Association du Corps académique et du Personnel scientifique de l'Université de Louvain (ACAPSUL)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

De stichting en activiteiten van deze vereniging situeren zich in het kader van de communautaire spanningen van de jaren 1960. Na de parlementsverkiezingen van 1961 en naar aanleiding van de regeringsverklaring en de ontwerpen van de regering-Theo Lefèvre-Paul-Henri Spaak inzake taalwetgeving maakten Les amis de l'université de Louvain zich ongerust over het voortbestaan van de Franstalige universiteit in de wettelijk eentalig-Nederlandse stad Leuven; ze vroegen derhalve, vanwege het nationaal karakter van de Leuvense universiteit, een vorm van tweetaligheid binnen de Leuvense agglomeratie. Aan de universiteit zelve verzette zich op 5 februari 1962 een vergadering van het Franstalig academisch personeel tegen het eentalig statuut van de stad Leuven. Op die vergadering werd een Comité provisoire de l'assemblée des professeurs de langue française de l'UCL (= Université catholique de Louvain) opgericht, dat een week later, op 13 februari, de Association du Corps académique et du Personnel scientifique de l'Université de Louvain werd. De officiële stichtingsdatum is 2 april 1962. Opzet van deze ACAPSUL was verdediging en promotie van de Katholieke Universiteit, patrimoine indivisible de nos deux communautés, respectievelijk van de belangen van haar Franstalige afdeling "en haar suppoosten" te Leuven zelf. Voorzitter van de vereniging werd de wereldbefaamde wiskundige-astronoom Mgr. G. Lemaître (overleden op 20 juni 1966), ondervoorzitters prof. L.-H. Dupriez (de latere voorzitter) en prof. R. Ballieu. Op voornoemde 5de februari werd ook een motie goedgekeurd die in een Nederlandstalige versie de handtekening kreeg van enkele bekende Vlamingen, onder wie de Antwerpse provinciegouverneur Richard Declerck, oud-minister Albert de Smaele, de Gentse hoogleraar André Vlerick en de socialistische voorman Alfons Vranckx. Het standpunt van ACAPSUL was en bleef, de Leuvense universiteit als een tweetalige nationale en unitaire instelling te behouden; ze verweet de Vlamingen dat Leuven niet als dusdanig te willen verdedigen. Aan de bisschoppen als inrichtende macht vroeg de ACAPSUL de erkenning van haar standpunt en de aanvaarding van een daaruit voortvloeiende vorm van tweetaligheid van de Leuvense agglomeratie.

Als tegenhanger van de ACAPSUL werd in mei 1962 te Leuven de Vereniging van Leuvense Professoren (VLP) gesticht met Mgr. Arthur Janssen als eerste voorzitter. Tijdens de daaropvolgende maanden speelde de VLP een cruciale rol in de splitsing van de faculteiten. Voorstellen hieromtrent die in januari 1963 bekend raakten, werden door de ACAPSUL met man en macht bestreden, in de vrees dat ze de voorbode zouden zijn van een algehele splitsing. Toch kozen de bisschoppen uiteindelijk voor de splitsing van de faculteiten, zodat er te Leuven een dubbeluniversiteit ontstond met twee volwaardige afdelingen, Leuven-Frans en Leuven-Nederlands.

Deze reorganisatie was een tegenslag voor de ACAPSUL, die daarop de strijd aanbond om, in het kader van de nieuwe taalwetgeving, taalfaciliteiten inzake bestuur en een netwerk van Franstalige scholen te krijgen (motie van 14 mei 1963). Door de nieuwe wetgeving van 1963 werden zulke taalfaciliteiten inzake bestuur en onderwijs toegekend. Na deze regeling verzocht de universitaire overheid zowel de ACAPSUL als de VLP hun activiteiten te staken. Toch bleef de ACAPSUL voortbestaan, terwijl de VLP opging in de nieuwe Vereniging van Vlaamse Professoren (VVP).

Van splitsing naar overheveling

Met de splitsing in Leuven was de zaak niet opgelost. Er volgde nog een tweede en definitief kapittel naar aanleiding van de nieuwe wetgeving inzake universitaire expansie. Die leidde niet alleen tot spreiding van kandidaturen maar ook tot plannen van delokalisatie of overheveling van de Université catholique de Louvain (UCL) naar Wallonië. Tot tevredenheid van de ACAPSUL loste de bisschoppelijke brief ('mandement' volgens de Vlamingen) van 13 mei 1966 voor Leuven het probleem van de expansie op door tegelijkertijd de fundamentele institutionele en geografische eenheid van de universiteit te Leuven te handhaven en die te combineren met een deconcentratie van Franstalige kandidaturen naar Waals-Brabant. Vier dagen later, op 17 mei, diende het CVP- Kamerlid Jan Verroken een wetsvoorstel in dat de onderwijstaalwetgeving (regionale eentaligheid) wou doortrekken tot het hoger onderwijs, wat overheveling van nagenoeg de hele UCL naar Wallonië tot gevolg zou hebben. De inoverwegingneming van dit voorstel werd einde juni 1966 wel goedgekeurd door de Waalse communisten en één Waalse socialist (E. Glinne), maar door de Kamer verworpen met steun van de Vlaamse Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV); ook in de Senaat werd de inoverwegingneming, met staking van stemmen, geweigerd. Wie het wetsvoorstel had gesteund werd door de ACAPSUL (dat toen onder leiding stond van prof. Dupriez, voorzitter, en prof. G. Garitte en kanunnik F. van Steenberghen, ondervoorzitters) ennemis publics de l'Université de Louvain genoemd.

De volgehouden strakke houding van de ACAPSUL had er inmiddels toe geleid, dat er in het ACAPSUL-front barsten waren gekomen. In juni 1966 immers diende een aantal leden-professoren hun ontslag in en wenste een dialoog met de Vlamingen. Ze verenigden zich in de Communauté de la Section française de Louvain (CSFL, die pas op 10 januari 1967 officieel werd gesticht) en kozen als voorzitter prof. J. Maisin; de leiding van deze 'Gemeenschap' hoorde tot de progressieve christen-democratische beweging Rénovation wallonne. In een overeenkomst van 23 januari 1967 met de Vereniging van Vlaamse Professoren (VVP) betuigde de CSFL haar akkoord met een geleidelijke overheveling van de UCL naar Wallonië. Daartegen bleef de ACAPSUL zich hardnekkig verzetten. Hierbij is het wellicht goed om weten, dat toen slechts een goed derde (37,5%) van de UCL-studenten uit Wallonië kwam; de anderen waren Brusselaars (32,5%), buitenlanders (17,5%) of afkomstig uit Vlaanderen (12,5%). De ACAPSUL, dat toen naar eigen zeggen 544 leden telde, noemde het akkoord tussen CSFL en VVP-Leuven een akkoord van een groupe non représentatif de l'opinion francophone de l'Université avec des représentants du groupe le plus extrémiste de la section flamande.

In de Academische Raad van de Franstalige afdeling, waar de ACAPSUL-ideologie overheerste, argumenteerde men zoals voorheen, dat de Franstaligen reeds 130 jaar in Leuven waren en er un patrimoine inestimable, dont nous refusons d'être dessaisis hadden opgebouwd. Mede daarom keurde de Raad op 14 januari 1968 eenparig een expansieplan goed, waarbij, naast een volledige Franstalige universiteit in Leuven zelf, een uitbreiding werd voorzien van de medische faculteit naar Sint-Lambrechts-Woluwe (in de Brusselse agglomeratie) en de vestiging van nieuwe instituten in het Waals-Brabantse Ottignies. Aan Vlaamse zijde had dit expansieplan het effect van een bom: de leiding van Leuven-Nederlands verwierp het, en er volgde een heftige studentenrevolte, die oversloeg naar het middelbaar onderwijs. Nagenoeg heel Vlaanderen wees het expansieplan van de UCL af. Doordat de inrichtende macht (de bisschoppen) verdeeld was, werd de expansie een politieke aangelegenheid. Volksvertegenwoordiger Jan Verroken interpelleerde op 6 februari de regering, die 's anderendaags viel. Eind maart 1968 volgden nieuwe parlementsverkiezingen, waarbij de Christelijke Volkspartij (CVP) en de Parti social chrétien (PSC) elk met een eigen communautair programma naar de kiezer stapten: de CVP kwam op voor de overheveling van de UCL naar Wallonië, de PSC voor haar behoud in Leuven. De communautaire problematiek beheerste de verkiezingen en de daaropvolgende moeizame regeringsformatie. Het maart-nummer 1968 van Non Evertetur (Latijn: "Ze – dat wil zeggen: de Universiteit – zal niet verdreven worden"), maandblad van de ACAPSUL, stond in het teken van de verkiezingen en blokletterde op de voorpagina, met een verwijzing naar de vernieling door de "Teutoonse razernij" in 1914 en 1940 van de universiteitsbibliotheek: Furore teutonico. 1914... 1940...1968? Non!. De CVP kreeg bij de verkiezingen een flinke klap, maar niet ten voordele van de unitair gezinde PVV, die stagneerde, wel van de Vlaams-nationale Volksunie.

De nieuwe regering van CVP en Belgische Socialistische Partij onder leiding van Gaston Eyskens (juni 1968) voorzag in haar regeringsverklaring inzake Leuven de overheveling van volledige pedagogische eenheden volgens een door de UCL uitgestippelde programmatie. De idee van ontdubbeling van kandidaturen werd dus verlaten. In haar eigen stijl en in die van de ACAPSUL schreef La Libre Belgique dat dit gebeurde dans une volonté ségrégationniste qui fait fi des intérêts de la chrétienté et chasse comme un cancre de son sol la plus grande université catholique du monde et ses 2000 étudiants étrangers. Een onomkeerbare evolutie was niettemin op gang gekomen, voorbode van de federalistische herstructurering van België. In de loop van 1968 werd op het politieke vlak de volledige en uiteraard in de tijd gespreide overheveling van de hele UCL beslist. Met dat al had de ACAPSUL haar strijd verloren en had ze geen reden van bestaan meer. De bouwwerf in Ottignies werd geopend op 2 februari 1971 en op 2 oktober 1972 begon te Louvain-la-Neuve een eerste academiejaar.

Literatuur

Non Evertetur, 1966-1968; 
W. Jonckheere en H. Todts, Leuven Vlaams. Splitsingsgeschiedenis van de Katholieke Universiteit Leuven, 1979; 
E. Massaux, Pour l'Université Catholique de Louvain: le "Recteur de Fer" dialogue avec Omer Marchal, 1987.

Auteur(s)

Reginald de Schryver