van Oud-AKVS en lid van de stuurgroep Oud-AKVS; van november 1993 tot mei 1995 was hij lid van de redactieraad van de AKVS-Schriften.

Werken

Aan de zelfkant, 1950; 
Marleen Helmsen, 1952; 
'Faits-divers', in Mensen strijden elke dag, 1953; 
Van zelfkant tot overkant, 1967 (verzamelbundel); 
'Hoe kwam ik tot mijn ballade Vrouw Griese?', in Appel, 1987; 
Herdenking Limburgs offer voor Vlaanderen, 1994.

Literatuur

Sirius (= Urbain van de Voorde), 'M. Beerten, Aan de zelfkant', in De Standaard (13 mei 1951); 
B. Ranke, 'Tweede ontmoeting met Marcel Beerten', in De Standaard (26 augustus 1963); 
H. Walschaerts, 'Marcel Beerten', in Cahiers van de K.V.L.S., jg. 1, nr. 2 (juni 1990); 
G. Durnez, 'Marcel Beerten en de verloren generatie', in De Standaard (10 december 1979).

Auteur(s)

Gaston Durnez