Anti-Egmontkomitee

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

comité opgericht op 7 september 1977 in de schoot van het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (OVV) met als doel de coördinatie van het verzet tegen het Egmontpact. Clem de Ridder was algemeen voorzitter, Paul Daels voorzitter van het algemeen bestuur.

Onmiddellijk na de bekendmaking van het Egmontpact ontstonden er her en der comités (24 mei-comité, Vlaams Actiecomité Brussel-Vlaams-Brabant) die protesteerden tegen dit gemeenschapsakkoord. Het ging om kleine initiatieven die snel weer uitdoofden. De grotere Vlaamse belangenorganisaties wilden eerst het akkoord grondig bestuderen vooraleer een standpunt in te nemen. Intussen groeide echter de oppositie en stonden Vlaamse manifestaties (onder andere de IJzerbedevaart) in het teken van het verzet tegen het pact. Tijdens de vakantiemaanden werden de nodige contacten gelegd om de krachten te bundelen. Binnen het presidium van het OVV werd besloten tot de oprichting van het Anti-Egmontkomitee. Alle leden sloten zich aan met uitzondering van de voorzitter, Aloïs Gerlo, die vervolgens ontslag nam. Bijgevolg was het August Vermeylenfonds de enige belangrijke Vlaamsgezinde vereniging die zich niet aansloot bij het Anti-Egmontkomitee.

Bij de oprichting waren er 35 niet-partijpolitieke verenigingen aangesloten. Hun aantal groeide uiteindelijk aan tot een vijftigtal. Bij de betoging in Dilbeek (23 oktober 1977) werden ongeveer 7000 demonstranten geteld, waaronder verschillende parlementsleden uit diverse partijen. Vooral de Volksunie (VU), medeonderhandelaar van het akkoord, bleek sterk verdeeld over de kwestie.

Na de uitspraak van Socialistische Partij-voorzitter Karel van Miert dat hij geen belang hechtte aan 7000 betogers, maar wel rekening zou houden met 70.000, startte het Anti-Egmontkomitee een actie waarbij 70.000 protestkaarten werden verzameld (voltooid mei 1978). Inmiddels was het Anti-Egmontkomitee een volwaardige partner geworden in het politiek debat en op 26 mei 1978 vond er een ontmoeting plaats tussen de drie Vlaamse partijvoorzitters (Wilfried Martens voor de Christelijke Volkspartij-CVP, Van Miert voor de SP en Hugo Schiltz voor de VU) en het presidium van het Anti-Egmontkomitee. De Vlaamse partijen wilden dat het akkoord in zijn geheel goedgekeurd werd, zonder enige aanpassing. Ook na de Stuyvenbergbesprekingen bleef het pact onaanvaardbaar voor het Anti-Egmontkomitee. Intussen waren de acties van het Komitee tot het straatbeeld gaan behoren (affiches, borden...). Naarmate de stemming in het parlement dichterbij kwam, steeg het wantrouwen en de onrust in de regeringspartijen. Ook na onderhandelingen tussen VU-voorzitter Schiltz en prominenten van het Komitee in juli 1978 bleven de standpunten uit elkaar liggen. De druk van het Anti-Egmontkomitee had vooral invloed op de Vlaamse CVP-fractie.

Uiteindeljk wachtte premier Leo Tindemans de stemming niet af en bood voordien het ontslag van zijn regering aan.

Literatuur

M. van Haegendoren, Van taalstrijd tot staatshervorming, 1983.

Auteur(s)

Gert van Overloop; Petra Gunst