Asselbergs, Willem

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

pseudoniem: Anton van Duinkerken (Bergen op Zoom 2 januari 1903 – Nijmegen 27 juli 1968).

Verbleef in het seminarie, was ook een korte tijd in het missiehuis in Scheut, studeerde aan de Rooms-Katholieke Leergangen in Tilburg, werd journalist bij De Tijd en in 1940 bijzonder hoogleraar in de Vondelstudie in Leiden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef Asselbergs enkele maanden als gijzelaar in Sint-Michielsgestel. Kort na de bevrijding onderwierp hij zich aan het tegen de Partij van de Arbeid gerichte Mandement van de Nederlandse bisschoppen. In 1948 werd hij hoogleraar in de kunstgeschiedenis aan de Maastrichtse Academie en in 1952 hoogleraar in de Nederlandse en de algemene letterkunde in Nijmegen. In 1949 werd hij benoemd tot erelid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.

Asselbergs behoort tot de Noord-Nederlanders die in de 20ste eeuw groot aandeel hebben gehad in de groeiende Vlaams-Nederlandse culturele integratie. Hij was al vroeg vertrouwd met het Brabantse gebied over de landsgrenzen. In zijn jeugd maakte hij talrijke voettochten door het Belgische deel van het oude hertogdom Brabant, dat voor hem een eenheid had behouden. Latere reizen door de Zuidelijke Nederlanden, Frans-Vlaanderen inbegrepen, verdiepten zijn kennis van de Vlaamse steden, dorpen, abdijen, monumenten, musea, bibliotheken en pittoreske eigenaardigheden.

In zijn vroegste opstellen overheerst een met het Zuiden verwant levensgevoel: levenslust, ruimhartigheid, gemoedelijkheid en ook zin voor exuberante feestelijkheid dacht hij in Vlaanderen meer te vinden dan in het Noorden. In die zin huldigt hij in zijn beschouwingen over Rubens, Vondel, Felix Timmermans de van levensvreugde stralende en pralende Zuid-Nederlandse mens. Onder invloed van het rooms-katholieke Kamerlid Hendrik Moller voelde hij bovendien als cultureel Groot-Nederlander én als katholiek grote waardering voor de artistiek-religieuze rijkdom van de Nederlandse literatuur, die tot in de 17de eeuw hoofdzakelijk in Vlaanderen te situeren is. Zijn essays over de dichters van de Middeleeuwen en de Contrareformatie willen vooral het Noorden bekeren tot een verruiming van het nationale bewustzijn en een ruimer, meer algemeen-Nederlands inzicht in de literatuurgeschiedenis.

De algemeen-Nederlandse gerichtheid van het mee door hem gestichte tijdschrift De Gemeenschap (1925-1941) werd grotendeels door hem geïnspireerd. Zijn gedichten uit die jaren tonen de invloed van het Vlaamse humanitair expressionisme. Opvoeding, ruimhartigheid, historisch besef brachten hem ertoe te verkondigen dat de verlevendiging van het besef van historische eenheid "de roeping van de hedendaagse Nederlander" is.

Als militant verdediger van het Groot-Nederlandse cultuurideaal bestreed hij subnationale bewustzijnsbeperking: enerzijds de beslotenheid van "gehalveerde cultuur onder Hollandse hegemonie", anderzijds elk Vlaams particularisme. Op politiek gebied maande hij tot voorzichtigheid. Toch voorspelde hij dat de culturele toenadering politieke gevolgen zou hebben. Hij ried de politieke flaminganten "omzichtige voorlichting" in Nederland aan. Helemaal akkoord met de gedragslijn die Jozef Alberdingk Thijm op de Nederlandse congressen en elders had aangenomen wilde hij zich niet in de Vlaams-Belgische politieke twisten mengen of er zich over uitspreken. Wel trad hij veelvuldig in Vlaanderen op als spreker, onder andere voor de Volksuniversiteit Herman van den Reeck, en werkte hij mee aan Dietsche Warande en Belfort. Als briljant redenaar en geestig improvisator heeft hij in honderden toespraken opgewekt tot samenhorigheidsgevoel en blijk gegeven van grondige kennis van Vlaanderens cultuurgeschiedenis, gevoeligheden en taal. In De Tijd en Elseviers Weekblad en in talrijke tijdschriften, ook Vlaamse, vroeg hij voortdurend aandacht voor Zuid-Nederlandse literatuur en geestesleven. Zijn in boekvorm verschenen studies over Vlaamse auteurs, zijn inbreng in de uitvoering van het Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag en zijn stimulerend voorzitterschap van de Algemene Conferentie der Nederlandse Letteren bewijzen zijn geëngageerde belangstelling voor Vlaanderen en voor de culturele integratie.

De Leuvense universiteit verleende de nog jonge, maar gezagsgetrouwe katholieke publicist Asselbergs, die als een fel tegenstander van het nationaal-socialisme en van het antisemitisme naar voren was getreden, al in 1937 een eredoctoraat, tegelijk met Maria Belpaire, Gerard Brom, Stijn Streuvels en Cyriel Verschaeve: een huldebetoon dat duidelijk een signaal was dat het Belgische episcopaat enerzijds instemde met het streven naar een herstel van de politieke eenheid onder de Vlaamsgezinde katholieken en anderzijds niet zonder bezorgdheid tegen bepaalde toenaderingen tussen Vlaamse en Duitse intellectuelen aankeek.

In 1943 behoorde Asselbergs tot een groep Noord-Nederlanders die in illegale bijeenkomsten in Amsterdam van gedachten wisselden over de toekomst van Vlaanderen en Nederland na de nederlaag van het nationaal-socialistische Duitsland. Uit de besprekingen groeide de Nederlands-Vlaamse Vereniging Noord en Zuid, waarvan Asselbergs in 1945 voorzittter werd van de afdeling Amsterdam en in 1947 voorzitter van het overkoepelend bestuur.

Werken

Hedendaagse ketterijen, 1929; 
Groot-Nederland en wij, 1931; 
Het christendom bedreigd door rassenwaan en jodenhaat, 1936; 
Verscheurde christenheid, 1937; 
Guido Gezelle, 1958; 
Vlamingen, 1960; 
Brabantse herinneringen, 1964.

Literatuur

P. Brachin, Anton van Duinkerken, 19713; 
A. Westerlinck, 'Anton van Duinkerken, een boventijdelijk talent in onmin met zijn tijd', in Dietsche Warande en Belfort, jg. 108, nr. 1-4 (1963); 
A. Roes, Anton van Duinkerken 1903-1968, 1983; 
Th. Kroon, Een schaduw die verschuift: leven en werk van de jonge Anton van Duinkerken, 1984; 
R. Vanlandschoot, 'Het Leuvense eredoctoraat van 1937. Verschaeve en de Katholieke Universiteit van Leuven in de late jaren dertig', in Verschaeviana (1993), p. 17-130.

Auteur(s)

Albert Westerlinck; Joris Dedeurwaerder