Bedrijfsleven

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

De V.B. schenkt pas laat aandacht aan het bedrijfsleven

Tot diep in de 20ste eeuw was het economische leven in België een hoofdzakelijk Franstalige aangelegenheid. Door de aanwezigheid van de basisgrondstoffen voor de industriële revolutie in het zuiden van het land groeide daar pijlsnel een bloeiende steenkool- en staalindustrie. Samen met Brussel, dat de hoofdstedelijke functies vervulde en van waaruit de meeste grote ondernemingen werden geleid, vormde dit het economisch en sociaal zwaartepunt van het land. Vlaanderen bood een veel minder welvarend beeld. De Vlamingen waren vooral actief in de landbouw, deden aan plattelandsindustrie of vestigden zich als middenstander. Hiernaast groeide vooral in en rond steden als Gent en Aalst een welvarende textielindustrie en maakte ook Antwerpen rond 1900 een begin met de industrialisatie.

Daar waar de kleinschalige economische activiteiten in Vlaanderen in de volkstaal gebeurden, was het Frans vrijwel de enige voertaal in de Belgische grootindustrie, ook in Vlaanderen. De V.B. ervoer vooral dit laatste als een probleem, zodat deze bijdrage daarop toegespitst is. Omdat het Vlaams Economisch Verbond (VEV) uitgroeide tot de sterkste vereniging die systematisch en hoofdzakelijk ijverde voor de vernederlandsing van het bedrijfsleven in Vlaanderen, komt het in deze bijdrage uitgebreid aan bod.

Het Frans was de taal van de ondernemende bourgeoisie die zich aan de adel spiegelde. Vlaamse ondernemers identificeerden zich hiermee en gebruikten zelf ook het Frans in hun professioneel, sociaal en familiaal leven. Zeer illustratief voor dit gegeven is de schaarste aan Vlaamse firmanamen. Het schoolvoorbeeld is ongetwijfeld de in 1822 opgerichte Algemeene Nederlandsche Maatschappij ter Begunstiging van de Volksvlijt, die alom bekendstond als de Société Générale. Pas tijdens de tweede helft van deze eeuw ging ze in Vlaanderen opnieuw haar naam vertalen naar Generale Maatschappij. Juridisch was er tegen deze gang van zaken geen bezwaar mogelijk: artikel 23 van de grondwet garandeerde immers de vrijheid van het taalgebruik. Wel werden in de loop van de 19de eeuw vanuit een sociale bekommernis enkele wettelijke maatregelen getroffen ten behoeve van de arbeiders. De wet van 10 juli 1883 schreef voor dat de wettelijke bepalingen in de dienstboekjes in het Nederlands moesten vermeld zijn; in 1896 werd het bij wet verplicht het werkplaatsreglement bekend te maken in een taal die de arbeiders verstonden. Dergelijke maatregelen konden echter niets fundamenteel veranderen.

Aanvankelijk riep deze toestand trouwens weinig protest op, ook niet in de rangen van de V.B. Hoewel bepaalde kringen reeds vrijwel onmiddellijk na de Belgische onafhankelijkheid ijverden voor de bevordering van het Nederlands en zich afzetten tegen de verfransing van Vlaanderen, bleef deze inzet steken in een cultureel-literair patroon. Pas in het begin van de 20ste eeuw bracht Lodewijk de Raet hierin verandering. Op basis van statistische gegevens stelde hij vast dat het economisch zwaartepunt van België pas in de 19de eeuw naar Wallonië verschoven was, door de vestiging van de zware industrie. Volgens De Raet kon de aldus geschapen situatie slechts veranderen wanneer heel Vlaanderen zich schaarde achter een standaardtaal, de taalkloof tussen bedrijfsleiding en arbeiders verdween en Vlaanderen zijn financiële middelen in de eigen streek investeerde. Om dit te bewerkstelligen en dus de "Vlaamsche Volkskracht" te herstellen poneerde De Raet de oprichting van een universiteit in de eigen taal te Gent. Het negenentwintigste Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres, dat in 1906 te Brussel plaatsvond, volgde in zijn resoluties De Raets voorstellen. Bovendien weerklonken er pleidooien voor het gebruik van het Nederlands in de Belgische handel en in het Vlaams economisch verkeer, en voor het bundelen van de Vlaamse economische krachten in een machtig handelsverbond. De V.B. had een economische dimensie gekregen.

De V.B. bouwt een economische vleugel uit

Snel volgden concrete daden. Onder impuls van Leo Meert, een nijveraar uit Sint-Niklaas, werd op 28 juni 1908 het Vlaamsch Handelsverbond te Antwerpen opgericht. De leden van het Handelsverbond verbonden zich ertoe "het hunne bij te dragen om het gebruik van het Nederlands in handel en nijverheid te bevorderen, teneinde de economische kracht van het Vlaamse volk uit te breiden". Een jaar later volgde een meer nauwkeurige omschrijving van de doelstellingen: "vervlaamsing van de handel in Vlaams-België en verspreiding van het gebruik der Nederlandse taal in de wereldhandel; uitbreiding van de handelsbetrekkingen met het buitenland en vooral met de volkeren van het Nederlands taal- en stamgebied; behartiging van de stoffelijke belangen van het Vlaamse volk; verdediging van de gemeenschappelijke belangen zijner leden".

Het ging het Handelsverbond voor de wind: een viertal jaar na zijn stichting telde het reeds vierhonderd aangesloten ondernemingen. De organisatie gaf een eigen Nederlandstalig tijdschrift uit onder de titel Handel en Nijverheid, liet haar standpunt horen betreffende de meeste economische problemen en sprong keer op keer in de bres voor de verdediging van de Vlaamse economische belangen en de Nederlandse taal tegenover de vaak terughoudende of vijandig gezinde nationale of lokale overheden. Een schoolvoorbeeld hiervan was de confrontatie met het Gentse stadsbestuur in 1913 rond de organisatie van de wereldtentoonstelling aldaar. Dit leidde tot de ondertekening van een overeenkomst met het stadsbestuur, waardoor het Nederlands een rechtmatige plaats kreeg op de tentoonstelling. Het activisme tijdens de Eerste Wereldoorlog, waarin ook bezieler van het Handelsverbond Meert verzeild raakte, ontnam de V.B. na de wapenstilstand een tijdlang veel van haar slagkracht. Het Handelsverbond zelf verdween erdoor.

De draad werd echter snel weer opgenomen. In 1923 maakte voor het eerst een Vlaamsch Economisch Congres deel uit van de Vlaamsche Wetenschappelijke Congressen. Er werd beslist het Handelsverbond opnieuw tot leven te wekken. Dit gebeurde officieel in 1926, onder een andere vorm en naam. Het Vlaams Economisch Verbond (VEV) was geboren. Lieven Gevaert, de onbesproken gebleven oud-voorzitter van het Handelsverbond, werd de eerste nieuwe voorzitter en zou het blijven tot aan zijn dood in 1935. Het VEV stelde zich ten doel "het bevorderen van de Vlaamse economische belangen, alsmede het uitbreiden van het gebruik der Nederlandse taal in het zakenleven; uitbreiding van de handelsbetrekkingen met het Nederlandssprekend buitenland en over het algemeen de behartiging van de gemeenschappelijke belangen zijner leden, alsook het oprichten van handelskamers en algemene of plaatselijke belangengroeperingen, het oprichten van handelstentoonstellingen, het oprichten van een kantoor, belast met het verstrekken van alle inlichtingen die met handel, nijverheid en financie enig rechtstreeks verband houden, het bestuderen van de economische toestand, inzonderheid door tijdschrift en congressen, het inrichten van propaganda in het buitenland".

In de praktijk werd het VEV dus de 'economische arm' van de V.B., en het zou zich vooral inzetten voor de promotie van het Nederlands binnen het bedrijfsleven, voor het respect van het Nederlands vanwege de overheid en voor gelijke kansen voor de economische ontwikkeling van Vlaanderen, in vergelijking met Wallonië. Vooreerst werkte de organisatie hard aan de uitbouw van haar eigen structuren om meer slagkracht te verwerven. Hiertoe zette ze ten behoeve van de ondernemers een aantal dienstverlenende nevenorganisaties op, zoals de nog steeds florerende Sociale Dienst of de Compensatiekas voor Kinderbijslag. De winsten van deze nevendiensten boden de VEV-kernorganisatie de noodzakelijke financiële ademruimte die de lidgelden of de giften nooit hadden kunnen leveren. Het Verbond groeide: in 1930 kon het reeds bogen op een duizendtal leden.

Buiten het VEV werden nog andere initiatieven genomen. Zo werd in 1930 de vzw De Vlaamsche Beurs. Ekonomische Vereeniging van Rasbewuste Vlaamsche Handelaars en Nijveraars opgericht. Deze hoofdzakelijk Antwerpse vereniging had ook een plaatselijke werking in Brussel, Gent en Mechelen. Ze gaf het maandblad De Handelsman uit en had de vernederlandsing van het economisch leven in Vlaanderen als hoofddoel. Onder het motto "Geen Vlaamsch, geen centen" streefde de vereniging daarom naar solidariteit tussen de Vlaamse producenten en handelaars enerzijds en de bevolking anderzijds. Ook punten zoals de vernederlandsing van de handelsrechtbanken en de organisatie van beurzen voor Vlaamse producten stonden op haar agenda. De Vlaamsche Beurs stelde zich dus zeer strijdbaar op, maar sprak zich ook vaak zeer bitter uit. De vereniging kampte voortdurend met interne ruzies en machtsstrijd en ging na een tiental jaar roemloos ten onder.

Eerste winstpunten tijdens het interbellum

Tijdens de tweede helft van de jaren 1920 en de moeilijke crisisjaren 1930 ondernam het VEV heel wat concrete acties om zijn doelstellingen dichterbij te brengen. Het concentreerde een belangrijk deel van zijn inspanningen rond de Kempense steenkoolmijnen. Vermits de uitbatingsconcessies er in handen waren van niet-Vlaamse ondernemingen, streefde het ernaar om de verfransende invloed van deze uitbating in de betrokken regio tot een minimum te beperken en ervoor te zorgen dat ook Vlaanderen zelf voordeel zou halen uit zijn bodemrijkdom. Bovendien zette het VEV zich extra in voor de Vlaamse probleemsectoren zoals de textielindustrie en vooral de linnenindustrie, die in haar bestaan zelf bedreigd werd. Verder bleef het VEV ageren voor een evenwaardige plaats van Vlaanderen in het Belgisch sociaal-economisch gebeuren en voor het respect van het Nederlands door de overheid. In dat verband maakte het veel ophef met een open brief aan de jonge koning Leopold III. Hierin kloeg de VEV-voorzitter een aantal wantoestanden aan. Hij vroeg onder meer een paritaire vertegenwoordiging van Vlamingen en Walen in officiële en semi-officiële organen en het Nederlands als voertaal voor organen die zich specifiek met Vlaamse belangen bezighielden. Het VEV slaagde er – meestal dankzij de welwillende hulp van een aantal Vlaamsvoelende regeringsleden – ook in als vertegenwoordiger van het Vlaams zakenleven mee te zetelen in sommige van de talloze advies- en studiecommissies en parastatalen die de regering tijdens deze moeilijke jaren 1930 oprichtte. Dit alles nam niet weg dat het – ook in Vlaanderen – niet meer was dan de economische uitloper van de V.B. die voortdurend moest vechten om gehoord te worden; de 'echte' vertegenwoordiger van 's lands economische belangen was voor heel België het Franstalige Comité Central Industriel (CCI), en daar kon het VEV (nog) niet tegen op.

Geleidelijk aan was toch een zekere verschuiving merkbaar. Na de Eerste Wereldoorlog begon een aantal vooraanstaande Vlamingen – meestal ook voormannen van de V.B. – met het uitbouwen van een eigen Vlaamse economische en financiële wereld. Er was toen nog nauwelijks sprake van enige 'Vlaamse' economische macht. De spreekwoordelijke uitzondering op de regel was het in 1894 opgerichte succesrijke bedrijf Gevaert Photoproducten, waar Lieven Gevaert er zelf over waakte dat het Nederlands als voertaal gehanteerd werd, zowel binnen het bedrijf als voor de betrekkingen met Vlaanderen (inclusief Brussel). Nu kwam er in de financiële wereld een aantal instellingen bij. Zo zag te Gent de verzekeringsmaatschappij De Noordstar. Eerste Vlaamsche Algemeene het licht in 1919, onder impuls van financier Adolf van Hoorde en van verzekeringstechnicus Rodolf Overfeldt. Eerstgenoemde had een jaar voordien ook al de Handelsbank opgericht. Onder de eerste vennoten van De Noordstar bevond zich onder meer de Kortrijkse textielindustrieel Arthur Mulier. In 1921 werd de Boerhaave opgericht als verzekeringsmaatschappij voor de medische sector. Ze versmolt in 1936 met De Noordstar. Specifiek voor Limburg werd in 1929 de NV Limburgse gesticht, die in 1934 eveneens opging in De Noordstar. In 1920, een jaar later dan De Noordstar, werd onder impuls van Frans van Cauwelaert de verzekeringsmaatschappij Mercator opgericht. In de beheerraad zetelden klinkende namen uit de Vlaamse ontvoogdingsstrijd: Alfons van de Perre, Julius Hoste (jr.), dr. Poelmans, Gevaert, Gustaaf Sap en Jules van Caenegem. Mercator onderhield nauwe betrekkingen met het eveneens door Van Cauwelaert opgerichte Algemeen Beleggingskantoor, dat streed voor de vorming van een Vlaamse macht in de bankwereld. Drie van de vier beheerders van het Algemeen Beleggingskantoor bekleedden hetzelfde mandaat binnen Mercator. Naast het Algemeen Beleggingskantoor paste ook de oprichting van de Algemeene Bankvereeniging in 1921 door de Leuvense Volksbank in de Vlaamse strategie. De Leuvense Volksbank ging na de Eerste Wereldoorlog steeds nauwer samenwerken met de Middenkredietkas van de Belgische Boerenbond, en zou er uiteindelijk volledig afhankelijk van worden. Na de zware moeilijkheden binnen de financiële instellingen van de Boerenbond werd in 1935 de Kredietbank voor Handel en Nijverheid opgericht die, trouw aan de doelstellingen van haar stichters, de Vlaamse belangen bleef bevorderen. Enkele jaren voorheen, in 1931, was de Almanij (Algemeene Maatschappij voor Nijverheidskrediet) opgericht als dochter van de Algemeene Bankvereeniging. Almanij profileerde zich met de jaren steeds meer als de holding rond de Kredietbank. Ook in dit geval stonden de Vlaamse gevoelens van de leiders van de Kredietbank en Almanij borg voor het Vlaams karakter van hun instellingen. Het betrof onder meer Paul Heymans, Fernand Collin, Julien Bruyninckx, Victor Cambien en Boudewijn Steverlynck.

De vooruitgang qua taalwetgeving tijdens de tussenoorlogse periode, en dan hoofdzakelijk in de jaren 1930, oefende later onrechtstreeks haar invloed uit op het bedrijfsleven: een directe reglementering ervan via de taalwetgeving kon niet, gezien de grondwettelijke vrijheid van taalgebruik. Met de bestuurstaalwet van 31 juli 1921 (bestuurszaken) werd voor het eerst het territorialiteitsbeginsel in België erkend. Met de wet van 9 juli 1926 werden de werkrechtersraden in Vlaanderen vernederlandst. De taalwetten inzake het onderwijs hadden op termijn verstrekkende gevolgen. In 1923 stapte de Gentse Rijksuniversiteit over naar een taalgemengd regime; in 1930 werd ze volledig vernederlandst. In Vlaanderen kon de toekomstige elite nu in het Nederlands studeren. Anderzijds bleven ruime mogelijkheden bestaan om dit niet te doen: ondanks herhaalde spanningen bleef de Leuvense universiteit hoofdzakelijk Franstalig en natuurlijk konden studenten ook naar Brussel of Luik trekken, wat vaak gebeurde. In 1932 werd ook voor het lager en middelbaar onderwijs de streektaal de verplichte onderwijstaal, met uitzondering van de Brusselse agglomeratie en de taalgrensstreek. Nog in 1932 werd de wet op het taalgebruik in bestuurszaken gestemd, waardoor de overheden in Vlaanderen voortaan verplicht waren het Nederlands te gebruiken in hun relaties met de bevolking.

Snelle vooruitgang tijdens de Tweede Wereldoorlog

Met de Duitse inval in België op 10 mei 1940 werden de machtsverhoudingen in België, ook in het bedrijfsleven, grondig door elkaar geschud. Binnen de V.B. wilde een aantal mensen van de gelegenheid gebruikmaken om de positie van de Vlaamse gemeenschap in het algemeen en van hun organisatie in het bijzonder te versterken. Het VEV speelde op economisch vlak hierbij een voortrekkersrol. Binnen het VEV zelf veranderde er heel wat. De bezetter verbood de voorzitter zijn functie verder uit te oefenen. Een machtsgreep bezorgde algemeen secretaris Piet Bessem de reële leiding van het Verbond. Hij deelde zijn macht enkel met een paar gelijkgezinden, die net als hij banden onderhielden met het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV). Hij werkte gedreven om goede betrekkingen uit te bouwen met de nieuwe machthebbers, zowel met de bezetter als met de secretarissen-generaal. Hierbij boekte hij opmerkelijke resultaten. Het ledental van het VEV groeide sterk. Hier moet wel worden vermeld dat heel wat bedrijfsleiders uit opportunistische overwegingen de stap naar het lidmaatschap zetten, in de hoop dat het VEV bij de overheid zou bemiddelen ten gunste van hun onderneming. In de dagelijkse praktijk zette het VEV zich ook zeer concreet in om het Vlaamse bedrijfsleven zo goed mogelijk doorheen deze moeilijke periode te loodsen. Het kwam herhaaldelijk tussen bij de bezetter om te pleiten voor een vermindering van de Duitse opeisingen van arbeiders en goederen of voor de levering van de noodzakelijke grond- en brandstoffen.

De VEV-leiding hoopte dat haar Verbond in de door de Duitsers ingestelde bedrijfsorganisatie die het hele economische leven reglementeerde, voor Vlaanderen de officiële patronale vertegenwoordiger zou worden. Dat werd een misrekening: de nieuwe Warenstellen, die instonden voor de economische organisatie per bedrijfstak, werden volledig door de centrale overheid geleid. Het VEV ondernam ook pogingen om het Comité Central Industriel (CCI) ertoe over te halen zijn activiteiten vrijwillig tot Wallonië te beperken. Het ving echter bot. Het probeerde dan maar de overheid ertoe over te halen het CCI in Vlaanderen zoveel mogelijk uit allerhande organen en commissies te weren. Bovendien bond het de strijd aan tegen de privaatrechtelijke samenwerkende vennootschappen, die de privé-sector zelf opgericht had als tegenhanger van de officiële Warenstellen. Het VEV vreesde dat de Vlaamse industrie in deze door Franstalige grootindustriëlen en financiers geleide vennootschappen opnieuw onder Franstalige dominantie zou komen. De VEV-acties voor een voldoende Nederlandstalige aanwezigheid in de talrijke nieuw opgerichte organen en in de reeds bestaande parastatalen boekten heel wat succes dankzij de welwillende medewerking van de overheid. Het VEV slaagde er bovendien in akkoorden af te sluiten met de (traditioneel Franstalige) Kamers van Koophandel van Antwerpen en Gent, waarbij de garantie gegeven werd dat het Nederlands er voortaan de dominerende taal zou zijn.

Een nieuwe aanpak na de Tweede Wereldoorlog

Na de bevrijding ondervond heel de V.B., en uiteraard ook het VEV, de weerslag van de soms wel zeer nauwe medewerking met de bezetter. Om een herhaling van de teloorgang van het Vlaamsch Handelsverbond na de Eerste Wereldoorlog te voorkomen, namen de vroegere VEV-beheerders, die tijdens de oorlog waren opzijgezet, opnieuw de touwtjes in handen en maakten ze schoon schip. Pieter Delbaere, een Kortrijkse textielindustrieel, werd de nieuwe voorzitter. Delbaere sprak in de anti-flamingantische tijdgeest verzoenende taal tegenover de andere patroonsorganisaties, bleef bij de overheid aandringen op erkenning als gesprekspartner, voerde zeer actieve campagnes voor ledenwerving en bouwde de winstgevende nevendiensten van het Verbond verder uit.

Deze niet-aflatende inspanningen lieten het VEV toe vrij snel opnieuw zijn rol op te nemen. Vanuit het besef dat het VEV het Verbond der Belgische Nijverheid (VBN, zoals het CCI herdoopt werd) in Vlaanderen niet zou kunnen overvleugelen, sloot het een akkoord met deze organisatie. Hierbij verbond het VBN zich ertoe de taal en de aard van beide volksgemeenschappen in België te erkennen en te eerbiedigen. De VEV-voorzitter werd ondervoorzitter van het VBN, het VEV zou inspraak krijgen in de benoeming van leidinggevend VBN-personeel en van de vertegenwoordigers van de werkgevers in officiële commissies en instellingen en het VBN zou waken over een billijke vertegenwoordiging van het VEV in het bestuur van de aangesloten verenigingen. Dit samenwerkingsakkoord leverde wel enige concrete resultaten op. Met Delbaere kreeg het VBN er een zeer actieve ondervoorzitter bij, het wierf Vlamingen aan, vertaalde zijn documenten in het Nederlands en het stelde een aantal VEV'ers aan als vertegenwoordigers in officiële commissies. Het VEV werd beschouwd als een bevoorrechte aangesloten federatie, bevoegd voor specifiek Vlaamse aangelegenheden. Maar het VBN kon of wilde geen druk uitoefenen op zijn leden om ook in hun bestuur meer plaats te maken voor Vlamingen; de beroepsfederaties waren allesbehalve Vlaamsvoelend en helemaal niet bereid hun nationale werking op te splitsen om op regionaal-Vlaams vlak werkruimte te bieden aan het VEV. Ook binnen het VBN zelf bleef de bedrijfscultuur overwegend Frans.

Gedreven door zijn wil om zich op te werpen als de vertegenwoordiger van het patronaat in Vlaanderen, eiste het VEV systematisch vertegenwoordigers en inspraak in alle bestaande en nieuwe officiële en officieuze commissies en instellingen uit de sociaal-economische sfeer. De concurrentie van het VBN en de nasleep van de Tweede Wereldoorlog in aanmerking genomen, slaagde het VEV hier nog vrij goed in. Het kreeg zelfs de officiële opdracht een studie te maken over de Vlaamse economische grieven die verband hielden met de Belgische dualiteit. In 1952 verscheen een lijvig verslag, Het Vlaams Bedrijfsleven. Vertoog van het Vlaams Economisch Verbond, met een systematische inventaris van de sociaal-economische problematiek in Vlaanderen en constructieve voorstellen tot remediëring.

Hierbij moet worden opgemerkt dat het VEV helemaal geen tegenstelling zag tussen de Vlaamse en de Belgische economie: integendeel, de eerste had de tweede nodig voor haar bloei. Het kwam er dus op aan beide samen te laten groeien. Het Verbond klaagde wel over de verwaarlozing van de economische belangen van het Vlaamse landsgedeelte in het Belgische beleid. Dit uitte zich op allerhande manieren: het uitblijven van een aangepaste wegeninfrastructuur of spoorverbindingen, de onvoldoende aandacht voor de toegankelijkheid van de Antwerpse haven, de onderbenutting van het groeipotentieel van de Limburgse mijnen, het feit dat het gros van de naoorlogse Marshallhulp in de verlieslatende Waalse steenkoolmijnen en een paar andere grote Waalse ondernemingen gepompt werd, de onbekendheid van sommige Belgische diplomaten met de mogelijkheden en behoeften van het Vlaamse bedrijfsleven of zelfs het gebrek aan belangstelling ervoor, het te lang uitblijven van Nederlandse vertalingen van door België afgesloten handelsakkoorden...

In zijn strijd voor de erkenning van de Vlaamse belangen vermeed het VEV bewust conflictsituaties: bij ongeoorloofde toestanden tekende het pro forma steeds protest aan, doch zonder de activiteiten of procedure ten gronde te verstoren. Het ging er immers van uit dat ook de Vlaamse economie bij dit laatste geen baat had. Ongetwijfeld speelde in de toenmalige anti-flamingantische sfeer ook de vrees dat het VEV zichzelf door een te harde houding als gesprekspartner onmogelijk zou maken, en dat wilde het tot elke prijs vermijden. Parallel hiermee was het VEV zeker geen voorstander van wettelijke dwang inzake het taalgebruik van en in de ondernemingen. Dit hoeft niet te verwonderen: het was op de eerste plaats een organisatie van bedrijfsleiders, die wars waren van wettelijke bevoogding. Bovendien rekruteerde het VEV ook heel wat niet-Vlaamsvoelende of zelfs francofiele Vlamingen als lid. Het kon zich niet veroorloven deze af te stoten. Het VEV was een groot voorstander van vrijwillige akkoorden, zoals datgene dat op 11 september 1952 gesloten werd tussen de Limburgse Economische Raad en de Associatie der Kempische Kolenmijnen. Deze laatste verbond zich ertoe in Vlaanderen de Nederlandstalige firmanaam te gebruiken, in het Nederlands te corresponderen met openbare instellingen in Vlaanderen en Brussel en met particulieren in Vlaanderen, tenzij deze het anders wensten. Ook de voertaal binnen de onderneming zelf zou het Nederlands zijn. Het VEV riep zijn leden wel regelmatig op om zich als bewuste Vlamingen te gedragen en consequent het Nederlands te gebruiken in hun zakelijke betrekkingen. In zijn tijdschrift VEV-Berichten laste het trouwens een taalrubriek in, om de welmenende bedrijfsleiders te helpen bij het correct hanteren van hun moedertaal. Door het vroegere gebrek aan hogere studiemogelijkheden in het Nederlands en de alomtegenwoordige Franstalige economische cultuur was dit voor de toenmalige leidinggevende generatie zeker niet evident. Met VEV-Berichten, dat tijdens de jaren 1950 een hoge vlucht nam onder leiding van Frans Wildiers, bood het VEV trouwens een van de weinige Nederlandstalige economische tijdschriften aan in België.

Ook buiten het VEV om kwamen steeds meer initiatieven van de grond om de Vlaamse aanwezigheid op economisch vlak te versterken. Het Verbond van Kristelijke Werkgevers (VKW) combineerde de wil om bedrijfsleiders aan te zetten hun onderneming te leiden volgens de christelijke waarden met een Vlaamse reflex. In 1950 lanceerden de Limburgse volksvertegenwoordiger Fred Bertrand en de Leuvense hoogleraar Robert Vandeputte het idee om een Vlaamse Economische Raad op te richten "ter behartiging van de economische belangen in het Vlaamse landsgedeelte".

De Economische Raad voor Vlaanderen (ERV) werd in 1952 formeel opgericht als een Vlaams economisch gespreksforum. Naast vertegenwoordigers van de werkgevers (in het raam van de onderhandelingen voor de oprichting van de ERV besliste het VEV formeel om voortaan een exclusief patronale organisatie te zijn terwijl het zich voorheen enkel in de praktijk als dusdanig had opgesteld) waren ook de werknemers erin vertegenwoordigd via hun vakbonden. Bovendien hadden alle Vlaamse provinciegouverneurs er ex officio zitting in. De ERV oefende een zeer grote invloed uit op het stimuleren van de idee van regionale economische ontwikkeling. Bovendien ondernam het vele concrete acties voor de vernederlandsing van het bedrijfsleven. Een schoolvoorbeeld hiervan was het samenroepen van de leiders van de voornaamste Brusselse warenhuizen, banken en verzekeringsmaatschappijen om hen op de problemen van hun Vlaams cliënteel te wijzen en hen aan te zetten tot een Nederlandstalig onthaal van hun Vlaamse klanten.

Aan werknemerszijde lieten de vakbonden zich niet onbetuigd. Hun bekommernis gold echter op de eerste plaats de materiële en sociale achterstelling van de werknemers en hun gebrek aan promotiekansen wanneer ze de voertaal in de onderneming onvoldoende beheersten, dan wel de principiële strijd voor het Nederlands als dusdanig. De enquête naar de taaltoestanden in het Oost-Vlaamse bedrijfsleven die de studiedienst van het Algemeen Christelijk Werk(nem)ersverbond (ACW) in 1959 onder leiding van Herman Deleeck uitvoerde, legde de vinger op de wonde. Dat de Oost-Vlaamse ondernemingen in grote mate verfranst waren, was geen nieuw gegeven. In de lagere echelons hadden de arbeiders daar trouwens niet zo'n grote last van. Belangrijker was dat vooral de bedienden de taalproblematiek aan den lijve ondervonden: in hun dagelijkse omgang met de bedrijfsleiding moesten ze het Frans gebruiken; een bijna perfecte kennis van deze taal was noodzakelijk om hogerop te geraken. Het gevaar was dus niet denkbeeldig dat, na de jarenlange strijd voor de vernederlandsing van het (hoger) onderwijs, het bezit van een Nederlandstalig diploma voor de jonge Vlaamse kaderleden een handicap zou blijken in de uitbouw van hun verdere loopbaan. Daarom werd in vakbondskringen gepleit voor een gedragswijziging bij de werkgevers zodat deze spontaan zouden overschakelen naar de taal van hun werknemers. Voor dwingende wetgevende maatregelen waren de vakbonden niet onmiddellijk vragende partij.

Verder vestigden ook de grote Vlaamse cultuurverenigingen zoals het Davidsfonds, het Vermeylenfonds en het Willemsfonds de aandacht op de taalproblematiek in het bedrijfsleven. Flor Grammens, 'de schilder', zette zijn acties onverstoorbaar verder, en trad onder meer op tegen de eentalige opschriften op de wereldtentoonstelling in Brussel in 1958 en tegen eentalige reclames aan de kust.

Intussen verliep de evolutie op wetgevend vlak zeer traag, hoewel toch een paar veranderingen werden doorgevoerd. Zo werd in de marge van de belangrijke wet op de bedrijfsorganisatie (1948) bepaald dat de ondernemingsraden alle maatregelen moesten onderzoeken die de samenwerking tussen de bedrijfsleiding en de werknemers konden verbeteren. Hierbij werd expliciet het voorbeeld geciteerd van het gebruik van de streektaal als interne voertaal van de onderneming. Deze bepalingen hadden evenwel enkel betrekking op bedrijven met meer dan 150 werknemers (de andere hadden immers geen ondernemingsraad), en de ondernemingsraad had op taalvlak enkel een adviserende bevoegdheid. Vlaamse pogingen om de ondernemingsraad ook op dit vlak beslissingsbevoegdheid toe te kennen, botsten op verzet. In 1958 ondertekenden werkgevers en werknemers wel een akkoord, waarbij de ondernemingsraad toch beslissende bevoegdheid kreeg op het gebied van het gebruik van de talen. Omdat deze beslissing unaniem moest worden getroffen waren de praktische gevolgen van dit akkoord niet erg groot. Tijdens het begin van de jaren 1950 werden ook pogingen ondernomen om de ondernemingen te verplichten hun hoofdzetel te lokaliseren bij hun belangrijkste exploitatiezetel. De Kamer van Volksvertegenwoordigers keurde in 1952 zelfs het desbetreffende wetsvoorstel van Marcel Philippart de Foy goed. De Senaat volgde echter niet, zodat het voorstel een dode letter bleef.

Een nieuw elan vanaf de jaren 1960

Vanaf de jaren 1960 werd meer vooruitgang geboekt inzake de vernederlandsing van het bedrijfsleven, een evolutie die tekenend was voor het groeiend Vlaams zelfvertrouwen, onder meer op sociaal-economisch vlak. Een belangrijke aanzet hiertoe waren de wetten op de economische expansie (1959), die door hun streekgebonden steunprogramma's het regionaal feit erkenden. Deze grotere aandacht voor de regionale ontwikkelingsproblematiek maakte trouwens ook buiten België opgang. Een belangrijk psychologisch gegeven was het feit dat in 1966 de Vlaamse economische prestaties in absolute cijfers voor het eerst de Waalse overtroffen. Een deel van deze nieuwe welvaart was te danken aan het feit dat veel (vooral Engelstalige) multinationale bedrijven zich in Vlaanderen kwamen vestigen omwille van de bekwame arbeidskrachten en de heersende sociale rust.

Ook inzake taalwetgeving bewoog er heel wat. Bij de bespreking van wat de wet van 2 augustus 1963 (bestuurszaken) zou worden betreffende de verplichting voor de centrale diensten om in hun correspondentie met particuliere personen de streektaal te gebruiken, slaagde Kamerlid Jan Verroken erin een amendement te doen aanvaarden, waarbij die verplichting uitgebreid werd tot de ondernemingen. Hiermee was een belangrijke principiële stap gezet: de wetgever legifereerde voor het eerst op ingrijpende wijze inzake het taalgebruik buiten de openbare diensten. Strikt genomen druiste dit in tegen het reeds vermelde artikel 23 van de grondwet over de vrijheid van taalgebruik. Pogingen om de nieuwe bepalingen op taalvlak aan te vechten, onder meer via de Europese Conventie voor de Rechten van de Mens of uit te hollen door wetswijzigingen mislukten echter. Bij de coördinatie van de taalwetten in 1966 werden de verplichtingen van privé-ondernemingen mee opgenomen. De bedrijven moesten voor wettelijk verplichte documenten en voor documenten bestemd voor het personeel de taal gebruiken van de regio waarin de betrokken exploitatiezetel gevestigd was. De centrale openbare besturen zouden met ondernemingen corresponderen in de taal van de betrokken streek. Belangrijk was dat deze bepalingen van openbare orde waren: het was dus onmogelijk er door onderlinge afspraken van af te wijken, en de overheid was verplicht overtredingen te vervolgen. Bovendien rustte op het verkeerde taalgebruik de zware sanctie van nietigheid van de documenten. Het effect hiervan werd evenwel grotendeels tenietgedaan door het vervallen van deze sanctie wanneer naderhand voorzien werd in een adequate vertaling. Veel bedrijfsleidingen namen het daarom niet zo nauw met deze wettelijke bepalingen.

De grondwetsherziening van 1970 (staatshervorming) bood aan de taalgemeenschappen voor het eerst een eigen beslissingsbevoegdheid. Hierdoor kregen de cultuurraden van de Nederlandse en Franse cultuurgemeenschappen onder meer de mogelijkheid om bij decreet voor hun eigen taalgebied het taalgebruik van de ondernemingen te regelen inzake de wettelijk vereiste documenten en de betrekkingen met het personeel, maar ook inzake de sociale betrekkingen tussen de werkgever en het personeel. Drie jaar later, op 19 juli 1973, keurde de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap een decreet goed dat nog steeds de hoeksteen vormt voor het taalgebruik in de bedrijven in Vlaanderen. Het decreet verscheen in het Belgisch Staatsblad van 6 september 1973. Aan die datum dankt het ook zijn naam van Septemberdecreet.

Dit decreet kwam er mede omdat de taalwetgeving uit 1963 in Vlaanderen nog onvoldoende nageleefd werd. Daarom wilde de Cultuurraad deze bepalingen hernemen en ze tegelijk verruimen. Het decreet uit 1973 is van toepassing op eenieder die in Vlaanderen personeel tewerkstelt, en niet enkel meer op ondernemingen, zoals de wet van 1963 bepaalde. Ook ongeschreven sociale contacten tussen werkgever en werknemers vielen voortaan onder het decreet. Bovendien werden de sancties voor niet-naleving zwaarder, met de absolute nietigheid van niet-conforme documenten. Dit decreet gaf aanleiding tot een storm van protest vanuit Franstalige hoek. In januari 1986 vernietigde het Arbitragehof een aantal van zijn bepalingen. Zo werd gesteld dat het decreet niet van toepassing is in taalgrensgemeenten met een bijzonder taalstatuut. Bovendien werd de toepasbaarheid ervan toch beperkt tot ondernemingen, zodat niet meer allen "die personeel in het Nederlands taalgebied tewerkstellen" eronder vielen. Ten slotte werd de eis om "alle" boekhoudkundige gegevens in het Nederlands te stellen, geschrapt.

De regionale opsplitsing van bepaalde bevoegdheden had rechtstreekse gevolgen voor de economische actoren van de V.B. De staatshervormingen van 1980, 1988 en 1993 versterkten de hierboven beschreven trend nog. De bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten werden sterk uitgebreid zodat Vlaanderen zelf nu onder meer zeggenschap heeft over belangrijke aspecten van de sociaal-economische problematiek en aanverwante kwesties, en ook over steeds meer financiële middelen beschikt om zijn verruimde taken waar te nemen.

In het vooruitzicht van de wet op de "organisatie van de planning en de economische decentralisatie" van 1959 ging de Economische Raad voor Vlaanderen (ERV) over in de consultatieve Gewestelijke Economische Raad voor Vlaanderen (GERV), die bevoegd was voor de vier eentalige Vlaamse provincies. Het VEV werd hierin de officiële vertegenwoordiger van het patronaat in Vlaanderen. Een akkoord tussen het Verbond der Belgische Nijverheid (VBN) en het VEV bepaalde immers dat het VEV de officiële en exclusieve intersectoriële werkgeversvertegenwoordiger werd voor alle geregionaliseerde materies. De Brusselse regio werd toevertrouwd aan het Verbond van Ondernemingen te Brussel (VOB). De overheid volgde deze afspraken. Dit betekende meteen dat het VEV de uitermate belangrijke stap zette van een hoofdzakelijk idealistische beweging met een zweepfunctie naar een belangengroepering met een officiële vertegenwoordigende functie. Deze nieuwe verantwoordelijkheid was begin de jaren 1970 voor het VEV het sein voor de overstap naar een professionelere aanpak onder leiding van de nieuwe voorzitter Vaast Leysen en de nieuwe afgevaardigd-beheerder René de Feyter. Voortaan werden de nodige middelen gezocht om de vooropgestelde doelstellingen te realiseren in plaats van de doelstellingen in te kapselen in de beschikbare middelen. Om zijn rol van vertegenwoordiger van 'de werkgevers in Vlaanderen' waar te maken zag het VEV zich verplicht ook de grote buitenlandse multinationale ondernemingen toe te laten als lid en zelfs als medebeheerders. Hierbij eiste het wel dat de door de ondernemingen afgevaardigde mensen het Nederlands beheersten.

Vanuit zijn steeds comfortabelere positie bleef het VEV grondig studiewerk verrichten. Zo kwam het in 1977 naar buiten met een studie rond een Economisch programma voor Vlaanderen, waarin alle problemen de revue passeerden. Het VEV bestudeerde ook de sociale en economische aspecten van het Egmontpact en het Stuyvenbergakkoord. Met zijn studie Onze Staatshervorming: naar definitieve oplossingen? (1985) pleitte het voor meer doorzichtigheid in de solidariteit tussen de regio's, correctere financiële verdeelsleutels en meer regionale verantwoordelijkheid. Hiermee vervulde het VEV verder zijn rol van Vlaamse 'Beweger'. De studie deed echter heel wat stof opwaaien, ook in eigen rangen. Het werd stilaan duidelijk dat het Verbond, door de verworvenheden op Vlaams vlak en de hieruit voortvloeiende verantwoordelijkheden, niet meer zozeer een zweepfunctie kon uitoefenen vanuit de marge, maar dat het steeds meer opgeslorpt werd door het economische 'establishment'.

Andere takken van de V.B., zoals bijvoorbeeld de radicaal-flamingantische groepen Vlaamse Militanten Orde (VMO) en Taal Aktiekomitee (TAK), namen intussen de 'militantenfakkel' over. De VMO voerde in het begin van de jaren 1960 protestacties tegen Franstalige winkels en niet-Nederlandstalige reclamepanelen aan de kust. Het TAK zette in de jaren 1970 campagnes op touw, waarbij zijn militanten in grootwarenhuizen van de Brusselse rand hun aankopen weigerden te betalen zolang ze niet in het Nederlands bediend werden.

Tijdens de jaren 1980 zette het VEV zich actief in om het bedrijfsleven in Vlaanderen te stimuleren en er een positief imago rond te creëren. Dit had als dubbel doel de wereld buiten Vlaanderen attent te maken op wat Vlaamse ondernemingen in hun mars hadden en tegelijkertijd het zelfvertrouwen en de samenhorigheid van de Vlamingen zelf te verhogen. Dit kreeg gestalte in de DIRV-actie (Derde Industriële Revolutie Vlaanderen), een idee dat vanuit het VEV de Vlaamse regering aangereikt werd. De DIRV-actie en haar aanvulling, FTI (Flanders' Technology International) werden het symbool voor de dynamiek en het technisch kunnen van de ondernemingen in Vlaanderen. Daarnaast richtte het VEV een aantal 'Technologiegroepen' of 'T-groepen' op. Hiermee wilde het de Vlaamse ondernemingen in bepaalde sectoren groeperen, met het oog op het aanbod van geïntegreerde producten waaraan meerdere ondernemingen meewerken, de aanwezigheid op internationale beurzen of de verdediging van de belangen van de in Vlaanderen gelegen bedrijven. De bekendste T-groep is ongetwijfeld Flag (Flemish Aerospace Group), die er door de jaren heen in slaagde een deel van de economische compensaties voor grote overheidsaankopen in de luchtvaartsector ook naar de Vlaamse bedrijven te laten vloeien.

Economie en taal in de jaren 1990

Geleidelijk aan is bij het VEV de verdediging van de economische belangen van de in Vlaanderen gelegen bedrijven gaan overheersen boven de bescherming van het Nederlands in en rond de ondernemingen. Sinds het begin van de jaren 1990 is de leiding in handen van een generatie die zelf niet gestreden heeft voor de positie van het Nederlands in Vlaanderen. In theorie lijkt de strijd voor het Nederlands trouwens gestreden. In de talloze Vlaamse KMO's en familiebedrijven die in handen zijn van Vlaamse ondernemers is het Nederlands de vanzelfsprekende voertaal geworden.

De praktijk toont echter nog een ander beeld. De vestiging van vele multinationale ondernemingen vanaf de jaren 1960 bracht Vlaanderen heel wat welvaart, maar introduceerde ook een vreemde (vooral Angelsaksische) bedrijfscultuur en -taal. De Europese eenmaking met zijn vloedgolf van internationale overnames en fusies heeft dit probleem vooral vanaf de jaren 1980 in veel bedrijven verscherpt. Hierbij maakt ook het Frans een opvallende terugkeer, door de toenemende economische invloed die Frankrijk in België verwerft. De overname van de controle over de Generale Maatschappij door de Franse Compagnie Financière de Suez in 1988 veroorzaakte heel wat deining, omdat via de Generale Maatschappij de controle over een belangrijk deel van de Belgische economie in vreemde handen kwam. De trend heeft zich in de volgende jaren voortgezet en is onder meer ook sterk voelbaar in de verzekeringssector.

In de dagelijkse realiteit worden bedienden in ondernemingen in Vlaanderen aldus geconfronteerd met een anderstalig management, worden Engelstalige facturen uitgeschreven voor Vlaamse consumenten of bedrijven en krijgt de bevolking Engelstalige reclameboodschappen te verwerken. Als officiële vertegenwoordiger van de Vlaamse werkgevers maakt het VEV hier geen punt meer van. De betrokken bedrijven zijn immers lid van het Verbond of worden er alleszins door vertegenwoordigd. Het VEV concentreert sinds het begin van de jaren 1990 al zijn inspanningen op het bewerkstelligen van een ondernemingsvriendelijke omgeving.

Wel waakt de Vlaamse overheid nu steeds meer over de vrijwaring van het Nederlands in het bedrijfsleven. Zo keurde de Vlaamse Raad op 1 juni 1994 nog een decreet (Belgisch Staatsblad, 3 augustus 1994) goed ter aanvulling van het Septemberdecreet uit 1973. Hierdoor vallen ook alle werkaanbiedingen en de sollicitatieprocedure onder de regeling over het taalgebruik in het bedrijfsleven. Deze maatregel moet de wildgroei in Vlaamse kranten van anderstalige functiebeschrijvingen of zelfs hele advertenties van ondernemingen in Vlaanderen voor Vlaamse kandidaten aan banden leggen en de kandidaat-werknemer ook in de vroegste fase taalgaranties bieden. In de loop van 1995 werden de bepalingen over het bannen van anderstalige advertenties nietig verklaard, zodat de Vlaamse overheid niets anders restte dan de ondernemingen aanbevelingen te doen betreffende het taalgebruik in advertenties. De Vlaamse regering voert ook een steeds actiever beleid van verankering waarbij ze ernaar streeft de financiële controle over sectoren en ondernemingen die voor Vlaanderen van strategisch belang zijn, dusdanig in te bedden in Vlaanderen, dat ze niet ongemerkt in vreemde handen kunnen overgaan. Ook de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) (de opvolger voor heel Vlaanderen van de vroegere GERV's) luidt de alarmklok over het taalgebruik in het bedrijfsleven. Onder meer via informatiecampagnes wijst hij de ondernemingen op de te eerbiedigen wetten en decreten inzake taalgebruik.

In de loop van de 20ste eeuw is met betrekking tot de vernederlandsing van het bedrijfsleven in Vlaanderen dus een hele weg afgelegd. Van een situatie van verregaande verfransing waartegen slechts door enkele 'zonderlingen' geprotesteerd werd, is de toestand met behulp van verstrekkende grondwets- en wetswijzigingen geëvolueerd naar een fase waarin de (Vlaamse) overheid zelf zich opwerpt als hoedster van de taaleigenheid in het bedrijfsleven, soms tegen de sociaal-economische actoren in. De toekomst zal uitwijzen in welke mate de sociaal-economische actoren en de verdedigers van het strikte respect van de Nederlandse taal toegevingen zullen doen om tot een voor beide groepen praktisch leefbaar en aanvaardbaar compromis te komen.

Literatuur

L. de Raet, Een economisch programma voor de Vlaamsche Beweging, 1906; 
H. Deleeck, De taaltoestanden in het Vlaams bedrijfsleven. Een onderzoek in de grote ondernemingen van Oost-Vlaanderen en een geheel van voorstellen, 1959; 
M. Lamberty, Lodewijk de Raet. Een levensbeeld, 1961; 
A. Devreker, Het Willemsfonds en de Vlaamse problemen die aan de orde zijn, 1961; 
id., De vernederlandsing van het bedrijfsleven (Uitgave van het Julius Vuylsteke-Fonds, nr. 23, 1962); 
'De vernederlandsing van het bedrijfsleven', in De Liberale syndicalist (mei 1963), p. 3; 
T. Luykx, Bijdrage tot de geschiedenis van de economische bewustwording in Vlaanderen. Veertig jaar Vlaams Economisch Verbond 1926-1966, 1967; 
H. Todts, Van gemeenschap tot gemeenschap. De onvoltooide symfonie (Hoop en wanhoop der vlaamsgezinden, IV, 1975); 
J. Cocquereaux, De vernederlandsing van het bedrijfsleven. Het septemberdecreet van de Nederlandse cultuurraad, 1977; 
R. de Feyter en M. Vandekerckhove, 'De vernederlandsing van het bedrijfsleven', in De Vlaamse Gemeenschap (Twintig eeuwen Vlaanderen, dl. 8, 1978), p. 362-382; 
H. van der Wee en K. Veraghtert, 'De economie van 1814 tot 1944', in De Vlaamse Gemeenschap (Twintig eeuwen Vlaanderen, dl. 8, 1978), p. 129-211; 
T. Luykx, Politieke geschiedenis van België, 19784; 
H. van der Wee en M. Verbreyt, Mensen maken geschiedenis. De Kredietbank en de Economische opgang van Vlaanderen 1935-1985, 1985; 
G. Vanthemsche, 'De reorganisatie van het Belgisch patronaat. Van Centraal Nijverheidscomité naar Verbond der Belgische Nijverheid (1946)', in E. Witte, J.C. Burgelman, P. Stouthuysen (red.), Tussen restauratie en vernieuwing. Aspecten van de Belgische naoorlogse politiek (1944-1950), 1989, p. 109-147; 
B. Henau, 'Het bank- en verzekeringswezen in Antwerpen tijdens het interbellum', in Tijdschrift voor economie en management, jg. 35 (1990), p. 329-359; 
H. Brockmans (red.), Vlaanderen, een Franse kolonie?, 1993; 
B. Henau, Het Vlaamse Ekonomisch Verbond vanaf 1945 (onuitgegeven manuscript), 1993; 
W. Janssens, Lieven Gevaert. Momenten uit zijn leven, 1994.

Verwijzingen

zie: christelijke arbeidersbeweging, economie, Vlaams Aktiekomitee voor Brussel en Taalgrens.

Auteur(s)

Brigitte Henau