Antisemitisme

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Over de houding van de V.B. tegenover de joden is het onderzoek nog niet ver gevorderd. Enkel het politiek Vlaams-nationalisme van de jaren 1930 en van tijdens de Tweede Wereldoorlog werd diepgaand geanalyseerd. Uit de resultaten daarvan blijkt alvast dat de jaren 1930 als een breuk kunnen worden beschouwd. Toen werd door Vlaams-nationalistische organisaties de houding tegenover de joden ideologisch onderbouwd, wat uiteindelijk uitmondde in een racistisch antisemitisme. In de onderhavige uiteenzetting ligt het accent dan ook niet zozeer op de V.B. in haar geheel, maar wel op het zich sedert de Eerste Wereldoorlog ontwikkelende politiek Vlaams-nationalisme.

Voor de naoorlogse periode wordt – mede door gebrek aan enig fundamenteel onderzoek – niet de houding tegenover de joden als dusdanig nagegaan, als wel de perceptie en receptie van de jodenvervolging in (overwegend rechts-radicale) Vlaams-nationalistische publicaties en wetenschappelijke studies over de V.B. Onbesproken blijft de attitude van het naoorlogse Vlaams-nationalisme tegenover de apartheidspolitiek van Zuid-Afrika, in een bredere context hanteerbaar als een parameter voor 'racistische ontvankelijkheid'. De houding van het Vlaams Blok tegenover de 'gastarbeiders', die vanaf de jaren 1980 de 'zondebokfunctie' van de joden hebben overgenomen (immigratie) komt evenmin aan bod. De anti-joodse attitude wordt met andere woorden niet als uniek beschouwd, maar als een variant op een anti-vreemdelingenhouding, de resultante van het proces van interculturele beeldvorming. Dat impliceert dat in het artikel bijwijlen wordt stilgestaan bij het 'racisme' in het algemeen.

De titel van dit artikel bevat de geladen term 'antisemitisme'. Omwille van de negatieve connotatie met de bloedige excessen van het nazi-regime wordt dit begrip verder zoveel mogelijk vermeden, of – zoals ook reeds in de titel – tussen aanhalingstekens geplaatst. Normaal gesproken wordt met 'antisemitisme' de racistische variant van de anti-joodse houding bedoeld en met 'anti-judaïsme' de religieuze component.

Van het einde van de 19de eeuw tot de Eerste Wereldoorlog

Eeuwenlang werd de houding tegenover de joden door religieuze factoren bepaald. De meest fundamentele beschuldiging luidde dat de joden verantwoordelijk waren voor de dood van Christus en sinds de 2de eeuw werd geëxpliciteerd dat ze 'Godsmoordenaars' waren (Melito van Sardes). De christenen geloofden dat sinds de 'Godsmoord' de joden tot de diaspora waren gedoemd en dat de Kerk de plaats had ingenomen van het 'Oude Israël', het ontrouw geworden Godsvolk (Justinus Martyr, Tertullianus, Augustinus). Sinds de kruistochten en in het bijzonder sinds de late Middeleeuwen voegden zich daarbij economische bezwaren en vond het beeld van de joodse woekeraar in de christelijke wereld ingang.

Na de emancipatie van de joden – in West-Europa definitief op gang gebracht door de Verlichtingsidealen en de Franse Revolutie (1789) – stond het religieuze motief niet meer zo centraal. Door een voortschrijdende ontkerkelijking werd een theologisch gefundeerde stigmatisering bovendien minder functioneel. In de plaats daarvan kwam een geseculariseerde vorm van het anti-judaïsme, een amalgaam van vaak tegenstrijdige anti-joodse stereotypen getypeerd als 'modern antisemitisme'. Tijdens de 19de eeuw, onder meer gekenmerkt door de industrialisatie en de snelle ontwikkeling van het kapitalisme, trad het 'socio-economisch antisemitisme' volledig op de voorgrond. Dat toen ook heel wat socialisten er vanuit hun kritiek op het 'parasitair' kapitalisme een anti-joods standpunt op na hielden, wees trouwens op het socio-economisch karakter van het 'moderne antisemitisme'. Hiernaast bevatte het 'moderne antisemitisme' eveneens een socio-politieke component. Niet alleen werden de joden als aanhangers van revolutionaire bewegingen als het socialisme beschouwd, maar tevens maakte het 'moderne antisemitisme' voortaan deel uit van het politiek discours.

Ook de Kerk paste zich aan deze nieuwe vormen aan. In hun reactie tegen de inname van Rome door Italiaanse troepen (1870) en tegen het liberalisme en de modernisering in het algemeen voegden de pausen Pius IX (1846-1878) en Leo XIII (1878-1903) bij de oude religieuze bezwaren tegen de joden het nieuwe vooroordeel dat de joden – in samenwerking met vrijmetselaars en anarchisten – de feitelijke aanstokers van revoluties waren. Bovendien deed Pius IX een aantal negatieve uitspraken over de joodse pers en over de band tussen jodendom en kapitaal. De joden werden met andere woorden gezien als de belagers van de traditionele waarden van de christelijke maatschappij, zoals die voor de Franse Revolutie zou hebben bestaan. Nieuw was ook de opkomst van het racistisch antisemitisme, in het voetspoor van het groeiende nationalisme. Het racisme, alsmede het gebruik van fysiek geweld tegen joden, werden evenwel door de Kerk veroordeeld.

België kan niet als prototype van een 'antisemitisch' land worden omschreven. Weliswaar viel vanaf het midden van de jaren 1880 ook hier een toename van anti-joodse publicaties waar te nemen, maar een extreme anti-joodse agitatie zoals in de buurlanden Frankrijk en Duitsland bestond volstrekt niet. De anti-joodse stereotypen waren vooral in katholieke middens verspreid en kenden bij een (gering) deel van de Belgische socialisten een racistische variant.

Binnen de Belgische socialistische beweging van de jaren 1880-1890 was de Brusselse advocaat Edmond Picard de vaandeldrager van een racistisch antisemitisme, dat hij verbond met zijn strijd tegen het kapitalisme. In de lijn van de Franse anarchist Pierre Joseph Proudhon maakte hij onderscheid tussen het 'superieure' 'Arische ras' en het 'parasitaire' 'Semitische ras'. Tussen beide 'rassen' zou zich een eeuwige strijd afspelen. Picards invloed bleef evenwel beperkt tot een kleine kern van (Franstalige) volgelingen. Enkelen van hen, met name de wallingant en vooraanstaand partijman Jules Destrée en de Belgisch-nationalist Léon Hennebicq (maar evenzeer de katholiek Henry Carton de Wiart), hadden bij Picard hun stage in de rechten gelopen. Ook de toenmalige hoofdredacteur van Le Peuple, Louis Bertrand, hield er een anti-joodse visie op na, en dit – in tegenstelling tot Destrée – tot in de jaren 1930. Daartegenover stonden andere socialistische tenoren als de partijleider en 'Dreyfusard' Emile Vandervelde, Louis de Brouckère en de flamingant Camille Huysmans, die niet alleen het antisemitisme veroordeelden, maar ook uitermate positief stonden tegenover het zionisme.

Het anti-joods gedachtegoed maakte in deze periode geen school in de V.B. Zo kwamen bijvoorbeeld in het in 1881 gestichte studententijdschrift De Student geen anti-joodse bedenkingen voor. Karl Marx, die in talrijke anti-joodse bladen ten tonele werd gevoerd om te wijzen op de zogenoemde band tussen jodendom en 'links', werd in De Student toen nog omschreven als "den Duitser". Dit sluit niet uit dat er bij een aantal representanten van de V.B. sporadisch anti-joodse geluiden te horen vielen. De meeste voorbeelden hiervan dateren uit de jaren 1890, toen de V.B. de richting van het zogenoemde cultuurflamingantisme insloeg en de Duitse pan-Germanistische stroming contact met Vlaanderen zocht. Globaal genomen had de V.B. het in deze periode evenwel nog hoofdzakelijk op de franskiljons en Frankrijk gemunt, die ervan werden beschuldigd Vlaanderen economisch uit te buiten, de zedeloosheid te verspreiden en de traditionele waarden te ondermijnen. Vanaf de jaren 1930 zou het Vlaams-nationalisme deze verwijten ook systematisch de joden toewerpen. Een essentieel bijkomend verschil betrof het exclusief karakter van het politiek Vlaams-nationalisme van de jaren 1930. Doordat op het einde van de 19de eeuw sterk de klemtoon werd gelegd op de taal als symbool voor het wel of niet behoren tot het Vlaamse volk, kon een Nederlandssprekende 'vreemdeling' toen nog moeiteloos in het Vlaamse volk opgaan. Tijdens de jaren 1930 werd daarentegen de 'afstamming' het criterium voor 'volksgenootschap', wat de uitsluiting van 'niet-volksgenoten' impliceerde.

Invloed van het (geseculariseerde) anti-judaïsme

Gezien het eeuwenoude religieuze anti-judaïsme kon het haast niet anders dat hiervan in het bij uitstek katholieke Vlaanderen van de 19de eeuw sporen waren terug te vinden. De opvattingen van de meerderheid der flaminganten waren bovendien sterk katholiek-traditionalistisch gekleurd, wat een aversie tegen alles wat voortvloeide uit de Franse Revolutie inhield, evenals een wantrouwen tegen de liberale staat. Die opvattingen vonden vooral in kringen op het platteland, kleine steden en misschien nog het meest in West-Vlaanderen ingang. Soms konden dergelijke katholiek-traditionalistisch geïnspireerde beschouwingen over de V.B. worden gekoppeld aan anti-joodse bedenkingen. Illustratief was het werk van de West-Vlaming en medewerker aan Guido Gezelles tijdschrift Biekorf Victor van de Kerckhove, De kanker onzer eeuw. De gilde en de Vlaamsche Beweging (Brussel, 1892), waarin als de grote schuldigen aan het zogenoemd maatschappelijk verval werden genoemd: de Franse Revolutie, het "machinisme" en de joden, aan wie men "door ene valse menslievendheid in alle landen het burgerrecht heeft geschonken". De joden werden omschreven als revolutiestokers, handlangers van de socialisten en woekeraars en ze zouden overal opnieuw de rol van Judas spelen.

Het thema van de joden als revolutiestokers en samenzweerders was gemeengoed in katholieke kringen en kwam onder meer tijdens de Franse Dreyfusaffaire (1894-1906) tot uiting. Even courant waren anti-judaïstische stereotypen en verwijzingen naar middeleeuwse anti-joodse legenden als de zogenaamde hostieprofanatie en de rituele kindermoord. Zo werd in het tijdschrift van Gezelle, Rond den Heerd, geloof gehecht aan de uit 1370 daterende legende van hostieprofanatie door Brusselse joden: "Jonathas, vervold gelijk zijne omgelukkige voorvaders, met eenen onverzoenlijken haat tegen onzen Zaligmaker, wenschte, sedert langen tijd, eenige geconsacreerde hostien te bezitten" (Rond den Heerd, 17 juli 1869). Vrij origineel voor die periode en aansluitend bij het West-Vlaams particularisme (Taal) leek ook de aversie van Gezelle tegen Nederland, dat hij omschreef als "het half joods, half heidens Hoog Holland".

Duitse invloed

Naast het katholiek-traditionalisme en het anti-judaïsme was de sterke belangstelling van de V.B. voor Duitsland een ander kanaal waarlangs anti-joodse vooroordelen konden binnendringen. In Duitsland ontwikkelde zich vanaf de jaren 1870-1880 een politiek en racistisch antisemitisme, alsmede een pan-Germanistische stroming en kwam men tot een verheerlijking van het 'Germanendom' ('Arische mythe'). In die context dient het anti-joodse denken te worden gesitueerd van de Duitse componist en cultfiguur Richard Wagner (1813-1883), die ook in de V.B. op een aantal beate bewonderaars kon rekenen zoals Albrecht Rodenbach en Peter Benoit. Alhoewel Wagners anti-joodse invloed nog verder moet worden onderzocht, blijkt uit de voorlopige resultaten van het onderzoek van historicus Bruno de Corte dat de Duitse raciale denkbeelden voor de Eerste Wereldoorlog een bijna te verwaarlozen inbreng in de V.B. hadden. Bovendien dient er steeds rekening mee te worden gehouden dat wanneer flaminganten het woord 'ras' gebruikten, dit eerder in de betekenis was van het erg ruime Franse begrip race. Dat Franse begrip stond veelal synoniem voor 'volk' en moest worden onderscheiden van het strikter biologisch op te vatten Duitse Rasse. Enkel in een aantal Brusselse (vrijzinnige) kringen was een duidelijke invloed van Duitse raciale denkbeelden merkbaar. Dat gold voor een aantal leden van het Wagneriaans geïnspireerd literair genootschap De Distel en van de Vlaamsche Volkspartij. Op 9 juni 1888 hield Jan-Matthijs Brans voor De Distel een rede over "de aanstaande rassenstrijd tussen de Germaanse en Latijnse volkeren". In zijn ophefmakende artikel uit 1896 "Kritiek der Vlaamsche Beweging" zou August Vermeylen – nochtans zelf een Wagner-adept – precies dit milieu hebben beoogd toen hij waarschuwde dat de liefde van flaminganten voor het 'ras' en de 'stam' gemakkelijk in 'rassenhaat' kon ontaarden. Een jaar later veroordeelde de Brusselse vrijzinnige advocaat en anti-pan-Germanist, Alfons Prayon-van Zuylen, in de Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal en Letterkunde expliciet het (Duitse) 'antisemitisme'.

Maar nog een jaar later werd, met de steun van het Alldeutscher Verband, in Brussel het Vlaams-Duitse blad Germania opgericht, dat zich op een 'Germaans-racistisch' standpunt stelde. Tot de medestichters behoorde de Antwerpse vrijzinnige Pol de Mont, een van de weinige Vlaamse bewonderaars van de Franse 'rassentheoreticus' graaf Joseph Arthur de Gobineau (1816-1882), inspirator van de racistische geschriften van Wagner en diens schoonzoon Houston Stewart Chamberlain (1855-1927). Duidelijk schatplichtig aan De Gobineau (maar evenzeer aan de romantische rassentheorie van de katholieke historicus Joseph Kervyn de Lettenhove) was ook de Brusselse hoogleraar Léon Vanderkindere. Reeds in zijn aggregaatsdissertatie uit 1868, De la race et de sa part d'influence dans les diverses manifestations de l'activité des peuples, beschouwde hij het 'Arische ras' als intellectueel superieur aan het 'Joodse ras'. Vanderkindere bleef evenwel steeds een randfiguur in de V.B. Het was daarentegen opvallend dat in het officiële discours van de Waalse Beweging wél even werd geflirt met de rassenideologie. Dit kwam tot uiting in het standpunt van de voorzitter van de Ligue wallonne nationale, Julien Delaite, die op het Waalse congres van 1905 onomwonden stelde dat er in België twee 'rassen' waren te onderscheiden: een Vlaams en een Waals.

In tegenstelling tot de Tweede Wereldoorlog had de Eerste geen gevolgen voor het standpunt van de V.B. tegenover de joden en voor de invloed van het 'racisme' in het algemeen. Courant werd evenwel het epitheton ornans dat de Frontbeweging omstreeks januari 1918 aan de Belgische generaal Louis Bernheim toebedeelde: "een kleinzoon van een Duitse jood, die beter past in een concentratiekamp dan wel aan het hoofd van een legerafdeling". Maar enkel de pan-Germanistische groep Jong-Vlaanderen rond de Nederlandse dominee Jan D. Domela Nieuwenhuis Nyegaard was ontvankelijk voor 'racisme'. Ze werd, net als Germania voordien, geïnspireerd door het Alldeutscher Verband. Volgens historicus Daniël Vanacker beschouwden deze Jong-Vlamingen de oorlog als een strijd tussen het Germaanse en Romaanse ras, waarin Vlaanderen onverwijld de Germaanse kaart moest trekken. Ze streefden naar een Alldeutschtum als eerste fase naar de realisatie van een Allgermanentum. In die context had Leo Picard het over de grote Germaanse bond die de Europese beschaving moest "verdedigen tegen... Japanners, Senegalezen enz". Dat verklaart mede waarom tijdens de jaren 1930 een aantal Jong-Vlamingen moeiteloos het racisme en antisemitisme van het nationaal-socialisme zouden overnemen.

Het interbellum

De jaren 1920

Tijdens het begin van de jaren 1920 viel het democratisch en verdraagzaam karakter van het Vlaams-nationalisme op. Het zwaartepunt lag bij de Antwerpse Frontpartij, die het Godsvredestandpunt steeds verdedigde. Het was tevens de periode bij uitstek van het humanitair expressionisme, dat geloofde in het internationalisme en de 'menselijke broederschap'. Werken van kunstenaars van zogeheten joodse origine, zoals de Duitse dichteres Else Lasker Schüler, de Oostenrijkse dichter Franz Werfel en de Nederlandse beeldhouwer Jozef Mendes da Costa werden toen nog moeiteloos geapprecieerd door Vlaams-nationalisten. Evenzo was men geïnteresseerd in de joodse theaterwereld. Sommige Vlaams-nationalisten die later in SS-richting evolueerden, zoals Ward Hermans en Robert van Roosbroeck, hielden er toen nog 'linkse' standpunten op na en waren terug te vinden in kringen als de pacifistische Clarté-groep. Even kenmerkend was dat (Antwerpse) Vlaams-nationalisten positief stonden tegenover het zionisme, dat als een bevrijdingsbeweging werd beschouwd, analoog aan het eigen streven.

Voor zover onderzocht, verschenen er in de Vlaams-nationalistische pers nog geen artikelen waarin fundamenteel en stelselmatig tegen de joden werd gereageerd. Wel konden er, net als destijds voor generaal Bernheim het geval was, persoonsgerichte aanvallen worden gelanceerd waarin werd verwezen naar de (vermeende) joodse afkomst van de betrokkene. De Antwerpse schepen Louis Strauss – geboren in Brussel, maar naar verluidt van joods-Duitse origine – was de kop van Jut in De Stormram en De Ploeg, de opeenvolgende bladen van de Antwerpse Frontpartij. Hij werd in de periode 1920-1921 uitzonderlijk eens "een gewortelde zoon Israëls" of "Shylock in Vlaanderen" genoemd.

Typisch Antwerps was het fenomeen van joodse flaminganten, waaronder zelfs activisten als Marten Rudelsheim, Lode Oudkerk, Sallie Kok en Moïsje Friedman. Het Vlaamsche Front telde een aantal joden onder haar leden, terwijl De Schelde (1919-1936) ook door joden werd gelezen en in 1928 diverse joden het Borms-verkiezingsfonds steunden. Het onderwijs speelde in de belangstelling voor het Vlaams-nationalisme een belangrijke rol. Opvallend was het aantal joodse flaminganten onder de (oud-)leerlingen van de Antwerpse joodse school Jesodé Hatorah, waar verscheidene oud-activisten lesgaven, en van het Antwerps Koninklijk Atheneum. Bekend is ook het voorbeeld van de gewezen Lierse activist Fred Bogaerts die verbonden was aan de joodse school Tachkemoni. Joden als Rudelsheim, Nico Gunzburg, Sam Tolkowsky (tevens medewerker aan het anarchistische tijdschrift Ontwaking) en Melithon de Vries en David de Vries hadden een grote inbreng in de Vlaamsche Kring en de Vlaamsche Bond van het Antwerps Koninklijk Atheneum en in het Algemeen Vlaamsch Studentenverbond. In een breder perspectief dient eveneens vermeld dat in de Groot-Nederlandse beweging (Nederland-Vlaanderen) een aantal Nederlanders actief was die joodse (voor)ouders hadden, zoals Herbert Schaap, Leo Simons en (wellicht) Herman Cohen Stuart. Dat belette niet dat in april 1932 de Dietsche Gedachte, het tijdschrift van de Groot-Nederlandse Dietsche Bond, bij monde van Adriaan Loosjes, het 'jodenvraagstuk' vrij tendentieus ter sprake bracht. Loosjes vroeg zich af of men aan joodse Nederlanders wel "medezeggenschap" moest geven. (Terloops zij vermeld dat reeds in 1906 in het tijdschrift Neerlandia er even bij werd stilgestaan of ook een jood lid kon zijn van het Algemeen-Nederlands Verbond. In tegenstelling tot wat in de Dietsche Gedachte gebeurde, kwam deze problematiek verder niet meer aan de orde.)

Enkele jaren voor de Dietsche Gedachte, in de periode 1929-1930, had ook de Antwerpse Vlaams-nationalistische krant De Schelde voor het eerst een aantal negatieve bedenkingen over de joodse bevolking in Antwerpen geformuleerd. De Schelde ging evenwel niet zover als Loosjes. De bedenkingen hadden alle betrekking op de zogenoemde band tussen jodendom en verfransing. De Schelde nam vooral de grote toeloop van joodse kinderen naar Franstalige klassen op de korrel. Daardoor zouden de joden in Vlaanderen de "denationalisatiehaarden" instandhouden. De 'jodenproblematiek' werd met andere woorden nog louter als een taalkwestie beschouwd. Bovendien werd nog ruimte gelaten voor nuanceringen en een dialoog met de betrokkenen.

Deze zin voor nuances leek voor die periode evenwel hoofdzakelijk het patent van het Antwerps Vlaams-nationalisme. Reeds medio jaren 1920 had in andere lagen van het Vlaams-nationalisme een autoritair gedachtegoed ingang gevonden. Het samengaan van traditionalistische en antidemocratische opvattingen zou aan de latent aanwezige xenofobie een bijzondere impuls geven. Geleidelijk aan werd gepoogd de houding tegenover 'vreemdelingen' te verantwoorden binnen een 'volksnationalistische' ideologie. Vanaf de jaren 1930 zou steeds meer worden gewezen op de zogenoemde 'volkseigenheid' en zou steeds meer de tegenstelling tussen 'volks' en 'volksvreemd' worden gehanteerd. Vanaf deze periode kwam ook het 'jodenvraagstuk' uitgebreid ter sprake. Voortaan werden met 'vreemdelingen' in het bijzonder de joden bedoeld. Tot de factoren die deze evolutie verklaren, behoren het voortleven van het traditionele religieuze anti-judaïsme, de perceptie van de economische en maatschappelijke crises en de groeiende ideologische impact van het nationaal-socialisme.

De jaren 1930

De reactie van het Vlaams-nationalisme van de jaren 1930 tegen de joden was niet uniek. Tijdens deze periode gingen in België steeds meer stemmen op tegen de joodse aanwezigheid en tegen de joodse vluchtelingen in het bijzonder. Zo kwamen ook vanuit Nieuwe-Ordegezinde partijen als Rex en het Nationaal Legioen en vanuit katholieke hoek reacties. Daarbij werd vaak ingespeeld op de latente ongenoegens die in middenstandskringen heersten. In steden als Gent, Brussel en Antwerpen ontstonden organisaties die van het antisemitisme hun enige bestaansreden maakten. Hierbij was het opvallend dat die hun wortels in het Belgisch nationalisme hadden. Zo was de in 1937 opgerichte anti-joodse organisatie Volksverwering gegroeid uit kringen van Pierre Nothombs Jeunesses Nationales en uit middens van de Belgische Nationale Partij (gesticht in 1932) en van het ultra-patriottische Nationaal Corporatief Arbeidersverbond (NACO, gesticht in 1933). Dat belette niet dat opvallend veel leidinggevende figuren van Volksverwering, zoals Gustaaf Vanniesbecq, Antoon Lint en Aloïs Goossens (oud-)dinaso's waren. Ook de leider van Volksverwering, de Antwerpse advocaat René Lambrichts, was omstreeks 1937 lid van het (stilaan 'belgicistische') Verdinaso geworden.

Alhoewel een aantal socialistische politici, zoals de Antwerpse burgemeester Camille Huysmans gepassioneerd voor de joodse vluchtelingen opkwam en het antisemitisme aankloeg, waren ook in 'linkse' rangen negatieve geluiden te horen. Vooral vakorganisaties waarvan de leden door de economische crisis zwaar waren getroffen, zoals de Antwerpse diamantbewerkers en de Brusselse kleermakers, roerden zich. Enkel de communisten leken 'immuun' voor het 'antisemitisme'.

De economische crisis speelde een belangrijke rol als katalystor van anti-joodse gevoelens. De eerste migratiegolven van joden naar België tijdens de economisch voorspoedige jaren 1890/1900 en 1920 hadden haast geen protesten uitgelokt. Tijdens de economische crisis van de jaren 1930 gebeurde dat wel. Van Circa 6.650 in 1887 steeg het aantal joden in België tot ongeveer 12.650 in 1892, 17.250 in 1900 en waarschijnlijk 40.000 in 1914. Ten gevolge van de bevolkingsverschuivingen en de Eerste Wereldoorlog werd dit aantal mogelijk teruggebracht tot 17.000 à 20.000 in 1920, om dan te stijgen tot een 50.000 à 55.000 in 1930. Net voor de bezetting van mei 1940 kwam het totaal op ongeveer 70.000 à 75.000 joden. De joodse immigranten werden als concurrenten beschouwd, die het werk aan de plaatselijke bevolking ontnamen. Zij werden ervan beschuldigd de sociale wetten te ontduiken, weinig belastingen te betalen en zowel de leurhandel als de grootwarenhuizen te monopoliseren. Tevens werd jodendom geassocieerd met kapitalisme en rijkdom in het algemeen. In 'rechtse' (katholieke) middens voegde zich daarbij het stereotype van 'de joodse marxist en vrijmetselaar'.

De inbedding van het anti-joods gedachtegoed in een 'volksnationalistische' ideologie onderscheidde het Vlaams-nationalisme van de rest van het Belgische politieke spectrum. Dat zette de deur naar racisme open en zou zijn repercussies hebben op de bezettingsperiode. Terwijl de Kerk het doopsel als 'redding' voor de joden aanzag en socialisten gesyndiceerde van niet-gesyndiceerde joden onderscheidden, werd in Vlaams-nationalistische publicaties geen verschil meer gemaakt: een jood bleef steeds een jood. Geleidelijk aan vond de stelling ingang dat de joden zich niet alleen niet wilden assimileren, maar dit ook niet konden. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Nederlandse Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) van Anton Mussert, namen de meeste Vlaams-nationalistische organisaties, waaronder het Verdinaso en het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV), het 'antisemitisme' evenwel nooit expliciet op in hun officieel partijprogramma. Vlaams-nationalistische partijen die niet meededen aan het anti-joodse scheldkoor van het Verdinaso en het VNV, waren een uitzondering. Voor zover bekend, was dit enkel het geval voor het Antwerpse Het Vlaamsche Front, maar dat belette niet dat het Front tijdens de verkiezingen van 1936 en 1939 met het VNV scheep zou gaan. Diegenen voor wie het 'antisemitisme' en het 'fascisme' een principiële scheidingslijn met het VNV vormden, bevonden zich ter 'linkerzijde' en konden nog bezwaarlijk tot het Vlaams-nationalistische kamp worden gerekend. De in april 1936 uit Het Vlaamsche Front getreden oud-activist en geneesheer Jan Laureys veroordeelde in zijn in 1935 opgericht blad Anti-Kapitalistisch Blok/De Kollektivistische Orde het 'antisemitisme' en zag het als een uitwas van het kapitalisme. Terwijl de in 1934 naar de Belgische Werkliedenpartij (BWP) overgestapte oud-activist Firmin Mortier in De Volksgazet het 'VNV-antisemitisme' aan de kaak stelde.

Het Verdinaso en het VNV

Het uitgesproken katholiek Vlaams-nationalisme sloot aan bij het 19de-eeuwse anti-liberaal traditionalisme en had zijn zwaartepunt in West-Vlaanderen, waar ook het eerst het Godsvredestandpunt in vraag werd gesteld. Het in 1931 in West-Vlaanderen opgerichte Verdinaso was een typische exponent van dit traditionalisme en ging – binnen het kader van het Vlaams-nationalisme – het snelst de anti-joodse toer op. Reeds in januari 1923 had Joris van Severen in zijn blad Ter Waarheid het jodendom en de vrijmetselarij, maar ook de rooms-katholieke Kerk als instelling, tot vijand geproclameerd. Het dinaso-partijprogramma van 1932 keerde zich expliciet tegen de vreemdelingen. De komende "Dietse Natie" moest worden beschermd tegen "de Vreemden die de integriteit en de gezondheid der Natie bedreigen en aantasten".

Nieuw was die stelling niet. Deze gedachtegang was minstens vanaf 1928 in Van Severens blad De Westvlaming terug te vinden. Vreemdelingen en joden werden nog niet onmiddellijk aan elkaar gekoppeld. Aanvankelijk richtte het Verdinaso zich voornamelijk tegen de Walen, Fransen en franskiljons. Wel werden van in het begin socio-economische en socio-politieke bedenkingen tegen de joden geuit. Om zijn standpunt te bepalen liet het Verdinaso zich onder meer inspireren door de geschriften van 19de-eeuwse Franstalige auteurs als de Franse sociaal-katholieke theoreticus markies René de La Tour du Pin en de bovengenoemde Edmond Picard, wiens anti-joodse geschriften in de jaren 1930 aan een herwaardering toe waren. Ook bijvoorbeeld het Nationaal Legioen, het Belgisch-nationalistische tijdschrift A Nous!, het NACO en Volksverwering verwezen naar Picard. Tijdens de bezetting zou de Brusselse journalist en uitgever Julien Bernaerts de antisemitische publicaties van Picard opnieuw op de markt brengen, onder de titel Synthèse de l'antisémitisme (Brussel, 1941 en opnieuw in 1942).

Einde 1933 werd duidelijk dat het Verdinaso met de term 'vreemden' voortaan uitsluitend de joden bedoelde. In datzelfde jaar verantwoordde het – bij monde van Jef de Langhe – zijn 'antisemitisme' vanuit een definitie van volksgemeenschap: aangezien de joden niet assimileerbaar zouden zijn, waren ze volksvreemd en konden noch mochten ze tot deze volksgemeenschap behoren. Ze konden ten hoogste als gasten worden beschouwd, die zich aan bijzondere verplichtingen dienden te houden. Een brochure uit 1936, Waarheen?...Dinaso! verduidelijkte dat de joden het staatsburgerschap diende te worden ontnomen, dat ze geen leidinggevende of openbare functies mochten bekleden en dat 'rassenkruising' ongewenst was. Met dat standpunt benaderde het Verdinaso dat van het Nederlandse Zwart Front van Arnold Meijer én dat van Adolf Hitlers Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP). Het toonde zich een typische exponent van een beweging die in essentie nauw bij het 'Latijns rechtsradicalisme' aansloot en tegelijkertijd door het Duitse antisemitisme werd beïnvloed.

Al ontkende het Verdinaso racistisch te zijn, in feite vormde het juist een typevoorbeeld van hoe extreem-nationalisme tot 'racisme' leidt. Zelfs een aantal tijdschriften van het in oktober 1933 gestichte VNV klaagde aanvankelijk de door het Verdinaso verkondigde "rassentheorieën" (sic) aan. De officiële beginselverklaring van het VNV sprak zich, in tegenstelling tot het Verdinaso, niet tegen vreemdelingen uit. Dat belette niet dat er, net zoals bij het Verdinaso, van meet af aan in de VNV-bladen socio-economisch en socio-politiek gekleurde aantijgingen tegen de joden stonden. De joden werden gezien als een nieuwe bron van verfransing. Bovendien zouden ze zich niet willen assimileren en de middenstand willen vernietigen. Geregeld was er sprake van gewraakte banken en grootwarenhuizen die in joodse en franskiljonse handen zouden zijn. Tevens werd de band tussen joden, zwendelaars en marxisten benadrukt. Het Antwerpse VNV, onder leiding van de advocaten Maurits Lambreghts, Frans Daeseleire en Frans Wildiers, sprak zich het uitdrukkelijkst tegen de joden uit. Reeds in zijn beginselverklaring van november 1933 stelde het dat het de strijd wou aanbinden tegen "de franskiljonse en joodse parasieten".

De Duitse invloed

Het succes van het nationaal-socialisme in Duitsland deed het standpunt van het Vlaams-nationalisme tegenover de joden radicaliseren, zoals het voorbeeld van het Verdinaso al aantoonde. Dat proces werd nog versterkt doordat, ten gevolge van de Duitse antisemitische politiek, België in 1933 met een aanzienlijke stroom joodse vluchtelingen werd geconfronteerd. Vooral Antwerpen bleek ontvankelijk voor anti-joodse gevoelens. Een aantal extremistische Antwerpse blaadjes, zoals Internacia van Emiel Illeghems (later herdoopt in De Aanval), Het Vlaamsche Volk van de vrijzinnige en in Duitsland verblijvende oud-activist Raf Verhulst, en Roeland, het orgaan van de latere SS-leider René Lagrou, begon na de benoeming van Hitler tot rijkskanselier in januari 1933 plots talrijke anti-joodse artikels te publiceren.

De invloed van Duitsland op het Vlaams-nationalisme concretiseerde zich in een goedkeuring van de Duitse anti-joodse wetgeving. In De Schelde (1919-1936), dat na 1933 in nationaal-socialistische richting was geëvolueerd, werd begrip opgevat voor de Nürnberg-wetten van september 1935, die huwelijken tussen joden en niet-joden verboden en aan joden het staatsburgerschap ontnamen. Binnen de radicale vleugel van het Vlaams-nationalisme kon de nationaal-socialistische aantrekkingskracht dus tot een aanvaarding van het racisme en het biologisch antisemitisme leiden. Talrijke Vlaams-nationalisten die hun anti-joodse visie kenbaar maakten, behoorden tot de geradicaliseerde studentengeneratie van het einde van de jaren 1920, begin jaren 1930. Verder bleken zij die in Duitsland hadden gestudeerd of er meermaals hadden verbleven, het meest vatbaar voor een 'gemotiveerd' racisme en antisemitisme.

Hierbij moet worden gewezen op de invloed van naar Nederland en Duitsland uitgeweken activisten, die er als eersten in contact waren gekomen met het nationaal-socialisme, zoals Raf Verhulst, Antoon Jacob, Jef Hinderdael, Paul Vrijdaghs, Robert van Genechten, Marcel van de Velde, Arthur Faingnaert, Frans Naudts en Jan D. Domela Nieuwenhuis Nyegaard. Opvallend daarbij was de inbreng van uitgeweken leden van de activistengroep Jong-Vlaanderen. De toon werd gezet door Domela Nieuwenhuis Nyegaard, die in 1933 het Antwerpse blad De Aanval voor zijn racistische en anti-joodse houding feliciteerde. Ook Van de Velde en Hinderdael, eveneens Jong-Vlaming én oud-medewerker van Germania, zaten op dezelfde golflengte. Samen deelden zij de belangstelling voor de theosofie, het vegetarisme en het werk van Alfred Rosenberg Der Mythus des 20. Jahrhunderts (München, 1930). In het in 1935 door Hinderdael gestichte (marginale) blad De Hollandsche Post kwamen onder andere de rabiate Nederlandse antisemieten en racisten en tevens oud-dinaso's Pieter Molenbroek en Pieter Keuchenius aan het woord.

In radicale Vlaams-nationalistische middens ging een onmiskenbare aantrekkingskracht uit van de 'Noordse gedachte', een ideologie van Franse origine die toen vooral in Duitsland succes kende en die de superioriteit van het 'Noordse ras' propageerde. Kenmerkend voor de Vlaams-nationalistische bewonderaars ervan was dat de meesten van hen tijdens de bezetting in SS-richting evolueerden, zoals Ward Hermans, talrijke medewerkers van Wies Moens' tijdschrift Dietbrand en leden van de epifere Dietsch Opvoedkundige Beweging (DOB). De in 1937 te Antwerpen mede door Bert van Boghout opgerichte DOB nam het racisme en antisemitisme in haar programma op en kreeg de volmondige steun van de oud-activiste Roza de Guchtenaere. De DOB bepleitte een "Diets Germaanse levensbeschouwing", met als grondslagen "ras" en "bodem". Overtuigd dat het "Dietse volk" tot het "Noordse ras" behoorde, verzette ze zich tegen "rasvermenging". Ze omschreef de joden als "de meest onverzoenlijke vijanden" van de "Dietse volksgemeenschap". De joden moesten "uit het volksleven" worden "geweerd".

Het Vlaams-nationalisme van de jaren 1930 had ook een handvol 'rassentheoretici' in eigen rang. Naast de West-Vlaamse ingenieur Jef de Langhe, ging het om drie geneesheren: Jan de Roeck, Roger Soenen en Gustaaf Schamelhout. Die interesse voor het racisme was volgens historicus Wouter de Raes toen eerder typerend voor het Vlaamse geneesherenkorps dan voor het Franstalige. Zo toonde het in 1920 opgerichte Vlaamsch Geneeskundig Tijdschrift, onder hoofdredactie van Frans Daels, vanaf de jaren 1930 meer en meer belangstelling voor de Duitse 'rassenhygiëne'. Veelbetekenend was ook dat zowel De Langhe als De Roeck en Soenen tijdens de bezetting in SS-rangen terechtkwamen en zich lieten inspireren door de 'Noordse gedachte'. De vrijzinnige Schamelhout, gewezen lid van Van Nu en Straks, leek eerder een 'a-typisch' figuur. In zijn Herkomst en ethnische samenstelling van het Vlaamsche volk (Antwerpen, 1936 en 1938) geloofde hij weliswaar in het bestaan van rassen met specifieke kenmerken en ging hij dieper in op het 'Noordse ras', maar hij stond kritisch tegenover de historische betekenis ervan. Hij legde het accent op de taal als bindend element: de eenheid en ontwikkeling van de Vlaamse "volksgemeenschap" zou "oneindig meer" door de verfransing worden verzwakt dan door de opname van "rasvreemde elementen, die zich door de taal volksverbonden voelen".

Alhoewel het VNV een aantal uitgesproken nationaal-socialisten als Ward Hermans, Herman van Puymbrouck en Reimond Tollenaere telde, bestond er geen eensgezind standpunt tegenover de 'Noordse gedachte' en het Duitse biologische racisme. Mogelijk had dat te maken met de katholieke achtergrond van het gros der VNV-leden: het racisme strookte niet met de universele leer van de Kerk. Maar die factor mag niet worden overschat, gezien de talrijke conflicten van het Vlaams-nationalisme met de Kerk en gezien de vrij late officiële reactie van de Kerk tegen het Duitse racisme. De houding van het vooroorlogse VNV was eerder ambigu dan rechtlijnig. Typerend waren de beschouwingen van de leider van de VNV-studenten en historicus Theo Luykx. In zijn Eene inleiding tot de rassen- en Germanenkunde (Leuven, 1938) stelde hij de Duitse 'rassenleer' als filosofische wereldbeschouwing in vraag, temeer omdat ideologen als Alfred Rosenberg en Hans Günther hieraan een kritiek op het christendom verbonden. Maar tegelijkertijd had hij tegen de zogenoemd strikt wetenschappelijke 'rassenkunde' geen bezwaar, stond hij sceptisch tegen 'rassenvermenging', zag hij positieve elementen in de anti-joodse politiek van Duitsland en beweerde hij dat de joden niet assimileerbaar waren.

Enkel een aantal VNV-leden en -sympathisanten uit de burgerlijke vleugel, zoals Hendrik Elias, distantieerden zich in de vooroorlogse periode nadrukkelijk van de Duitse rassenmystiek. Opvallend was ook het standpunt van Victor Leemans, die in 1932 – dus nog voor Hitlers machtsovername – in zijn brochure Het nationaal-socialisme schreef dat hij de "opgeschroefde rassentheorie" en het "nagepraat" van Alfred Rosenberg niet kon appreciëren. Wel stelde hij dat hij "geen marxisten-vriend, noch een verdediger der joden" was. Jan Brans, die tijdens de bezetting talrijke racistisch geïnspireerde anti-joodse artikelen zou schrijven, noemde in zijn uit 1937 daterende verhandeling Geschiedenis en politiek de tegenstelling tussen het "grote Nordische ras" en "het slechte Aziatische ras" eveneens "grenzeloos onzinnig". Brans' anti-joodse houding heette toen nog vooral religieus gekleurd te zijn, wat hem niet belette te stellen dat "iedere volksgemeenschap zich moet verdedigen tegen volksvreemde en ontbindende elementen". In een publicatie van twee jaar later, verschenen in het Nederlandse tijdschrift Roeping, argumenteerde hij uitvoerig dat de joden niet te assimileren waren en wees hij op de "rassentegenstelling" tussen joden en niet-joden.

Brans was niet de enige die teruggreep naar het oude religieuze anti-judaïsme. Een aantal geschriften uit Vlaams-nationalistische hoek wijst erop dat het religieuze aspect een dankbaar thema kon zijn om bij de katholieke achterban het latent aanwezige anti-judaïsme te activeren. Men kon het aanwenden om de eigen anti-joodse visie op maatschappelijk gebied te rechtvaardigen. Religieuze motieven vormden evenwel geen kernpunt in die visie. Exemplarisch was de in september 1934 door de uitgever Joris Lannoo – toen nog lid van het Verdinaso – op de markt gebrachte brochure Jodendom en christelijke naastenliefde. Net zoals Brans opteerde de anonieme auteur – waarschijnlijk een Nederlandse jezuïet –voor een "antisemitisme van verdediging", wat een afkeuring van het racistisch antisemitisme inhield. Maar in tegenstelling tot Brans en tot het standpunt van de Kerk liet de auteur helemaal geen plaats meer voor enige vorm van christelijke naastenliefde tegenover de joden. Er was geen sprake van mogelijke verzoening – via de 'bekering' – van het jodendom met het christendom. Bovendien hechtte de schrijver geloof aan de rituele kindermoorden en aan De protocollen van de wijzen van Sion, een 19de-eeuws schandschrift dat zou moeten aantonen dat de joden de wereld wilden veroveren.

De 'vluchtelingenproblematiek' van het einde van de jaren 1930

De 'links'-'rechts'-polarisatie in 1936 en de verkiezingsoverwinning van Léon Blum, van joodse afkomst, in Frankrijk waren aanleiding om het beeld van het door internationalistische joden en marxisten bedreigde 'christelijke Avondland' extra in de verf te zetten. De toenemende economische recessie vanaf 1937 was evenmin van aard om zich positief op te stellen tegen een nieuwe inwijking van joden. De annexatie van Oostenrijk door nazi-Duitsland in maart 1938 en de inlijving van Sudetenland in september van dat jaar, deden het aantal joden in het Derde Rijk toenemen. Tevens barstte het anti-joodse geweld verhevigd los, wat zijn culminatiepunt vond in de 'Reichskristallnacht' van november 1938. Daardoor ging het vluchtelingencijfer opnieuw met sprongen de hoogte in. Tussen maart 1938 en mei 1940 slaagden naar schatting 25.000 à 30.000 joden erin om vanuit Oostenrijk en Duitsland naar België te vluchten. Velen van hen beschouwden België echter als een doorvoerhaven en vertrokken al bijna onmiddellijk naar andere landen.

De 'Reichskristallnacht' schokte (even) de Belgische publieke opinie. De katholieke, socialistische, liberale en communistische bladen spraken hun afschuw uit. Pas een maand na het gebeuren bracht het Verdinaso de 'pogrom' even ter sprake. Het schreef dat het gebeuren in Duitsland haar "tegen de borst stootte", maar voegde er in één adem aan toe: "Wij protesteren uit alle krachten tegen het toestaan van een nieuwe invasie van volksvreemde elementen – en niet van de beste." In het VNV-blad Volk en Staat was daarentegen geen enkel spoor van afkeuring te vinden. De krant nam uitsluitend Duitse persberichten over.

De massale uitwijking van berooide en 'illegale' vluchtelingen kreeg meer dan voorheen een internationale dimensie en werd steeds luider een 'probleem' genoemd. De standpunten van 'Nieuwe Orde'-gezinden en traditionele katholieken kwamen steeds dichter bij elkaar te liggen. Voortaan lag het kernpunt van de anti-joodse 'agitatie' in Vlaanderen niet alleen in Antwerpen, maar ook in het katholieke Limburg. Op 20 november 1938 organiseerde de Limburgse Kristen Middenstandsbond in Genk een "massameeting tegen jodenzwendel en vreemde inwijking". Behalve vertegenwoordigers van de Middenstandsbond nam op de protestmeeting eveneens Theo Brouns, VNV'er en juridisch adviseur van de Limburgse Kamer van Ambachten en Neringen, het woord. Brouns ontwikkelde zich in die jaren als specialist inzake het 'vreemdelingenvraagstuk', maar was niet de enige Limburger die dit 'probleem' aankaartte. Zo waren er in het parlement tussenkomsten van de VNV'er Jef Deumens en van Monseigneur Pieter J. Broekx, voorman van de christelijke arbeidersbeweging in Limburg.

De Kamerzitting van 22 november 1938 stond volledig in het teken van de vluchtelingenproblematiek en vond kort na de 'Kristallnacht' plaats. De meeste partijvertegenwoordigers drukten omstandig hun afkeer uit, maar dat hoefde geen begrip voor de vluchtelingen te impliceren. Enkel socialistische en communistische volksvertegenwoordigers kwamen onvoorwaardelijk voor de vluchtelingen op. Het was opvallend hoe nauw de standpunten van katholieken, VNV'ers en Rexisten bij elkaar aansloten. Allen keurden de pogrom min of meer af, maar wezen tegelijkertijd op het gevaar van economische concurrentie vanwege de joden. Als vertolker van het officiële VNV-standpunt ging Gerard Romsée vlug over de Kristallnacht heen, om er dan onmiddellijk op te wijzen "dat hier opnieuw de schrijnende vluchtelingenkwestie is misbruikt om tegen Duitsland nutteloos te hetzen". Hij distantieerde zich van een op "rassenhoogmoed of bloedmystiek" gebaseerd "antisemitisme", maar vroeg begrip voor een op economische en "volks-nationale" motieven gefundeerd standpunt. Dat impliceerde dat België geen vluchtelingen meer mocht opnemen.

De Tweede Wereldoorlog

Zonder de Duitse inval zou de deportatie en uitmoording van meer dan 40% van de Belgische joden natuurlijk niet hebben plaatsgevonden. De Duitsers waren de 'hoofddaders'. Bovendien moet inzake de jodenuitroeiing steeds opnieuw de vraag worden gesteld over wat toen over het lot van de gedeporteerden kon worden vermoed. Bij de anti-joodse politiek van de bezetter werden rechtstreeks of onrechtstreeks verscheidene geledingen van de Belgische maatschappij betrokken. De bevolking zelf nam geruime tijd de rol van 'passieve toeschouwer' aan. Het Duits militair bezettingsbestuur voerde een voorzichtige politiek en was bovenal bekommerd om een vlot verlopende samenwerking met de Belgische administratie. Alle anti-joodse maatregelen werden bij Duitse verordening uitgevaardigd en verschenen in het Verordnungsblatt, aangezien de secretarissen-generaal, zich beroepend op de Belgische grondwet, weigerden deze zelf af te kondigen. De enige uitzondering maakte de secretaris-generaal van binnenlandse zaken Gerard Romsée. Hij publiceerde in het Belgisch Staatsblad van 21 maart 1942 de statuten van de Jodenvereeniging in België. Deze vereniging had volgens de Duitse verordening van 25 november 1941 onder meer ten doel "de uitwijking der joden te bevorderen". Wat de praktische uitvoering van al deze anti-joodse verordeningen betrof verzetten de secretarissen-generaal er zich evenwel niet tegen dat de Belgische administratie hiermee werd belast. De anti-joodse politiek van de bezetter voltrok zich stapsgewijs. Eerst werden de joden gedefinieerd en daarna geregistreerd. Dan werden ze gebroodroofd, van de Belgische bevolking geïsoleerd en gekentekend. Ten slotte werden ze gedeporteerd.

De bezetting bracht een verdere radicalisering van de anti-joodse standpunten van de collaborerende Vlaams-nationalistische kringen teweeg. Hun betrokkenheid ging verder dan die van 'passieve toeschouwer'. Terwijl tijdens de jaren 1930 een aantal nationalisten nog huiverig tegenover het Duitse biologische racisme stonden, was die rem tijdens de bezetting niet meer zichtbaar. De Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag) en de Algemeene-SS Vlaanderen, waarin zich figuren als René Lagrou, Jef de Langhe, Ward Hermans en Cyriel Verschaeve engageerden, gingen het verst inzake een uitgewerkte racistische en antisemitische ideologie. De Langhe, een tijd leider van de SS-Vlaanderen, sprak zich uit voor de "sterilisatie" van "erfelijk en rassig minderwaardigen". Verschaeve, de 'geestelijke leider' van de DeVlag/SS, ging nog verder. Toen hij in 1941 op de hoogte werd gesteld van de 'pijnloze euthanasie' op mentaal gehandicapten, schreef hij in een vertrouwelijke brief aan zijn uitgeefster, Martha van de Walle, geen bezwaren tegen deze praktijk te hebben. Tevens publiceerde De SS-Man artikelen waarin werd gepleit voor de oprichting van "concentratiekampen" in Vlaanderen, waarin werd opgeroepen om de "sluipmoordenaars (...) uit de weg te ruimen" en waarin de zogenoemde strijd van de "Ariërs" tegen de joden en het bolsjevisme werd teruggebracht tot "de oer-elementaire vraag: Wie blijft over: ik of gij?" (sic).

Op 10 augustus 1942 kwam er een samenwerking tot stand tussen de bovenvermelde Dietsch Opvoedkundige Beweging (DOB) en de antisemitische en ultra nationaal-socialistische organisatie Volksverwering, die actief aan de jodenvervolging meewerkte. Reeds in mei 1941 had de DOB ervoor gepleit om joodse kinderen de toegang tot niet-joodse scholen te verbieden. Vanaf 1942 beschikte de DOB te Antwerpen over de door de DeVlag opgerichte Vlaamsche Scholen, waarvan de jongensafdeling in 1943 werd ondergebracht in de voormalige joodse school in de Lamorinièrestraat.

Ook het VNV toonde zich bereid zich ten volle in dienst te stellen van de nationaal-socialistische ordening en keerde zich voortaan nadrukkelijk tegen alle joden. In een memorandum aan Adolf Hitler van 10 november 1940 schreef Staf de Clercq dat zijn partij de verdediging wilde opnemen van het ras tegen vreemde elementen, in de eerste plaats tegen het jodendom. De verschillen tussen de DeVlag/SS en het VNV leken vooral betrekking te hebben op het toekomstige statuut van Vlaanderen. Inzake racisme en antisemitisme waren de verschillen minder diepgaand. De overeenkomsten blijken integendeel uit scholingscursussen over het rassenvraagstuk en uit officiële publicaties zoals die van de DeVlag-leider Jef van de Wiele, Joden zijn ook menschen! (Brussel, 1942) en die van de Antwerpse VNV'er Melchior Peeters, eertijds militerend in kringen van Piere Nothombs Jeunesses Nationales, Het joodsche vraagstuk in vogelvlucht (Antwerpen, 1942). Tekenend voor het verregaande extremisme van de beide partijen was ook de Antwerpse 'pogrom' van 14 april 1941, toen leden van zowel Volksverwering, de SS-Vlaanderen als de Zwarte Brigade twee synagogen en het huis van een rabbijn in brand staken en tientallen ruiten ingooiden.

De VNV-krant Volk en Staat riep de bezetter herhaaldelijk op om nog strengere en verdergaande anti-joodse maatregelen uit te vaardigen. Talrijke anti-joodse bijdragen, waaronder die van vooraanstaande figuren als Jan Brans, Antoon Mermans en Reimond Tollenaere, vaak vergezeld van dito karikaturen, werden afgedrukt. Ook werd door de VNV-Propagandaleiding en door de VNV-Inlichtingendienst aangezet tot het verklikken van joden die geen davidster droegen of die voor hen verboden beroepen uitoefenden. Niet alleen Volksverwering maar ook het Limburgse VNV-blad De Toekomst publiceerden in de loop van 1942 adressenlijsten van joden.

De invoering van de davidster in juni 1942 zorgde bij een deel van de publieke opinie voor een waar schokeffect. Voor het eerst werd de bevolking ook lijfelijk met het antisemitisme van de bezetter geconfronteerd. Vanaf juli 1942 werden de joden verplicht zich naar de Mechelse Dossin-kazerne te begeven, van waaruit ze naar 'het Oosten' werden gedeporteerd. Op 4 augustus 1942 vertrok het eerste konvooi. De Duitse bezetter beperkte zich aanvankelijk tot de statenloze joden en joden van buitenlandse nationaliteit en speelde zo handig in op de door de Belgische overheden gevoerde 'politiek van het minste kwaad'. Zolang er aan de tot Belg genaturaliseerde joden – die slechts 6% van de totale joodse bevolking uitmaakten – niet werd geraakt, bleven de officiële reacties gematigd. Toen de joden zich niet meer vrijwillig aanmeldden voor de zogenoemde Arbeitseinatz, gingen de Duitsers vanaf de zomer van 1942 tot razzia's over. Van de 55.670 op last van de Duitsers geregistreerde joden zouden er in totaal 24.906 worden gedeporteerd.

Hoewel noch door de secretarissen-generaal, noch door de kerkelijke overheid publiekelijk tegen de deportaties werd geprotesteerd, gingen talrijke Belgen tot hulp aan joden over. Deze hulp was een algemeen Belgisch fenomeen, maar nam in Brussel en Wallonië toch meer massale vormen aan dan in Vlaanderen. De collaborerende Vlaams-nationalistische pers toonde geen enkele interesse voor het lot van de gedeporteerden en liet evenmin ruimte voor erbarmen, integendeel: "Nu er week na week huizen en appartementen in de buurt leegkomen kunnen we tenminste weer eens rustig van huis naar kantoor en van kantoor naar huis wandelen" (Volk en Staat, 13 augustus 1942). Evenmin zou de confrontatie van oostfronters met joodse getto's in Oost-Europa, zoals dat van Lodz, tot bezinning of mededogen aanzetten.

In zijn studie uit 1994 over het VNV schreef historicus Bruno de Wever dat hij "geen enkele aanwijzing teruggevonden (had) dat er in het VNV individuen of groepen zich verzet zouden hebben tegen de racistische en totalitaire opvattingen van (de nationaal-socialistische) ideologie". De 'aanvaarding' van dat racisme werd onmiskenbaar vergemakkelijkt door de vooroorlogse opdelingen in 'volks' en 'volksvreemd', beschouwingen over het concept 'volkslichaam', het functioneel gebruiken van termen als 'volksnationale belangen' en door sympathieën voor Duitsland en het nationaal-socialisme in het algemeen. Dat sluit niet uit dat een aantal Vlaams-nationalisten hulp aan joden heeft geboden. Enkelen van hen gaven spontaan bijstand; anderen werden als beleidsverantwoordelijken haast automatisch geconfronteerd met verzoeken om hulp, dikwijls uitgaande van bevriende of vooraanstaande landgenoten. De Antwerpse advocaat Emiel Wildiers, vader van bovenvermelde Frans Wildiers, ging volgens een artikel in het Nationaal Biografisch Woordenboek reeds vroeg tot de actie over. Via zijn advocatenpraktijk goed bevriend met de joodse gemeenschap in Antwerpen, bezorgde hij in de periode 1940-1941 aan 'vele joden' een uitreisvisum naar Portugal. Op vraag van derden kwamen de secretarissen-generaal Romsée en Victor Leemans bij Duitse instanties voor enkele individuele joden tussen. Tijdens Romsée's naoorlogs proces kwam de opperrabbijn van België Salomon Ullman te zijner gunste getuigen. Ook Jan Grauls, die net als de andere provinciegouverneurs loyaal de anti-joodse verordeningen had verspreid, kreeg tijdens zijn proces steun vanuit joodse hoek.

Verder gingen zij die eerder zijdelings bij de collaboratie waren betrokken, of die op een bepaald moment de collaboratie de rug toekeerden. Zo bleek uit een op het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven (AMVC) bewaarde brief van Frans Daels aan Jozef Goossenaerts van 26 juni 1942 dat Daels vanuit een persoonlijk engagement aan enkele joden hulp had geboden en dat ook Goossenaerts bekommerd was om het lot van een aantal joden, inzonderheid betreffende het dragen van de davidster. Volgens Arthur de Bruyne, die evenwel niet de minste aanwijzing over zijn bron geeft, zou eveneens de Antwerpse advocaat Walter Bouchery "ontelbare malen" "ten beste" hebben gesproken voor vervolgde joden. Maar het verst gingen allicht democratischgezinde Vlamingen die niet tot het Vlaams-nationalisme behoorden. In die context kunnen de katholieke politicus Camille van Deyck en Betsy Hollants, redactrice van de Antwerpse katholieke krant De Morgenpost, worden vermeld. Hun actie voor het lot van joodse kinderen leek het logische gevolg van hun vooroorlogse strijd tegen het 'antisemitisme' in katholieke middens. Een aparte plaats namen zogenoemde Einzelgängers als Hubertina Aretz in. Tijdens de oorlog werkte ze in een Duits militair gasthuis en tevens was ze lid van het Joodsch Verdedigingskomiteit, in 1942 binnen de schoot van het Onafhankelijkheidsfront opgericht. Na de bezetting teruggekeerd uit een Duits concentratiekamp, zou ze zich inzetten voor amnestie en wijzen op het idealistisch karakter van de collaboratie, een thema dat als een rode draad doorheen de naoorlogse V.B. loopt.

De naoorlogse periode: de 'verwerking' van de jodenvervolging

Het totaal aantal joodse slachtoffers in Europa wordt op 5,29 miljoen à 6,10 miljoen geschat. Van de 24.906 vanuit België gedeporteerde joden overleefden slechts 1194 de oorlog. Daarnaast werden door de Duitsers ongeveer 43.000 niet-joden (Belgen) als politieke gevangenen in kampen en gevangenissen opgesloten, waarvan er (minstens) 13.958 omkwamen. Na de bezetting barstte een 'straatterreur' tegen echte of vermeende collaborateurs los, die aan circa 100 personen het leven kostte. De terugkeer van de uitgemergelde en afgetakelde slachtoffers deed de gemoederen vaak opnieuw oplaaien. Tevens werden er circa 50.000 'collaborateurs' tot gevangenisstraffen veroordeeld en er werden 2940 doodvonnissen uitgesproken, waarvan er 242 werden voltrokken.

Volgens recent onderzoek konden de slachtoffers van de Endlösung (der Judenfrage) in de onmiddellijk naoorlogse Belgische pers niet op een grote belangstelling rekenen. In verhouding tot de aandacht die er uitging naar Breendonk, kenden de gebeurtenissen in de Mechelse Dossin-kazerne haast geen weerklank. Waar vandaag Auschwitz het symbool is van het kampsysteem, was dat toen Buchenwald. Pas in de jaren 1960 en 1970 leek de ware betekenis van de jodenuitroeiing (judeocide, 'Holocaust', 'Shoah') ook tot het grote publiek door te dringen.

In de standpunten van het Vlaams-nationalisme tegenover de judeocide kunnen drie – elkaar vaak overlappende – grote stromingen worden onderscheiden. Een eerste en tevens meest verbreide is de ontkenning van ook maar enige betrokkenheid van het Vlaams-nationalisme bij de jodenvervolging. De tweede stroming relativeert of bagatelliseert de judeocide. De derde stroming ontkent botweg de jodenuitroeiing. Deze laatste stroming noemt zich graag 'revisionistisch', met de bedoeling zich aldus een wetenschappelijk cachet aan te meten. Adequater is om de representanten ervan negationisten of ontkenners te noemen. Zoals reeds in de inleiding gesteld, ligt – bij gebrek aan diepgaand onderzoek – in het nu volgende het accent op de rechts-radicale vleugel van het politiek Vlaams-nationalisme, die tot het midden van de jaren 1980 vrij marginaal bleef. De houding van de in 1954 opgerichte Volksunie (VU), die ruim drie decennia dé nationalistische partij was en zich vanaf omstreeks einde jaren 1970 uitgesproken positief tegenover de 'migranten' opstelde (cf. de 'migrantennota' van Vik Anciaux van 1978), komt dus eerder terloops ter sprake.

Van de onmiddellijke naoorlog tot de jaren 1950

Na de bezetting werd het aandeel van de collaboratie in de vervolging van de joden een taboe voor het Vlaams-nationalisme. Dat werd mede bepaald doordat Vlaams-nationalisten reageerden vanuit een defensieve positie. Zij zagen zichzelf als slachtoffers van hun 'Vlaams idealisme'. Die benadering verbreidde zich na verloop van tijd ook in brede lagen van de katholiek georiënteerde en anti-collaboratiegezinde V.B. Vrij snel volgde een morele rehabilitatie van de 'repressieslachtoffers'. Eveneens het begin van de koude oorlog had zijn weerslag in katholieke middens: "De oostfronters waren bijna weer 'goeien'" (aldus Oswald van Ooteghem in Achter tralies en prikkeldraad, Ekeren, 1986). Centraal stond het eigen Vlaamse leed, aangedaan door een zogeheten onmenselijke repressie vanwege de Belgische staat. Zo was de eerder gematigde VNV'er Hendrik Borginon er nog in november 1946 van overtuigd dat de nazi's "hier niet zo beestachtig zijn te werk gegaan als de repressie". Kenschetsend is ook dat het 'links-christelijke' Vlaams-nationalistische blad Het Pennoen (1950-1977)', dat uitdrukkelijk wilde breken met de "noodlottige" evolutie naar "uiterst rechts" van het vooroorlogse Vlaams-nationalisme, evenzeer een rechtstreekse betrokkenheid van het Vlaams-nationalisme bij de jodenvervolging ontkende: "Waarheidshalve moeten we er aan toevoegen dat de jodenvervolging, een paar misdadige idioten niet te na gesproken (die feitelijk verre van Vlaams-nationalisten waren), ons gelukkig vreemd is gebleven" (Het Pennoen, mei-juni 1958). Tot omstreeks het midden van de jaren 1980 ging, met uitzondering van de Nederlandse historicus Arie W. Willemsen, geen van de (wetenschappelijke) publicaties over het Vlaams-nationalisme dieper in op de houding tegenover de joden. Dat heel wat van deze werken door Vlaams-nationalisten en sympathisanten, zoals Arthur de Bruyne of de oud-VNV-leider Hendrik Elias, werden geschreven verklaart mede dit fenomeen. Bovendien verwijzen werken die de repressie behandelen (meestal) niet naar de slachtoffers van het nazi-regime.

Vlaams-nationalistische tijdschriften als Rommelpot en het in 1956 opgerichte Dietsland Europa (achtereenvolgens orgaan van de Jong Nederlandse Gemeenschap en Were Di) richtten zich expliciet tot collaboratiemiddens. Voor hen was het duidelijk dat na de Duitse nederlaag het 'recht van de overwinnaars' heerste, gesymboliseerd door de processen van Nürnberg (1945-1946). Deze overwinnaars zouden minstens even erge misdaden als Duitsland hebben begaan (het 'Dresden versus Auschwitz-scenario'). Illustratief was het verschijnen in 1951 van een Nederlandse vertaling van het werk van de Franse fascist Maurice Bardèche, Nuremberg ou la Terre promise (Parijs, 1948). De vertaling was van de hand van Karel Dillen, die zich buiten de collaboratie had gehouden en later mede de Jong-Nederlandse Gemeenschap zou oprichten. In het werk werd weliswaar "de stelselmatige uitroeiing van de joden" veroordeeld, maar werd tevens gesteld dat niet Adolf Hitler, maar wel "het joods-reactionnaire bondgenootschap" ("Mandel, Churchill, Hore Belisha, Paul Reynaud") de feitelijke aanstokers van de Tweede Wereldoorlog waren: "Deze oorlog hebben (de joden) gewild: zij hebben ons daardoor het recht gegeven te zeggen dat het hun oorlog was en niet de onze. Zij hebben de prijs betaald, die men voor elke oorlog betaalt."

Bardèche suggereerde eveneens dat de joden de hand hadden in de naoorlogse repressie, een redenering die in meerdere Vlaams-nationalistische kringen terug te vinden is. Naar aanleiding van het proces van Breendonk had Rommelpot het (terloops) over "de joodse moraal", die zou zijn gekenmerkt door "oog voor oog, tand voor tand" (Rommelpot, 15 maart 1946). Ward Hermans – binnen het Vlaams-nationalisme dé publicist van anti-joodse geschriften – was een van diegenen die van meet af aan zijn 'medeverantwoordelijkheid' bij de jodenvervolging afwentelde op de slachtoffers zelf. Aan zijn Berlijns privé-dagboek van 1946 vertrouwde hij toe dat het niet zozeer Duitsers waren die zich schuldig hadden gemaakt aan de gruwelen in de 'concentratiekampen' van het nazi-regime, maar wel... de Polen en de joden. Aangehouden in november 1946 wees Hermans tijdens zijn proces op de betrokkenheid van joden bij de slechte behandeling van 'incivieken' in de Belgische gevangenissen: "Men kweekt in uw gevangenissen nihilisten, communisten, anti-semieten, zelfs dat ook nog, en ten slotte mouchards." Na zijn vervroegde vrijlating in 1955 trachtte hij als verkoper van de geschriften van de Franse 'revisionist' Paul Rassinier aan de kost te komen.

De jaren 1960

Het was waarschijnlijk pas vanaf de jaren 1960 dat de jodenuitroeiing uitvoerig en vrij regelmatig ter sprake kwam in Vlaams-nationalistische bladen. Dat was tevens de periode van de politieke doorbraak van het Vlaams-nationalisme, die toeliet "om zich weer vrij en vrank als Vlaams-nationalist naar buiten te tonen, zonder zich te schamen over zijn verleden en zonder dit te verloochenen" (Broederband, 5 mei 1986). Dat herwonnen zelfrespect leidde echter niet tot een kritische reflectie over weinig glorieuze bladzijden uit de geschiedenis van het Vlaams-nationalisme.

Aanleidingen tot beschouwingen over de judeocide waren de aanhouding van en het proces tegen Adolf Eichmann (1960-1961), het opzien rond het toneelstuk Der Stellvertreter van Rolf Hochhuth (1963), waarin het 'stilzwijgen' van paus Pius XII ten tijde van de judeocide aan de kaak werd gesteld, alsmede het Auschwitz-proces (1963-1965). In januari 1965 was het een van de eerste malen dat Dietsland Europa, bij monde van Jos Dierickx (pseudoniem van de oud-VNV'er Jos Vincx), uitvoerig de jodenuitroeiing behandelde. De houding van Dietsland Europa werd mede bepaald door zijn anticommunisme en de vae victis-argumentatie. De cijfers inzake het aantal vermoorde joden waren volgens Vinks overdreven en niet gefundeerd, het resultaat van de "geallieerde en communistische propaganda". Vinks hield het bij "een mogelijk maximum aantal slachtoffers van 1 miljoen, waarin begrepen de overlijdens ingevolge ziekte, ouderdom, bombardementen enzovoort, alsmede zij die ten offer vielen aan pogroms in Roemenië en elders in het Oosten".

Omstreeks dezelfde periode verscheen de talrijke malen herdrukte brochure Het feest van de haat (Diksmuide, 1966), geschreven door Nemrod, pseudoniem van de franciscaan Renaat de Muyt. Hierin werd de band tussen Vlaamse collaboratie en jodenvervolging nogmaals uitdrukkelijk van de hand gewezen en als het ware gesanctioneerd: "Jodenvervolging is tijdens de bezetting de zaak van de Duitse bezetters geweest. (...) Wie (...) meent de Vlaamsgezinde collaboratie, of zelfs de politieke collaboratie als geheel, mede-verantwoordelijk te mogen stellen voor de Jodenvervolging, onthoude zich best verder van elk historisch verantwoord oordeel! Pogingen om deze collaboratie in haar daden rechtstreeks misdadig te maken, zullen andere gegevens moeten trachten te ontdekken!" Nog een jaar later, in 1967 was het de beurt aan Berkenkruis, het tijdschrift van de oud-oostfrontersorganisatie Sint-Maartensfonds, om duidelijk zijn standpunt te vertolken. Berkenkruis ging evenwel verder dan bijvoorbeeld Nemrod en Dietsland Europa, door de genocide op het joodse volk volledig te ontkennen.

De weinige oostfronters die de hand in eigen boezem durfden te steken waren (hoofdzakelijk) terug te vinden in kringen van de Rebellenclub, die zich destijds tegen de Duitse inschakelingspolitiek hadden verzet. Op een bijeenkomst van de Rebellenclub in 1968 had de oud-'rebel' Toon van Overstraeten het niet alleen over de "ontmenselijkende" Nürnberg-wetten, maar ook over de massaslachtingen: "Hoe zouden wij kunnen vergeten dat achter het oostfront waarop wij vochten Babi-Jar lag met zijn vermoorde Joden en Oekraïners? Als wij in het reine willen komen met het eigen verleden, dan dienen we te beseffen dat wij ooit in stelling hebben gelegen vóór Kamenets-Podolsk en dat kort voordien in datzelfde Kamenets-Podolsk de brandstapels rookten onder de slachtoffers van het Sonderkommando 1005. We hebben het toen niet geweten – we behoren het vandaag te beseffen."

De jaren 1970

Vanaf de jaren 1970 mengden zich nieuwe (rechts-radicale) groepen in het debat, waarvan de leden de oorlogsperiode niet hadden meegemaakt of die toen nog erg jong waren. In het midden van de jaren 1970 was vooral de in 1972 herstichte Vlaamse Militanten Orde (VMO) van Bert Eriksson (oud-lid van de Hitlerjugend), Xavier Buisseret, Siegfried Verbeke en Roeland Raes actief op negationistisch vlak. In haar blad Alarm werden regelmatig bijdragen opgenomen waarin de Holocaust werd ontkend. De VMO publiceerde in 1977 een Nederlandstalige uitgave van de brochure uit 1974 van Richard Harwood (pseudoniem van de Engelse neo-nazi Richard Verrall) Did six million really die? Als verantwoordelijke uitgever trad Buisseret op, die nog datzelfde jaar uit de VMO stapte en het blad Haro oprichtte. Haro publiceerde in 1979 onder meer het themanummer Holocaust... hoe lang nog?, dat op de instemming van Were Di kon rekenen: "Het passende antwoord op de door linkse én Israëlitische kringen geïnspireerde anti-Duitse en anti-rechtse hetze!"

Het antisemitisme en het negationisme kregen volgens de Nederlandse historicus Fred Goedbloed in Berkenkruis een krachtige impuls toen de BRT in het najaar van 1978 de serie Holocaust uitzond, een gedramatiseerde weergave van de vernietiging van de Europese joden. Alhoewel (haast) alle medewerkers aan Berkenkruis de judeocide ontkenden en anti-joodse vooroordelen een constant gegeven bleven, konden er twee groepen worden onderscheiden. Een eerste groep was eropuit de oostfronters te rehabiliteren, opnieuw op te gaan in de brede stroom van de V.B. en het SS-stigma van zich af te werpen. Vanuit die optiek werd het antisemitisme van het nationaal-socialisme als ballast ervaren. Een tweede groep was vooral terug te vinden in de gewestelijke afdeling Brabant van het Sint-Maartensfonds. Die strekking wilde trouw blijven aan de rassentheorieën en beschouwde de oostfrontinzet als een onderdeel van de nationaal-socialistische strijd. Dat leidde in april 1980 tot een (overigens kortstondige) breuk, waarbij de fervente nationaal-socialisten en antisemieten zich afsplitsten en de vzw Hertog Jan van Brabant oprichtten, die het tijdschrift Periodiek Contact uitgaf. Tot de kopstukken behoorden Jef François, Frans Vierendeels, Bert Hendrickx en André van Hecke. In de periode 1988-1991 verschenen in Periodiek Contact maandelijks fragmenten uit de Protocollen van de Wijzen van Sion.

De jaren 1980 en 1990

Het belijden van het negationisme in eigen middens lokte in (rechts-radicale) Vlaams-nationalistische kringen echter ook protest uit. Dat resulteerde in de jaren 1980 in de oprichting van een aantal marginale genootschappen van negationisten. Toen in het begin van de jaren 1980 de negationistische propaganda even steun vond in de in 1976 opgerichte Nationalistische Studentenvereniging (NSV), kwam hiertegen binnen het NSV zelf reactie. Hierop verlieten de negationistische auteurs Peter Hendrickx en Anton de Grauwe in 1983 het NSV en stichtten een eigen blad, Taboe, "Het Tijdschrift voor Revisionisten". Toen Taboe in 1985 verdween werd de Werkgroep Vrij Historisch Onderzoek (VHO) opgericht, met opnieuw Peter Hendrickx, alsook de oud-VMO'er Siegfried Verbeke en later Jos Rogiers. Sedert januari 1989 verspreidde zij de VHO-Nieuwsbrief. In tegenstelling tot eertijds Haro kon dit blad nu niet meer op de (openlijke) sympathie van Dietsland Europa rekenen.

De houding van Dietsland Europa had mogelijk mede te maken met de evolutie die zich sedert de jaren 1980 in het rechts-radicale Vlaams-nationalisme aftekende. Vanaf die periode ziet men een toenemende trend van relativering en bagatellisering. Wellicht hield die verband met de stijgende invloed van 'nieuw rechts' op Vlaams-nationalistische kringen. Men ging op zoek naar een nieuwe, toekomstgerichte, rechtse ideologie, die minder nostalgisch op het verleden terugkeek en ruimte liet om op een 'oorspronkelijke' manier een anti-gastarbeidersstandpunt te formuleren. Evenzeer kan worden verwezen naar de politieke doorbraak van extreem-rechts in Vlaanderen en in Europa in het algemeen sedert het midden van de jaren 1980 en naar de wet-Moureaux van 1981 op het racisme. Daardoor waren extreem-rechtse middens extra geneigd om zich te ontdoen van elke connotatie met het bloedige nationaal-socialisme. Bij voorkeur situeerden zij het eigen verleden in meer 'edele' stromingen als de 'revolutie van rechts' en de 'conservatieve revolutie', die met de nationaal-socialistische uitwassen nooit iets te maken zouden hebben gehad.

Ook de BRT-uitzendingen over de collaboratie en het verzet, lopend van december 1981 tot 1991, die heel wat gemoederen in beroering brachten, hadden hun aandeel. Allicht was het door deze hernieuwde aandacht voor de Tweede Wereldoorlog en de ruime weerklank ervan, dat een aantal voormalige collaborateurs poogde in het reine te komen met het nationaal-socialistische stigma en/of het – via een hineininterpretierung – trachtte te relativeren. Enkelen gingen de eigen anti-joodse gevoelens van weleer niet meer uit de weg, maar de 'medeverantwoordelijkheid' bij de jodenvervolging werd nog steeds verhuld. Representatief is de bovengenoemde Bert van Boghout, een leidinggevende figuur van Dietsland Europa en Were Di. In zijn autobiografische brochure Mijn collaboratie en repressie (Ekeren, 1988) getuigde hij dat hij er eertijds anti-joodse opvatingen op na had gehouden en hij ontkende niet dat er tijdens de bezetting "Joden stelselmatig (...) uitgeroeid werden". Bij het gegeven dat zijn toenmalige anti-joodse houding fundamenteel kaderde in een racistische levensvisie werd niet stilgestaan. Van Boghout beweerde dat hij destijds de joden louter als "staatsburgers van een vijandige mogendheid' had beschouwd, die dus "voor de oorlogsduur mochten worden geïnterneerd". Tevens had hij het over "het mythische zesmiljoen-cijfer", dat hij "mateloos overdreven" noemde.

Sedert het einde van de jaren 1980 verschenen in diverse Vlaams-nationalistische tijdschriften relatief veel artikels waarin (terloops) de anti-joodse houding van het Verdinaso werd gerelativeerd. Nochtans had Arie W. Willemsen die houding reeds in 1958 aan het licht gebracht. Bladen als Delta, Teksten, Kommentaren en Studies, waarin bijwijlen de aandacht wordt getrokken op 'revisionistische' geschriften, en het tijdschrift van oud-Dinaso's Ter Waarheid over Joris Van Severen (gesticht in 1983) achtten de figuur van de in mei 1940 naar Frankrijk gedeporteerde en aldaar vermoorde Verdinaso-leider Joris van Severen onaantastbaar. Dat vond zijn neerslag in het naar aanleiding van Van Severens honderste geboortedag geschreven huldealbum Gedenkboek Joris Van Severen. 1894-1994 (uitgegeven door het Nationaal Studie- en Documentatiecentrum Joris van Severen, Aartselaar, 1994). Wetenschappelijke bevindingen over de anti-joodse opvattingen van het Verdinaso werden geridiculiseerd: Van Severen zelf had slechts weinig tegen de joden geschreven, de anti-joodse artikels waren van de hand van "onbekende" en "onbeduidende" Dinaso's en in het vooroorlogse België hadden alle politieke partijen "lucht gegeven" aan anti-joodse bedenkingen, in het bijzonder "links".

Over de houding van het partijkader en de persorganen van de Volksunie (VU) in deze problematiek werd nog geen fundamenteel onderzoek verricht. Alhoewel eminente VU-politici als Hugo Schiltz en Maurits Coppieters uiterst afkerig tegenover het 'antisemitisme' stonden, zijn er aanwijzingen dat de hoofdstroming hier vooral werd bepaald door het ontkennen van ook maar enige betrokkenheid van het Vlaams-nationalisme bij de jodenvervolging. Deze ontkenning werd mede gevoed door de overheersende opvatting dat er niet de minste band tussen het vooroorlogse Vlaams-nationalisme en het nationaal-socialisme bestond en door de mening dat men 'niet-opportune' onderwerpen best zoveel mogelijk uit de weg ging. Wanneer het VU-blad Wij, Vlaams-nationaal de anti-joodse houding van organisaties als het Verdinaso al eens ter sprake bracht, werd deze gerelativeerd (Wij, 1 juni 1990). Daarnaast is het evenzo dat een aantal van de geciteerde negationisten en minimaliseerders, als Roeland Raes, Xavier Buisseret en André van Hecke, jarenlang in de VU militeerde, waar ze deel uitmaakten van de extreem-rechtse vleugel. Daar kunnen, naar verluidt, nog de oud-VNV'er Hector Goemans en de stichter van de eerste VMO (°1950), Bob Maes, aan worden toegevoegd. Het negationisme van Maes zou (binnenskamers) steeds bestreden zijn geweest door de reeds hoger geciteerde Toon van Overstraeten en door de Antwerpse VU-volksvertegenwoordiger Reimond Mattheyssens.

Het standpunt van het Vlaams Blok tegenover het negationisme wordt waarschijnlijk mede verklaard door de evolutie in het (rechts-radicaal) Vlaams-nationalisme van de jaren 1980, alsmede door de betrachting om de anti-migranten-standpunten in bredere kringen salonfähig te maken. Alhoewel een aantal van de geciteerde negationisten en minimaliseerders voortaan tot het partijkader van het Vlaams Blok behoort, ontkent de Vlaams Blok-leiding evenwel dat het officieel iets met het negationisme te maken heeft. Het partijtijdschrift Vlaams Blok bracht deze problematiek slechts in het midden van de jaren 1980 een paar maal ter sprake. Naar aanleiding van de veertigjarige herdenking van de bevrijding in 1984 had de toenmalige hoofdredacteur Karel Maurissen het over "het magische getal van 6 miljoen". Tevens bracht hij terloops de Franse 'revisionisten' Robert Faurisson en Paul Rassinier te berde. Volgens hem was het 6 miljoen-cijfer overdreven en dit bracht hij in verband met de repressie: "Sommigen (...) willen de onmenselijkheid der kampen onmenselijker maken om de onmenselijke waanzin van de repressie in al haar vormen weg te moffelen." Toen een jaar later in een artikel gesproken werd over "de legende van de 6 miljoen joden" kreeg de redactie een boze lezersbrief, waarop ze dit thema als afgesloten beschouwde: "(Het is) niet de bedoeling eindeloze polemieken over geschiedkunige onderwerpen aan te gaan." Nog tien jaar later, op 2 februari 1995, keurde het Vlaams Blok in de Kamer mee een wetsvoorstel goed dat wil toelaten iemand die het bestaan van de genocide op de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog ontkent, vergoelijkt, rechtvaardigt of goedkeurt, te bestraffen.

De herdenking van de vijftigste verjaardag van de bevrijding van Auschwitz (27 januari 1945) en van het bombardement op Dresden door de geallieerden (13-14 februari 1945), brachten de 'schuldvraag' even opnieuw naar de oppervlakte. Opmerkenswaardig was een artikel van André Leysen, tijdens de oorlog lid van de Hitlerjugend, waarin de auteur de Duitse oorlogsmisdaden ter sprake bracht en zichzelf tot de "passief schuldige generatie" rekende (De Standaard, 11-12 februari 1995). Vlaams Blok mengde zich niet in het debat. Het standpunt van 't Pallieterke was eerder dubbelzinnig. Het blad ontkende evenmin de Duitse oorlogsmisdaden, maar tegelijkertijd wees het "op de massamoorden die sindsdien hebben plaatsgegrepen en nog plaatsgrijpen". Tevens publiceerde het een uitvoerige lezersbrief Auschwitz... maar ook Dresden! en wees het op het "verschrikkelijk gebed" (sic) dat Elie Wiesel te Auschwitz had uitgesproken – "Heer heb geen genade met diegenen die geen genade met ons hebben gehad" – dat als typisch "Oudtestamentisch" werd omschreven.

Ondanks het quasi volledig ontbreken van enige kritische reflectie over de 'judeocide', neemt de 'receptie' van de 'Holocaust' nolens volens een functie in bij de verwerking van het Vlaams-nationalistische oorlogsverleden. Pogingen tot verdringing van de 'medeverantwoordelijkheid' of tot 'rehabilitatie' van het eigen verleden roepen hoe dan ook de 'Holocaust-demon' weer tot leven. Vooral de rechts-radicale vleugel van het Vlaams-nationalisme, en in het bijzonder het Vlaams Blok, heeft het daar moeilijk mee. De 'Holocaust' wordt dan veelal gebagatelliseerd of door een minderheid zelfs ontkend. In de confrontatie met de voortdurende informatie over of herdenkingen van de nazi-gruwelen, leidt dat niet zelden tot een zekere verkramping en rancune. In die visie krijgt de jodenvervolging onterecht meer aandacht dan het eigen repressieleed.

Literatuur

A.W. Willemsen, Het Vlaams-nationalisme. De geschiedenis van de jaren 1914-1940, 19692; 
W. Geldolf, 'Camille Huysmans en het Joodse volk: een vriendschap voor het leven', in Bijdragen tot het Camille Huysmansonderzoek (1971), p. 211-256; 
G. Schmook, 'Uit Groot-Mokum gewerd ons een offervaardig flamingant, Maarten Rudelsheim: Amsterdam 1873 
Antwerpen 1920', in Verslagen en Mededelingen van de KVATL (1971), p. 80-146; 
M. Depuydt, Sporen van antisemitisme in België tussen de twee wereldoorlogen. De houding van het Vlaamsch Nationaal Verbond tegenover de joden (oktober 1933-mei 1940), KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1978; 
I. Schöffer, Het nationaal-socialistische beeld van de geschiedenis der Nederlanden. Een historiografische en bibliografische studie, 19782; 
B. de Corte, Het tijdschrift Germania (1898-1905) in het kader van de Vlaams-Duitse betrekkingen, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1982; 
I. Geeraerts, Sporen van antisemitisme in België tussen de twee wereldoorlogen: de houding van de Antwerpse katholieke pers tegenover de joden (1929-1935), RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1982; 
I. Karolinski, L'antisémitisme en Belgique francophone. De "La France Juive" d'Edouard Drumont au procès de Rennes, 1886-1899, ULg, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1982; 
G. Verboven (e.a.), Het Koninklijk Atheneum te Antwerpen 175 jaar. De geschiedenis van een school en haar rol in de Vlaamse Beweging. 1807-1982, 1982; 
K. Wauters, Wagner en Vlaanderen. 1844-1914. Cultuurhistorische studie, 1983; 
M. Steinberg, L'étoile et le fusil, 3 dln., 1983-1986; 
H. Schippers, Zwart en Nationaal Front. Latijns georiënteerd rechts-radicalisme in Nederland (1922-1946), 1986; 
L. Saerens, 'De groei van een anti-joods klimaat te Antwerpen: de houding van de advocaten (1936-1941)', in Driemaandelijks Tijdschrift van de Auschwitz-Stichting, nr. 12 (juni 1986), p. 10-37; 
S. Brachfeld, Brabosh. Beelden uit het Antwerps Joods verleden, 19862; 
P. Schrijvers, De Toekomst. Het oorlogsweekblad van het Limburgse VNV. 1941-1944, 1987; 
S. Brachfeld, Uw joodse buurman, 19872; 
L. Saerens, 'Het Verdinaso en de Joden (1931-1940)', in WT, jg. 46, nrs. 3-4 (1987), p. 155-180 en p. 241-254; 
B. de Wever, 'Verschaeve en het Oostfront. Bijdrage tot een studie van Verschaeves houding ten overstaan van de SS', in Verschaeviana. Jaarboek 1987 (1988), p. 131-171; 
F. Seberechts, 'Jef Van de Wiele (1903-1979): een biografische schets', in Verschaeviana. Jaarboek 1987 (1988), p. 181-203 en in Verschaeviana. Jaarboek 1991-1992 (1992), p. 265-340; 
B. Brinkman en B. de Wever, 'De verdwenen gaskamers', in De Nieuwe Maand (mei 1988), p. 8-16; 
W. de Raes, Het ras-idee in de Belgische medische en paramedische tijdschriften in het interbellum, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1989; 
A. Dumon, De Gentse pers tegenover de joden. 1930-1940, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1989; 
P. van Hees, 'De Groot-Nederlandse Beweging in 1940-1941 en het optreden van Jan Christiaan Kist (1913-1944)', in WT, jg. 48, nr. 4 (1989), p. 226-238 en jg. 49, nr. 1 (1990), p. 1-18; 
G. van den Berghe, De uitbuiting van de Holocaust, 1990; 
F. Goedbloed, 'De dilemma's van de georganiseerde Vlaamse oud-Oostfrontstrijders. Een analyse van het antisemitisme en Vlaams-nationalisme in Berkenkruis en Periodiek Contact', in BTNG, jg. 22, nr. 3-4 (1991), p. 395-450; 
B. de Corte, 'Duitse extreem rechtse invloeden in de Vlaamse Beweging (1870-1914)', in H. de Schampheleire en Y. Thanassekos (red.), Extreem rechts in West-Europa, 1991, p. 149-160; 
L. Saerens, 'De houding van het Vlaams-nationalisme tegenover de joden tijdens de jaren dertig', in H. de Schampheleire en Y. Thanassekos, Extreem rechts in West-Europa, 1991, p. 255-280; 
D. Vanacker, Het aktivistisch avontuur, 1991; 
W. Benz (red.), Dimension des Volkermords. Die Zahl der judischen Opfer des Nationalsozialismus, 1991; 
M. Steinberg, De ogen van het monster. De Holocaust dag in dag uit, 1992; 
F. Caestecker, Ongewenste gasten. Joodse vluchtelingen en migranten in de dertiger jaren in België, 1993; 
L. Vos, 'De rechts-radicale traditie van het Vlaams-nationalisme', in WT, jg. 52, nr. 3 (1993), p. 129-149; 
L. Caluwaerts, De nazi-genocide op het Europese jodendom in de Belgische pers. September 1944-maart 1951, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1994; 
B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994; 
R. van Doorslaer (red.), Les Juifs de Belgique. De l'immigration au génocide, 1925-1945, 1994; 
F. Seberechts, Ieder zijn zwarte. Verzet, collaboratie en repressie, 1994; 
A. Leysen, Achter de spiegel. Terugblik op de oorlogsjaren, 1995; 
L. Saerens, 'Houding tegenover de joden te Antwerpen, 1918-1942', in H. Soly en A. Thijs (ed.), Minderheden in Westeuropese steden (16de-20ste eeuw) (Belgisch Historisch Instituut te Rome. Bibliotheek, XXXIV, 1995), p. 215-243; 
M. Swyngedouw, 'De sociale ruimte hertekenen. Een gevalstudie aan de hand van de constructie van de bedreigende immigrant in Vlaanderen 1930/1980', in Res Publica, jg. 37, nr. 2 (1995), p. 227-245; 
G. van den Berghe, Getuigen. Een case-study over ego-documenten. Bibliografie van ego-documenten over de nationaal-socialistische kampen en gevangenissen, geschreven of getekend door 'Belgische' (ex-) gevangenen: Belgen, personen die in België gedomicilieerd waren of verbleven, en andere uit België gedeporteerde personen, 2 dln., 1995; 
R. van Doorslaer, Kinderen van het ghetto. Joodse revolutionairen in België 1925-1940, 1995.

Verwijzingen

zie: collaboratie, economie.

Auteur(s)

Lieven Saerens