Beernaert, August

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Oostende 26 juli 1829 – Luzern 6 oktober 1912).

Verhuisde vanwege de promoties van zijn vader, die ambtenaar was bij de Dienst voor Registratie en Domeinen, op achtjarige leeftijd van zijn geboortestad Oostende naar Dinant, nadien naar Namen, Leuven en ten slotte in 1849 naar Brussel. Na middelbaar onderwijs in de huiskring studeerde Beernaert aan de Katholieke Universiteit Leuven, werd er in 1850, op eenentwintigjarige leeftijd, met de grootste onderscheiding doctor in de rechten, studeerde nog verder in Parijs, Bonn en Heidelberg en vestigde zich vanaf 1853 als advocaat te Brussel. Aangetrokken door de katholieke voorman Jules Malou koos hij van 1873 af voor een politieke loopbaan en was van dat jaar af tot 1878 en opnieuw in 1884 minister van openbare werken. Van 1884 tot 1894 was Beernaert regeringshoofd en minister van financiën. Tijdens die tien jaar werd, niet het minst van al door zijn toedoen, onder meer een eerste sociale wetgeving en het algemeen meervoudig stemrecht voor mannen ingevoerd. Van 1874 tot zijn dood was Beernaert volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Tielt (later Roeselare-Tielt) en van 1895 tot 1900 voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. In 1894 werd Beernaert, die als een der grootste staatsmannen uit de Belgische geschiedenis geldt, de titel van minister van staat verleend. Van 1896 af was Beernaert actief in de Interparlementaire Unie, waar hij zich bijzonder voor de vrede inzette. Hij vertegenwoordigde België op de Haagse Vredesconferenties van 1899 en 1907 en spande zich in zijn laatste levensjaren rusteloos in voor de eenmaking van het internationaal recht en voor de beperking van de bewapening. Daarom werd hem in 1909 de Nobelprijs voor de vrede toegekend. Hij overleed tijdens de bijeenkomst van de Interparlementaire Unie in Zwitserland.

Beernaert veroordeelde principieel de miskenning van het Nederlands in België vanaf 1830. Hij noemde die een "schreeuwende onrechtvaardigheid" en achtte de verfranste leidende standen in Vlaanderen daarvoor verantwoordelijk. Toch ging hij eerder uit een Belgisch dan een Vlaamsgezind rechtvaardigheidsgevoel ten dele op enkele eisen van de V.B. in, bijvoorbeeld door enige druk uit te oefenen ten gunste van de toepassing van de taalwetten (taalwetgeving) of door bankbiljetten, munten en postzegels ook van een Nederlandse tekst te voorzien. Wellicht bleef zijn enige Vlaamsgezinde daad van grotere betekenis de tegemoetkomende houding ten overstaan van het Vlaamse verlangen naar een eigen academie. Eerst pakte Beernaert uit met het plan, een Internationale Academie voor Nederlandsche Letteren op te richten; toen Nederland dit afwees en de West-Vlaamse taalparticularisten protesteerden, werd gekozen voor de in Gent in 1886 geïnstalleerde Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Beernaert begreep niet altijd de gegrondheid van de Vlaamse grieven; de met emotie geladen taal- en cultuurstrijd verontrustte hem. Om het voortbestaan van België te verzekeren pleitte hij voor een op rechtvaardigheid en gematigdheid gebaseerd wederzijds begrip en goede verstandhouding tussen Walen en Vlamingen. Toen Edward Coremans in 1903-1904, na eerdere pogingen, in de Kamer opnieuw het voorstel indiende, om de wet van 1883 op het taalgebruik in het officieel middelbaar onderwijs ook tot het katholiek onderwijs uit te breiden, wees Beernaert met Charles Woeste, onder verwijzing naar de grondwettelijke vrijheid, dat voorstel af. Einde maart 1911 vonden Louis Franck, Frans van Cauwelaert en anderen, die een wetsvoorstel indienden voor de volledige vernederlandsing van de Gentse universiteit, diezelfde Beernaert en Woeste op hun weg als mede-indieners van het tegenvoorstel van Arthur Verhaegen. Hierin werd een nationale oplossing voorgestaan, volgens dewelke enerzijds de Franstalige universiteit te Gent zou behouden blijven, met weliswaar eventueel een aantal taalgesplitste colleges indien "de ontdubbeling als nuttig erkend wordt", en anderzijds in Luik een Vlaamse afdeling zou worden ingericht. Maar dat voorstel vond onvoldoende instemming.

Toen in het kader van vijfenzeventig jaar België Eugène Baie de idee van een Entente Hollando-Belge lanceerde, werd Beernaert de Belgische voorzitter van de daaruit ontstane Nederlandsch-Belgische Commissie ter bestudering van de economische vraagstukken, rakende de belangen van beide landen. In de aanvankelijke commissie – en dat leek geen toeval – zaten echter geen Vlaamsgezinden; pas na Vlaams protest en na aandringen van de Nederlandse voorman van het Algemeen-Nederlands Verbond, Hermanus Kiewiet de Jonge werden enkele flaminganten opgenomen. Begin november 1907 zat Beernaert de eerste bijeenkomst van die Nederlandsch-Belgische Commissie voor en verwees in zijn openingsrede naar de oude Nederlanden. Maar dat kwam niet van enig Vlaams-Nederlands gevoel, want ook dan was de Belgische politicus en de Franstalige adoptief-Brusselaar aan het woord.

Werken

Correspondance inédite de Leopold II et Beernaert: d'après leur correspondance inédite de 1884 ... 1894, 2 dln., 1920.

Literatuur

P. Fredericq, 'Schets eener geschiedenis der Vlaamsche Beweging', in Vlaamsch-België sedert 1830, III-VI, 1909-1912; 
F. Passelecq, Auguste Beernaert. Sa carrière et son oeuvre politiques, 1912; 
E. Carton de Wiart, 'Auguste Beernaert. Sa vie et son oeuvre', in Almanach de la Société Générale Gantoise des Etudiants Catholiques (1913); 
H. Carton de Wiart, Beernaert et son temps, 1945; 
M. Lamberty, Lodewijk De Raet, 1951; 
Uit het archief van Frans Van Cauwelaert, 1: Gedenkschriften over Vlaamse Beweging en Belgische politiek, inleiding en aantekeningen door R. de Schryver, 1971; 
A.W. Willemsen, 'De Vlaamse Beweging. I. 1830-1914', in Twintig Eeuwen Vlaanderen, IV, 1974.

Verwijzingen

zie: katholieke partij.

Auteur(s)

Reginald de Schryver