Antwerpen-provincie

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

De provincie Antwerpen bestaat uit drie arrondissementen met als respectievelijke hoofdplaatsen de steden Antwerpen, Mechelen en Turnhout. Deze arrondissementen zijn politiek gezien op elkaar aangewezen door het systeem van apparentering; Mechelen en Turnhout vormden zelfs één kiesdistrict voor de Senaat. Voor de provincie als geheel vervult de agglomeratie Antwerpen een politieke voortrekkersrol. Kleinere marktstadjes met onderwijsfaciliteiten en een regionale economische dienstverlening als Lier, Herentals, Heist-op-den-Berg, Mol, Geel, Hoogstraten enzovoort domineerden de plattelandsgemeenten in de omgeving.

Antwerpen was de enige Vlaamse provincie die nergens aan de taalgrens raakte. Er waren dus geen Waalse gemeenten die het gebruik van het Frans als bestuurstaal op het provinciale vlak konden doordrukken. Van belang was tevens dat de provincie tot het diocees van de aartsbisschop van Mechelen behoorde. Op het platteland en in de kleinere centra stond het katholicisme sterk. In Antwerpen en Mechelen was er een stevige vrijzinnig-liberale, en later socialistische, aanwezigheid.

In een onafhankelijk België

Toen België in 1830 vorm kreeg werden de provincies gemodelleerd naar de departementale bestuursorganisatie van de Franse en Nederlandse tijd en niet naar de oude feodale vorstendommen. De revolutionaire regering in Brussel zond een regeringscommissaris, de provinciegouverneur, ter plekke. Deze hoge ambtenaar vertegenwoordigde het centrale gezag en had als taak het leiden van de provinciale ambtenarij. De provinciegouverneur had juridisch slechts een raadgevende stem tegenover de verkozen mandatarissen. Maar omdat hij gerekruteerd werd uit de top van de politieke elite van de nieuwe staat waren zijn macht en invloed op provincieraad en bestendige deputatie in de praktijk erg groot. Hij was in alle opzichten het 'oog van Brussel' en moest ervoor zorgen dat de provincieraad nooit in de verleiding zou komen het centrale bestuur in Brussel naar de kroon te steken.

Tijdens de Franse tijd waren de administratie en het culturele leven grondig verfranst. In de jaren 1820, tijdens het bestuur van de Nederlanders, werd die Franstaligheid teruggedrongen. Van hogerhand werd bij de Antwerpse provinciale administratie herhaaldelijk aangedrongen op het gebruik van het Nederlands. 1830 was op dat vlak een breekpunt. Het Belgische Voorlopig Bestuur schoof het Frans als bestuurstaal opnieuw sterk op de voorgrond. De anti-Nederlandse reactie in de nadagen van de Belgische Revolutie zorgde voor een sterke promotie van het Frans. De oorlogsdreiging vanuit het Noorden bleef aanhouden tot 1839. Dat verklaart mede het opmerkelijk intense gebruik van het Frans in de Antwerpse provinciale en gemeentelijke administraties in de jaren meteen na 1830.

Het is geen toeval dat een eerste ernstige reactie tegen het hernieuwde opdringen van het Frans pas te noteren valt na het milderen van de verhouding met Nederland. De frontlijn-provincie Antwerpen hoefde zich daarna niet meer schrap te zetten tegen de dreiging van een inval vanuit het Noorden. In die episode had het Frans duidelijk een streepje voor gekregen. Dat werd zonder twijfel bevorderd doordat Brussel met provinciegouverneur Charles Rogier een bijzonder daadkrachtige verdediger van de Omwenteling en de verspreiding van het Frans als administratieve taal naar Antwerpen zond. Rogier domineerde de provinciale administratie tot hij op 18 april 1840 definitief wegging om in Brussel een nationale politieke rol te spelen. Er was bovendien pas politiek weerwerk mogelijk vanaf de wet van 30 april 1836 die de herinrichting van het provinciebestuur regelde. Pas daarna kwamen er verkiezingen; de eerste zitting van de provincieraad werd door Rogier geopend op 6 oktober 1836. Hij had destijds 46 raadsleden tegenover zich, een aantal dat in de komende decennia door de bevolkingstoename geleidelijk zou toenemen.

Na 1839 viel de verfransing niet meer zo gemakkelijk te verdedigen met het argument van de raison d'état en de verwijzing naar de Nederlandse vijand. Op 16 juli 1839 werd de bestendige afvaardiging door de provincieraad dan ook verzocht haar briefwisseling met de landelijke gemeenten in het Nederlands af te handelen. Dit verwijst naar het feit dat de gemeentelijke mandatarissen bij de provincieraadsleden klaagden dat het administratieve taalgebruik van de hogere provinciale overheid het hen moeilijk maakte. De oplossing zagen ze in het gebruik van het Nederlands dat door ieder van hen kon worden verstaan. Het is ook tekenend dat er sprake was van de landelijke gemeenten. Precies daar kwam het regelmatig voor dat niemand het Frans voldoende beheerste.

In 1840 volgde dan de agitatie rond het petitionnement. Deze flamingantische opstoot leidde in de loop van dat jaar ook tot rumoer in de provincieraad. Er werd geëist dat de administratie het Nederlands opnieuw zou promoveren tot een volwaardige bestuurstaal in de provincie, naast het Frans welteverstaan. Er waren immers niet alleen de Fransonkundige plaatselijke mandatarissen en ambtenaren, de provincie richtte zich ook tot het grote publiek en de grote meerderheid van de bevolking kende geen Frans. De provincieraad had het daarbij niet gemakkelijk omdat Rogier in de figuur van Henri de Brouckère een geestesgenoot als opvolger had gekregen. Als gouverneur zou De Brouckère de taaleisen die in de provincieraad werden geformuleerd tot een minimum beperken. Toch ging de regering erop in en minister van binnenlandse zaken Charles Liedts stuurde op 20 oktober 1840 aan de provinciegouverneurs een omzendbrief om hen aan te sporen het Nederlands wat meer plaats te gunnen.

De flamingantische agitatie in de provincieraad werd aangevuurd door het in 1840 verkozen Antwerpse katholieke raadslid, magistraat Hyacinthe Colins. Hij was verbonden met de rederijkerskamer De Olijftak, een Antwerpse vereniging van literatuurminnaars die zich echter ook als drukkingsgroep op taalvlak profileerde. De lijst van Colins had de kiezers uitdrukkelijk beloofd te zullen optreden op taalvlak en werd daarvoor beloond met vier afgevaardigden in de provincieraad. Uit de debatten blijkt dat zij in de provincieraad geestesgenoten vonden uit de rest van de provincie. Al in de zomer van 1839 had De Olijftak daar met een charmeoffensief doelbewust op aangestuurd en werden 19 provincieraadsleden voorgedragen als ereleden.

De resultaten van de demarche van 1840 stemden niet tot tevredenheid. De nieuwe regering – waarin Rogier als minister zetelde – boezemde de flaminganten geen vertrouwen in. In 1841 eisten deze provincieraadsleden daarom opnieuw de bevordering van het Nederlands. De eisen die Colins formuleerde vielen bij vele andere raadsleden in goede aarde. Hij kreeg onder meer steun van verkozenen uit de landelijke kantons. Zij eisten dat de provinciale administratie alle belangrijke teksten in de twee talen zou publiceren. Hun argument was dat pas dan alle plaatselijke mandatarissen kennis konden nemen van de beslissingen en beraadslagingen van de provincieraad en de provinciale administratie.

Henri de Brouckère had zich in de provincieraad opnieuw verzet tegen de aanspraken en eisen van Colins. Om een verscherping en verdere escalatie te voorkomen beloofde hij de regering in Brussel te zullen aanspreken. De Brouckère schreef inderdaad brieven naar Brussel. Daarin gaf hij toe dat hij de formulering van deze taaleis in de provincieraad helaas niet had kunnen tegenhouden, al had hij niet nagelaten Colins énergiquement te bestrijden. Wel had hij de eisen kunnen afzwakken door te beloven persoonlijk de ministers te verzoeken in de provincie Antwerpen een vertaling naar het Nederlands verplicht te maken bij publieke mededelingen van de centrale overheid. De gouverneur beweerde dat dergelijke vertalingen naar het Nederlands niet gebruikelijk waren, maar hoopte dat tweetalige affiches het publiek tevreden zouden stemmen waardoor de druk van de kiezers op de provinciale verkozenen zou verminderen en verdere taaleisen achterwege zouden blijven. In zijn ogen had het Nederlands binnen de administratie en in de briefwisseling geen rechten. Hij was slechts bereid tot een tegemoetkoming aan het publiek voor zover dit niet of nog niet in staat was een ambtelijke mededeling in het Frans te begrijpen.

De regering besefte de ernst van de zaak. De taaleisen van Colins vonden steun bij een brede meerderheid en dat tegen het uitdrukkelijke verzet van de gouverneur in. Hierbij moet worden opgemerkt dat de provincie op dat ogenblik slechts 4506 stemgerechtigden telde. Vermits deze vertegenwoordigers van de rijkere klasse de enigen waren met wie de verkozenen in principe rekening moesten houden, betekende dit dat een groot deel van de maatschappelijke elite in de provincie zich best kon vinden in deze taaleisen. De regering sloot zich aan bij de mening van de Antwerpse gouverneur: het was beter nu wat toe te geven om het formuleren van verdergaande eisen te voorkomen. De affichering gebeurde dus het beste in de twee talen en dat niet alleen in de provincie Antwerpen maar in het hele Vlaamse land. Minister van financiën J. Smits schreef zijn directeurs in september 1841 aan met de opdracht bij affichering Nederlandse vertalingen te voorzien.

Colins en enkele geestesgenoten kwamen de volgende jaren nog herhaaldelijk terug op allerlei Vlaamse eisen, gaande van gebrek aan kansen voor Nederlandstaligen in de administratie tot een teveel aan Nederlandsonkundigen in de magistratuur. Dat leidde telkens tot gebekvecht met De Brouckère. Er werden pas resultaten geboekt nadat De Brouckère vanaf 4 september 1844 gouverneur van Luik was geworden. Zo werd in 1846, onder de nieuwe gouverneur Jules Malou, beslist het jaarlijkse verslag over de toestand van de provincie in de twee talen te publiceren. In 1848 was rechter Colins' rol evenwel uitgespeeld. De wet op de onverenigbaarheden maakte het de magistraten en hoge ambtenaren onmogelijk om nog langer een verkozen mandaat uit te oefenen.

Onder gouverneur Teichmann

Jules Malou bleef maar een jaar in functie en werd opgevolgd door Jan-Theodoor Teichmann, die van 10 november 1845 tot 5 april 1862 het ambt uitoefende. Teichmann werd geboren in Venlo en maakte carrière als ingenieur van Bruggen en Wegen. Na 1830 stapte hij in de politiek. Van oktober 1833 tot augustus 1834, toen Charles Rogier minister was, nam hij tijdelijk het gouverneurschap van Antwerpen waar. Van 1837 tot 1848 vertegenwoordigde hij het arrondissement Antwerpen als senator. Hij was dus geen vreemde voor de provincie.

Pas in 1850 was de druk van de Vlaamsgezinden weer dusdanig toegenomen dat de provinciale overheid een initiatief moest nemen. Dat jaar stuurde de bestendige deputatie aan de gemeenteraden een omzendbrief met de vragen of er Nederlands of Frans gebruikt werd in hun administratie, in welke taal ze wensten dat de hogere overheid met hen zou communiceren en welke staatsambtenaren op hun grondgebied een onvoldoende kennis van het Nederlands hadden "om zich door de inwoners te doen verstaan".

De Olijftak reageerde onmiddellijk door in oktober 1850 de gemeenteraden aan te schrijven. Ze wees op het belang van het antwoord "ter behartiging van die nationale rechten, welke sedert zo lange tijd aan een verkeerde en nadelige invloed werden opgeofferd". Het Nederlands moest worden gepromoot om de instroom van vreemdelingen te beperken en de sociaal-economische ontwikkeling van de provincie opnieuw te bevorderen. De brief stelde dat de Franse taal "wier overwicht op onze Vlaamse bevolking de noodlottigste gevolgen hebben kan; want zij leidt naar de vernedering, naar de verslaving onzer landgenoten; terwijl Waals-België in bloei en beschaving vooruit streeft". De dominantie van het Frans als bestuurstaal werd gezien als een rem op de ontwikkeling. "De onbeschaafdheid, waarin men de Vlaamse provincies dompelt, kan niets anders dan armoede, en armoede niets anders dan maatschappelijke schokken te weeg brengen. Aan u, die toekomst te helpen verhoeden." De Olijftak kantte zich bij deze gelegenheid fel tegen de vele staatsambtenaren die de verfransing bevorderden.

Toen de antwoorden binnenstroomden, bleek dat 130 van de 150 gemeenten enkel het Nederlands wensten te gebruiken. Voor Antwerpen, Hoboken, Lillo, Merksem, Niel, Mechelen, Ruisbroek en Rijmenam moest worden afgestemd op de keuze van de betrokken persoon. Onder de wat grotere steden opteerde enkel Turnhout resoluut voor het Nederlands. Lier vroeg het gebruik van het Frans voor de betrekkingen met de hogere besturen en in de akten.

De Franstalige opmars van na 1830 werd dus na amper één generatie al afgeremd. Onderzoek aan de Katholieke Universiteit Leuven naar het taalgebruik in een aantal gemeentelijke administraties bevestigt dit. Zo domineerde in Geel het Frans in de akten tot rond 1850, maar werden de inwoners steeds in eigen taal bediend. Het interne taalgebruik van het medisch korps dat de verpleging van geesteszieken in deze gemeente begeleidde was daarentegen Franstalig. Turnhout was nooit volledig verfranst geraakt en rond 1870 overheerste het Nederlands er, al was er nog altijd druk vanwege de daar werkzame Franstalige staatsambtenaren. In Brasschaat was het bestuur intern Nederlandstalig maar het Frans werd gebruikt in de contacten met het leger, dat daar een belangrijke kazerne had, en met de hogere besturen. Heist-op-den-Berg werd vanaf 1846 definitief vernederlandst en dat was ook zo voor kleinere gemeenten als Itegem, Morkhoven, Noorderwijk. Ook Herentals werd vrij snel vernederlandst. Putte was intern vrijwel altijd al Nederlandstalig geweest. Meerhout gebruikte vanaf het midden van de 19de eeuw ook al het Nederlands in haar correspondentie naar hogere besturen. De administratie van Hoogstraten was altijd al vrijwel volledig Nederlandstalig geweest. In Mol viel er kort na 1830 nogal wat Frans op te merken maar vanaf 1854 verschenen de gemeenteraadsnotulen in het Nederlands. De bouwaanvragen werden al vanaf 1852 in het Nederlands afgehandeld. De plaatselijke industrie bleef het Frans gebruiken maar dat scheen het taalgebruik in de gemeentelijke administratie vrijwel niet te beïnvloeden.

Veel zal uiteraard hebben afgehangen van de taalkennis van de betrokken ambtenaar en de verkozen bestuurders. In elk geval begon het Nederlands rond het midden van de 19de eeuw het Frans als administratieve taal terug te dringen. Die evolutie is evenwel duidelijk verschillend van sector tot sector. De burgerwacht en de militiedienst waren intenser verfranst en bleven dus ook hardnekkiger in het gebruik van die taal. De invloed van de strijdkrachten en van de regering in Brussel was er gevoelig groter dan op administratieve handelingen met een louter lokaal of regionaal belang. Ook het ministerie van financiën gebruikte systematisch het Frans.

De provincie had uiteraard zelf ook een administratie die sinds 1830 onder sterke verfransingsdruk stond. De dominantie van het Frans in de provincieraad zou duren tot rond 1860. Toen kwam in Antwerpen de Meetingpartij op en die zou de Vlaamse stootkracht drastisch verhogen.

De tijd van de Meeting

De Meetingpartij was een conglomeraat van drukkingsgroepen die het verkiezingspad opgingen om de omvorming van de stad Antwerpen tot een reusachtige vesting te voorkomen. Zij vreesden dat deze militarisering de sociaal-economische ontwikkeling van de stad zou fnuiken. Deze sterk Antwerpse reflex was tevens erg 'Vlaams' gekleurd en richtte zich tegen 'Brussel'. De Meetingpartij werd in het Antwerpse al snel een politieke macht van betekenis en zou ook proberen druk uit te oefenen op het provinciale niveau. Haar voormannen Jan J. de Laet en Lodewijk Gerrits werden al in de zomer van 1861 naar enkele zetelende provincieraadsleden gestuurd om te polsen naar wat zij dachten en wensten met betrekking rond het voornemen van de Nederduitsche Bond – dat was het meest flamingantische onderdeel van de Meeting – een petitie aan de provincieraad te richten. Daarin werd geëist dat er een officiële Vlaamse tekst van de besluiten van de bestendige deputatie zou komen en een Vlaamse uitgave van de jaarlijkse rapporten. Voorts wilde men dat de briefwisseling met de gemeentebesturen die voor het Nederlands hadden gekozen in die taal zou gebeuren en bovendien wou men: "Aandringen bij hoger bestuur tegen het benoemen in Vlaanderen van beambten de Vlaamse taal onmachtig." Het provinciale niveau werd dus door de flaminganten gezien als een nuttig kanaal om druk uit te oefenen op de regering en de centrale administratie in Brussel.

Dat deze klachten politiek gewicht hadden bleek toen gouverneur Jan-Theodoor Teichmann in de zomer van 1861 de regering in Brussel waarschuwde voor de ontstemming die hij in zijn provincieraad had opgemerkt. In deze brief stond hij volledig achter de eisen van de meerderheid van zijn provincieraad: er moesten meer Nederlandstalige ambtenaren in Antwerpen worden benoemd. De gouverneur bevestigde dat hij persoonlijk in Antwerpen-stad ambtenaren opmerkte die niet in staat waren Nederlands te spreken. Nog vóór enkele jaren raamde hij hun aantal op minstens 178 man voor de diensten van financiën alleen. Er was wat verbetering merkbaar maar nog lang niet voldoende. Teichmann zou kort nadien worden opgevolgd door ridder Edward-Jozef Pycke d'Ideghem, die uit kringen van de provincieraad kwam. In de periode 1842-1846 en 1848-1862 was hij provincieraadslid en van 1848 tot 1862 lid van de bestendige deputatie. Daarna volgde zijn benoeming tot gouverneur. Deze gouverneur was uiteraard uitstekend op de hoogte van het leven en de overtuigingen binnen de provincieraad en de provinciale administratie.

De door de provincieraad uitgeoefende druk dwong de bestendige deputatie ook tot het opstellen van een rapport over het probleem van het Nederlands als bestuurstaal. Provincieraadslid Peter-Cornelis de Bie, een Antwerps verzekeringsagent, speelde het verslag in vertrouwen door aan de Nederduitsche Bond. Die gebruikte zijn voorkennis van de tekst om de druk op te voeren. Dankzij dit lek kon Meeting-voorman Gerrits meteen een weerlegging schrijven die aan de leden van de provincieraad werd bezorgd. De Bie kreeg gelukwensen van de Bond om zijn flamingantische houding op de zittingen van de provincieraad. Bij de volgende provinciale verkiezingen wilde het bestuur hem daarom op de lijst van de Meeting krijgen. De Bie verkoos echter niet langer te kandideren alhoewel hij het bestuur van zijn blijvende Vlaamsgezindheid verzekerde. De Nederduitsche Bond nam in 1864 als regel geen medewerking (meer) te verlenen aan "het kiezen van provincieraadsheren die geen Vlaams verstaan". De Bond deed zijn flamingantische druk nog toenemen toen dat jaar Meeting-verkozenen als Edward Coremans en Justinus-Jozef Peeters-Verellen in de provincieraad traden.

De provincieraad bleek dus een geschikt forum om actie te voeren. Dat betekende wel dat de vertegenwoordigers van het Kempische platteland mee moesten op het door de Nederduitsche Bond gekozen spoor. Om deze mensen aan te porren werd gepoogd hun kiezers te beïnvloeden. Het bestuur van de Nederduitsche Bond stelde op 2 juni 1863 voor een commissie op te richten die de beïnvloedingscampagne van de buitengemeenten zou organiseren. Die opdracht werd overigens ook door de Vlaamsgezinde dag- en weekbladen behartigd.

In dat kader werd de toespraak van Meeting-voorman Gerrits in de Antwerpse gemeenteraad van 2 mei 1864 door de Nederduitsche Bond uitgegeven en verspreid. De Meeting had in Antwerpen-stad de politieke meerderheid; het schepencollege besliste dat iemand die geen Nederlands kende voortaan niet meer als beambte van de stad kon worden benoemd. De kracht van dat voorbeeld op de rest van de provincie mag niet worden onderschat. Gerrits legde in zijn tekst de vinger op een aantal pijnlijke wonden: Brussel stuurde doelbewust enkel Franstalige ambtenaren. Deze verfransingsdruk werd zo "vooral en het krachtigst ondersteund door het leger van beambten, die in ons land de taal van ons volk niet verstaan. Elke nieuwe ambtenaar die wordt aangesteld, zonder dat hij de nodige taalkennis bezit, wordt daardoor zelf een nieuwe werkdadige tegenstrever van ons volksrecht." Van de weeromstuit botste elke Vlaamse taaleis "op de onwetendheid en op de kwade wil van 's lands bureaucratie, ieder weet het, grotendeels samengesteld uit Walen en Fransmans die zich de moeite niet willen geven onze taal aan te leren". Deze pijnlijke waarheid was niet enkel in de stad merkbaar, maar overal in de provincie waar de centrale overheid buitendiensten had. Dus overal waar douaniers actief waren en waar belastingdiensten, spoorwegstations, gevangenissen, verbeteringsgestichten, athenea enzovoort gevestigd waren.

Dankzij zijn electorale aantrekkingskracht kon de Nederduitsche Bond vanaf 1964 de provinciale administratie rechtstreeks aanpakken. Zijn vertegenwoordigers eisten dat de provinciale reglementen voortaan ook officieel in het Nederlands beschikbaar zouden zijn en, nog belangrijker: "Geen beambte zal voortaan in de dienst der provincie aangenomen worden zo hij geen Vlaams kent." De Bond kon daarvoor rekenen op zijn eigen gekozenen: Coremans en Peeters-Verellen.

Deze heren slaagden in bijzonder korte tijd in hun opzet. Coremans stelde in zijn rapport van het jaar daarna tevreden vast dat ze in de provincie nu hetzelfde hadden bereikt als eerder in het Antwerpse stadhuis: "Voortaan zullen het geen wetten meer zijn in vreemde taal opgesteld, waaraan het volk onzer provincie zich zal moeten gedragen; de Raad der provincie Antwerpen heeft, op het initiatief uwer gekozenen met eenparigheid beslist, dat zijn reglementen en besluiten voortaan ook officieel zijn zouden in onze moedertaal en dat voortaan niemand tot bediende der provincie zal mogen worden aangesteld die de taal van 't volk niet meester is. Krachtig en plechtig heeft alzo de Raad onzer Provincie het al te zeer vergeten grondbeginsel wederom ingeroepen, dat het volk de souverein is, dat het bestuur gemaakt is voor het volk, en niet het volk voor het bestuur. In gemeente en provincie hebben aldus de flaminganten de lang gestreden strijd gewonnen." Waarschijnlijk was Coremans wat te stellig in zijn zegebulletin maar er was inderdaad vooruitgang geboekt. Colins had nog gevraagd om vertalingen in het Nederlands, nu was Nederlands een officiële en gelijkberechtigde taal.

Het behaalde succes had echter weinig invloed op de diensten die afhingen van de centrale administratie in Brussel. Door de gestage uitbreiding van het staatsapparaat waren er nog altijd Franstalige of Waalse ambtenaren actief in de provincie. Dat bracht een instroom van francofonen, vaak in leidinggevende posities, mee. Het offensief dat Gerrits tegen hun aanwezigheid had geopend sloeg aan bij een deel van de plaatselijke Nederlandssprekende elites overal elders in de provincie. Velen van hen raakten hoe langer hoe meer geïrriteerd door deze francofone aanwezigheid die zij als opdringerigheid ervoeren.

Toch waren brede kringen van de plattelandsbevolking nog nauwelijks door het flamingantisme beroerd. Dat kwam onder meer omdat lang niet de hele plattelandselite zich flamingantisch wilde of kon opstellen. Vele dorpen stonden nog onder invloed van een francofone kasteelheer of rijke burger. Het Frans dwong nog altijd groot ontzag af als taal van cultuur en bestuur. Nog in 1866, met parlementsverkiezingen in het vooruitzicht, wees De Becker tijdens een algemene vergadering van de Nederduitsche Bond erop "hoe noodzakelijk het is de kiezers op den buiten in te lichten en wier lichtgelovigheid door onze vijanden misbruikt wordt. Wij moeten hun doen zien dat een oprechte Vlaamse kandidaat niet voor iemand moet onderdoen die zijn opvoeding in Parijs heeft ontvangen."

De provincieraad en de gouverneur

Er waren ook nog altijd verkozenen die vonden dat Frans spreken in de provincieraad mogelijk moest zijn en dat geen afbreuk mocht worden gedaan aan de rechten van het Frans als volwaardige bestuurstaal in de provincie. Hun aanwezigheid betekende dat de strijd op provinciaal niveau doorging. De provincieraad bleef bovendien interessant omdat via die weg ook druk kon worden uitgeoefend op de regering en op het parlement in Brussel.

In 1870, nog altijd onder gouverneur Edward-Jozef Pycke d'Ideghem, werd in de provincieraad volgend programma bepleit: "1/ Het wederkerig algemeen maken van het aanleren der beide landstalen in het lager onderwijs; 2/ Vertaling der Annales parlementaires; 3/ Instellen van een jaarlijkse prijskamp voor de beste Nederduitsche uitspraak." Voor de eerste eis was de Nederduitsche Bond niet te vinden, de Bond vond zelfs dat hij "krachtdadig" moest worden bestreden. De derde eis werd weinig belangrijk gevonden maar de tweede eis klonk hen wel interessant in de oren. Op dat ogenblik was Justinus-Jozef Peeters-Verellen hun belangrijkste woordvoerder in de provincieraad. Pycke volgde de meerderheid van zijn provincieraad en op 6 augustus 1871 vroeg hij de minister van financiën formeel voldoende plaats in te ruimen voor het Nederlands in de buitendiensten van financiën op Antwerps grondgebied.

Twee jaar later stonden er nieuwe provinciale verkiezingen voor de deur. Als kandidaten van de Nederduitsche Bond werden aangeduid: de literator en bouwkundige Frans van Boghout, Frans Collignon en Edward Dujardin, de illustrator van Hendrik Consciences boeken. De Meeting won deze verkiezingen afgetekend met een meerderheid van 455 stemmen. De overwinning wierp vruchten af. Van Boghout – die ook secretaris van de Nederduitsche Bond was – stelde in de provincieraad het volgende programma voor: het Nederlands kreeg als administratieve taal per definitie prioriteit. Frans zou alleen kunnen worden gebruikt bij wijze van uitzondering, als er ernstige redenen toe bestonden. De verslagen van de zittingen van de provincieraad zouden in het Nederlands worden opgesteld en voorgelezen. Dit voorstel werd met bijna algemeenheid van stemmen aangenomen, wat wijst op de voorkeur van de raadsleden voor het gebruik van het Nederlands. De Nederduitsche Bond beschouwde dat als een "schone zegepraal onzer Vlaamse taalrechten". Maar er waren ook dissidenten die dit flamingantisme te ver vonden gaan. Een ander lid van de Nederduitsche Bond in de provincieraad, de heer Solvyns-Verdussen stemde tegen. Het bestuur was daarover uiteraard niet opgetogen.

Het hoeft geen verbazing te wekken dat de bestuursorganen van de Bond tevreden waren over hun vertegenwoordigers in de provincieraad "welke geen gelegenheid laten voorbijgaan om aldaar ook de Vlaamse zaak te verdedigen". Naast Van Boghout en Peeters-Verellen werd ook de Antwerpse advocaat Max Bausart, verkozen in het kanton Hoogstraten, als zo'n verdediger beschouwd. Deze mensen kregen hulde voor hun moedige houding in de provincieraad "in 't belang van 't Vlaams in bestuurszaken". Toch waren er schoonheidsvlekjes die aantoonden dat de flamingantische veroveringstocht niet lineair verliep. Provinciegouverneur Pycke was ongetwijfeld meer tegemoetkomend dan De Brouckère indertijd, maar hij was in het Frans opgevoed en deed zijn correspondentie blijkbaar in het Frans, ook de brieven die gericht werden aan de kleinere gemeenten en de "eenvoudige dorpelingen". Vele anderen bleven de voorkeur geven aan het Frans. Dat bleek uit het feit dat ook Antwerpen-stad, waar nu een doctrinair-liberaal schepencollege dat de Meetingpartij verdrongen had aan het bewind was, met de gouverneur uitsluitend in het Frans correspondeerde. De gemeenteraadsverkiezingen van 1 juli 1872 waren in Antwerpen-stad immers erg tegengevallen voor de flaminganten.

Toch wierpen het voorbeeld van de Antwerpse Meeting en de bewust gewilde uitstraling buiten de agglomeratie vruchten af. In 1873 werd medegedeeld dat er een Nederduitsche Bond gesticht was in Herentals. In het voor Vlaamsgezinden veel moeilijker Mechelen werd rond deze tijd ook een Nederduitsche Bond opgericht.

Op 20 juli 1875 werd in de provincieraad nog maar eens een voorstel neergelegd dat rechtstreeks de provinciale ambtenaren viseerde: "De bezoldigden der provincie zijn gelast: 1/ In de behandeling van alle ambtelijke zaken de Nederduitse taal te gebruiken; 2/ Bij uitzondering het Frans te bezigen als belanghebbende besturen in de gemeenten of inwoners dit uitdrukkelijk verzoeken; 3/ Bij aldien verschillende besturen of inwoners, die allen dezelfde taal niet verkiezen, in een zaak belang hebben, de twee talen gelijktijdig te gebruiken; en, zo deze handeling te veel bezwaar oplevert, aan het Nederduits de voorkeur te geven; 4/ De besturen die verlangen hun zaken door de bezoldigden der provincie in het Frans te doen behandelen, worden aangezocht voor de achtste oktober van dit jaar, bij beraadslaging dat verlangen aan de bestendige deputatie van de provinciale raad te doen kennen." Jaarlijks zou in het verslag over de bestuurlijke toestand der provincie de lijst worden afgedrukt van al de besturen die de Franse taal verkozen, opdat elke ambtenaar zich daarvan op de hoogte kon stellen. Om de Franstaligen – die zich in de verdrukking voelden komen – te sussen, verzekerde het voorstel dat de provinciale overheid er in ieder geval over zou waken dat de vrije taalkeuze niet zou worden verhinderd. Vóór 8 oktober moesten de gemeentebesturen hun voorkeur kenbaar maken. Dergelijke voorstellen, en de brede instemming die zij vonden, fnuikten zonder twijfel de neiging om het Frans te gebruiken. Er werd niet meer gestreefd naar een gelijkberechtiging van het Nederlands maar naar een dominantie van deze taal.

Toen er in 1876 opnieuw provinciale verkiezingen op komst waren, werd door het bestuur van de Nederduitsche Bond een status quaestionis van de taalsituatie opgemaakt. De akten van de beraadslagingen in de provincieraad waren nu in het Nederlands. Bij de vooruitgang op het provinciale niveau hoorde ook de openlijke steun door een meerderheid in de provincieraad aan de initiatieven die de flaminganten van de Meeting zoals Jan J. de Laet in het parlement te Brussel namen. Zo steunde Bausart in de provincieraad het wetsvoorstel tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken van De Laet krachtig en hij had weinig problemen om daarvoor aanhang te vinden bij zijn collega's.

Dat betekende niet dat de flaminganten verzekerd waren van een groeiend of zelfs maar standvastig electoraat. De kiezers hadden ook nog andere bekommernissen. In 1876 nam het bestuur van de Nederduitsche Bond zich voor een meeting te organiseren ter voorbereiding van de provinciale verkiezingen. Maar het flamingantische elan was lang zo sterk niet meer. Het bestuur stelde vast dat de laatste tijd "iedere meeting een zedelijke nederlaag voor ons was". Toch was het opkrikken van de flamingantische bedrijvigheid nodig want in Brussel zat het wetsontwerp-De Laet op het taalgebruik in bestuurszaken dat in april 1876 was ingediend, in de wachtkamer. Dat zette de regering ertoe aan een omzendbrief naar de gemeentebesturen van "Vlaamsch-België" te sturen om het taalgebruik ter plaatse te onderzoeken.

De Nederduitsche Bond stuurde naar alle gemeenten van de provincie een brief "om hen nogmaals aan te sporen hun antwoord op de omzendbrief van 't staatsbestuur hen toegericht, zo krachtig als mogelijk te maken". Het bestuur verwees naar deze omzendbrief, hen toegestuurd "om te vernemen van welke taal men zich, wat de gemeenten aangaat, in de bestuurszaken bedient. Reeds hebt Gij, in een andere omstandigheid, laten weten, dat de gemeentebesturen der provincie Antwerpen allen, op één uitzondering na, het Vlaams als bestuurlijke taal bezigen." De Bond drong erop aan dat ze nogmaals in die zin zouden antwoorden. Het was de aangewezen manier om "het staatsbestuur" te laten zien dat de Vlamingen ook voor de bevoegdheden van de nationale staat in hun eigen taal bestuurd wilden worden. De Bond hoopte dat de gemeentebesturen van de hele provincie Antwerpen de promotie van een Nederlandse bestuurstaal zouden steunen. Dat was mogelijk geworden omdat op het gemeentelijke en provinciale bestuursniveau de Vlaamsgezindheid al zoveel terrein gewonnen had.

Toch was dat niet overal in de provincie het geval. Mechelen, bijvoorbeeld, was nog steeds een franskiljons bastion. Deze stad lag dichter bij Brussel, was intern zwaar verfranst door haar burgerij en zij beschikte van oudsher over ambtenaren die de Franse taal machtig waren. De francofonie was er zo sterk dat de plaatselijke Vlaamsgezinden erg voorzichtig optraden. In de bisschopsstad bestond al sinds 1874 een Vlaamsche Bond van Mechelen die in dezelfde flamingantische trant werkte als de Nederduitsche Bond. Toen in 1877 de Antwerpenaars aan de Mechelse voorzitter Seldenslagh vroegen of er in Mechelen geen grote meeting kon worden georganiseerd als steun aan het wetsontwerp-De Laet, antwoordde de man negatief omdat een dergelijke manifestatie "mogelijk meer kwaad dan goed aan de Vlaamse zaak zou kunnen toebrengen". De vernederlandsing van de administratie gebeurde er pas laattijdig en heel geleidelijk, onder druk van de bevolking. De stad bleef administratief gezien een Frans bastion tot in 1895. En dan nog sprak de katholieke politicus Dessain, burgemeester vanaf 1909 tot na de Eerste Wereldoorlog, slechts heel moeizaam Nederlands. Mechelen werd in de provincieraad vanaf 1891 vertegenwoordigd door de uitgesproken Fransgezinde Jules Ortegat. In 1903 werd hij er bestendig afgevaardigde. Ortegat werd in 1909 tot Kamerlid verkozen en weigerde openlijk zich achter de Vlaamse eisen te scharen. Het arrondissement Mechelen telde niettemin enkele flaminganten, zoals de Lierenaar Florent van Cauwenbergh die vanaf 1870 lid van de provincieraad was en later ondervoorzitter en voorzitter werd. In de provincieraad sprak hij steeds Nederlands en hij liet de verslagen in het Nederlands opstellen. Als provincieraadsvoorzitter ging hij op 6 oktober 1886 in een rede prat op de vernederlandsing van de raad. Op datzelfde ogenblik, "ik zeg het met fierheid, is het een zeldzaamheid geworden, een kwestie in het Frans te horen bespreken". In 1872 werd hij burgemeester van Lier wat hij tot in 1911 zou blijven. Ook daar bevorderde hij het Nederlands. Als volksvertegenwoordiger bleef hij actief achter de Vlaamse eisen staan.

De jarenlange agitatie van op de banken van de provincieraad boekte in ieder geval resultaten. Gouverneur Pycke richtte op 29 januari 1878 een schrijven aan de gemeentebesturen waarin hij verwees naar het onderzoek voorgeschreven in de ministeriële omzendbrief van 22 november 1876 nopens het gebruik der "Vlaamse taal in bestuurlijke zaken". De gouverneur wilde dat onderzoek kracht bijzetten omdat hij zelf wilde beschikken over een volledige lijst, "om al de gemeenten welker bevolking verdeeld is, voor wat de taal betreft, en door de opgave voor elk hunner, voor het getal der inwoners welke elke taal bezigen". Brussel had bovendien aan de provinciegouverneurs gevraagd welke gemeenten effectief Nederlands gebruikten in hun akten en welke gemeenten uitsluitend Frans. Er waren blijkbaar onnauwkeurigheden vastgesteld. Speelde de persoonlijke voorkeur van de ambtenaar, belast met het beantwoorden van het verzoek van de regering, soms mee?

De relatief stevige positie van het Nederlands op provinciaal niveau zal waarschijnlijk meegespeeld hebben bij het besluit van de Meeting zich te onthouden in de provinciale verkiezingsstrijd van 1878. Bovendien kon ze op dat ogenblik door het vigerende meerderheidsstelsel in het kanton Antwerpen niet rekenen op verkozenen. De Nederduitsche Bond wilde al haar energie toespitsen op de verkiezingen voor Kamer en Senaat.

Het wetsvoorstel-De Laet werd op 22 mei 1878 goedgekeurd. In verminkte vorm weliswaar, want er werden geen sancties ingeschreven om de wet afdwingbaar te maken. Evenmin werd voorzien dat de ambtenarij in de Vlaamse provincies en in het centrale bestuur in Brussel geografische Vlamingen of toch minstens mensen die het Nederlands machtig waren, moest bevatten. In feite was de wet weinig meer dan de bevestiging van wat in 1840 aan de provincieraden van Antwerpen en Oost-Vlaanderen was beloofd.

De vernederlandsing van een provincie

De provincie Antwerpen had echter niet gewacht op de nieuwe taalwet-De Laet. Vanaf 11 juli 1872 was Nederlands er de officiële taal en werd Frans veeleer de uitzondering. Vanaf dat jaar gebruikten de gouverneur en de bestendige deputatie in het algemeen de taal van hun correspondenten. Op de bureaus van de provinciale administratie werd evenwel nog vaak Frans gebruikt. Vele provincieraadsleden bleven zich ondertussen als flaminganten profileren. De Liberale Vlaamsche Bond van Antwerpen ageerde in 1880 via een pamflet gericht aan regering en parlement voor verdere taalwetgeving. Voorzitter van de Bond was het provincieraadslid Jan Florus, wiens collega-provincieraadsleden A. de Pauw, H. Stuck en Jan van Rijswijck tot de ondertekenaars behoorden.

Onder de katholieke regeringen die sinds 1884 aan de macht waren, ging de opmars van het Nederlands door. Ditmaal was er zelfs druk vanuit Brussel. Minister Victor Jacobs van binnenlandse zaken, afkomstig uit Antwerpse Meeting-kringen, schreef een omzendbrief naar de Antwerpse provinciegouverneur waarin hij zei dat de wet van 1878 "niet overal met stiptheid" werd nageleefd. Daarom wilde hij verduidelijkingen geven. Zijn interpretaties van de wet waren niet mis te verstaan: in Jacobs' ogen moest het Nederlands ondubbelzinnig op de eerste rang worden geplaatst. Hij verzocht de gouverneur op te treden als behoeder van een correcte naleving in deze zin van de taalwet in bestuurszaken. Hij verzocht de man zelfs om het te melden aan de minister als er in zijn provincie staatsambtenaren waren die de wet overtraden. De Antwerpse gouverneur moest volgens Jacobs dus optreden als waakhond, ook tegenover staatsambtenaren over wie hij hiërarchisch geen bevoegdheid had. Maar Jacobs was maar één minister onder velen. Hij bleef niet lang in functie zodat dit zeker niet als een definitieve doorbraak mag worden beschouwd.

De flamingantische opmars ging gestaag door. In 1884 werd Justinus-Jozef Peeters-Verellen als ervaren provincieraadslid, lid van de bestendige deputatie. In 1886 zou die bestendige deputatie intern tweetalig worden, wat vooronderstelde dat ieder lid Frans én Nederlands begreep. Vanaf 1884 begon de correspondentie van de deputatie met het provinciaal bestuur en de arrondissementscommissarissen te vernederlandsen. Het overwicht van de flaminganten in de provincieraad leidde op 23 juli 1895 tot de vraag van de bestendige deputatie aan de regering in Brussel om erop toe te zien dat haar staatsambtenaren op het Antwerpse grondgebied Nederlands zouden kennen.

Vanaf de eeuwwisseling had het Nederlands duidelijk het overwicht verworven in de provinciale administratie. Zelfs de Brusselse ministeries schreven sedertdien al eens in het Nederlands naar de provincie. De duidelijke winst op het provinciale niveau betekende niet dat het flamingantische ongenoegen nu verdween. Het Frans had nog altijd het culturele overwicht, wat bij de burgerij en in het bedrijfsleven goed merkbaar was. Veel staatsambtenaren bleven eveneens bij voorkeur het Frans gebruiken en duldden het Nederlands slechts waar het niet anders kon, namelijk tijdens de contacten met het publiek. Dit leidde tot een blijvende verfransingsdruk.

Het ongenoegen aan flamingantische kant nam daardoor verder toe. De tweetaligheid – of zelfs maar de bereidheid om de francofonie op Vlaams grondgebied te tolereren – werd door een aantal jongeren niet meer aanvaard. Dat dit een basis kon vormen voor de verdere afkalving van het Belgische natiegevoel zou tijdens de Eerste Wereldoorlog blijken.

Het activisme

Het activisme vond in Antwerpen zijn eerste aanhangers in de kringen rond August Borms en de groepjes militanten van de Groeningerwachten. Dit bleef lange tijd een erg stadsgebonden aangelegenheid, al was er in Lier ook een radicale kern van enkele tientallen activisten waarin onder meer de letterkundige Felix Timmermans militeerde.

Naarmate de Duitsers eisten dat het activisme meer aanhang zou verwerven kwamen er pogingen om ook in de rest van de provincie mensen aan te trekken. Naast Antwerpen-stad en Lier was het platteland lange tijd een braakliggend terrein gebleven, al waren er hier en daar ongetwijfeld stille sympathisanten. Om daar invloed uit te oefenen werd het gematigd activistische, katholiek getinte weekblad De Eendracht in de hele provincie bij de activistische vertrouwensmannen, maar ook bij de zogenaamde "ontwikkelde personen", thuisbezorgd.

Daarnaast zocht men zoveel mogelijk kandidaat-studenten omdat de vernederlandste Gentse rijksuniversiteit – de eerste zet van de Duitsers om de flaminganten tot het activisme over te halen – dringend nood had aan succes. Zij kon haar legitimiteit enkel bewijzen door zoveel mogelijk Vlaamse studenten aan te trekken. Deze Gandavenses uit de Antwerpse Kempen werden gegroepeerd in de studentenkring De Mastentop en financieel onderhouden door de geldelijke steun van de propagandadiensten van de Raad van Vlaanderen. De geneeskundestudent Alex Strijckers – telg uit een bekende flamingantische familie in Hoogstraten – speelde er een belangrijke rol als voorzitter.

Deze studentengroep beperkte haar activiteiten niet tot de universiteitsstad maar deed ook aan propaganda in de Kempen.

Pas op 25 oktober 1917 werd te Turnhout een Kempisch Vlaamsch Verbond gesticht dat beloofde het programma van de Raad van Vlaanderen te volgen en daarvoor propaganda te maken. Het zou zich profileren "buiten en boven alle partijorganisaties". In werkelijkheid toonde het zich sterk katholiek omdat dat de enige manier was om het vertrouwen van de plattelandsflaminganten te winnen. De grote voorman was Frans Jacobs, een gewezen ambtenaar van de Nationale Bank van België. Hij werd bijgestaan door Jan Baptist Bellefroid die vrijgestelde was geweest van de Katholieke Sociale werken te Herentals.

Vervolgens begon de verdere doorsijpeling van het activisme, voortgedreven door de subsidiestromen vanuit Brussel. In elk kanton werd gepoogd een propagandistengroep op te richten. Dat leidde tot een machtstrijd met mensen – vaak zelf flaminganten – die Belgisch-loyaal wilden blijven. In het kanton Duffel bijvoorbeeld, waar Frans Voorspoels de belangrijkste propagandist was, werd de niet-activistische organisatie Hulp aan Krijgsgevangenen door het plaatselijke Duitse bezettingsbestuur ontbonden. Daardoor kon de activistische Volksopbeuring deze organisatie opnieuw opstarten. Onder Duitse druk werd daarvoor een kantoor in het gemeentehuis gereserveerd. Een Belgischgezinde vriendenkring nam evenwel ondergronds de werking over. De strijd om macht en invloed ontbrandde niet alleen rond de krijgsgevangenen. In Duffel werd met het plaatselijke Nationaal Comité ook een bitter conflict uitgevochten over het recht om schoolmaaltijden voor de kinderen te verzorgen.

In de streek van Mechelen, waar de Duitse hoogleraar Konrad Beyerle de eerste contacten had gelegd om het activisme op te starten, hadden de propagandisten het moeilijk. Van Mechelen ging al van oudsher een verfransende invloed uit en de antiactivistische kardinaal Désiré Mercier was vlakbij. Hoe massief het verzet was, horen we weerklinken in een opmerking betreffende het nabijgelegen landbouwersdorp Onze-Lieve-Vrouw-Waver. Daar was zelfs geen teken van activistisch leven mogelijk. Zoals de Mechelse propagandisten schreven: "Daar lopen een paar activisten in het wild en hebben schrik van onder de ogen der mensen te komen."

Ondanks de vele tegenkantingen op lokaal vlak werden er her en der toch mensen bereid gevonden openlijk als activist op te treden. In de streek rond Heist-op-den-Berg zorgde Lode de Rooy voor de propaganda. In Lier was dat voornamelijk Lambert Stevens, in Mechelen waren de propagandisten Jozef Uytterhoeven en Antoon Wolfs actief, in de Rupelstreek om Hemiksem militeerde Seraf Trio en in de streek van Hoogstraten Lambert Jageneau. Er waren nog zeer kleine kernen in Peulis, Willebroek, Puurs, Westerlo. Het was moeilijk om eenheid te brengen in dit netwerk. De inrichting van een gouwraad, die de provincieraad op termijn opzij moest schuiven, bleek een onhaalbare kaart. Karel Moeremans, die samen met Jozef (eigenlijk Louis) Smets de regio-Willebroek bewerkte, wilde bijvoorbeeld zijn naam van de lijst van Gouwraadsleden geschrapt zien omdat hij in "de volstrekte onmogelijkheid" was om een dergelijke functie te aanvaarden. Wel was hij actief in de plaatselijke Groeningerwacht en hij was een leidende figuur in het plaatselijke kantoor van Volksopbeuring. Smets was ervan overtuigd dat er activistische voordrachtgevers nodig waren "om de sluimerende zielen wakker te schudden". Maar het grote publiek en het grootste deel van de plaatselijke elites waren helemaal niet te vinden voor de activistische boodschap.

Met het vertrek van de Duitsers verdween ook het activisme, al bleven er enkele groepjes sympathisanten bestaan. Zij werden opgenomen in het Vlaams-nationalisme dat door de terugkerende Vlaamsgezinde soldaten werd gegroepeerd in een partij genaamd Het Vlaamsche Front. Haar voornaamste programmapunt was "zelfbestuur voor Vlaanderen". Daartegenover was het Belgisch nationalisme eveneens sterker geworden en dat keerde zich tegen de Vlaamsgezinden. In de liberale partij zou de vroegere flamingantische kern rond Kamerlid en activist Leo Augusteyns vrijwel verdwijnen. Er waren nochtans veel mensen die Vlaamsgezindheid niet in tegenspraak vonden staan tot hun patriottische gevoelens. In diezelfde periode boekten de Vlaamsgezinden in de socialistische en katholieke partij vooruitgang met politieke tenoren als Frans van Cauwelaert en Camille Huysmans. Die vooruitgang greep plaats mede omdat de zuilvorming een sprong vooruit maakte. Daardoor verwierven landbouwers en loontrekkenden een sterkere positie binnen deze partijen. Het flamingantisme had nu een breder draagvlak dan ooit tevoren, maar het was verdeeld tussen maximalisten en minimalisten; tussen mensen die de Belgische eenheidsstaat in min of meer vergaande mate wilden opbreken en mensen die aan België loyaal wilden zijn en dus opteerden verder te werken op het terrein van de culturele ontwikkeling en de taalwetgeving.

De tijd van de Frontpartij

Het Vlaamsche Front, beter bekend als de Frontpartij, vond haar sterkste kern meteen na het einde van de oorlog in de stad Antwerpen, waar voldoende leiders, partijkaders en electoraat aanwezig waren. Maar voor de parlements- en provinciale verkiezingen was er uiteraard ook behoefte aan het electoraat op het platteland. In 1919 kwam de partij in de drie arrondissementen op. In 1920 werd op een provinciaal congres de politieke situatie geëvalueerd. De balans was niet erg positief. De vertegenwoordigers van het arrondissement Mechelen klaagden over geldgebrek. Er waren in hun regio slechts enkele afdelingen, in Mechelen, Lier, Heist-op-den-Berg en Nijlen. Het arrondissement Turnhout gaf toe dat zijn werking mede door geldgebrek een inzinking kende na de verkiezingen van 1919. In de Kempen waren er zo weinig afdelingen dat ze het zelfs niet nuttig vonden een arrondissementeel bestuur in te richten. Voor slechts twee stevige partijafdelingen in respectievelijk Turnhout (180 leden) en in Rijkevorsel (200 leden) was dat immers niet nodig. Enkel het arrondissement Antwerpen was verhoudingsgewijs goed ingericht, maar wel onevenwichtig: er waren 2700 leden in Groot-Antwerpen op de iets meer dan 3000 leden voor het hele arrondissement. De nationalisten van de stad overheersten dus heel de provincie. Enkel in Groot-Antwerpen werd gewerkt aan een partijgebonden mutualiteit, aan cultuurmanifestaties, coöperatieven enzovoort.

De nationalisten richtten systematisch hun pijlen op de meer gematigde flaminganten die zich hadden gegroepeerd in het Algemeen Vlaamsch Verbond dat geleid werd door de Antwerpse politicus Frans van Cauwelaert. Dat Verbond vond vooral steun in kringen van de christelijke arbeidersbeweging en de Boerenbond. In de socialistische partij zou Camille Huysmans de maat van het flamingantisme aangeven. De Fronters poogden via de organisatie van een zuil hun electoraat uit te breiden en aan zich te binden. Zij hadden er baat bij om de tegenstellingen op de spits te drijven. Partijvoorzitter Herman van Puymbrouck deed tegenover de aanwezigen op het provinciaal congres een oproep, zich agressief te gedragen tegenover de in Antwerpen aanwezige franskiljons.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1921 bleek hoe sterk de nationalisten stonden in een lokale kiescampagne. In Antwerpen-stad werd dit een succes: 3 van de 45 zetels werden veroverd met ongeveer een vierde van het stemmenaantal van dat van de grote partijen, zijnde 11.000 kiezers. In Mechelen, Deurne, Berchem enzovoort raakten echter geen Fronters verkozen. In Borgerhout was er één zetel veroverd en in Heist-op-den-Berg drie. Op het einde van dat jaar waren er parlementsverkiezingen. Ook toen werd het behaalde resultaat als niet zo slecht ervaren. Er werden 15.228 stemmen uitgebracht op de Frontlijst voor de Kamer. In het arrondissement Antwerpen waren dat er 9074 (+ 1100), in Turnhout ongeveer 3700 (een driehonderdtal minder) en in Mechelen 3443 (+ 1100). De conclusie in het weekblad van de Fronters De Ploeg was duidelijk: de partij had in de provincie het "buitenvolk" onvoldoende bewerkt. De partij moest doen zoals Staf de Clercq in het Brabantse Payottenland: een uitvoerig dienstbetoon met een propaganda die zich doelbewust richtte tot de bevolking van de kleinere gemeenten. Waar er wel een plaatselijke werking was, zoals in Heist-op-den-Berg en in Herentals, waren de uitslagen immers vergelijkbaar met de resultaten van De Clercq.

Het stemmenaantal van Het Vlaamsche Front was overigens geen goede graadmeter voor de Vlaamsgezindheid in de provincie. Zo opteerde de gemeenteraad van Turnhout met zestien stemmen tegen één onthouding voor de vernederlandsing van Gent. Dit was het resultaat van de samenwerking tussen katholieken en socialisten. In die partijen zat de grootste stootkracht voor de V.B., al vervulden de Fronters hun rol van zweeppartij voorbeeldig.

Inmiddels had het Front met twee verkozenen ook zijn intrede gedaan in de provincieraad. Vooral de kunstschilder Arseen Kennes veroorzaakte het nodige rumoer wanneer de ontwikkelingen op het taalvlak hem niet bevielen. Aan irritatie was er de eerste naoorlogse jaren geen gebrek. Zo bijvoorbeeld wanneer de Mechelse katholieke apotheker Hendrik Claes of de Antwerpse liberale geneesheer van Waalse afkomst, Deodaat-Stephanus Ciselet het woord vroegen. Ciselet werd geboren in Laneffe op 7 augustus 1862. Hij was dienstoverste in het Antwerpse Stuivenberggasthuis en sinds 1898 lid van de provincieraad. De in 1859 in Brussel geboren Claes was in Mechelen apotheker. Hij zat in de raad sinds 1900 en behoorde tot de katholieke conservatieve oppositie die in Mechelen de band met de christen-democraten verbrak, onder meer omwille van het minimumprogramma. Telkens als deze mensen in het Frans intervenieerden werd dit op smalende kritiek onthaald, niet alleen vanuit de zetels van het Front maar vooral ook van de veel grotere socialistische en katholieke groep verkozenen. Er werd hard geroepen van "ik versta u niet!", waarbij de critici ondersteund werden door bravogeroep en handgeklap op verscheidene banken en de francofonen gejouw te horen kregen wanneer ze zich probeerden te verdedigen. Ciselet vond het impossible om zich in het Nederlands uit te drukken en ook Claes verdedigde zich in die zin. Ze kregen daarop het verzoek eindelijk eens Nederlands te leren zodat ze in de taal van het volk op de provincieraad konden tussenkomen. Hun verwijzing naar de vrijheid van taalgebruik die door de grondwet werd gegarandeerd kon de anderen niet overtuigen. Het flamingantisme was dus sinds de oorlog opnieuw gevoelig vooruitgegaan in deze provinciale vergadering. Een andere oude rot op de provincieraadsbanken, Adalbert vander Cruyssen, de vooroorlogse voorzitter van het Antwerpse Algemeen-Nederlands Verbond (ANV), stelde onder toejuichingen voor nog eens te doen wat ze als provincieraad een decennium eerder al hadden gedaan, namelijk het stemmen van de vernederlandsing van de Gentse Rijksuniversiteit. De overgrote meerderheid viel hem onmiddellijk bij. Belangrijker was Vander Cruyssens opmerking dat hij zich uit zijn begintijd als provincieraadslid twintig jaar geleden herinnerde dat destijds slechts een op drie van de raadsleden Nederlands gebruikte tijdens de debatten en dat elk bestuurlijk stukje tekst toen per definitie een Franse vertaling kreeg. Nu, in 1921, waren er maar twee Franssprekenden meer en was het Nederlands in de provincie op alle vlakken administratief de dominante taal geworden. Pas in 1923 verdwenen de laatste sporen van tweetaligheid uit het provinciale bestuur. Dat jaar zou de regering een nieuwe provinciegoeverneur benoemen, de vroegere Brusselse magistraat Georges Holvoet. Hij was begin 1918 nog betrokken geweest bij de aanhouding van August Borms en Pieter Tack op bevel van het Brusselse hof van beroep en kon zeker niet worden verdacht van sympathie voor de Vlaams-nationalisten.

De grote christen-democratische en socialistische vertegenwoordiging zorgde ondertussen voor een dominante Vlaamsgezinde aanwezigheid in de provincieraad. Alleen de liberale partij vond dat het nieuwe flamingantische elan te ver ging en volgens haar dagblad De Nieuwe Gazet van 17 juli 1921 was de provincie Antwerpen al Vlaams en kon de Vlaamse kwestie dus geen strijdpunt meer zijn in de verkiezingsstrijd. Misschien gingen de socialisten daardoor nog vooruit bij de verkiezingen, want hun flamingantisch profiel had hen vermoedelijk een flinke stoot in de rug gegeven. Het flamingantisme was tevens een belangrijk element in de toenadering tussen christen-democraten en socialisten in deze naoorlogse jaren. Het bondgenootschap tussen Van Cauwelaert en Huysmans zou het politieke leven in de provincie verscheidene jaren mee bepalen.

Omdat de naoorlogse francofone opmars slechts een strovuur bleek en het vernederlandsingsproces – mede aangevuurd door de nieuwe taalwet op bestuurszaken van 1921 – weer vooruitgang boekte, kwam de oude levensbeschouwelijke tegenstelling weer naar boven. In 1927 verkreeg het coalitieakkoord tussen Van Cauwelaert en Huysmans in Antwerpen-stad slechts een kleine meerderheid bij de socialistische partijafdeling. Er was een krachtig vrijzinnig verzet, onder meer tegen de subsidiëring van de katholieke scholen. De Vlaams-nationalisten waren ondertussen onderhevig aan een radicaliseringsproces. Zij huldigden hoe langer hoe meer een anti-Belgisch programma en zagen brood in de frustraties bij ontevreden katholieken. Ze hoopten zo openingen te creëren die hen de kans zouden bieden een massa-basis te verwerven.

De infiltratie van hun organisaties op het platteland verliep echter erg traag. De katholieke zuil waarin tal van Vlaamsgezinden militeerden, stond er immers relatief sterk. In het arrondissement Turnhout was de oprichting van een Vlaams-nationaal syndicaat mislukt. In het arrondissement Mechelen werd Het Vlaamsche Front vooral verbreid via zangverenigingen. Daarnaast bestond er een fietsersclub, een voetbalclub en een vrouwengroepering Hooger Op. Mogelijk had de katholieke partij minder aandacht voor dit soort bedrijvigheid, waardoor er een gat bestond dat door Vlaams-nationalisten kon worden opgevuld. In Lier mislukte de zangkring maar de toneelkring bleef bestaan. Mechelen werd bestreken door het blad De Klauwaert (1927-1933) waarin de anti-Belgische agitator en gewezen Frontsoldaat Ward Hermans domineerde. Daarnaast vormden de Vlaamse Huizen en de plaatselijke Vossenbonden vaak de kern van de Vlaams-nationalistische werking.

In de Vlaams-nationalistische politieke familie bewoog dus een en ander. Het Vlaamsche Front keek immers al kort na de oorlog aan tegen het grote verschil tussen platteland en agglomeratie. Er was weinig contact tussen beide en de partij bleek niet in staat een stevige provinciale partijstructuur op touw te zetten. Het platteland bleef organisatorisch lange tijd erg zwak. De Antwerpse partijafdeling moest de Turnhoutse afdeling – de leidende kern van het arrondissement – financieel onderhouden en toen de Kempenaren in 1924 nog meer subsidies eisten deden ze dat met het dreigement anders de partij in Turnhout gewoon op te heffen.

Het was meteen ook een aanduiding voor het feit dat de erg stedelijk en Antwerps gekleurde Frontpartij op zich niet echt op trouw kon rekenen, al was het Vlaams-nationalisme wel degelijk attractief. In het arrondissement Turnhout was er geen organisatie en geen werking van betekenis en toch werden in de Kempen verhoudinggewijs veel stemmen behaald. In 1919 leverde dat bij de verkiezingen voor de Kamer een stemmenpercentage op van 8,2% tegen 5,8% voor Antwerpen en 4,8% voor Mechelen. In 1921 was er in Turnhout een terugval naar 2748 stemmen, toch nog 7,1%. In Antwerpen bedroeg de electorale opbrengst 5,9% en in Mechelen, waar Hermans zich in de kijker had gewerkt, 6,8%. Een probleem was dat deze plattelandsaanhang erg verspreid woonde en niet bereid was toe te treden tot een nationalistische zuil, wat Antwerpen-stad graag had gezien. Een eigen vakbondswerking kende geen succes. Bovendien vroegen veel militanten op het platteland dat de Frontpartij een exclusief katholieke kleur zou geven aan haar lijsten en programma. Daaraan kon en wilde de Antwerpse leiding niet voldoen.

In die plaatsen waar wel capabele politieke leiders met een ondubbelzinnig katholieke opstelling aanwezig waren, bleken de electorale resultaten soms ronduit spectaculair. De opgang van Thomas Debacker in Mol was daarvoor symptomatisch. Deze katholieke oud-strijder werd in 1926 gemeenteraadslid en het jaar daarna al eerste schepen. In 1932 zou hij de katholieke partij in zijn gemeente electoraal zelfs overvleugelen. Het was dus mogelijk om de katholieke partij te vervangen door een nationalistische op voorwaarde dat er een ondubbelzinnig katholiek programma werd verdedigd en het nationalisme eerder ideologisch anti-Belgisch dan staatkundig anti-Belgisch werd ingekleurd.

Al was de vernederlandsing van de provincie sterk vooruitgegaan, toch bleef het ongenoegen erg groot. Op 23 februari 1929 schreef gouverneur Holvoet een uitvoerige brief naar eerste minister Henri Jaspar over het flamingantisme in zijn provincie. Hij wond er geen doekjes om: in Vlaanderen was de jeugd in de ban van het extremisme. Een van de oorzaken was het antagonisme tussen Vlaamsvoelenden en franskiljons. Die laatste categorie had weinig contact met de bevolking en spreidde een mépris tentoon dat vele Vlamingen woedend maakte. Door de politieke democratisering van na 1918 werden zij zich nog sterker bewust van hun status van tweederangsburgers. Ook al was de grote massa nog niet echt Vlaamsbewust – als voorbeeld haalde hij aan dat de socialisten op taalvlak se montrent tolérant – dan lag dat toch anders bij de maatschappelijk elite op het platteland en in de kleine steden. Holvoet meende dat alle onderwijzers en de hele jonge clerus heftig flamingant waren geworden. Bovendien waren er de laatste jaren overal flamingantische organisaties opgericht die levenskrachtig bleken. Uit de verslagen van zijn politie-informanten had Holvoet geleerd dat Vlaanderen in vele kringen België als ruimtelijke referentie aan het verdringen was.

Katholiek en traditionalistisch

In het arrondissement Antwerpen was al in 1925 een katholiek-nationalistische scheurlijst met de naam Katholieke Christelijke Volkspartij voor Vlaanderen (KCVV), later de Katholieke Vlaamsche Volkspartij (KVV), opgekomen. De leiding hiervan had advocaat Leo Scheere. Maar ook dit initiatief zou het moeilijk hebben om een band te smeden tussen de drie arrondissementen. De KCVV klopte aan bij de geestesgenoten in het arrondissement Turnhout, waar Thomas Debacker ondertussen de onbetwiste leidende figuur was geworden met een eigen blad De Nieuwe Kempen. Zij wilden samenwerken en hoopten dat De Nieuwe Kempen het weekblad voor de katholieke nationalisten van de provincie kon worden. Toch had deze scheurlijst aanvankelijk weinig succes.

Op 4 december 1932 waren er weer provincieraadsverkiezingen. De katholieken behaalden 43 zetels op negentig en de Vlaams-nationalisten vijf. Ze konden niet weerstaan aan de verleiding om een 'katholieke' meerderheid te vormen. Het Front zat op de wip en liet zich daarvoor zwaar betalen. Gewezen activist Seraf Trio werd ondervoorzitter van de provincieraad en Arseen Kennes en Arthur Heylen werden lid van de bestendige deputatie. Het akkoord betekende ook dat de overgrote meerderheid van de Vlaams-nationalisten zich uitdrukkelijk als katholiek wenste te profileren. Ze hadden daar het langzame wegglijden van de Antwerpse vrijzinnige nationalisten, te beginnen met Herman Vos voor over. Vos stapte, mede omwille van het stemgedrag van de nationalistische vertegenwoordigers in de provincieraad, over naar de socialistische partij. De volgende jaren smolt de electorale aanwezigheid van de Vlaams-nationalisten in de Antwerpse agglomeratie snel weg. Dat was een teken aan de wand: het electoraat en de partijkaders waren veranderd. Het platteland domineerde nu in plaats van de havenstad. Deze mensen van het platteland verzamelden zich in 1933 zonder veel tegenstribbelen in het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) van Staf de Clercq. De katholiek-traditionalistische strekking had het overwicht behaald in de provincie Antwerpen. Dat zette de deur ook open voor een tendens naar nationaal-socialistische standpunten. Vooral Ward Hermans vervulde hierin een voorhoederol.

De provincieraadsverkiezingen van 7 juni 1936 stonden in het teken van de Rex-campagne. De katholieke partij werd bedreigd door een drastische afslanking. Deze keer verloor zij acht zetels terwijl de Vlaams-nationalisten er nu negen haalden en Rex vier. Rex liet toe dat de katholiek-nationalistische minderheid verder de deputatie zou samenstellen. Op het niveau van de provincieraad werd de katholieke solidariteit dus niet verbroken. In vrijzinnige ogen betekende dat de zoveelste verscherping van hun schrikbeeld van een katholieke dominantie. Kennes en Heylen bleven in de bestendige deputatie en Emiel Wildiers werd nu ondervoorzitter van de provincieraad. Het politieke gebeuren evolueerde naar een katholiek-vrijzinnig antagonisme. In de stad Antwerpen was een vrijzinnige meerderheid onder leiding van Camille Huysmans aan het bewind, in de provincie heerste een katholieke meerderheid.

In 1938 was er nog maar één VNV'er in de Antwerpse gemeenteraad, volkomen geïsoleerd. De drie traditionele partijen spaarden elkaar en vielen vooral uiterst rechts aan. Maar dat patroon gold voornamelijk voor de stad. In de socialistische pers was men erg bitter over het feit dat de katholieke partijafdelingen in de randgemeenten wel concentratielijsten (Vlaamsche Concentratie) vormden met de extreem-rechtsen en zo de socialisten kansloos probeerden te maken. Deze spanningen tussen vrijzinnigen en katholieken werden aangevuld door spanningen binnen de katholieke gemeenschap waar niet iedereen wilde leven met de Rex- en VNV-invloeden. Zo ging men de Tweede Wereldoorlog in.

Oorlog en naoorlog

De tweede Duitse inval joeg provinciegouverneur Georges Holvoet, burgemeester Camille Huysmans en vele anderen het land uit. Tijdens deze bezetting ging het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) in opmars met het doel zoveel mogelijk machtsposities in te nemen. Dat gebeurde ook in de provincie Antwerpen. Belangrijk was dat deze collaboratie het flamingantisme voor lange tijd zou compromitteren, vooral in de ogen van de vrijzinnige Vlamingen. De afloop van de oorlog draaide uit op de bestraffing van de collaborateurs en hun verwijdering uit tal van functies (repressie). Daardoor was er opnieuw een opmars mogelijk van de francofonie, maar de taalwetten die in de jaren 1930 waren gestemd zorgden voor een strikte beperking, waardoor de Antwerpse gemeenten en het provinciale niveau amper werden aangetast.

Veel collaborateurs werden gedwongen uit hun vroegere gemeenten weg te trekken en namen hun toevlucht tot de Antwerpse agglomeratie. Mede daardoor ontstonden in het arrondissement Antwerpen relatief snel opnieuw nationalistische partijformaties. Een echte doorbraak kwam er pas in het begin van de jaren 1960 met de Volksunie (VU). Een deel van de oude ideologische gewaden werden afgelegd en het flamingantisme onder leiding van het Antwerpse Kamerlid Hugo Schiltz kende een sterke opgang. Toch bleef het oorlogsverleden heel lang doorwegen. In Lier moesten de Vlaams-nationalisten tot 1964 wachten voor ze een zetel konden behalen. Ondertussen was het provinciaal niveau als arena voor de Vlaamse strijd onbelangrijk geworden, des temeer omdat Antwerpen geen raakpunten had met de taalgrens.

De sterke toevloed van gewezen collaborateurs had van de agglomeratie Antwerpen een omgeving gemaakt waar organisatievorming binnen het oude extreem-rechtse ideologische kader mogelijk bleef. Dat dit in potentie kon rekenen op een vrij uitgebreid electoraat bleek toen de Antwerpenaar Karel Dillen zijn Vlaams Blok (VB) in de jaren 1980 en 1990 zou doen groeien, waarbij hij in de hele provincie een electoraat vond.

Besluit

De provincie Antwerpen vormde al van bij het begin van de V.B., vanaf de tijd van het petitionnement, een forum waar het flamingantisme zich roerde en eisen stelde. De voorman van destijds, Hyacinth Colins, beperkte zich nog tot de eis om overal een Nederlandse vertaling af te drukken op de bestuurlijke documenten bedoeld voor het grote publiek en de lagere besturen. Zijn opvolgers kwamen eerst op voor de gelijkberechtiging en nadien voor eentaligheid. Deze flamingantische druk werd gedragen door zowel de kiezers van de Antwerpse agglomeratie als door het plattelandselectoraat. Het Frans leverde daarna nog lange tijd achterhoedegevechten maar het werd steeds meer teruggedrongen. Het provinciale niveau diende zelfs als platform om druk uit te oefenen op de regering en de ministeries in Brussel.

Het activisme tijdens de Eerste Wereldoorlog splijtte de V.B. in een Belgischgezinde en een anti-Belgische vleugel die elkaar verbeten bestreden. De oorlog bracht echter ook een globale versterking van de flaminganten in de provincie binnen de socialistische en katholieke partijen en zuilen met zich mee. Zij zorgden ervoor dat de hernieuwde Franstalige opmars van na 1918 slechts een strovuur was. De provincie Antwerpen was definitief vervlaamst.

Literatuur

J. van Orshaegen, Een bijdrage tot de politieke geschiedenis van het arrondissement Mechelen, inzonderheid van het kanton Lier (1894-1921), RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1967; 
H.J. Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, 4 dln. (1969);
A.W. Willemsen, Het Vlaams-nationalisme. De geschiedenis van de jaren 1914-1940, 19692; 
T. Luykx, Dr. Alfons Van de Perre en zijn tijd, 1972; 
L. Wils, Flamenpolitik en aktivisme, 1974; 
W. Dolderer, 'Twee propagandaverslagen over het aktivisme in Heist-op-den-Berg', in WT, jg. 43, nr. 4 (1984), p. 206-217; 
A. Deprez, 'De tocht naar Turnhout (21 oktober-20 november 1918)', in WT, jg. 34, nr. 1 (1985), p. 27-44; 
H. de Lannoy, 'Vervlaamsing en democratisering van de katholieke partij: de invoering van de standenvertegenwoordiging in het arrondissement Mechelen (1914-1921)', in WT, jg. 44, nrs. 1-2 (1985), p. 95-110 en p. 168-182; jg. 45, nr. 1 (1986), p. 16-30; 
J. van Meensel, Berkven. 100 jaar Vlaamse studentenbeweging, 50 jaar Katholieke Vlaamse Berkvenbond, 25 jaar Oud-berkvenbond te Geel, 1986; 
L. Vandeweyer, 'De politieke rol van August Borms tussen 1918 en 1933', in Verschaeviana (1986), p. 81-117; 
J. van Meensel, 'Geel vóór 1914. Geschiedenis van een Davidsfondsafdeling', in WT, jg. 47, nr. 3 (1988), p. 152-167; 
F. van Gehuchten, 'Seraf Lambreghts, een pionier van de vlaamsgezinde volksbeweging in de Kempen (1893-1912)', in WT, jg. 49, nr. 3 (1990), p. 174-186; 
A. Himpe, De Beweging in Huis. Vlaamse Huizen tijdens het interbellum (Bijdragen Museum van de Vlaamse Sociale Strijd, nr. 8, 1992); 
K. van Hoorick, 'De "humanitaire" kant van het activisme: de vereniging Volksopbeuring te Mechelen', in WT, jg. 53, nr. 2 (1994), p. 99-112; 
id., 'De activistische achterban te Mechelen', in WT, jg. 53, nr. 4 (1994), p. 235-247; 
T. van Hemeledonck, De geschiedenis van het Vlaams-nationalisme in het arrondissement Mechelen van 1920 tot 1940, VUB, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1994; 
P. de Zaeger, Lier, bezet en bevrijd. Een Vlaamse stad tijdens de tweede wereldoorlog, 1995; 
B. van Causenbroeck, 'Herman Vos, socialisme en nationalisme. Het verhaal van de kip en het ei', in Brood en Rozen, jg. 2, nr. 1 (1997) p. 41-49. 

Auteur(s)

Luc Vandeweyer