Antwerpen-stad

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Tot 1914

Bij het ontstaan van de V.B. heeft de stad Antwerpen een belangrijke rol gespeeld. Wat waren de antecedenten? In 1815 brachten in de provincie 126 notabelen hun stem uit tegen de 'Hollandse' grondwet. Slechts 6 stemden voor. Onder hen niemand uit Antwerpen-stad zelf; het was de meest afwijzende provincie van het land. Rond 1830 noemde de Luikse bisschop Cornelius R. van Bommel Antwerpen de meest katholieke (grote) stad van België en volgens Jan F. Willems was ze de meest Nederlandstalige. Maar Willems had er geen vereniging van gelijkgezinden kunnen vormen die de Belgische Revolutie zou overleven.

De eerste uitingen ten gunste van de volkstaal kwamen na de Revolutie van de patriot Michiel van der Voort, van het ultrapatriottische en ultrakatholieke blad Den Antwerpenaer van priester Jan B. Buelens en van de orangist Jan F. Verspreeuwen in 1830. Dat bleven individuele acties. De oudste groep van taalminnaars was het zeer patriottische Antwerpsche Schoólonderwyzers Gezelschap, waarvan het tijdschrift van 1824 tot 1830 geen spoor van nationaal gevoel of taalminnarij vertoonde, maar dat in 1832-1834 "langsom meer de weerspiegeling (werd) van een gezelschap waar, naast de Rooms-katholieke geloofszaak en moraal, vóór alles de taal en de taalgeliefhebber de mensen bij elkaar moest houden" (Hendrik van Tichelen).

Een tweede voedingsbodem vormden de artiesten rond de schilder Gustaaf Wappers, aanhangers van een nationale romantische kunst. Onder hun invloed werd einde 1835 door Van der Voort en Theodoor van Ryswyck de rederijkerskamer De Olijftak gesticht. Deze moest de Belgische nationaliteit bevestigen in de volkstaal. Hendrik Conscience werd de meest succesvolle letterkundige van de groep. Jan J. de Laet en rechter Hyacint Colins waren de meest actieve verdedigers van "de taal der vaderen" in de pers en de politiek. De Olijftak nam deel aan het petitionnement van 1840 met eigen eisen die radicaler waren dan die van Gent en Leuven omdat ze ook het centraal bestuur betroffen alsmede een officiële tekst van de wetten. Daarentegen werd geen academie gevraagd, want de letterkundigen wilden geen bazen boven zich, zeker Willems en Jan-Baptist David niet. Ze namen met succes deel aan de provincieraadsverkiezingen en Colins – een kopstuk van de katholieke partij – sprak in die raad de volkstaal en deed een motie aanvaarden voor het administratief gebruik ervan.

Van meet af kende de V.B. in Antwerpen de tegenstelling die voortkwam uit haar dubbele achterban: aan de ene kant de godsdienstige opinie en aan de andere kant de artistieke vrijgezindheid. De deken die in juli 1840 aangeboden had om de petitie voor de volkstaal gezamenlijk te doen ondertekenen op de pastoorsvergadering, stond ook in oktober 1841 aan het hoofd van het protest tegen de te Hollandse spelling die door de regeringscommissie was aanvaard (spellingoorlog); ze hebben het tegen de "geuzenspelling", sneerde De Laet. Allicht hebben vele leden van het Antwerpsche Schoólonderwyzers Gezelschap beide petities ondertekend. De geestelijkheid en de klerikale opinie, die krachtig steun gaven aan de beweging voor de volkstaal, wilden er ook hun morele en politieke stempel op drukken. In 1853-1857 zou het maandblad Nederduitsch Overzigt flamingantisme koppelen aan heel benepen godsdienstig-morele opvattingen.

Daartegenover stonden de literatoren die voorstander waren van "de vrije letterkunde" en het als een "verraad" en "een omgekeerde frak" beschouwden dat Conscience einde 1842 het antiklerikalisme geschrapt had uit de tweede editie van zijn Wonderjaer. De deïst Pieter F. van Kerckhoven, die deze uitdrukkingen gebruikt had en nog zou gebruiken, bepleitte nochtans in 1844 en 1845 in even krachtige bewoordingen als Conscience en de andere Antwerpse flaminganten het moreel en godsdienstig karakter van de Vlaamse letterkunde en de schadelijkheid van de partijenstrijd. Maar naarmate het unionisme afbrokkelde kwam onvermijdelijk het ogenblik waarop het tot een scheuring moest komen over het doel en de koers van de V.B.

In 1847 was het zover: tegenover elkaar stonden De Roskam, waarin Lodewijk Vleeschouwer, De Laet en Conscience "de anti-vlaamsgezinde kliek" van de Antwerpse liberale partijleiding bestreden, en De Schrobber waarin Karel Nys, Van Kerckhoven, Verspreeuwen, Van Ryswyck en Emmanuel Rosseels betoogden dat de V.B. alleen de liberale partij kon aanhangen, vermits haar doel de ontvoogding en opbeuring van het volk was. Deze groep had De Olijftak achter zich, met jongeren als Lodewijk Gerrits, August Snieders en Jan van Rijswijck, terwijl de Consciencisten in Voor Tael en Kunst ook Eugeen Zetternam, Jan van Beers, Jacob F. Heremans en gemeenteraadslid Frans-Jan Matthyssens aan hun kant hadden.

De Europese revolutiegolf van 1848 gaf vooral aan de liberaalgezinde jongeren een democratische impuls: het ging niet meer alleen om een (Belgische) nationale zaak, maar om een volkszaak: "De leuze is herleving der Nederduitse taal door de macht des volks", zei Snieders, de hoofdredacteur van Het Handelsblad van Antwerpen. Dat gaf de beweging meer aanhang en een grotere strijdbaarheid. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1851 kwam ze in botsing met de liberale partij, die twee Vlaamsgezinde aftredenden bestreed. De Eikenkroon, een liberaal en democratischgezinde vereniging onder leiding van F. Carpentier, nam het initiatief tot een optreden van de Verenigde Vlaamse Maatschappijen als Vlaamse partij en als "burgerpartij, verdediger van ambachten en stielen en van het volk" tegen de geldaristocratie die de liberale partij en de stad beheerste. In feite betekende dit opnieuw een bondgenootschap met de katholiek-unionistische partij. Het werd slechts een gedeeltelijk succes; Conscience werd niet verkozen.

Bijna alle flaminganten gingen nu over naar Voor Tael en Kunst. Het flamingantische Handelsblad evolueerde van onafhankelijk liberaal naar uitgesproken politiek-katholiek. Als reactie daarop stichtte de liberale partij het dagblad De Schelde (1853-1860) met als redacteuren Domien Sleeckx en Nys en als politieke directeuren Verspreeuwen en Van Kerckhoven. Hun blad maakte nauwelijks Vlaamsgezinde propaganda maar stond vol aanvallen op "de verkwezelaars van de V.B.", namelijk de katholieke en onafhankelijke flaminganten. Zozeer was de V.B. al verankerd in de unionistisch-katholieke stroming en de houding van De Schelde kon dat alleen maar versterken.

In de parlementsverkiezingen van 1854 nam Voor Tael en Kunst het op voor de katholiek-unionistische lijst die twee Vlaamsgezinden telde en hielp die aan een gedeeltelijke overwinning. In de gemeenteraadsverkiezing die volgde kwam de vereniging zelf als "Vlaamse burgerpartij" op tegen de liberalen, ongeveer zoals in 1851, maar ze leed een smadelijke nederlaag, raakte verscheurd en verdween. Het grote artistieke leven in Antwerpen bleef in handen van de vrijzinnige Franstalige Cercle Artistique. Na haar overwinning kon De Schelde de strijdbijl begraven.

In 1857 steeg de politieke polarisering in België tot een hoogtepunt en kwam er een eind aan het unionisme. Aan weerszijden sloten de Vlaamsgezinden zich aan bij die partij die hun politieke sympathie had. Er werd een Conservatieve Vereeniging gesticht die het Nederlands als hoofdtaal had en waarvan Lodewijk-Jan Mathot een van de secretarissen was. Ze had "de verdediging van de rechten der Vlaamse taal" op haar programma staan en kondigde aan dat ze van al haar kandidaten een verklaring in die zin eiste. Een aantal bekende flaminganten als Snieders, Vleeschouwer, Jan I. de Beucker en Lambrecht van Ryswyck waren actieve medewerkers.

Op initiatief van De Olijftak gaven "vele maatschappijen en letterkundigen... een bewijs van genegenheid" bij monde van J. van Rijswijck aan de liberale partij. Daarbij werd niet verheeld dat het een verzoening van vroegere tegenstanders betrof die slechts kon standhouden indien die partij zich tot de volkstaal zou bekeren. Doordat zich in die partij een radicale stroming ontwikkelde die sympathie had voor de V.B., was dit niet ondenkbaar.

Het pakte juist andersom uit. De radicalen en flaminganten verenigden zich tegen de doctrinair-liberale regering onder leiding van de Antwerpse volksvertegenwoordiger Charles Rogier en verbonden zich met de katholieken in de Meetingpartij. Voortrekkers hiervan waren J. van Rijswijck, met zijn dagblad De Grondwet, en de Nederduitsche Bond, die in 1861 werd gesticht en waartoe nagenoeg alle Antwerpse flaminganten behoorden. De Meetingpartij beheerste de Antwerpse gemeenteraad vanaf december 1862 tot in 1872 en de plaatselijke parlementsverkiezingen tot de toepassing van de evenredige zetelverdeling in 1900.

De V.B. had tevoren gefaald in haar streven een derde, onafhankelijke partij te vormen, omdat ze dat had gezien in het kader van het unionisme dat onvoldoende levenskracht bezat. Nu lukte het tijdelijk, in het kader van een verbond van progressieve democraten tegen het liberale establishment. Maar ook dit bondgenootschap zou weldra afbrokkelen, omdat de tegenstelling tussen godsdienst en vrijzinnigheid almaar scherper werd. Daarom bestreed Benedictus J. Mees in zijn weekblad Het Werkmansregt de Meeting vanaf haar ontstaan. J. van Rijswijck gaf in april 1864 als antimilitarist zijn ontslag uit de Nederduitsche Bond, distantieerde zich weldra van de Meeting en keerde begin 1865 terug naar de liberale partij. Julius de Geyter verliet begin 1866 de Nederduitsche Bond, en stichtte in september naar Gents voorbeeld een Liberale Vlaamsche Bond. Die mocht eenderde van de kandidaten op de liberale lijst voordragen, zoals de Nederduitsche Bond dat mocht doen op de Meetinglijst.

De Nederduitsche Bond stuurde De Laet, Gerrits en Edward Coremans naar de Kamer, waar zij de taalwetgeving aanvatten. Op 27 augustus 1866 riep de gemeenteraad het Nederlands uit tot de officiële taal van de stad. Maar toen de liberale partij in 1872 opnieuw de meerderheid veroverde, was dat uitdrukkelijk met het programma van "de gelijkheid van de landstalen", dus de gedeeltelijke herverfransing van de gemeentelijke administratie. De Liberale Vlaamsche Bond reageerde daar niet tegen, omdat voor hem de taalkwestie een bijkomstigheid was vergeleken bij de strijd voor de vrije gedachte (na de encycliek Quanta cura die in december 1864 een heel nadrukkelijke veroordeling had uitgesproken van de liberale vrijheden, die wij nu onder de mensenrechten rangschikken).

Toen in 1872-1873 de eerste taalwet inzake het gerecht, die op de strafrechtspraak werd afgedwongen, bleek er in Antwerpen geen enkel liberaal Vlaamsgezind orgaan te bestaan. Het weekblad van de Liberale Vlaamsche Bond Recht door Zee, bestreed het ijveren voor die wet als "een klerikale komedie" en beweerde dat de zaak-Jozef Schoep niets met de V.B. te maken had. Dat klopte inderdaad met zijn opvatting van de V.B.: "Vlaams voor Vlaams dat is, wij hebben het reeds vroeger gezegd, de aristokratieke vorm van het Frans l'art pour l'art; zo begrijpen wij de zaak niet: het Vlaams moet voor ons dienen als een middel van ontvoogding voor het volk en bijzonder om het juk der priesterpartij af te schudden dat zo zwaar op de Vlaamse provinciën drukt." In zijn Geuzenlied van 1873 noemde De Geyter, net als in 1858 in De Waerheid over de Vlaemsche Beweging, de strijd tegen de katholieke Kerk voor de vrije gedachte het enige doel van de V.B. Het nieuwe liberale gemeentebestuur richtte Franstalige middelbare scholen in voor meisjes. Toen het in 1876 startte met betalende jongensscholen voor de kleine burgerij liet gemeenteraadslid Van Beers door de raad beslissen dat de bijzonderste voertaal er het Nederlands moest zijn. Maar dat belette niet dat deze scholen steeds verder verfranst werden, in tegenstelling tot het in 1874 opgerichte Sint-Norbertusgesticht.

Als reactie tegen de Meeting was Antwerpen het centrum van de Geuzerij geworden en was er in de liberale partij, anders dan in Gent en Brussel, geen plaats meer voor iemand die van de volkstaal 'de' hoofdzaak, of zelfs maar 'een' hoofdzaak van zijn politieke actie wilde maken. Voor zo iemand was er geen andere weg dan de Nederduitsche Bond en de Meeting. Coremans volgde die weg, en hoewel hij niet naar de kerk ging werd hij veertig jaar lang door de katholieken naar het parlement gestuurd. Maar hij kon niet ijveren voor de vrije gedachte, aangezien daarvoor geen plaats was in de katholieke partij. De Meeting werd hoe langer hoe meer katholiek.

Onder de liberale regering 1878-1884 bewerkte J. van Rijswijck met Max Rooses en anderen een reveil door het stichten van de Vlaamsche Vrijzinnige Vereeniging, die een weekblad in handen kreeg: De Kleine Gazet. Zij hebben ertoe bijgedragen, samen met de Brusselse flaminganten rond Julius Hoste (sr.), dat in de Kamer van Volksvertegenwoordigers een dozijn liberalen met de katholieke partij in 1883 een gedeeltelijke vernederlandsing van het officieel middelbaar onderwijs goedkeurden.

Maar de dreiging van een katholieke verkiezingsoverwinning in 1884 bracht al een ommekeer. In mei 1884 ondertekenden Van Rijswijck en zijn medestanders een belofte aan de Ruche Wallonne om in de Antwerpse scholen Waalse afdelingen op te richten waarin de wet niet van toepassing zou zijn. Advocaat Van Rijswijck hielp in 1888 beletten dat de advocaten in strafzaken zouden worden verplicht in het Nederlands te pleiten wanneer hun cliënt geen andere taal verstond. Het verdwijnen van De Kleine Gazet in hetzelfde jaar bevestigde – na de herrie rond de stichting van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde en de weigering om deel te nemen aan onzijdige landdagen (Landdagbeweging) – dat er in Antwerpen opnieuw geen politiek liberaal flamingantisme meer bestond.

Onder meer daarom was Van Rijswijck aanvaardbaar als burgemeester in 1892. Onder zijn bestuur, tot 1906, konden beambten het gebruik van de volkstaal in de stedelijke administratie verruimen, zich beroepend op de beslissing van de Meeting-gemeenteraad uit 1866 die nooit formeel was ingetrokken. Maar de burgemeester zorgde ervoor dat 58,8% van de leerlingen van de oude humaniora terechtkwam in de 'Waalse afdeling' van het atheneum die hij beloofd had, en dat zelfs in de 'Vlaamse afdeling' de weinige lessen die volgens de wet Nederlandstalig moesten zijn, tweetalig werden gegeven. In 1898 kreeg in Antwerpen de Ruche Wallonne naar Gents voorbeeld eigen vertegenwoordigers in de gemeente- en de provincieraad, krachtens een akkoord in de schoot van de liberale partij dat door de voorzitter van de Liberale Vlaamsche Bond was goedgekeurd.

Wel bestond er in Antwerpen onafgebroken een hoogstaand vrijzinnig Vlaamsgezind cultuurleven, met onder anderen figuren als Peter Benoit en Pol de Mont. We vermelden de turnbeweging (Sport) onder leiding van Nicolaas J. Cupérus, en de stichting van het Taalverbond in 1887. In het atheneum volgden sinds 1883 enkele Vlaamsgezinde vrijzinnige scholierenkringen mekaar op.

De herleving van het politiek liberaal flamingantisme kwam na de invoering van de evenredige vertegenwoordiging (in 1900), die de electorale positie van de liberalen in Antwerpen zoals in heel het Vlaamse land verbeterde, en nadat Julius Mac Leod en Lodewijk de Raet een economische verantwoording hadden gegeven van de V.B. De vorming van de Antwerpsche Verbroedering der Vlaamsche Tolbeambten (Verbroedering der Vlaamsche Tol- en Accijnsbedienden) in 1896, die werd gevolgd door andere Vlaamsgezinde verenigingen onder het overheidspersoneel, zal hier ook een rol in gespeeld hebben.

In 1906 werd Louis Franck tot volksvertegenwoordiger gekozen voor de Liberale Vlaamsche Bond en Leo Augusteyns voor de liberale arbeiders. Franck trad op als parlementaire leider van de liberale Vlaamsgezinden uit het hele land. Hij droeg veel bij tot de nieuwe taalwet op het middelbaar onderwijs in 1910 die op de vrije scholen van toepassing werd. Maar de door Coremans voorgestelde afschaffing van de Waalse afdelingen in het officieel onderwijs had hij tegen zijn persoonlijke overtuiging in geweerd, omdat zijn partij dat niet aanvaardde. Hij hielp beletten dat het leger zou worden ingedeeld in Vlaamse en Waalse eenheden, en steunde de regering die er een zekere tweetaligheid invoerde. Inzake het lager onderwijs en de universiteit Gent nam hij wel een radicaal Vlaams standpunt in.

Door katholieke Antwerpse scholieren en studenten onder leiding van Adolf Pauwels en Adelfons Henderickx werd, met steun van de Nederduitsche Bond en onder de bescherming van katholieke politici, in 1883 en de volgende jaren op nationaal vlak een 'studentenbeweging' georganiseerd onder de collegejeugd. Terwijl haar bondswerking – in Antwerpen die van Eigen Taal Eigen Zeden – en haar gouwdagen uitgesproken godsdienstig bleven, werden haar landdagen tot politieke meetings waarop alle flaminganten genodigd werden. Maar in tegenstelling tot de liberale Brusselaars deden de liberale Antwerpenaars daar niet aan mee. Dat de onzijdige landdagbeweging haar sterkste steun vond in de Nederduitsche Bond, toont dat deze nog een deel van haar oorspronkelijke bezieling bewaard had.

Het was in belangrijke mate uit de zich radicaliserende landdagbeweging dat in de jaren 1890 het daensisme groeide. Pauwels die de krachtigste voorvechter was van de vernederlandsing van de rechtspraak, was met andere advocaten uit de Nederduitsche Bond zoals Hector Lebon, Emiel Wildiers en Emiel Schiltz de bezieler van het plaatselijke daensisme. Die partij bleef in Antwerpen vooral een flamingantische partij en sommigen van haar voormannen keerden terug naar de Nederduitsche Bond. Dit werd vergemakkelijkt doordat de plaatselijke christelijke arbeidersbeweging, in de schoot van de Meetingpartij, heel Vlaamsgezind was mede door toedoen van haar 'vader' Pieter Backx, die in de jaren 1860 als vrijzinnig flamingant mee de Meeting opgebouwd had.

Van 1900 tot 1910 richtte de strijd van de katholieke Antwerpse flaminganten zich vooral op het middelbaar onderwijs. Dit was een zaak van lange duur, onder andere omdat zij door de invoering van de evenredige zetelverdeling de helft van hun vertegenwoordigers in de Kamer verloren hadden (Florimond Heuvelmans werd niet herkozen) zonder dat er voorlopig enig liberaal of socialistisch flamingantisme tot uiting kwam.

Een nieuwe periode brak aan toen in 1910 de doodzieke Coremans in het parlement werd opgevolgd door Frans van Cauwelaert. Die werd in 1912 vertegenwoordiger van Berchem en Borgerhout, waardoor Alfons van de Perre toen de zetel van de Nederduitsche Bond innam. Beide vrienden werkten samen aan de vernederlandsing van het Antwerpse katholiek onderwijs, aan de stichting van het dagblad De Standaard en andere initiatieven. Om de taalwetgeving te radicaliseren richtten ze een Katholieke Vlaamsche Kamergroep op en zochten ze samenwerking met liberale en socialistische parlementsleden.

Inderdaad kwamen er sinds 1906 Vlaamsgezinde uitspraken voor in de Antwerpse Belgische Werkliedenpartij (BWP), en werd in 1910 de eerste Vlaamsgezinde socialistische volksvertegenwoordiger gekozen, namelijk Camille Huysmans in Brussel. Aan de Guldensporenvieringen, die sinds 1885 door de De Vlaamsche Wacht werd ingericht en die het Algemeen-Nederlands Verbond sinds 1900 mee organiseerde, werd vanaf 1908 deelgenomen door de Nederduitsche Bond, de Liberale Vlaamsche Bond en de BWP gezamenlijk. Er volgden ook enkele gezamenlijke meetings voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit (onderwijs en Drie Kraaiende Hanen).

Hoe pover dat ook was, toch was Antwerpen nog altijd het meest Nederlandstalige en flamingantische stedelijke centrum van België. Het aandeel van de Meetingpartij was daarin beslissend geweest.

De Eerste Wereldoorlog

Toen de Duitsers in de zomer van 1914 over het Belgische grondgebied oprukten, trokken de regering en de legerleiding zich terug naar Antwerpen. De havenstad was het centrum van een uitgestrekte vesting, de 'nationale vluchtheuvel' waarbinnen de kern van de Belgische staat moest zien te overleven zolang de oorlog duurde. De forten hielden evenwel niet lang stand tegen de Duitse aanvallen. Koning, regering en veldleger staken de Schelde over op weg naar de IJzervlakte. Een groot deel van de Antwerpse bevolking vluchtte tijdelijk weg, meestal naar Nederland. Frans van Cauwelaert, Alfons van de Perre en de familie Julius Hoste (jr.), trokken naar het buitenland zolang de oorlog duurde. Wie bleef was de liberale flamingantische voorman en schepen Louis Franck. Hij werd de dominante politieke figuur in de Antwerpse agglomeratie.

De snelle overgave van de vesting Antwerpen was een geweldige teleurstelling voor de Belgen. Zij werd gevolgd door roddels en beschuldigingen van lafheid en onvaderlands gedrag tegen de burgerlijke autoriteiten die de overgave getekend hadden. Naast anti-flamingantische uitspraken en verdenkingen van beïnvloeding van het bezettingsbestuur door anti-Vlaamse politici, was dit een van de elementen die leidden tot irritatie waarbij de oude Waals/Vlaamse en franskiljons/flamingantische tegenstellingen weer opdoken. Deze gevoelens van onbehagen werden door de Duitsers, via de door hen gecensureerde en gecontroleerde pers, aangewakkerd. Zo geraakten vele flaminganten ervan overtuigd dat de anti-Vlaamse agitatie weer opflakkerde en dat de franskiljons dus de Godsvrede hadden verbroken. De bekende volksredenaar August Borms, leraar aan het koninklijk atheneum in de stad, schreef op 23 januari 1915 in de Antwerpse krant Het Vlaamsche Nieuws: "Vlamingen, Waakt!" In dit artikel betoogde hij dat de Vlamingen moesten reageren tegen de franskiljonse beschuldigingen.

Borms had sinds de herfst voeling gehouden met een kleine groep radicale flaminganten onder wie Jozef van Wetteren en Jozef van den Broeck. Het waren niet alleen uitspraken in de pers die hem en zijn geestesgenoten opjoegen. Van achter het front schreef zijn vriend en oorlogsvrijwilliger August Willekens dat hij geen vertrouwen had in de wil van het officierenkorps om de bestaande taalwetgeving toe te passen, laat staan verdere wetgeving te aanvaarden. Borms maakte zich vanaf die eerste bezettingsmaanden verdienstelijk met allerlei dienstbetoon, onder meer voor krijgsgevangen Vlaamse soldaten en hun families. Dat gebeurde met de financiële steun van de nijveraar Van Hoofstad. Vanuit die bekommernis en met de bedoeling een flamingantisch blad Antwerpen Boven op te richten, kwam het tot contacten met de bezetter.

De Duitsers hadden ondertussen hun Flamenpolitik opgestart met het doel bondgenoten te kweken die behulpzaam konden zijn bij de inrichting van een vazalstaat op het Belgische grondgebied. Duitse agenten speurden het land af naar individuen en kringen die daarvoor aanspreekbaar waren. In Antwerpen was dat de taak van Max Gerstenhauer. Gerstenhauer had maar gedeeltelijk succes: de Flamenpolitik van de bezetter zou de sterke vooroorlogse flamingantische kern van de havenstad niet over de brug trekken maar ze integendeel versplinteren, omdat slechts een deel bereid was – en dan nog vaak slechts tot op beperkte hoogte – op het Duitse lokken in te gaan.

De man die zich in de loop van 1915 als eerste voorzichtig en geleidelijk liet inschakelen in deze Duitse Flamenpolitik was Borms. Dat gebeurde door voluit de flamingantische kaart te trekken. Dit opnieuw opnemen van de vooroorlogse draad werd door de meerderheid van de Antwerpse flaminganten geïnterpreteerd als een ontoelaatbare verbreking van de Godsvrede die de taalstrijd had bevroren tot na de oorlog. Gedurende vele maanden moest Borms zich beperken tot kleine groepjes van gelijkgezinden, al probeerde hij velen van zijn vroegere strijdmakkers via persoonlijke gesprekken ontvankelijk te maken voor een 'actieve' houding.

De grote vooroorlogse flamingantische organisaties weigerden als dusdanig opnieuw actief te worden. Een van de eerste grote vergaderingen vond plaats in De Gulden Spoor bij Frans Claes, in de eerste helft van 1916. Volgens ooggetuige Cyriel Rousseeu waren er 72 mensen van alle schakeringen aanwezig. Er werd voorgesteld zich – vanuit een 'Vlaams' oogpunt – voor te bereiden op de komende vredesonderhandelingen en de heropening onder Duits bestuur van de Gentse Rijksuniversiteit als Vlaamse Hogeschool te verdedigen. Toen Borms in de verenigingen zijn houding kwam bepleiten stootte hij overal op weerstand en werden zijn weinige medestanders overal de deur gewezen. Op de kleine militante kern van de Groeningerwacht na, volgde geen enkele flamingantische organisatie hem. Dat betekende dat Borms het Antwerpse activisme van de grond af moest opbouwen.

Met steun van de Duitsers slaagde Borms erin greep te krijgen op het dagblad Het Vlaamsche Nieuws. Samen met Jozef de Keersmaeker, Albert van den Brande, Raf Verhulst, Van Wetteren en Rousseeu verspreidde hij het activisme in Antwerpen. Ze kregen daarbij steun van een aantal intellectuelen die in stadsdienst waren als ambtenaar, leerkracht of musicus en van jongeren die nog op de schoolbanken zaten of op de drempel van het beroepsleven stonden. Vaak waren zij afkomstig van het koninklijk atheneum. Deze kleine kring zou zich geleidelijk uitbreiden en de komende jaren een hele reeks nieuwe organisaties stichten.

Oorspronkelijk werd daarbij geprobeerd om de levensbeschouwelijke verschillen op de achtergrond te houden. Zo werd op 2 april 1916 het Vlaamsch Verbond gesticht. Gezien de geringe aantrekkingskracht werd in de loop van 1917 meer en meer geopteerd voor organisaties en publicaties met een duidelijke ideologische kleur. Zo ontstond het meer gematigde en katholiek getinte weekblad De Eendracht. Socialistische activisten hadden sinds 17 januari 1917 een spreekbuis in De Socialistische Vlaming die in juni overging in De Nieuwe Tijd. Begin 1918 was er in de havenstad een Centrale voor Sociaal-Democratische Actie aan het werk.

Katholieke intellectuelen kozen voor Per Crucem ad Lucem, de activisten uit de katholieke arbeidersbeweging stichtten Voor Vrede en Zelfstandig Vlaanderen, de Vlaamsche Christen-Sociale Bond. Het Katholiek Vlaamsch Secretariaat moest de activistische agitatie in katholieke kringen stimuleren. De liberalen zaten in Voor Vrede en Vrij Vlaanderen, Activistische Groep der Liberale Volkspartij en Help U Zelve. De socialisten hadden hun Minderheidsfractie der Socialisten (minderheidssocialisten). De Vlaamsch Sociaal-Democratische Arbeidersgemeenschap richtte zich specifiek op de arbeiders. Een groot deel van de agitatie gebeurde onder het vaandel van jongerenbeweging: Groeningerwachten, Vlaamsche Padvinders, de Activistische Schoolbond, de Vlaamsche Voorwachten enzovoort of als vredesbeweging met het Verbond voor Wereldvrede.

Deze organisatiedrift werd sterk gestimuleerd door het feit dat er een welvoorziene subsidiestroom naar Antwerpen vloeide waardoor er tientallen banen en een stevige bijverdienste voor nog veel meer mensen konden worden geschapen. Deze activistische groepen werden in de loop van 1918 samengebracht in een coördinatieorgaan, het Hoofdbestuur voor Vlaamsche Actie waarin alle ideologische fracties zitting hadden. Het bestond uit vijf afgevaardigden van verenigingen: Lodewijk Sips, Edward Joris, Juliaan L. Mees, Lode de Rooy, Verwimp; twee mensen uit de Raad van Vlaanderen waar de Antwerpenaars een 'bank' vormden: Van den Brande en Walter Tamm; twee uit de Gouwraad: Vloemans en Manssens. Karel Waternaux werd secretaris. Het doel was de propaganda, onder leiding van Waternaux, krachtiger te kunnen voeren en het in handen nemen van het Antwerpse schepencollege. De Duitsers hadden dat in het vooruitzicht gesteld maar durfden er uiteindelijk niet aan te beginnen.

De activistische beweging in Antwerpen toonde zich wat minder pro-Duits en anti-Belgisch wanneer we ze vergelijken met Gent of Brussel en in ieder geval veel meer antimilitaristisch. Vele Antwerpse activisten hielden zelfs afstand van de te radicaal geachte Raad van Vlaanderen die in het begin van 1917 was opgericht en haar afhankelijkheid van de bezetter toonde met de reis naar Berlijn in maart van dat jaar.

De beweging kon figuren aantrekken die in de drie traditionele partijen iets betekenden. Daar waren twee parlementsleden bij, de katholiek Adelfons Henderickx en de liberaal Augusteyns, en het gewezen parlementslid Florimond Heuvelmans. Maar ook bekende socialistische militanten zoals Jef van Extergem, Jules de Kinder en Joris. De keuze voor het activisme betekende telkens een min of meer bruuske uitdrijving uit hun vroegere politieke milieu.

De tegenstand was immers hoe langer hoe sterker en vooral veel meer verbeten geworden. In de politieke wereld waren de liberalen Franck en Karel Weyler prominenten die het aandurfden openlijk dwars te gaan liggen tegen de Flamenpolitik. Onder Francks leiding zou een grote groep politici op 10 maart 1917 fel protesteren tegen de Berlijnreis. Op 5 juni diende Weyler in het schepencollege een motie in om te protesteren tegen de bestuurlijke scheiding. Burgemeester Jan de Vos antwoordde dat de Duitsers een dreigende brief hadden gestuurd om tegen dergelijke moties te waarschuwen. Hij stelde voor in te binden om zo represailles te vermijden. Protesteren kon gevaarlijk zijn.

De groeiende ergernis bij de bevolking en de Belgischgezinde maatschappelijke elite uitte zich heel scherp op 3 februari 1918 toen een grootscheeps activistisch machtsvertoon, naar aanleiding van de zelfstandigheidsverklaring van Vlaanderen, van de straat werd geveegd door een woedende massa tegenbetogers. Openlijk verzet was nochtans niet zonder gevaar. De activistische ontplooiing tegenwerken kon leiden tot zware straffen en deportaties. Daar werden ook Vlaamsgezinden zoals Franck en Ary Delen het slachtoffer van. Activistische militanten zoals Van Extergem, Robert van Genechten, Jan Hainaut en anderen zouden namen en adressen van openlijke tegenstanders via propagandaverantwoordelijke Waternaux, aan de Duitsers doorspelen met het uitdrukkelijke verzoek aan de bezetter deze mensen te straffen of te verwijderen. De Duitsers gingen evenwel slechts zelden in op die verklikkingen uit vrees voor verdere wanordelijkheden. Een andere vorm van antwoord werd gegeven onder impuls van Borms die, als Gevolmachtigde voor Nationaal Verweer, de vorming van een met knuppels gewapende en getrainde knokploeg, De Vlaamsche Voorwachten of Witte Garde onder leiding van August Breugelmans, stimuleerde en betaalde. De Vlaamsche Padvinders werden als rekruteringsvijver voor deze knokploegen ingeschakeld.

Het interbellum

De wapenstilstand op 11 november 1918 vaagde de activistische aanwezigheid weg en bracht de terugkeer van de niet-activistische flamingantische leiders uit ballingschap en uit de Duitse deportatieoorden. Bij de socialisten trad nu Camille Huysmans naar voren. Het liberaal-socialistische schepencollege onder leiding van de zwakke burgemeester Jan de Vos was nu duidelijk versleten maar zou het nog uithouden tot de gemeenteraadsverkiezingen van 1921. De antiactivistische gevoelens waren algemeen. Op de zitting van 22 november 1918 besloot het college zijn stedelijke administratie en instellingen uit te zuiveren en de activistische ambtenaren te straffen. Twee onderzoekscommissies werden aangesteld, een voor het onderwijzend personeel en een voor de overige stadsdiensten. In januari waren ze klaar en achter gesloten deuren werd beslist tot vele tientallen schorsingen en ontslagen.

Het stadsbestuur zag het activisme wel erg breed en dat viel niet bij elke Antwerpenaar in goede aarde. Haar vijandigheid tegenover elke uiting van flamingantisme hield immers geen rekening met de groei van de Vlaamse natiegevoelens die ook tijdens de bezetting, ondanks de afkeer tegenover het activisme, was doorgegaan. Het stadsbestuur trad erg onhandig op waardoor de indruk werd gewekt dat het de hele V.B. wilde fnuiken. Er waren bovendien ook nog Belgische troepen in de stad. Flamingantische manifestaties leidden vaak tot rellen waarbij stadspolitie, verontwaardigde Belgisch-voelende burgers en soldaten in actieve dienst onder leiding van hun officieren, optraden tegen manifesterende flamingantische studenten en oud-strijders. Groepen activistische jongeren stuurden soms doelbewust aan op rellen. Burgemeester en schepenen dachten de agitatie in de kiem te smoren door elk openbaar optreden onmogelijk te maken. Zo werd een toespraak van Huysmans op een kunstfeest in de Koninklijke Vlaamse Opera verboden met het argument dat er in stedelijke lokalen geen politieke toespraken mochten plaatshebben.

Ondertussen hadden teruggekeerde flamingantische soldaten een eigen partij gesticht, Het Vlaamsche Front of de Frontpartij geheten. Deze kon in de stad en in vele randgemeenten een stevige aanwezigheid uitbouwen en trok onmiddellijk gewezen activisten aan. Deze partij stuurde aan op de verdieping van het conflict over de taalkwestie. Het felst zouden de gemoederen oplaaien toen het college in 1920 de herdenking van de Guldensporenslag verbood. Er kwamen felle protesten en waarschuwingen maar die mochten niet baten. De viering ging dan gepaard met rellen waarbij een jonge manifestant en gewezen activistische militant, Herman van den Reeck, door een politieman werd doodgeschoten. Net op het ogenblik dat de stadspolitie onder bevel stond van de liberale schepen Louis Strauss, een notoir franskiljon.

Op de zitting van de gemeenteraad van 19 juli werd het college daarom fel aangevallen door mensen uit alle partijen, zelfs uit liberale hoek. Strauss verdedigde zich in het Frans, een taal die hij beter beheerste dan het Nederlands en – voerde hij aan: "gij verstaat immers allen Frans". Zijn tegenaanval was scherp: de betogers hadden knuppels en ijzeren staven mee en vielen de politie aan. Hij beschuldigde de socialistische partij ervan dat ze om electorale redenen, de leiding wilde nemen van het flamingantisme in de stad, "een beweging die tot nog toe werd aangevoerd door enige klerikalen, door de Frontpartij en door neo-activisten (...)". Dat de gemeenteraad in meerderheid Vlaamsgezind was – en dat ook ostentatief wilde tonen – blijkt uit het feit dat zij op deze zitting vóór de vernederlandsing van de Gentse Rijksuniversiteit stemde met 20 stemmen, één tegenstem (de Gueldre) en drie onthoudingen (Strauss, De Vos, Paul Baelde). Een stemming die de gemeenteraad overigens twee jaar later, 10 juli 1922 nog eens zou overdoen met het doel de regering onder druk te zetten. Daarbij bleek hoezeer het naoorlogse militante franskiljonisme nu voornamelijk terug te vinden was in de rangen van de liberale partij.

Dat betekende ook dat de liberale flaminganten in een minderheidspositie gedrongen waren. Ze konden niet meer rekenen op enige steun van hun partij. Maar ze bleven niet werkloos. Op de zitting van de gemeenteraad van 8 november 1920 lokte de Liberale Vlaamsche Bond een debat uit over het taalgebruik en vroeg hij een oplossing voor de openbare besturen. In het debat werd met tevredenheid vastgesteld dat de stad al een halve eeuw Nederlandstalig was. Vermits iedereen nu voldoende Nederlands kende kon men afstappen van de gewoonte om tweetalige bescheiden te laten maken voor de leden van de gemeenteraad. Het argument was dat dit meteen ook tot bezuinigingen zou leiden. Burgemeester de Vos toonde zich evenwel afwijzend.

De socialisten waren, mede onder impuls van hun nieuwe voorman Huysmans, uitdrukkelijk het flamingantische pad opgegaan. Niet alleen uit overtuiging maar ook uit berekening: ze wilden een aantal vrijzinnige activisten recupereren om zo de intellectuele kaders van de partij te versterken. Op de zitting van 2 augustus 1920 vroeg de socialist Henri Longville de naoorlogse bestraffingen van stadspersoneel opnieuw te bekijken met het oog op mildering. Men was te streng geweest: al de betrokkenen waren al van voor de oorlog flaminganten en dus geen collaborateurs van laag allooi die het voor het geld hadden gedaan. Longville minimaliseerde de politieke draagwijdte van het activisme toen hij poneerde dat het enkel ging "om de verwezenlijking van het Vlaamse ideaal". De bestraffing nadien diende slechts om te voldoen aan de "kunstmatig aangehitste openbare mening". Hij pleitte voor verzoening. Zijn pleidooi haalde oude wonden weer open. Enkele gemeenteraadsleden reageerden daarop zeer verbolgen. De burgemeester ketste het voorstel af. Bij dit debat bleek hoezeer de taalkwestie de Antwerpse socialisten verdeelde. De vooroorlogse voorman, de Waalse arts Modest Terwagne, die veelal Frans sprak in de gemeenteraad, kantte zich vierkant tegen Longville: "Vroeger beschouwde de socialistische partij te Antwerpen de Vlaamse kwestie in haar waar daglicht. Bij voorbaat werd zij steeds van de dagorder geweerd. Nooit gaf zij aanleiding tot woordenwisseling." Nu was dat helemaal anders geworden en hij betreurde dat.

Aan katholieke kant werden ondertussen de flamingantische rangen drastisch versterkt. De oude Nederduitsche Bond, steunpilaar van de Meetingpartij, had vele vroegere bestuursleden en militanten verloren aan het activisme en daarna aan de Frontpartij. Mensen zoals Adelfons Henderickx, Emiel Wildiers, Flor Peeters, Jozef van den Broeck en Lodewijk Sips werden gestraft, weken uit of wilden of konden alleszins niet meer binnen de katholieke partij ageren. De groeiende katholieke arbeidersbeweging met flaminganten zoals Hendrik Marck, zorgde evenwel voor een sterke numerieke aangroei. Bovendien was hun vooroorlogse voorman Frans van Cauwelaert, de parlementaire leider van de Vlaamsgezinde katholieken van heel het Vlaamse land. Samen met Alfons van de Perre zorgde hij ervoor dat de Vlaamsgezinden zich verbonden met de zich sterk ontwikkelende katholieke arbeidersbeweging en dat gaf het flamingantisme in de katholieke partij een grote macht. De conservatieve, eerder franskiljonsgezinde vleugel bevond zich in Antwerpen in een minderheidspositie.

Dit betekende dat tegenover de flamingantische meerderheid in zowel de socialistische als in de katholieke partij een oud liberaal-socialistisch schepencollege stond, waarin de anti-Vlaamsgezinden een sterke positie hadden. Dit college beantwoordde niet meer aan de verzuchtingen van de meerderheid van het electoraat en zou in 1921 van de kaart worden geveegd. Antwerpen kreeg een meerderheid die duidelijk het gevolg was van de emancipatorische stroming die door de oorlogservaringen werd gestimuleerd, namelijk socialistisch en christen-democratisch met een sterke flamingantische kleur. Maar niet elke geradicaliseerde flamingant was bereid om in een dergelijke politieke formatie mee te werken en op 4 april 1919 werd er officieel een nationalistische zweeppartij gesticht: Het Vlaamsche Front, beter bekend als de Frontpartij.

In haar programmabrochure, nog vóór de verkiezingen van 1919, beweerde de Antwerpse partijafdeling van Het Vlaamsche Front dat zij elke "godsdienststrijd" wilde staken, "totdat de grote hervorming van ons staatsleven in Vlaamse zin, een voldongen feit zal wezen". Heel uitdrukkelijk werd geschreven dat de leiding voorlopig enkel uit oud-strijders bestond, al zouden er ook burgers in het bestuur komen zetelen. De partij stelde zich pro-Belgisch maar federalistisch op. Het programma werd ondertekend door "de militaire leiders": Herman van Puymbrouck, Antoon van Gelder, Armand Suls, Willem Salens en Jules Geerardijn. Deze groep legde al heel vroeg contact met achtergebleven activistische militanten en reeds op 26 mei 1919 protesteerde deze partij openlijk tegen de afzetting van zekere stadsbedienden.

De Frontpartij zou zich een klein plaatsje veroveren in de gemeenteraad, maar zou evenwel nooit boven de drie vertegenwoordigers uitkomen. Haar raadsleden leverden onder meer kritiek op de tekenen van francofonie die nog her en der in de stad merkbaar waren. Op de zitting van 22 juli 1921 vroeg Emiel Wildiers om alleen nog Nederlands toe te laten in de stadsdiensten en de vertalingen af te schaffen. Op 1 augustus 1921 kwam hij erop terug. Hij stelde vast dat het Frans, globaal genomen, na november 1918 weer een stuk was opgerukt. In de ogen van Wildiers zou de Belgische overheid, daarbij geholpen door stadsbesturen het plan koesteren "omwille ener hersenschimmige staatkundige eenheid onze Nederlandse taal uit te roeien en met haar alle Vlaams nationaal gevoel te doden". Tweetaligheid bevorderde "het dodend werk van verbastering en ontaarding" en het belemmerde de Vlaamse culturele en economische ontwikkeling. België was nog wel het gemeenschappelijk vaderland maar daarbinnen wilde hij een vrij Vlaanderen.

Van Cauwelaert was op dat ogenblik nog schepen, omdat zijn benoeming tot burgemeester in Brussel werd vertraagd, maar in de Kamer van Volksvertegenwoordigers was hij de grote pleitbezorger van de nieuwe wet op het taalgebruik in bestuurszaken die op 28 juni 1921 werd goedgekeurd. Het debat in de Antwerpse gemeenteraad had de bedoeling de controverse rond deze nieuwe taalwet te bevorderen. In de Kamer bestreden de Fronters deze wet en ze zouden ook de Antwerpse gemeenteraad daarvoor als forum gebruiken. Fronter Hubert Melis, de wegens activisme afgezette vroegere gemeentesecretaris, sprak de vrees uit dat deze wet Vlaanderen tweetalig zou maken. Van Cauwelaert antwoordde dat de wet integendeel het Nederlands vóór het Frans zou plaatsen en dus verder ging dan de vroegere toestand van faciliteiten voor het Nederlands. Al vond hij ook dat Franse brieven vanwege burgers, uit beleefdheid, ook een Frans antwoord moesten krijgen. Hij wilde zelfs nog het recht erkennen om Frans te spreken in de gemeenteraad. Het Nederlands zou toch primeren. Daarbij speelde natuurlijk ook mee dat zowel katholieken als socialisten nog een stuk Fransgezinde aanhang in hun partij hadden. Van Cauwelaert en Camille Huysmans wilden die niet bruskeren want de liberale partij was maar al te bereid om dissidenten om taalredenen in haar rangen op te nemen.

De nieuwe meerderheid van socialisten en katholieken was nochtans vastbesloten ook in Antwerpen een nieuwe wind op taalvlak te laten waaien. Op 24 oktober 1921 zou de flamingantische advocaat en dienstdoende burgemeester Hector Lebon zeggen dat er een nieuw voorstel betreffende het taalgebruik door de stadsdiensten was ingediend. Van Cauwelaert gaf uitleg: hij wilde het inwendige bestuur volledig in het Nederlands en ook wenste hij het Nederlands meer gebruikt te zien in de betrekkingen met rechtbanken en met de centrale besturen in Brussel. Fronter Wildiers wees tegemoetkomingen tegenover Franstalige burgers af. Er kwam een reactie: eind 1921 stuurde het Comité anversois de Pétitionnement en Faveur du Bilinguisme verzoekschriften naar het stadbestuur.

Ondertussen zou de erfenis van het activisme verder gecultiveerd worden door de Vlaams-nationalisten. Gewezen activisten traden toe tot de bestuursorganen van de partij. Mensen zoals Adelfons Henderickx en Herman Vos zouden na korte tijd de gewezen soldaten domineren. Op 19 juni 1922 stelde raadslid Wildiers voor om van 11 juli een officiële feestdag te maken in de stad. De leeuwenvlag moest aan de toren van de kathedraal hangen en een straat of plein moest de naam krijgen van Herman van den Reeck. Hij hield een verheerlijkende uiteenzetting over de neergeschoten jongen. Van Cauwelaert liet zich niet in dergelijk antagonisme dwingen tegenover de Belgische patriotten en wees het vernoemen van een straat naar Van den Reeck resoluut af. Voor hem was dat meteen ook een huldiging van het separatisme en daar wilde hij niet in meestappen. Hij moest ook niet meer zo bevreesd zijn voor de Fronters want die bleken in de stad geen echte politieke bedreiging te kunnen vormen. Wildiers gaf dat onrechtstreeks toe: "Het is echter wel waar, dat de geestdrift, die wij vroeger hebben gekend, in sommige Vlaamse middens is verzwakt."

In augustus 1922 zou het andere Frontgemeenteraadslid Melis ontslag nemen en opgevolgd worden door Jozef Strijcckers. Op 14 juli 1924 trad Wildiers terug en nam Anna Mortelmans zijn plaats in. Zij zou het niet lang volhouden, eind 1925 werd ze vervangen door apotheker Jules de Praeter. Hierbij valt op dat de Frontverkozenen in de gemeenteraad voornamelijk mensen waren die in het activisme hadden gestaan. De gewezen soldaten van de Frontbeweging hadden al na korte tijd de leiding moeten overlaten aan de oud-activisten.

De Antwerpse Fronters probeerden een eigen Vlaams-nationalistische zuil op te bouwen naar het voorbeeld van het activisme en de Aalsterse daensisten (daensisme). Bij de 11 juli-optocht in 1922 marcheerden achter Frontvlaggen: Klimop, de Padvinders, een turngroep, Jong Vlaanderen enzovoort. Dit Guldensporenfeest had getoond dat ze een dergelijke manifestatie zelfstandig aankonden. Zo volgden er nog coöperatieven en verkoop van steenkolen waarbij de partijkas een deel van de winst kreeg. De partijmilitanten plaatsten hun kinderen in de diverse organisaties voor jongeren. Het partijbestuur wilde ook de intellectuele middenstand bereiken. Op de bestuursvergadering van 25 mei 1923 deelde voorzitter Herman van Puymbrouck met instemming van de vergadering mede dat de partij kamertoneel, kamerconcerten en voordrachten en dergelijke meer zou inrichten. De Volksuniversiteit Herman van den Reeck ontplooide nog vele jaren lang activiteit.

Sterk was dit netwerk niet. In november 1923 al werd de partijleiding zich ervan bewust dat de Vlaamsche Padvinders dreigden Belgischgezind te worden omdat een deel van de leiding zich wilde aansluiten bij de Belgische scoutsassociatie. Hun materiaal, voor een waarde van verscheidene duizenden franken (onder meer tenten, vlaggen en muziekinstrumenten) was betaald met geld van de Frontpartij. Ze beschouwden dat als Vlaams-nationaal bezit. Een vereniging zonder winstgevend doel met de naam Volksheil werd op 1 januari 1924 opgericht als officiële eigenaar van al het waardevolle materiaal dat door de netwerkorganisaties werd gebruikt. Het hele bezit van Het Vlaamsche Front werd in Volksheil ondergebracht. Daarbij hoorden een kinderboekerij, de muziekinstrumenten van de diverse Frontfanfares en gedeeltelijk ook het Vlaamse Huis-met-partijsecretariaat Malpertuus.

Het dagblad De Schelde, dat verscheen vanaf 15 april 1919, was een erg Antwerps getint blad maar de redactie werd slechts gedeeltelijk gedomineerd door de partijleiding. Fronters konden er onder andere artikels over buitenlandse politiek in kwijt. De partijleiding vond echter haar zeggenschap in de redactie onvoldoende. Daarnaast was er nog het weekblad De Ploeg dat wel volledig door de partij beheerst werd.

Toen de partij in 1925 verkiezingswinst boekte, was de partijleiding ervan overtuigd dat dit te danken was aan de hoge organisatiegraad van haar achterban in Groot-Antwerpen. Toch waren er in 1927 in stad-Antwerpen slechts een duizendtal leden, en dat was dan een van de sterkste partijafdelingen. Bij de 11 juli-optocht van 1928 stapten ze achter hun respectievelijke vaandels op: de Vlaamsche Jeugd, de Nieuwe Jeugd, de Dosfelgilde, het Antwerpsch Studentenverbond, de Vlaamsche Bond Ontwikkeling, de Vlaamsche Bond Voorwaarts, het Vlaamsch-Nationaal Jeugdverbond enzovoort. In de partijarchieven duikt ook een Vlaams-nationale vereniging van postzegelverzamelaars op die begin 1926 zou zijn gesticht. Het waren organisaties die veeleer appelleerden aan studenten en intellectuele middenklasse en ze trokken dus maar een beperkt publiek aan. De wereld van de arbeiders werd vrijwel niet beïnvloed en daar stonden de socialisten en christen-democraten sterk.

Front-Antwerpen was dé grote verdediger van de Godsvrede die vrijzinnige en katholieke Vlaams-nationalisten met elkaar moest verbinden. Dat werd in de rest van het land vaak anders gezien en Antwerpen voelde zich daarbij erg ongemakkelijk. Begin 1926 kwam de Antwerpse groep op de markt met het weekblad Ons Vaderland waarmee het probeerde een algemeen aanvaarde spreekbuis voor de partij te creëren. Dat zou nooit lukken en ook binnen de agglomeratie kwamen er dissidente groepen op. Vele kaderleden van het Front waren uitgesproken vrijzinnig en sommige katholieke Vlaams-nationalisten voelden zich daarbij niet echt gelukkig. Al in 1922 waren er onder leiding van Emiel Wildiers pogingen om de katholieke nationalisten samen te brengen. De groeipool Antwerpen trok bovendien mensen aan uit de Vlaamse plattelandsgebieden. Daar was de politieke traditie eerder katholiek-traditionalistisch gericht en bij hen was het Godsvrede-principe niet populair.

Niet alleen de Antwerpse Fronters werden bedreigd door dissidentie. Rond het midden van de jaren 1920 was er ook in kringen van de christelijke arbeidersbeweging voldoende ongenoegen gegroeid om het te proberen met een eigen politieke formatie tegen de te conservatief geachte partij. Frans van Cauwelaert had in 1925 immers opnieuw samenwerking gezocht met Paul Segers, voorman van de conservatieve, franskiljonse vleugel. Het lag voor de hand dat deze flaminganten aansluiting zouden zoeken bij katholieke Vlaams-nationalisten die ontevreden waren over de Godsvrede-lijn van Het Vlaamsche Front.

In het begin van 1925 werden in Antwerpen een manifest, standregelen, een programma en een oproep door een Katholieke Christelijke Volkspartij voor Vlaanderen verspreid. De voorzitter was advocaat Leo Scheere die in Ekeren woonde. Hij was afkomstig uit Oudenaarde, actief in de katholieke studentenbeweging en oorlogsvrijwilliger. Na zijn studies vestigde hij zich in Antwerpen als advocaat maar zijn katholieke overtuiging weerhield hem ervan aansluiting te zoeken bij de Frontpartij. Hij zocht wel contact met kringen van de arbeidersbeweging en met flamingantische intellectuelen. Er waren ook gewezen activisten bij betrokken zoals Emiel Schiltz, Antoon Wolfs en Louis de Ley. De leiding van de Antwerpse Fronters zag zich voor een nieuwe uitdaging gesteld.

Ondertussen doken ook in de coalitie moeilijkheden op van levensbeschouwelijke aard. In 1927 kreeg de hernieuwing van het coalitieakkoord tussen Van Cauwelaert en Camille Huysmans slechts een kleine meerderheid bij de socialistische partijafdeling. De subsidiëring van de katholieke scholen stuitte vele socialistische militanten tegen de borst. De versterking van de levensbeschouwelijke tegenstelling bij de grote partijen verzwakte het flamingantisme in die kringen. Immers, zowel de conservatieve katholieke burgerij als de liberale partij werd voor Van Cauwelaert en Huysmans belangrijker en die waren lang niet zo Vlaamsgezind. Die langzame maar onmiskenbare evolutie werd tijdelijk verdoezeld door een stunt zonder voorgaande: de Bormsverkiezing.

Al sinds 1924 droomde de Frontleiding ervan in Antwerpen een grote electorale slag te slaan, die het anti-belgicisme zou vooruithelpen. Het plan was August Borms, boegbeeld van het Antwerpse activisme die nog in Leuven gevangenzat, bovenaan op de verkiezingslijst te plaatsen. Pas in 1928 waren de omstandigheden ideaal om tot actie over te gaan. Het ging om een tussentijdse verkiezing na de dood van een liberaal parlementslid. Normaal dienden de andere partijen dan geen kandidaten in zodat de zetel automatisch toeviel aan de partij van de overledene. De liberalen zetten de franskiljon Paul Baelde in. De Frontpartij stelde Borms als kandidaat op.

In deze zwart-witsituatie kon het symbool ten volle spelen. Op 9 december 1928 kreeg Borms een overdonderende meerderheid van 83.058 stemmen tegen 44.410 voor Baelde. Het electoraat wist dat Borms toch onverkiesbaar was waardoor een stem op hem geen enkel risico droeg en een zuivere proteststem was tegen de liberale partij en meteen een flamingantische verwittiging voor de rest van het land. Toch waren er ook nog 58.052 blanco of ongeldige stemmen van mensen die het franskiljonisme niet wilden steunen maar evenmin een stem wilden geven aan een ter dood veroordeelde landverrader. Deze verkiezingen waren belangrijk omdat tot uiting kwam hoe groot het ongenoegen in Vlaanderen was over een bepaalde soort Belgische politiek die geen rekening hield met het groeiende Vlaamse natiegevoel. Antwerpen speelde daarbij de eerste viool. Elders in het land was dit hoge stemmenaantal voor Borms een schok voor de Franstaligen. Het was nu voor iedereen duidelijk dat de militaire overwinning op de Duitsers in 1918 niet had kunnen verhinderen dat België verder uit elkaar dreef. Het Vlaamse natie-bewustzijn bleef immers groeien.

Op 9 oktober 1932 waren er opnieuw gemeenteraadsverkiezingen onder een zware levensbeschouwelijke slagschaduw. Het Front haalde 11.184 stemmen. De katholieken waren nu de grootste partij maar werden door een vrijzinnige coalitie in de oppositie gedrongen. Huysmans werd burgemeester van een socialistisch-liberaal schepencollege. De Vlaams-nationalisten stuurden Antoon Picard en Jan Timmermans naar de gemeenteraad.

De Bormsverkiezing was slechts één, zij het spectaculaire, stap in de verheerlijking van het activisme. Dat proces was al jaren bezig en werd gekoppeld aan een ommezwaai naar rechts. Er stond immers een nieuwe generatie Vlaams-nationalisten te dringen, mensen die gevormd waren in de naoorlogse jeugdbeweging. De meest opvallende was Jan Timmermans. Hij was geboren uit Nederlandse ouders, vertegenwoordigers van de wat betere middenstand. Hij verwierf de Belgische nationaliteit op 18-jarige leeftijd. De vier jaar oudere activistische militant Floris Couteele, die naast hen woonde, had op Timmermans veel invloed. Aan het atheneum in Antwerpen werd hij opgenomen in de radicale flamingantische kringen waartoe ook Herman van den Reeck behoorde. Timmermans zette na diens dood zijn taak bij het studententijdschrift De Goedendag verder. Daarbij kreeg hij hulp van zijn vriend Karel Peeters, wiens ouders activist waren geweest. Hoe radicaal deze jongeren waren bleek toen zij op 2 september 1920 te Antwerpen Jong Vlaanderen stichtten. De naam verwees rechtstreeks naar de anti-Belgische ultra's onder de activisten. Zowel Timmermans als Peeters zou onder meer in Berlijn studeren. Timmermans studeerde voor advocaat en liep stage bij Emiel Wildiers.

In de marge van de Frontpartij groeide deze generatie op. In 1933 werd Timmermans voorzitter van de Antwerpse partijafdeling. Ondertussen was het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) ontstaan dat onder leiding van Staf de Clercq alle nationalisten zocht te groeperen. De Antwerpse Fronters zijn slechts heel geleidelijk door het VNV opgeslorpt. De ideologische kleur van het VNV verschilde immers sterk van wat de Frontpartij voordien had verdedigd en dat hield veel militanten tegen. Herman Vos, jarenlang de parlementaire leider en belangrijkste redacteur van de Antwerpse Frontpers, gaf zijn ontslag op 1 november 1933. Er was al een VNV-afdeling actief onder leiding van advocaat Maurits Lambreghts maar De Clercq wilde het liefst de hele Antwerpse Frontafdeling binnen zijn Verbond brengen. Herman van Puymbrouck, vroeger partijvoorzitter en nu hoofdredacteur van De Schelde (1919-1936), maakte op 30 september 1934 bekend dat hij bij het VNV aansloot. Hij was niet alleen. Timmermans en Peeters leidden de groep die, na lang aarzelen, toch naar het VNV wilden. De Fronters van de oude Godsvrede-stempel deden voort onder de oude benaming maar van het uitgebreide netwerk van organisaties schoot niet veel meer over.

Deze evolutie in het begin van de jaren 1930 betekende dat de ideologische strijd binnen het Antwerpse Vlaams-nationalisme sterk verhevigde. Het VNV bracht immers een ideologie mee die niet alleen anti-Belgisch maar ook antidemocratisch was. In haar uitingen was zij veel meer verbonden aan de taal en de vormen die op het katholieke platteland gebruikelijk waren, hetgeen vele stadsbewoners niet aanstond. De Godsvrede-Fronters hadden het over "de andere zogenaamde Vlaams-nationale groeperingen voor wie de nationale strijd slechts als een onderdeel geldt hunner taak". Voor hen was de verwezenlijking van het VNV-programma slechts mogelijk als het op autoritaire wijze werd doorgedrukt. Dat was fascisme en werd met klem afgewezen. Bij de volgende verkiezingen bleek evenwel telkens de onmacht van de erfgenamen van Het Vlaamsche Front uit de jaren 1920.

Timmermans stelde ondertussen het VNV het liefste voor als een democratische partij. Maar notoire leden van zijn partij toonden op scherpe wijze hun antisemitisme en hun bewondering voor het nationaal-socialistische Duitsland van Adolf Hitler. Daarin werden zij aangespoord door het dagblad Volk en Staat, de opvolger van De Schelde, die nu onder leiding van de vroegere Frontleider, Van Puymbrouck stond. De verhoudingen met de flaminganten in de katholieke en socialistische partij werden door die verrechtsing ijzig. In 1935-1936 viel Timmermans Frans van Cauwelaert fel aan maar de katholieke leider won een proces wegens eerroof. Burgemeester Camille Huysmans viel in de gemeenteraad herhaalde malen scherp uit tegen de VNV-vertegenwoordigers die hij verafschuwde als vazallen van het nationaal-socialistische Duitsland. Het flamingantisme was nu vrijwel verdwenen uit de politieke retoriek. Het ging nu ook in Antwerpen om een keuze voor of tegen de Belgische staat. Daarachter verschool zich ook de vraag welke maatschappij men wilde, een democratische of een autoritaire.

Deze ideologische koerswijziging deed het bestand partijleden dat in de jaren 1920 verhoudingsgewijs uitgebreid was, wegsmelten. De vroegere Frontleider en advocaat Hendrik Picard schreef in 1938 dat de partij destijds een honderdtal onderwijskrachten en ettelijke dozijnen tolbedienden en PTT-mensen als militanten telde, alsmede veel diamantbewerkers. Nu was die aanhang weggesmolten: "Brood en antifascisme hebben in de Vlaams-nationale rangen – ik spreek van de stad – lelijk huisgehouden." VNV-partijsecretaris en Aalstenaar Ernest van den Berghe besefte dat jaar ook dat er grote moeilijkheden waren in Antwerpen: "Antwerpen behoort tot de weinige steden waar we iets betekend hebben en ik vrees dat we er op dit ogenblik niet meer bestaan."

De kernstad had van oudsher een sterk vrijzinnig getinte flamingantische aanwezigheid en die voelde zich hoe langer hoe meer in de verdrukking komen. Het VNV pakte de voorbereiding van de gemeenteraadsverkiezingen van 16 oktober 1938 grondig aan. Daarbij werd samenwerking gezocht met katholieke partijen met het doel 'marxistische' meerderheden uit te schakelen. De katholiek-flamingantische pers reageerde meestal positief, met uitzondering van het blad van de Antwerpse voorman Van Cauwelaert Elckerlyc. De vrijzinnigen – en dan vooral de socialisten – voelden aan dat deze concentratie tegen hen gericht was. In vele Antwerpse randgemeenten werden concentratielijsten van de Katholieke Vlaamsche Volkspartij (°1936), het VNV en Rex ingediend (Vlaamsche Concentratie). De VNV-pers onderstreepte dat het de bedoeling was de "rode gordel" rond de stad te breken. Deze lijsten haalden het in een aantal gevallen. Het zette de vrijzinnige Vlaams-nationalisten aan tot een andere electorale keuze, weg van de nationalistische lijsten. In de stad zelf was er nochtans geen concentratielijst ingediend. Dat jaar werd nog maar één VNV'er verkozen die in volkomen isolement zetelde. De lijst van het Front haalde een onbetekenend aantal stemmen. Nochtans was het potentieel aan proteststemmen nog lang niet uitgeput. De lijst van Leo Frenssen met zijn "technocratische" partij haalde zes zetels.

Gelet op het gevaar van uiterst-rechts en uiterst-links en de oorlogsdreiging verkozen de drie traditionele partijen de handen in elkaar te slaan en een drieledig schepencollege te vormen onder burgemeester Huysmans.

De Tweede Wereldoorlog

Op 10 mei 1940, bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, werd een aantal anti-Belgische militanten die ervan verdacht werden een veiligheidsrisico te vormen of die eventueel met de bezetter zouden kunnen collaboreren, aangehouden (Spooktreinen). In Antwerpen was dat het lot van Jan Timmermans, August Borms, René Lagrou en verscheidene anderen. Door de snelle Duitse opmars werd een deel van hen naar Frankrijk gevoerd en daar geïnterneerd. Na de capitulatie van het Franse leger werden deze gevangenen bevrijd. Op 11 juli 1940 was Borms weer in Antwerpen. Opnieuw koos hij de zijde van de bezetter.

Deze wilde in de eerste plaats rust en orde en een zo volledig mogelijke inschakeling van de economie in de oorlogsinspanning. In Antwerpen werd daarom de oude politieke elite niet verdrongen onder impuls van de bezetter. Huysmans nam niet het risico van opsluiting in een concentratiekamp omwille van zijn vooroorlogse antifascistische opstelling en week naar Londen uit. Secretaris-generaal van binnenlandse zaken Jean Vossen benoemde de katholieke leider Leo Delwaide tot burgemeester. Delwaide was eerste schepen en bij het vertrek van burgemeester Huysmans was hij al automatisch – daarin bevestigd door goeverneur Georges Holvoet – de facto burgemeester geworden. Het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) was teleurgesteld omdat het oude regime op die manier vast in het zadel bleef, al zaten er her en der in de randgemeenten ook VNV'ers in de schepencolleges. Delwaide slaagde er jarenlang in om een Belgischgezinde meerderheid te behouden in de eengemaakte agglomeratie Groot-Antwerpen. Toch werden er hoe langer hoe meer Duitsgezinde schepenen benoemd zoals Timmermans, de rexist Odiel Daem, de gewezen activist Robert van Roosbroeck, Dr. Piet Boeynaems en Berten Vallaeys.

In de stad toonde ook de SS zich nadrukkelijk waarbij advocaat Lagrou zeer actief was. Hij dreef een deel van de Antwerpse collaboratie in een zeer radicaal spoor en zette zijn aanhang aan tot gewelddadige pogroms in de jodenbuurt. Deze spanningen binnen de collaboratie waren een afspiegeling voor de verschillen in visie bij de bezetter. De militairen in Brussel wilden niet dat de traditionele Antwerpse politici weggingen en zij weigerden eventuele ontslagen. Pas in het begin van 1944 stapte Delwaide toch op. VNV-leider Timmermans werd waarnemend burgemeester. Als nieuwe schepenen verschenen onder meer zijn vriend Karel Peeters en de advocaat Ignace van den Brande.

Bij de bevrijding van de stad op 4 september 1944 waren vele collaborateurs, waaronder Borms, al naar Duitsland gevlucht. De stad had nog maandenlang te lijden onder de krijgsverrichtingen. Het flamingantisme was zwaar gecompromitteerd.

== Na 1945== De eerste gemeenteraadsverkiezingen na de Tweede Wereldoorlog, in november 1946, draaiden in Antwerpen vooral uit op een krachtmeting tussen katholieken en socialisten. Een poll bij de Christelijke Volkspartij (CVP) gaf de eerste plaats aan Leo Delwaide, die vanaf de bezetting tot begin 1944 waarnemend burgemeester van (Groot-)Antwerpen was geweest, en dit ondanks het feit dat er tegen hem een onderzoek hangende was. Delwaide was echter voor de Antwerpse socialisten, onder aanvoering van de toenmalige eerste minister Camille Huysmans, onaanvaardbaar als kandidaat-burgemeester. De regering-Huysmans vaardigde snel een besluitwet uit die personen tegen wie een aanklacht berustte bij het krijgsgerecht onverkiesbaar verklaarde. Delwaide trok daarop zijn kandidatuur in en de voorzitter van het Algemeen Christelijk Werk(nem)ersverbond (ACW), Paul-Willem Segers, schoof naar de eerste plaats op de CVP-lijst. Als lijstduwer zette de CVP de echtgenote van Delwaide op de lijst. De verkiezingen draaiden uit op een overwinning voor de CVP die nipt de absolute meerderheid miste. Mevrouw Delwaide behaalde een monsterscore van 41.486 voorkeurstemmen. Daarmee hadden de Antwerpenaars ook duidelijk gekozen tegen een al te harde repressie.

De Antwerpse CVP verkoos toch om een grote coalitie te vormen met de socialisten. Het akkoord werd vooral bewerkstelligd via besprekingen tussen de oud-activist Lode Craeybeckx en Segers. Twistpunt bleef het burgemeesterschap: de CVP weigerde de BSP-kandidaat Huysmans en de Belgische Socialistische Partij (BSP) weigerde de CVP-kandidate mevrouw Delwaide. Daardoor kwam de weg vrij voor Craeybeckx om het burgemeesterschap namens de BSP op te nemen: op 9 april 1947 werd hij met terugwerkende kracht tot 1 januari 1947 benoemd, hij zou het ambt bijna dertig jaar vervullen. Zijn aanstelling gebeurde zeer tegen de zin van Huysmans met wie hij een persoonlijke vete had.

Samen met onder meer Segers was Craeybeckx een van de belangrijkste Antwerpse voormannen in de naoorlogse V.B. Hij zorgde onmiskenbaar voor een flamingantische reflex in het stadsbestuur. Het flamingantisme van Craeybeckx was echter wel pragmatisch en gebonden aan zijn ideologische overtuiging; hij zorgde ervoor nooit de steun van zijn partijgenoten te verliezen. Antwerpen organiseerde onder zijn impuls al in 1947 een officiële Guldensporenviering op de Grote Markt, het zou een jaarlijkse traditie worden. Craeybeckx onderstreepte bij deze gelegenheden tijdens zijn toespraak steeds de algemene eisen van de V.B. Op 6 september 1954 was Craeybeckx, naast de CVP'er Segers en de liberaal Frans Grootjans, een van de sprekers op een driepartijenmeeting in de Antwerpse Handelsbeurs naar aanleiding van de bekendmaking van de resultaten van de talentelling van 1947 door de regering-Achille van Acker. Deze meeting was georganiseerd door het Comité voor Cultuurverspreiding, een vereniging die in 1946 was opgericht om de werking van het vroegere Verbond van Vlaamse Cultuurverenigingen Antwerpen verder te zetten en die organisaties van diverse gezindheden verenigde. Voorzitter ervan was Lode Baekelmans, secretaris Ger Schmook.

De ban die door collaboratie en repressie was geworpen op de V.B. werd in Antwerpen dus al snel doorbroken. Toch stond de V.B., en a fortiori het Vlaams-nationalisme, er in de eerste jaren na de oorlog allesbehalve schitterend voor. De repressie had het georganiseerd Vlaams-nationalisme van de kaart geveegd. Een groot aantal Vlaams-nationalisten verkeerde in materiële en sociale ellende. In het Antwerpse was het klimaat echter minder slecht dan elders. In de eerste plaats waren er in Antwerpen – blijkens het aantal veroordelingen in het arrondissement in verhouding tot de bevolking – relatief meer 'zwarten' dan elders. Bovendien kozen heel wat getroffen families die na de oorlog verplicht of vrijwillig verhuisden voor de Antwerpse regio. Antwerpen bood de 'zwarten' als stedelijk centrum immers sociale anonimiteit. Bovendien waren er scholen die ervoor bekendstonden dat ze kinderen uit getroffen families opnamen. Voor jongens waren dit bijvoorbeeld het Xaveriuscollege en het Sint-Lievensinstituut, voor meisjes het Sint-Lutgardisinstituut. Tevens was er een aantal bedrijven waarvan geweten was dat ze 'zwarten' in dienst namen, zoals Gevaert.

In Antwerpen ontstond al snel opnieuw een weefsel van nationalistische verenigingen, in hoofdzaak voor en door 'zwarten'. In de eerste jaren na de oorlog dienden deze op de allereerste plaats voor de organisatie van onderlinge solidariteit. Jongens uit getroffen families konden vanaf 1946 terecht bij het Sint-Arnoutsvendel, meisjes bij de Beatrijsschaar. Daarnaast was er een heel aantal verenigingen die opereerden onder een of andere sociaal-culturele dekmantel, bijvoorbeeld het bekende reisgezelschap De Pallieters. Typisch waren de vele volksdansgroepen – die net als voor en vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog in heel Vlaanderen uit de grond rezen – waarin Vlaams-nationalisten elkaar ontmoetten. In 1948 werd te Antwerpen de Volksculturele Gemeenschap opgericht om deze groepen te overkoepelen. De vereniging ging na enkele jaren ter ziele, maar het opzet ervan werd vanaf 1951 verdergezet door de Vlaamse Volkskunstbeweging (VVKB). Tevens was er in Antwerpen ook al snel een tiental 'zwarte lokalen', cafés uitgebaat en gefrequenteerd door Vlaams-nationalisten. Ook in veel Antwerpse randgemeenten verschenen dergelijke Vlaamse lokalen, een traditie die overigens al bestond tijdens het interbellum.

Antwerpen was ook de stad waar het Algemeen Nederlands Zangverbond (ANZ) werd opgericht als voortzetting van het vooroorlogse Vlaamsch Nationaal Zangverbond. Vanaf 1948 werd het Vlaams Nationaal Zangfeest door het ANZ opnieuw ingericht. Drijvende krachten achter de oprichting van het ANZ waren onder meer de Antwerpse Vlaams-nationalisten Herman Wagemans en Willem de Meyer. Het Zangfeest zou vanaf 1953 tot en met 1995 jaarlijks plaatsvinden in het Antwerpse Sportpaleis en hernam geleidelijk zijn Vlaams-nationalistische inslag.

Vanuit Antwerpen kregen de Vlaams-nationalisten voor het eerst weer een stem toen op 17 mei 1945 de eerste editie verscheen van een satirisch weekblad onder de titel 't Pallieterke. Het blad nam aanvankelijk vooral de verdediging van de repressieslachtoffers op zich. Tot op heden verschijnt t Pallieterke als spreekbuis van het radicale Vlaams-nationalisme. Het blad behield ook steeds een duidelijke Antwerpse inslag. Nog scherper dan door t Pallieterke werd de repressie aangevallen door het sarcastische weekblad Rommelpot, dat ook vanuit Antwerpen werd verspreid. Het blad verscheen, in moeilijke omstandigheden, van eind 1945 tot eind 1949. In of vanuit Antwerpen verschenen in deze periode nog meer periodieken met een Vlaams-nationale inslag, deze kenden echter slechts een beperkte oplage en veelal ook een kortstondig bestaan. Het bekendste voorbeeld is het blad Opstanding, uitgegeven door Walter Bouchery.

Voor de uitgave van een Vlaams-nationaal dagblad werden na de Tweede Wereldoorlog herhaaldelijk plannen gesmeed, zeker in Antwerpen, maar ze werden om financiële redenen nooit gerealiseerd. Wel verschenen er katholieke dagbladen met een duidelijk flamingantische inslag. Specifiek voor Antwerpen moet hier de Gazet van Antwerpen worden vermeld. Deze krant verscheen opnieuw vanaf 6 september 1944, de oplage bedroeg in 1945 circa 120.500 exemplaren en kende een hoogtepunt in 1971 met 206.500 exemplaren. Van 1 augustus 1945 tot zijn verkiezing tot CVP-Kamerlid in 1946, vervulde Louis Kiebooms de functie van hoofdredacteur. Daarna publiceerde hij nog wekelijks een hoofdartikel in de krant en ontpopte hij zich in zijn naoorlogse politieke loopbaan tot een voorvechter van een versoepeling van de repressie en later van de amnestiegedachte: hij diende in dat kader een aantal wetsvoorstellen in en speelde een prominente rol in het Verbond van het Vlaams Verzet. Kiebooms werd gevraagd na zijn verkiezing ontslag te nemen als hoofdredacteur. Het toont aan dat de Gazet van Antwerpen toch een onafhankelijkheid wenste te bewaren tegenover de partijpolitiek. Een belangrijk pleitbezorger daarvan was de redactiesecretaris en latere adjunct-hoofdredacteur Dries Craeynest. Samen met hoofdredacteur Louis Meerts stond hij ook garant voor een duidelijk flamingante reflex in de Gazet Van Antwerpen. Politieke redacteurs als Karel de Witte en later Jan Veestraeten verdedigden op Vlaams vlak soms radicale standpunten. De jongste jaren werd de algemene politieke berichtgeving in de krant evenwel sterk afgebouwd. Tevens geeft de Gazet Van Antwerpen heden soms blijk van een bevoorrechte relatie met het Vlaams Blok, bijvoorbeeld op vlak van interviews en primeurs. Het aantal lezers van de krant tuimelde de laatste jaren naar beneden tot 130.000 in 1996.

Naar aanleiding van de parlementsverkiezingen van 1949 kwam het vanuit Antwerpen voor het eerst weer tot een nationalistische partijvorming. Een groep rond Alex Donckerwolcke stichtte er één maand voor de verkiezingen de Vlaamse Concentratie. Deze partij mikte eerst en vooral op repressieslachtoffers, ongeacht hun overtuiging. Om het initiatief wind uit de zeilen te nemen had de CVP, vooral onder impuls van Segers, een senaatszetel verzekerd aan enkele gewezen kopstukken van de collaborerende administratie. De verkiezingsuitslag werd een serieuze tegenvaller voor de Vlaamse Concentratie; enkel in Antwerpen werden er twee provincieraadsleden gekozen. De Antwerpse Kamerlijst, getrokken door het gewezen Rex-gemeenteraadslid Frans Mattheessens, kwam slechts een fractie stemmen tekort. Door het slechte resultaat stierf de partij een wiegendood; er bleef slechts een harde kern over, hoofdzakelijk in Antwerpen, rond voorzitter Donckerwolcke. De organisatorische toestand van de partij en de politieke omstandigheden maakten het voor de Vlaamse Concentratie onmogelijk om bij de parlementsverkiezingen van 1950 – toegespitst op de Koningskwestie – opnieuw in de arena te treden. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1952 kon de partij slechts op enkele plaatsen lijsten indienen. In Antwerpen slaagde men er wel in om Wagemans verkozen te krijgen, ook in Borgerhout was er één verkozene.

Op de vooravond van de verkiezingen van 1954 stonden de politieke kansen van het Vlaams-nationalisme er allesbehalve goed voor. Onder leiding van de Antwerpenaar Walter Couvreur werd daarom een nieuw initiatief genomen. De Vlaams-nationalisten zouden nu aantreden in een kartel met een hoofdzakelijk Antwerpse, dissidente katholieke middenstandsorganisatie (Algemeen Christelijk Middenstandsverbond) en een hoofdzakelijk Mechelse, dissidente katholieke landbouwersvereniging (Boerenfront). Het zwaartepunt van het kartel, dat aantrad onder de naam Christelijke Vlaamse Volksunie (CVV), lag opnieuw in Antwerpen. De CVV verbeterde nauwelijks de score van de Vlaamse Concentratie in 1949. Wel werd Wagemans op de Antwerpse Kamerlijst verkozen.

De uitslag bleef ver onder de verwachtingen en het kartel viel dadelijk uiteen. Een aantal Vlaams-nationalisten ging daarom over tot de stichting van een nieuwe partij onder de naam Volksunie (VU); Couvreur werd de eerste voorzitter. Onder de zeven officiële stichters van de VU bevonden zich maar liefst vier personen uit het Antwerpse. De partij kende tijdens haar eerste bestaansjaren een bijzonder moeizame organisatorische uitbouw. Het zwaartepunt lag onmiskenbaar in het Antwerpse. Bij de parlementsverkiezingen van 1958 presteerde de VU echter niet beter dan de Vlaamse Concentratie in 1949. De verkiezingen draaiden immers volledig rond de Schoolstrijd en in deze electorale botsing tussen links en rechts werd de VU (toen nog niet veel meer dan een partij terend op de rechterzijde van de CVP) verpletterd. Wel werd partijvoorzitter Frans van der Elst in Antwerpen voor de Kamer verkozen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen later in 1958 besloot de VU zich te onthouden van deelname. In het Antwerpse slaagde men er evenwel in om in diverse gemeenten kandidaten te laten opnemen op de CVP-lijsten. In Antwerpen deed op die manier Hugo Schiltz zijn intrede in de gemeenteraad.

Het einde van de jaren 1950 betekende een keerpunt in de Belgische politiek. Het afsluiten van het Schoolpact zorgde ervoor dat de levensbeschouwelijke tegenstellingen naar het achterplan begonnen te verdwijnen. De communautaire problemen overheersten steeds meer de politieke agenda. Bovendien begon Vlaanderen steeds duidelijker de sociaal-economische achterstand met Wallonië in te halen en vergrootte het zijn demografisch overwicht. Naast de oude Vlaamsgezinde ondernemers trad nu een nieuwe generatie aan van Vlaamse managers die hun opleiding volledig in het Nederlands hadden genoten. Zij wilden de boventoon voeren in de organisatie van het economisch en maatschappelijk leven. Het Vlaams Economisch Verbond (VEV), hun pressieorganisatie met hoofdkwartier te Antwerpen, dokterde daartoe de politieke strategie uit. Zeker in Antwerpen kende men, vooral dankzij de uitbouw van het havenbedrijf, een economische boom. Dat dit gepaard ging met sociale verschuivingen blijkt onder meer uit de verdere achteruitgang van het franskiljonisme in de stad. Zo begon bijvoorbeeld de geleidelijke verdwijning van de Franstalige Antwerpse media; de Antwerpse dagbladen Le Matin en La Métropole verdwenen in 1974 definitief van het toneel. In deze omstandigheden kon een krachtige heropleving van de VB niet uitblijven. Naast de ergernis over de taaltoestanden in Brussel waren aloude economische eisen – zoals een industrialiserings- en investeringspolitiek voor Vlaanderen en de vernederlandsing van het bedrijfsleven – daarbij de belangrijkste motor.

Het Antwerpse gemeentebestuur verzette zich in 1960 krachtig tegen de geplande volkstelling. Gezien de tweetalige telformulieren werd gevreesd voor een nieuwe talentelling. De gemeenteraad keurde bijna voltallig een resolutie goed waardoor Antwerpen weigerde de tweetalige formulieren te aanvaarden. Op een conferentie van de burgemeesters van de Antwerpse agglomeratie werd een motie in dezelfde zin aangenomen. Mede dankzij het protest van nog vele andere gemeenten, haalde Vlaanderen in deze zaak zijn slag thuis. Een andere zaak die het Antwerpse gemeentebestuur – in het bijzonder Lode Craeybeckx – beroerde, was de taaltoestand in Brussel. Reeds op de driepartijenmeeting van 1954 populariseerde Craeybeckx tijdens een toespraak de slogan "Antwerpen laat Brussel niet los" (afkomstig van Ger Schmook). Desondanks zat een officiële deelname van het stadsbestuur aan de eerste Mars op Brussel er niet in. Wel lanceerde Craeybeckx in 1967 een campagne ter ondersteuning van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel. Daartoe zocht hij de steun van onder meer het Vermeylenfonds, het Davidsfonds, het Willemsfonds, het sinds 1960 heropgerichte Verbond van Vlaamse cultuurverenigingen Antwerpen, het VEV en de Vlaamse Toeristenbond (VTB). Tevens riep Craeybeckx een bijzondere vergadering samen van de – door hem in het leven geroepen – conferentie van burgemeesters van de Antwerpse agglomeratie. Deze nam een motie aan waarin scherp werd gereageerd tegen de Brusselse taaltoestanden. De tekst van de motie werd aan alle Vlaamse burgemeesters voorgelegd en door een 700-tal van hen ondertekend. Een en ander resulteerde in de oprichting van het pluralistisch opgevatte Vlaams Onderwijscentrum Brussel. Verder ijverde het Antwerpse gemeentebestuur tijdens de jaren 1960 ook voor de oprichting van een Antwerpse universiteit. Gezien de Vlaamse achterstand in de deelname aan het hoger onderwijs, werd deze eis door de V.B. uiteraard met klem ondersteund.

Ook het Vlaams-nationalisme kende vanaf de jaren 1960 een grote opbloei. De VU, als politieke drager ervan, vergrootte tot de parlementsverkiezingen van 1977 iedere keer haar aantal zetels. Antwerpen bleef het organisatorisch en electoraal zwaartepunt. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1964 scoorde de VU zeer goed in het Antwerpse; in Antwerpen-stad haalde de partij onder aanvoering van Schiltz in één klap vijf zetels. De prijs voor deze electorale winst werd nagenoeg volledig betaald door de CVP, die in Antwerpen nochtans een verkiesbare plaats had gegeven aan de bekende flamingant Raymond Derine in een poging het succes van de VU te stoppen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1970 steeg de winst van de VU in Antwerpen tot acht zetels. In 1976 kende de partij in Antwerpen een licht stemmenverlies, maar behield acht zetels.

Natuurlijk gingen de maatschappelijke veranderingen van de jaren 1960 niet aan het Vlaams-nationalisme voorbij. Velen beseften dat men de aandacht voor de sociaal-economische problematiek moest opvoeren om het stijgende succes van de V.B. te kunnen kanaliseren. Dit kwam onder meer tot uiting bij de massabetoging van het Vlaams Aktiekomitee voor Brussel en Taalgrens (VABT) op 10 november 1963 te Antwerpen, waar de eis tot federalisme werd verbonden aan de eis tot 'economische democratie'. Binnen de VU werd op de opeenvolgende partijcongressen werk gemaakt van een volwaardig en volledig sociaal-economisch programma. Dit botste evenwel op groeiende argwaan bij de traditionele en rechtse nationalisten in de partij. Het werd immers steeds duidelijker dat sommigen in het partijbestuur aanstuurden op een sociaal-democratische koers. Bij de parlementsverkiezingen van 1965 kwam het voor het eerst tot een open conflict waarbij de traditionalisten vooralsnog hun slag thuishaalden. Desondanks ging de VU op de ingeslagen weg verder, tot stijgende ergernis van de traditionalisten. Antwerpen was voor deze strekking ongetwijfeld een bakermat. Tijdens de jaren 1960 werden er verschillende traditioneel-nationalistische verenigingen uitgebouwd. Belangrijkste voorbeelden daarvan zijn het Vlaams Nationaal Jeugdverbond (VNJ) en Were Di (waaruit later ook Voorpost ontstond). Bovendien genoot het traditioneel nationalisme de voorkeur van heel wat Antwerpse VU-kaderleden. Spreekbuis van deze strekking was (en is) – naast 't Pallieterke – het tijdschrift Dietsland Europa, waarachter Karel Dillen toen de drijvende kracht was. Verder was er de Antwerpse afdeling van de Vlaamse Militanten Orde (VMO) die sinds 1959 onder leiding stond van de charismatische Wim Maes en die begin jaren 1960 een sterke aangroei kende. Het samenwerkingsverband tussen de VMO en de VU kwam onder zware druk te staan; de VMO schikte zich niet naar de directieven van het partijbestuur en begon in 1962 op eigen houtje in Antwerpen een actie tegen de zogenaamde 'Franse preken'. Ondanks de steun van de traditionalisten in het partijbestuur werd een totale breuk met de VU in 1966 onafwendbaar. Na de dood van Maes (1968) zou de Antwerpse VMO afglijden tot een extreem-rechtse en paramilitaire actiegroep die nog tot het begin van de jaren 1980 actief bleef.

Toen de VU zich begin de jaren 1970 opmaakte om de rol van zweeppartij af te leggen en eventueel deel te nemen aan de regering, keerden vele traditionalisten de partij definitief de rug toe. Ook binnen de VU zochten velen naar een nieuwe manier om aan radicale Vlaams-nationale actie te doen. Een exponent hiervan was de oprichting in 1972 van het Taal Aktiekomitee (TAK), een strijdvereniging die in zijn gloriejaren heel wat bijval vanuit het Antwerpse kende. Stilaan begonnen sommigen ook te denken aan de stichting van een nieuwe Vlaams-nationale partij. De gedroomde aanleiding hiervoor kregen zij met de regeringsdeelname van de VU en de mislukking van het Egmontpact. Bij de parlementsverkiezingen van 1978 trad een coalitie aan van twee scheurpartijen onder de naam Vlaams Blok (VB). Enkel Dillen werd, niet toevallig in Antwerpen, voor de Kamer verkozen. Dillen en een hoofdzakelijk Antwerpse groep besloten door te gaan als een rechtse en separatistische partij. Het VB bleef lange tijd een bijna exclusief Antwerps verschijnsel en tot heden ligt daar het zwaartepunt van de partij.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1982, de eerste na de fusie van gemeenten, haalde de VU in Antwerpen acht zetels. Het was minder dan wat men op basis van de uitslagen van 1976 had kunnen verwachten. Het VB deed zijn intrede in de gemeenteraad met twee zetels. De winst was grotendeels ten koste van de VU. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1988 steeg het VB, met het migrantenthema als voornaamste stemmenmagneet, in Antwerpen tot tien zetels. De uitslag zorgde voor heel wat deining. De VU tuimelde naar vier zetels. De afkalving van de Antwerpse VU maakte stilaan plaats voor ontreddering. De traditionele rooms-rode coalitie onder leiding van SP-burgemeester Bob Cools behield nog slechts een krappe meerderheid. Deze meerderheid ontplofte toen het SP-gemeenteraadslid Staf Neel, niet lang na de spectaculaire vooruitgang van het VB bij de parlementsverkiezingen van 1991, 'zijn kiezers volgde' en overstapte naar het VB. De coalitie diende zich te verruimen met de VU die daardoor een schepenambt verkreeg voor Gerard Bergers. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 besloot de VU onder impuls van Schiltz om geen eigen lijst in te dienen. In de plaats daarvan werd onder de naam Antwerpen '94 een kartel gesloten met de CVP, die verlegen zat om een kopman. Het kartel werd een mislukking onder meer omdat er zowel vanuit de VU als vanuit de CVP scheurlijsten werden ingediend. Antwerpen '94 behaalde slechts negen zetels waarvan twee voor de VU. Het VB steeg tot een nooit geziene score van bijna 30% en behaalde daarmee 18 zetels. Er diende een coalitie tussen zowat alle andere partijen in de gemeenteraad op het getouw te worden gezet om het VB uit het schepencollege te houden.

Het groeiende succes van het radicaal rechtse VB zorgde in progressieve kringen voor een stijgende afkeer van het Vlaams-nationalisme en van de V.B. in het algemeen. Slechts uiterst zelden was er sinds de jaren 1980 vanuit het gemeentebestuur een Vlaamsgezind geluid te horen. Anderzijds liet de politieke radicalisering van het Vlaams-nationalisme zich ook voelen bij sommige organisaties van de inmiddels sterk teruglopende apartijpolitieke V.B. Zo trad bij de zieltogende Vlaamse Volksbeweging (VVB) in 1988 een nieuwe hoofdleiding aan. De VVB werd al vlug omgebouwd tot een pluralistische en separatistische strijdvereniging, waarvan het organisatorische zwaartepunt in het Antwerpse ligt. Het ledenaantal ging sindsdien duidelijk in stijgende lijn. Veel van de nieuwe VVB-kaderleden waren mensen die daarvoor actief waren in de VU.

Antwerpen speelde een cruciale rol in de naoorlogse V.B. Vele Vlaamsgezinde en in het bijzonder Vlaams-nationalistische verenigingen kenden hun ontstaan in het Antwerpse. Voor het partijpolitiek Vlaams-nationalisme was de Antwerpse regio het belangrijkste electoraal wingewest.

Literatuur

Dr. August Borms voor het gerecht, 1920; 
A. Borms, 'Bijdrage tot de geschiedenis van het Antwerpsch aktivisme', in Voor-1830-Na. Een bundel opstellen. In opdracht van den Dietschen Bond, 1930, p. 95-100; 
F. Prims, Antwerpen in 1830, 1930; 
K. Angermille, De lotgevallen van een activist, 1931; 
H. van Tichelen, Vóór honderd jaar. Uit en om de geschiedenis van het eerste gemeenteonderwijs te Antwerpen, 1934; 
O. de Smedt, 'De "Vlaamse Bond" en zijn voorgangers. Een Bijdrage tot de Geschiedenis van de Vlaamse Studentenkringen aan het Koninklijk Atheneum te Antwerpen (1883-1914)', in Athenea. Maandblad van de Vlaamse Oud-leerlingenbonden der Antwerpse Athenea, jgn. 9-10 (1952-1953); 
L. Wils, De ontwikkeling van de gedachteninhoud der Vlaamse beweging tot 1914, 1955; 
id., 'Het Vlaams petitionnement van 1840. De bijdragen van Leuven en Antwerpen', in Bijdragen tot de Geschiedenis, jg. 41 (1958), p. 143-155; 
G. Schmook, Een Parijse "Beau" onder Antwerpse "Jolikes". Roger de Beauvoir op doorreis in de winter van 1834/35, 1959; 
L. Wils, De politieke oriëntering van de Vlaamse beweging (1840-1857), 1959; 
id., Het ontstaan van de Meetingpartij te Antwerpen en haar invloed op de Belgische politiek, 1963; 
G. Schmook, 'Motieven van en uitzichten op het literaire leven in de XIXde eeuw', in Bouwstoffen voor de Geschiedenis van Antwerpen in de XIXde eeuw (1964), p. 331-383; 
L. Simons, Van 't ongediert der papen. Rondom De Geyters Geuzenlied, 1968; 
H.J. Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, 4 dln., 1969; 
A.W. Willemsen, Het Vlaams-nationalisme. De geschiedenis van de jaren 1914-1940, 19692; 
J.-M. Lermyte, 'De eerste taalwet: die op de strafrechtspleging in 1873', in Standen en Landen, jg. 49 (1972), p. 147-207; 
T. Luykx, Dr. Alfons Van de Perre en zijn tijd (1872-1925), 1972; 
H. Landuyt, Het Daensisme in Antwerpen, 1973; 
L. Wils, Flamenpolitik en aktivisme, 1974; 
M. Somers, 'De Guldensporenvieringen in Antwerpen vóór 1914', in De Leiegouw, jg. 19 (1977), p. 449-463; 
J. Beyers-Bell, 'Jan van Rijswijck, liberaal flamingant en burgemeester van Antwerpen', in L. Wils (ed.), Kopstukken van de Vlaamse Beweging (Standen en Landen, jg. 75 (1978), p. 9-106); 
D. Luyckx, 'Adolf Pauwels (1864-1902) en de Vlaamse Volkspartij', in L. Wils (ed.) Kopstukken van de Vlaamse Beweging (Standen en Landen, jg. 75 (1978), p. 107-275); 
J. Mertens, 'De liberaal Louis Franck als jurist en vlaamsgezind politicus voor de Eerste Wereldoorlog', in L. Wils (ed.), Kopstukken van de Vlaamse Beweging (Standen en Landen, jg. 75 (1978), p. 277-380); 
H. van Velthoven, De Vlaamse kwestie 1830-1914. Macht en onmacht van de vlaamsgezinden, 1982; 
C. Dutoit, Jef Van Extergem en de Vlaamse beweging, 1983; 
E. Gerard, De Katholieke Partij in crisis. Partijpolitiek leven in België (1918-1940), 1985; 
F. van Campenhout, 'Emiel Schiltz. Antwerps advocaat, politicus en journalist', in Streven (juni 1985), p. 733-; 
L. Wils, Honderd jaar Vlaamse Beweging, I-II, 1977-1985; 
L. Vandeweyer, 'De politieke rol van August Borms tussen 1918 en 1933', in Verschaeviana (1986), p. 81-117; 
G. Garré, Lode Craeybeckx 1896-1976, 1986; 
L. Gevers, Bewogen Jeugd. Ontstaan en ontwikkeling van de katholieke Vlaamse studentenbeweging (1830-1894), 1987; 
B. van Boghout, Mijn collaboratie en repressie, 1988; 
B. Bern en J. Buyck (e.a.), Antwerpen. De jaren 60, 1988; 
W. van Geet, Lode Craeybeckx: het Vlaams geweten van de BSP, 1989; 
L. Vandeweyer, 'Het katholieke Vlaams-nationalisme in Antwerpen naast het Vlaamse Front 1925-1931', in WT, jg. 50, nr. 4 (1991), p. 193-197 en jg. 51, nr. 1 (1992), p. 1-16; 
id., 'René Lagrou en het katholieke vlaams-nationalisme in Antwerpen', in WT, jg. 51, nr. 3 (1992), p. 163-183; 
D. Luyckx, 'Adelfons Henderickx en het activisme in Antwerpen tijdens de Eerste Wereldoorlog', in WT, jg. 53, nr. 1 (1994), p. 21-33; 
T. van Hemeledonck, De geschiedenis van het Vlaams-nationalisme in het arrondissement Mechelen van 1920 tot 1940, VUB, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1994; 
L. Wils, Vlaanderen, België, Groot-Nederland. Mythe en Geschiedenis, 1994; 
id., 'Nicolaas Jan Cupérus als liberaal flamingant', in Huldeboek Marcel Bots, 1995; 
G. Heylen en B. Heylen-Kiebooms, Louis Kiebooms. Christen-democratisch journalist en politicus, 1995; 
J. Hunin, 'Links van de Belgische Werkliedenpartij. Communisme in Antwerpen tussen de twee wereldoorlogen', in BTNG (1995), p. 569-612; 
Ba. de Wever, Herrijzenis van de Vlaams-nationale partijpolitiek (1949-1965). Het arrondissement Antwerpen, KUL, onuitgegeven licenciaatsverhandeling, 1995; 
L. Vandeweyer, 'Herman Van den Reeck: pacifist in een gewelddadige beweging?', in WT (colloquiumnummer Herman Van den Reeck), jg. 55 (september 1996), p. 37-69; 
D. Martin, 'Regimecrisis en lokaal bestuur in het interbellum. Een comparatief sociaal profiel van Antwerpse en Gentse collegeleden. 1921-1938', in BEG, jg. 1, nr. 1 (november 1996), p. 163-191.

Verwijzingen

zie: antisemitisme, Waalse Beweging.

Auteur(s)

Lode Wils; Luc Vandeweyer; Bart de Wever