August Vermeylenfonds

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

socialistisch geïnspireerde, Vlaamse cultuurvereniging (1945-).

De laatste jaren voor de Tweede Wereldoorlog was er in Vlaanderen een duidelijke dooi begonnen tussen socialisme en flamingantisme. Deze draad werd na de oorlog weer opgeraapt met de stichting van het August Vermeylenfonds. Na de dood van August Vermeylen begin 1945, begon een aantal Vlamingen van socialistische signatuur te vergaderen in de Socialistische Arbeidershogeschool te Sint-Gillis over de oprichting van een fonds dat zijn naam zou dragen. Het betrof onder meer Oscar de Swaef, Achilles Mussche, Ger Schmook, Frantz Alofs, Leo Magits en Raymond Herreman. Op 12 mei 1945 ging deze groep over tot de stichting van het August Vermeylenfonds. Het ere-voorzitterschap werd aangeboden aan professor Alfred Hegenscheidt, Mussche werd voorzitter en De Swaef – niet veel later opgevolgd door Alofs – secretaris. De statuten verschenen op 11 augustus 1945 in het Staatsblad en waren getekend door Mussche, Herreman, De Swaef en Fernand V. Toussaint.

Doelstellingen van het Vermeylenfonds waren onder meer het levendig houden van de nagedachtenis van Vermeylen en "de verruiming van de Vlaamse gedachte tot de hoogvlakte van het internationale geestelijk leven". Als activiteiten werden vooral lezingen, seminaries, concerten, congressen en publicaties voorzien. Op 25 november 1945 volgde, met groot succes, de officiële stichtingsvergadering in de gotische zaal van het Brusselse stadhuis. In tegenstelling tot de visie van De Swaef, had Mussche doorgedrukt dat de vereniging zich niet presenteerde als uitgesproken socialistisch maar wel als een algemeen Vlaams, pluralistisch platform: het August Vermeylenfonds diende een ontmoetingsplaats te worden waarin een groot Vlaams front zou kunnen worden gevormd. Desondanks werd het Fonds dadelijk gecatalogeerd als socialistisch, wat logisch was gezien de naam en het feit dat het natuurlijk werd beschouwd als een tegenhanger van de twee bestaande fondsen. Het zou haar pluralistische ambitie dan ook nooit weten te realiseren. Nochtans slaagde men er aanvankelijk wel in om enkele katholieken als Jan Boon en Maurice Roelants en enkele liberalen als professor Franz de Backer en Karel Jonckheere in het hoofdbestuur op te nemen.

Engagement vanuit socialistische hoek in de V.B. was, gezien de toenmalige politieke omstandigheden, allesbehalve een evidentie. De stichting van het August Vermeylenfonds en zijn streven naar algemeen Vlaamse samenwerking waren voor de restauratie van de V.B. dan ook van groot belang. Anderzijds zou het Vermeylenfonds er nooit in slagen daadwerkelijk een belangrijke invloed te krijgen op het socialisme in Vlaanderen.

Eind 1946 nam Mussche het initiatief om maandelijks te vergaderen met vertegenwoordigers van het Willemsfonds en het Davidsfonds. Als gevolg van deze gedachtewisselingen organiseerde het August Vermeylenfonds een enquête onder een aantal vooraanstaande Vlamingen van allerlei strekkingen (met uitzondering van de nationalisten) over de stand van de V.B. Vervolgens zette men in overleg met de andere fondsen op 12 juli 1947 een openbare vergadering op het getouw onder het motto "de V.B. nu". Het verslag van de enquête, het verloop van de studiedag en de conclusies ervan, werden verwoord door professor Edgard Blancquaert in drie door het August Vermeylenfonds uitgegeven brochures. De behoefte aan algemeen Vlaamse samenwerking werd door alle strekkingen beklemtoond. Maar de facto bleef het water erg diep gezien de toenmalige ideologische en partijpolitieke polarisering tussen rechts-katholiek en links-vrijzinnig. Het Davidsfonds, en ook het Willemsfonds, oordeelden dat in een eventueel samenwerkingsverband geen rol kon weggelegd zijn voor mensen van communistische signatuur. Met name Aloïs Gerlo, lid van het Vermeylenfonds, werd door het Davidsfonds geviseerd. Een ander duidelijk twistpunt was de houding ten opzichte van de repressie. Voor het August Vermeylenfonds was er in de V.B. alvast geen plaats meer voor incivieken, wat schampere commentaar uitlokte vanwege Rommelpot. Op aandringen van het August Vermeylenfonds verenigden de drie fondsen zich ondanks alles in het Algemeen Vlaams Comité (AVC) dat vooral het protest tegen de publicatie van de talentelling van 1947 wilde coördineren. De samenwerking verliep echter zeer moeizaam. Op 26 augustus vaardigde men een gemeenschappelijke beginselverklaring uit waarin een ideologisch neutrale en loyaal Belgische V.B. werd gepropageerd. In december 1949 patroneerde het AVC een Algemeen Vlaams Congres waar men het eens raakte over een pakket Vlaamse eisen inzake taalwetgeving, talentelling, economische politiek en zelfs repressie. Dit werd in nationalistische kringen, ondanks hun uitsluiting, positief beoordeeld. De samenwerking liep daarna evenwel spaak, eerst tijdelijk door de polarisering rond de ontknoping van de Koningskwestie en later definitief door de polarisering vanwege de schoolstrijd.

Het August Vermeylenfonds ontwikkelde inmiddels een brede waaier van eigen activiteiten. Naast herdenkingen van Vermeylen en de uitgave van brochures werden er onder meer studiedagen georganiseerd over de hervorming van de Belgische staat (1950), de positie van de Gentse universiteit (1951), de Europese integratie (1953), het probleem van de transmutatieklassen (1956) en het socialisme en de V.B. (1962). Uit de aangehaalde studievergadering van 12 juli 1947 sproot de Vereniging voor Beschaafde Omgangstaal voort: professor Willem Pée, hoofdbestuurslid van het August Vermeylenfonds, werd er de eerste voorzitter van. Sinds begin 1953 verscheen er ook een Mededelingenblad van het August Vermeylenfonds. Het Fonds kende vooralsnog alleen een centraal bestuur. Met de uitbouw van lokale afdelingen liep het, met uitzondering van Brussel (1954), voorlopig geen vaart. Eind 1961 paste het Vermeylenfonds zijn definitie aan aan de feitelijke toestand en verklaarde het zich expliciet tot een vereniging met socialistisch karakter. In hetzelfde jaar verklaarde men zich expliciet voorstander van federalisme en van economische structuurhervormingen. Het streven naar culturele autonomie maakte het August Vermeylenfonds, net als het Willemsfonds, afhankelijk van maatregelen tegen de potentiële minorisatie van de vrijzinnigen in Vlaanderen: in het Vermeylenfonds werd de idee van een cultuurpact al vanaf 1963 gelanceerd. Het hoofdbestuur van het August Vermeylenfonds was ook nauw betrokken bij de redactie en het totstandkomen van het Manifest van de Vlaamse Socialisten dat pleitte voor federalisme en culturele autonomie.

Door het protest tegen een nieuwe talentelling raakte het August Vermeylenfonds betrokken bij een volgende poging tot algemeen Vlaamse samenwerking: op 5 januari 1959 nam het samen met de twee andere fondsen daartegen een resolutie aan. Het werd de aanleiding voor de organisatie van het Vlaams Aktiekomitee voor Brussel en Taalgrens (VABT). Via het VABT organiseerde het August Vermeylenfonds mee de eerste Mars op Brussel. De radicalisering van het VABT maakte echter dat het August Vermeylenfonds zich distantieerde van de tweede mars en dat het zich in augustus 1963 volledig uit het VABT terugtrok. In 1965 trad het Vermeylenfonds toe tot het nieuw samenwerkingsverband, het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (OVV).

Inmiddels was het August Vermeylenfonds in een organisatorische crisis terechtgekomen. De vereniging beschikte over te weinig actieve hoofdbestuursleden, botste vaak op onbegrip en tegenwerking vanwege de Belgische Socialistische Partij (BSP) en keek aan tegen een financiële put. Tekenend was het niet meer verschijnen van het Mededelingenblad sinds oktober 1962. Op 12 februari 1966 verzocht het hoofdbestuur om van zijn taak te worden ontlast. Eind 1966 trad een volledig nieuw bestuur aan met Gerlo als voorzitter, Germain de Rouck als ondervoorzitter en Roland Laridon als secretaris. Daarmee brak een nieuwe fase aan in de geschiedenis van het August Vermeylenfonds: het nieuwe bestuur maakte een begin met de provinciale en plaatselijke uitbouw (noodzakelijk door de nieuwe regeling tot subsidiëring van cultuurorganismen), trachtte de relatie met de BSP te verbeteren, liet het Medelingenblad weer verschijnen en zorgde voor een toename van het aantal activiteiten. In 1967 verkreeg het August Vermeylenfonds ook, door toedoen van Julien Kuypers, zendtijd op televisie. Onder de strakke leiding van Gerlo verschoof de klemtoon naar het onderstrepen van het eisenpakket van de V.B. Onomwonden stelde het August Vermeylenfonds dat het samen met andere Vlaamse verenigingen streed voor onder meer de cultuurautonomie, de overheveling van Leuven-Frans naar Wallonië, de volwaardige splitsing van de Brusselse universiteit (onderwijs), de gewaarborgde toepassing van de taalwetten en tegen de uitbreiding van het tweetalig gebied Brussel. Na een studieweekend in het najaar van 1967 gaf het August Vermeylenfonds het werkdocument Een nationaal statuut voor Brussel uit. Niet veel later vaardigde het OVV een resolutie uit waarin de principes van dat document grotendeels terug te vinden waren; de resolutie werd verdedigd door een afvaardiging voor de Commissie Meyers. Via het OVV werkte het August Vermeylenfonds nauw samen met andere flamingante verenigingen. Gerlo speelde dan ook een prominente rol in het Koördinatiekomitee Taalregeling Hoger Onderwijs en in het Nationaal Komitee 5 November. Verder participeerde het August Vermeylenfonds aan de Staten Generaal van het OVV (1968 en 1976), aan het Algemeen Vlaams Congres (1971) en aan het 24 novembercomité (1974). Gerlo fungeerde ook twee termijnen als OVV-voorzitter (1972-1973 en 1976-1977). Op zijn congres van 1973 opteerde het August Vermeylenfonds definitief voor de omvorming van België in een tweeledige bondstaat. Door de oprichting van het Anti-Egmontkomitee in juli 1977 kwam het tot een breuk tussen het August Vermeylenfonds en het OVV: het Vermeylenfonds verklaarde zich akkoord met het Egmontpact en Gerlo trad af als OVV-voorzitter.

Organisatorisch boekte het Vermeylenfonds sinds 1967 weer vooruitgang. Er gingen weer regelmatig studiedagen, congressen, herdenkingen en dergelijk meer door. In 1969 startte men met de publicatie van een kaderblad en in 1975 werd het eerste vast secretariaat geopend. Naast de reeds bestaande afdelingen in Brussel, Oostende, Ronse en Kortrijk werd er gestreefd naar een uitbouw in de breedte. Deze bezorgdheid werd midden de jaren 1970 bijzonder precair aangezien men zich toen, voor het behoud van subsidies, diende aan te passen aan de vereisten van het nieuwe decreet op socio-cultureel vormingswerk. Vooral dankzij de inspanningen van De Rouck, sinds 1973 algemeen secretaris, slaagde men daarin. De Rouck ondervond in zijn thuisbasis Ronse echter sterke tegenwerking van de lokale BSP en besloot in 1977 op te komen voor de Volksunie. Bijgevolg nam hij ontslag uit het August Vermeylenfonds, Laridon volgde hem op als algemeen secretaris. Financieel werd de toestand van het Vermeylenfonds opnieuw alarmerend, maar een noodoproep aan de sympathisanten in 1979 bracht soelaas. In 1980 werd de periodiek van het Fonds opgewaardeerd tot een meer algemeen cultureel tijdschrift, in 1985 werd het in een nieuwe vorm gegoten en kreeg het de titel De Gemeenschap. Na een volgende vormelijke en inhoudelijke aanpassing werd het in 1992 omgedoopt tot De Nieuwe Gemeenschap.

Inmiddels groeiden er scherpe tegenstellingen tussen Gerlo en een deel van zijn bestuur, in het bijzonder Laridon en diens broer Alfons. Breukpunt werd Gerlo's sterk positieve houding ten aanzien van de eventuele plaatsing van atoomraketten in België. Het bestuur van het August Vermeylenfonds nam hiertegen op 10 december 1979 een motie aan waarop Gerlo ontslag nam als voorzitter. De functie werd overgenomen door Jan Vercammen die na zijn overlijden in 1984 werd opgevolgd door Laridon. Het vertrek van Gerlo ging gepaard met een koersverandering in het August Vermeylenfonds. Nauwelijks twee maanden na zijn ontslag liet de vereniging haar pluralisme vallen en trad toe tot de Unie van Vrijzinnige Verenigingen. Tevens werden de banden met de Socialistische Partij (SP) veel nauwer aangehaald en verschoof de klemtoon van strijdbaar flamingantisme naar een meer algemene socio-culturele interesse.

Vanaf 1982 knoopte het August Vermeylenfonds weer aan met de traditie van socialistische Guldensporenvieringen van vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Daarbij vaardigde de vereniging telkens een 11-juliverklaring uit waarin ze haar visie geeft op wat de V.B. dient te zijn. Volgens het August Vermeylenfonds-congres van 1986 moest de V.B. aansluiting zoeken bij basisverenigingen als de Vredesbeweging en welzijnsverenigingen en diende ze meer oog te hebben voor de derdewereldproblemen, de milieuproblematiek en het welzijnswerk. Eveneens in 1986 protesteerde het August Vermeylenfonds scherp tegen de uitroeping door de Vlaamse Raad van de IJzertoren tot Memoriaal van de Vlaamse ontvoogding: als vrijzinnige vereniging voelde zij immers geen affiniteit met de christelijke symboliek ervan.

In 1982 was het August Vermeylenfonds van de partij bij het heropstarten van het OVV. Het Vermeylenfonds nam deel aan de nationale betoging van het OVV op 27 maart 1983 te Hasselt. Laridon werd er evenwel door de deelnemers uitgejouwd tijdens zijn toespraak waarin hij onder meer stelling nam tegen separatisme. Via het OVV, inmiddels onder voorzitterschap van Laridon (1986-1988), nam het August Vermeylenfonds deel aan de Staten-Generaal (1986) en werkte het mee aan het masterplan voor de staatshervorming (1987). Er groeide echter een spanning tussen het Vermeylenfonds en Vlaams-radicalere verenigingen als de Vlaamse Volksbeweging en het Davidsfonds. In december 1989 nam het Vermeylenfonds afstand van het via het OVV gevormde Aktiekomitee Vlaanderen '90. De betogingen ervan in 1990 en 1991 werden door het August Vermeylenfonds scherp afgewezen. In 1991 verliet het definitief het OVV dat volgens haar te zuiver nationalistisch optrad en onder een sluimerende invloed van het Vlaams Blok stond. Het Sint-Michielsakkoord (1992-1993) werd door het August Vermeylenfonds zeer positief onthaald.

In 1996 werd Laridon als algemeen voorzitter opgevolgd door Eliane van Aelboom. Onmiskenbaar gaat het August Vermeylenfonds sinds jaren achteruit: van de vereniging gaat weinig uitstraling uit en haar standpunten vinden nauwelijks weerklank. Haar betekenis voor de V.B. vandaag is nog zeer gering.

Literatuur

L. Haagdorens, 'De mobilisatie van het Vlaams Aktiekomitee voor Brussel en Taalgrens voor de marsen op Brussel (1959-1963)', in Taal en Sociale Integratie, VIII, 1986, p. 85-183; 
R. Laridon, Geschiedenis, rol en betekenis van het Vermeylenfonds 1945-1995, 1995; 
R. de Groof, 'De opstelling van de drie fondsen ten aanzien van culturele autonomie en federalisme (1945-1965)', in WT, jg. 49, nr. 3 (1990), p. 153-163.

Auteur(s)

Bart de Wever