Amnestie - na Wereldoorlog II

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Amnestie: de maatregelen

Wie van maatregelen spreekt, denkt uiteraard vooreerst aan de initiatieven die van overheidswege genomen zijn. Maar dat is niet de enige weg waarlangs de reïntegratie of het vergeven bereikt kan worden. Oud-collaborateurs hebben via zelfhulp op eigen krachten of met steun van familieleden, vrienden en lotgenoten hun terugkeer in de maatschappij vergemakkelijkt.

Maatregelen van de overheid

Amnestie in strikte zin is in België achterwege gebleven. Toch zijn er tal van maatregelen genomen die in hun gevolgen de doelstellingen van een amnestiewetgeving, zij het in beperkte zin, hebben benaderd. Sommige regelingen zijn juridisch van aard: genade, eerherstel en herstel in rechten. Andere liggen op het administratieve vlak: de voorwaardelijke invrijheidsstelling op basis van de wet-Lejeune, de herziening van de tuchtstraffen en de boetes, de afschaffing van het bewijs van burgertrouw. Kenmerkend voor het Belgisch overheidsbeleid is dat de meeste van deze maatregelen geen collectieve uitwerking hadden. Het ging, met andere woorden, overwegend om individuele beslissingen.

Artikel 73 van de grondwet geeft aan de koning (in feite aan de minister van justitie) "het recht om de straffen, door rechters uitgesproken, kwijt te schelden of te verminderen". Genade laat de strafrechtelijke veroordeling zelf onaangetast, waardoor zij op het strafregister vermeld blijft. Tot en met 1954 hebben minstens 19.000 veroordeelde collaborateurs langs die weg strafvermindering gekregen. Ook nadien is nog door velen genade gevraagd en gekregen.

Het eerherstel is een rechterlijke beslissing die voor de toekomst een einde maakt aan de gevolgen van een veroordeling. Het is de veroordeelde zelf die de (vrij ingewikkelde) procedure in gang moet zetten. Eerherstel heeft geen retroactieve gevolgen, maar brengt wel teruggave van politieke en burgerlijke rechten mee. Tussen 1945 en 1982 hebben naar schatting ongeveer 14.000 ex-collaborateurs van die mogelijkheid gebruikgemaakt. Meer recente gegevens zijn er niet.

Ongeveer 75.000 Belgen zijn door een veroordeling of door inschrijving op de lijsten van de krijgsauditeur vervallen verklaard van de rechten die in artikel 123sexies van het strafwetboek staan opgesomd. Deze sanctie, die door minister Paul Struye ooit werd bestempeld als cette espèce de mort civile, woog zwaar op de toekomstkansen van de getroffenen. In drie stappen is van overheidswege gepoogd om de gevolgen ervan ofwel op te heffen, ofwel te verzachten. De wet-Struye van 14 juni 1948, de wet-Pholien van 29 februari 1952 en de wet-Vermeylen van 30 juni 1961 hebben aan tienduizenden geheel of gedeeltelijk herstel in rechten gegeven. De wet-Vermeylen wijkt af van andere maatregelen omdat hier ook deels op collectieve wijze milderend is opgetreden.

Voorwaardelijke of vervroegde vrijlating, bij toepassing van de wet-Lejeune, is een administratieve maatregel die voor elk individu apart genomen moet worden. Aanvankelijk heerste bij velen, hoofdzakelijk van linkse signatuur, de mening dat deze penitentiaire gunstmaatregel niet bedoeld was voor mensen die hun vaderland verraden hadden. Vanaf de lente van 1946 nam het verzet geleidelijk af. Tussen 1946 en 1954 zijn iets meer dan 31.000 gevangengezette collaborateurs voorwaardelijk of vervroegd vrijgelaten. In de periode 1955-1964 zullen nog eens bijna 700 'zware gevallen' van de maatregel profiteren.

In augustus 1951 volgde de afschaffing van het certificaat van burgerdeugd. Wie dit bewijs, dat in talloze kwesties moest kunnen voorgelegd worden, niet verkreeg was in de eerste jaren na de oorlog de facto een sociaal-gehandicapte. De verdwijning ervan was nuttig, maar kwam eigenlijk veel te laat.

Andere overheidsbeslissingen maakten het voor sommige collaborateurs mogelijk om een herziening van tuchtstraffen (de wet van 24 december 1953) of van boetes (de wet van 14 juli 1960) te bekomen.

Naar Belgische gewoonte is ook via het politiek dienstbetoon veel verzachting van repressieleed bekomen. Mandatarissen, bijna uitsluitend van de Volksunie en de Christelijke Volkspartij (CVP), hebben in samenspraak met ministers en ambtenaren mildering van sekwester, van boetes of van pensioenproblemen verkregen.

Het opruimen, langs juridische en administratieve weg, van enkele gevolgen van de bestraffing was één aspect van het overheidsbeleid. Een tweede dimensie was de voorbereiding op het leven na de straf. Die gedachte deed voor de overheid een dubbele opdracht ontstaan. Wie een onvaderlands ideeëngoed had aangekleefd diende heropgevoed te worden. Reclassering was een tweede opgave, want vele incivieken zouden – omdat ze van hun rechten waren beroofd – naar een nieuw beroep moeten overstappen. Draaischijf van de hele operatie moest de in november 1946 opgerichte Dienst voor Wederopvoeding, Reclassering en Voogdij zijn. Men had grote plannen. Een sectie zou in de gevangenissen en kampen het ontspanningsleven organiseren. Ook de oprichting van vakopleidingscentra was voorzien. Een derde initiatief, de Dienst voor Voogdij, mikte op de werving en de vorming van duizenden voogden die de incivieken zouden bijstaan bij hun terugkeer in de maatschappij. Aan politieke kant zijn deze taken echter nooit ter harte genomen en daarom zijn zij ook grotendeels mislukt.

In een groot aantal gevallen is in zelfhulp een uitweg gezocht. Dat gebeurde al in de interneringskampen en gevangenissen. Vanaf eind 1946 kwam daar een levendige bedrijvigheid op het stuk van ontspanning, cultuur en vorming op gang. Op het programma stonden lessenreeksen, concerten, theater, kunstateliers, tentoonstellingen. Er was radio, film, lectuur. In het interneringskamp te Beverlo werd het tijdschrift Snavel opgericht. Later verschenen ook Opbouw en Klein Kasteeltje. Deze bladen voor collaborateurs werden grotendeels door de gevangenen zelf geredigeerd. Zij bevatten artikels over sport, kunst en cultuur, het dagelijkse kampleven, een juridische kroniek en brieven uit andere kampen. Veel van deze initiatieven waren de vrucht van wat toen self-government werd genoemd. Dit zelfbestuur was een baanbrekende ontwikkeling die uit pure noodzaak was ontstaan: het departement van justitie had immers geen geld of mensen om het zelf te doen. Bovendien was er een onuitputtelijke werfreserve in de kampen: juristen, leraars talen, aardrijkskunde, boekhouding, wiskunde, geneeskunde, burgerlijke ingenieurs, beoefenaars van vrije beroepen. In 1947 startte men met de oprichting van centra voor beroepsopvoeding. In september van dat jaar begon in het Klein Kasteeltje te Brussel een opleiding in handel, kunst, publiciteit en ambachten. Opleidingscentra kwamen er ook in Merksplas (technisch tekenen, elektriciteit en werktuigkunde), in Beverlo (smidse, automechanica) en in Brugge (voor vrouwen).

In Vlaanderen nam de zelfhulp ook buiten de gevangenissen een hoge vlucht. Heel wat collaborateurs die hun politieke en burgerrechten hadden verloren en dus niet langer in openbare dienst of in het onderwijs terechtkonden, kwamen aan de kost als rondreizende verzekeringsmakelaars of handelsreizigers. Hun cliënteel bestond aanvankelijk uit lotgenoten, geestelijken en sympathisanten van de V.B. Vlaamsvoelende bedrijven namen oud-collaborateurs in dienst die vanwege hun verleden elders niet aanvaard werden. Ook op sociaal, cultureel en ontspanningsvlak ontstonden allerlei initiatieven. In december 1944 werd te Brussel de Zilvermeeuwtjes opgericht, een jeugdbeweging voor kinderen van gestrafte collaborateurs. Zij verzamelde kleding, meubelen en geld voor de zwaarst getroffen collaborateurs. Oostfrontstrijders vonden elkaar in het Sint-Maartensfonds. Dat zijn slechts enkele voorbeelden uit vele.

Dat zelfhulp in vele gevallen doeltreffend kon zijn heeft ook te maken met een meer algemene ontwikkeling in Vlaanderen. In het noorden van het land was in de collaboratie de politieke dimensie dominant geweest. Hier groeide daarom al snel de gedachte dat niet weinig collaborateurs bewogen werden door overtuiging, ambitie, misleiding of een mengeling daarvan en men kon daar begrip voor opbrengen.

Wallonië kende op dat vlak een totaal andere evolutie. In dat gewest vereenzelvigen velen de collaboratie met haar donkerste zijde: verklikking, mensenjacht, de doders van Rex en daarom was er ook minder begrip voor. De meeste veroordeelden hebben uit zelfbehoud de kop ingetrokken en hun verleden weggestopt. De zeldzame bijeenkomsten van ex-collaborateurs werden zo geheim mogelijk gehouden en stuitten, als zij toch bekend geraakten, altijd op fel protest bij de publieke opinie.

Amnestie: de evolutie van een dossier

Overheidsmaatregelen noch zelfhulp neutraliseerden alle materiële handicaps waarmee de ex-collaborateurs te maken kregen. Over die blijvende erfenis van collaboratie en repressie is het land nu al een halve eeuw verdeeld. Voor de enen gaat het om een niet te verantwoorden onrecht. Anderen wilden al die tijd niet weten van een verdere verzachting van de gevolgen van straffen en sancties. Bovendien is er de psychologische dimensie van het probleem: moet men vergeven en vergeten of is er daarentegen geen vergiffenis mogelijk voor het oorlogsgedrag van sommige Belgen?

De vraag naar amnestie (in de vele betekenissen van het woord) is bijna uitsluitend in Vlaanderen te horen geweest. Maar de discussies zijn grotendeels op het Belgisch-nationaal niveau gevoerd, omdat zowat alle materiële aspecten van het dossier slechts door een nationale instantie behandeld kunnen worden.

Er zijn in de ontwikkeling van het amnestiedebat een zestal episodes te onderscheiden. In deze, ongetwijfeld voor nuancering vatbare, periodisering vallen twee zaken op: de ononderbroken politisering van de amnestiekwestie en, ten tweede, de afwisseling van tijden van hevige polarisatie met momenten waarop een doorbraak mogelijk leek.

1945-1949: links versus rechts

De repressie heeft, zeker in het kader van de krijgsraden, tussen begin 1946 en de zomer van 1947 haar kruissnelheid bereikt. De kritiek op de berechting van de collaborateurs viseerde vooral de excessen ervan: de situatie in de kampen en gevangenissen, de bijzonder zware straffen die in het begin werden uitgesproken, de hoge boetes, de verbeurdverklaringen, het overvloedig gebruik van de ontzetting uit de rechten. Luikse rechters en Brusselse advocaten schreven in Le Journal des Tribunaux over wat er verkeerd ging in de krijgsraden. Mgr. Louis-Joseph Kerkhofs, bisschop van Luik, nam uitdrukkelijk stelling tegen de uitwassen bij de bestraffing van Duitsgezinden. In Vlaanderen vonden de klachten hun weg in week- en maandbladen zoals Rommelpot, 't Pallieterke, Golfslag en Branding. Maar wat deze periode vooral tekent is de politisering van het vraagstuk van de repressie. Van augustus 1945 tot maart 1947 was een regering aan de macht die, in de terminologie van toen, links werd genoemd: zij bestond uit socialisten, liberalen, communisten en enkele vertegenwoordigers van de Union Démocratique Belge (UDB). Deze bewindsploeg voerde een beleid dat er in sommige opzichten op gericht was het Vlaams-nationalisme op zich, maar ook als mogelijke bondgenoot van de christen-democratie, definitief uit te schakelen. Van hun kant brachten de (Vlaamse) christen-democraten vanuit de oppositie felle kritiek op het regeringswerk. Elke partij probeerde via haar standpunten over de afrekening met de vrienden van de vijand kiezers te werven.

Begin 1947 veranderde het klimaat. Met de komst van de koude oorlog verdwenen de communisten, de hevigste voorstanders van een strenge repressie, uit de regering. (Al was het allereerste wetsvoorstel dat pleit voor het niet ten uitvoer leggen van vrijheidsstraffen uit het communistische kamp afkomstig. Op 25 november 1947 vroegen vier KP-senatoren om de straffen van minderjarige collaborateurs op te schorten. Dit wetsvoorstel dat in mei 1949 door het communistisch Kamerlid Bert van Hoorick opnieuw werd ingediend, werd door de andere partijen als pure ledenronselarij beschouwd en bijgevolg terzijde geschoven.) Aan socialistische en liberale zijde groeide het besef dat de berechting van de collaborateurs hier en daar uit de hand was gelopen. Nu is er ruimte voor maatregelen als de toepassing van de wet-Lejeune en het herstel in rechten. Dat de kloof tussen links en rechts evenwel niet verdwenen was bleek uit de heftige discussies die deze maatregelen in het parlement en in de media uitlokten. Ook de verzetsbewegingen milderden hun tegenstand niet. Zij vormden een Comité voor Actie en Waakzaamheid dat op 16 november 1947 te Brussel bijna 20.000 betogers bijeenbracht. Een jaar later speelden deze organisaties een sleutelrol in de strijd tegen het gratiebeleid van minister Struye, die trouwens tot aftreden werd gedwongen. Aan Vlaamse zijde verschenen nog steeds publicaties waarin om een mildering van de repressie werd gevraagd. De vrijzinnige hoogleraar Max Lamberty pleit in zijn De Vlaamse Beweging nu (1948) voor een ommekeer. Katholieke moralisten schrijven in dezelfde zin in Dietsche Warande en Belfort (Albert Westerlinck, 1947) en in Kultuurleven (J.H. Walgrave, 1948).

De overheersende indruk is dat in deze periode taalpolitieke overwegingen nog geen beslissende rol speelden in de mobilisering van voor- en tegenstanders van verzachtende maatregelen. Uiteraard klonk de roep naar een mildering van de repressie het luidst in Vlaanderen. Maar ook in Franstalig België waren er pleidooien in die zin te horen, onder meer in de tijdschriften La Revue Nouvelle, Les Cahiers Socialistes en de Revue Générale Belge.

1950-1958: de politisering zet door

In de jaren 1950 loopt de koorts in de Belgische politiek hoog op. Eerst is er de woelige ontknoping van de Koningskwestie. Wat later breekt de schoolstrijd uit. De verheviging van de tegenstellingen tussen links en rechts liet zich echter ook voelen in de amnestiekwestie. Tussen januari 1951 en november 1952 kwamen er 9 interpellaties waarin socialisten, liberalen en communisten het 'amnestiebeleid' van de homogene CVP-PSC-regering fel op de korrel namen. In de herfst van 1952 liep zo'n aanval uit op het ontslag van justitieminister Pholien. Het dossier kreeg nu ook geleidelijk een communautaire dimensie. Binnen het christen-democratische kamp waren er geregeld spanningen tussen de Vlaamse vleugel en de PSC. Op drie vlakken zou deze broederstrijd leiden tot de mislukking van CVP-initiatieven ter verzachting van de gevolgen van de repressie: het wetsontwerp van minister Ludovic Moyersoen dat de inhoud van artikel 123sexies wilde milderen, het wetsvoorstel-Albert de Gryse ter herziening van de financiële strafsancties en een pensioenvoorstel van Louis Kiebooms sneuvelden door toedoen van de PSC. Dat de communautaire breuklijn nu volop speelde in het amnestiedebat blijkt uit het wedervaren van het progressief-katholiek tijdschrift La Revue Nouvelle. In 1959 publiceerde de redactie een speciaal nummer onder de titel Liquider la répression. Zij schreef daarin dat zij met haar standpunt in Franstalig België al bijna tien jaar in (...) un isolement redoutable (...) verkeerde.

Waarom die tweevoudige escalatie? De verklaring ligt gedeeltelijk in de gevolgen van de verkiezingen van juni 1950. De CVP-PSC had een absolute meerderheid verworven en vormde een homogene regering. Deze voor België ongewone situatie werkte de polarisering tussen links en rechts in de hand. In april 1954 werd de CVP naar de oppositie verwezen en kwam een socialistisch-liberale regering aan de macht. De escalatie ging door. Een tweede ontwikkeling deed zich alleen in Vlaanderen voor, maar de gevolgen waren in het ganse land voelbaar. Halfweg 1949 was voor de CVP een verdwenen gewaand gevaar weer opgedoken: de vorming van een Vlaams-nationale partij. De Vlaamse christen-democraten reageerden met een operatie-verruiming waarin zij vooraanstaande erfgenamen van het vooroorlogs Vlaams-nationalisme een plaats in Kamer en Senaat bezorgden. Het manoeuvre slaagde slechts gedeeltelijk en de dreiging bleef boven de CVP hangen. Het amnestiethema bood haar de gelegenheid om te werven in de potentiële aanhang van een nieuwe volksnationalistische partij. Zo is het te begrijpen waarom de CVP tussen 1950 en 1954 tal van wetgevende initiatieven nam ter verzachting van het repressieleed. De komst van de Christelijke Vlaamse Volksunie, later van de Volksunie (VU) dwong de CVP tot een opbod met deze partijen. Soms nam die competitie vreemde vormen aan: Herman Wagemans, het enige Vlaams-nationale parlementslid, legde op 29 november 1955 in de Kamer een amnestievoorstel neer; diezelfde dag deponeerde CVP-senator Van Hemelrijck een wetsvoorstel betreffende de epuratie inzake burgertrouw. Dat alles bracht de Vlaamse christen-democratie in aanvaring met links en met de PSC.

Ondertussen was in diverse takken van de V.B. een meer formele mobilisering rond het amnestiethema een feit geworden. In 1951 al had het Algemeen Vlaams Oud-Hoogstudentenverbond via voordrachten en een brochure campagne gevoerd. Vanaf 1952 kwam de amnestie-eis ter sprake op de IJzerbedevaart en op het Vlaams Nationaal Zangfeest. Het Verbond van het Vlaams Verzet, in 1954 opgericht, ontpopte zich in volksvergaderingen en publicaties als een van de krachtigste pleitbezorgers van amnestie.

Buitenparlementaire acties waren er ook bij de tegenstanders van een mildering van de repressiestraffen. Naar aanleiding van de vrijlating van Adriaan van Coppenolle, rijkswachtcommandant onder de bezetting, en de gratiëring van de ter dood veroordeelde Breendonk-beul Richard de Bodt sloten de verzetsbewegingen in augustus 1952 de rangen in een Comité d'Appel au Pays. Een massabetoging van deze organisatie leidde in september van dat jaar tot de val van de minister van justitie Joseph Pholien.

1958-1965: zoeken naar oplossingen

De verkiezingen van 1 juni 1958 maakten een einde aan een periode van polarisering tussen links en rechts. Er kwam een coalitie tussen christen-democraten en liberalen, onder de leiding van Gaston Eyskens. De regeringsverklaring bevatte een uitdrukkelijke verwijzing naar de repressieproblematiek: "Het vraagstuk van de aan de Staat verschuldigde schadevergoeding zal opgelost worden; de vraagstukken van de burgerlijke epuratie zullen geregeld worden, rekening houdend met de wetsontwerpen en -voorstellen die in de loop van de jongste jaren ingediend werden. De Regering meent dat het haar plicht is gans bijzondere aandacht te wijden aan het geval van de veroordeelden die op het ogenblik der hun ten laste gelegde feiten jonger waren dan 18 jaar en van diegenen die thans ouder zijn dan 70 jaar." Deze passus toont aan dat het klimaat enigszins gewijzigd was. (Tekenen daarvan waren trouwens al onder de vorige regering verschenen: de wet-Edmond Leburton van 24 april 1957 had met betrekking tot de herstelpensioenen voor burgerlijke oorlogsslachtoffers de uitsluiting van collaborateurs enigszins gemilderd. Bovendien was er, in januari 1957, het wetsontwerp van de liberale minister Edmond Lilar dat de gevolgen van de burgerlijke epuratie wilde verzachten.) Onder de christen-democratisch-socialistische regering-Theo Lefèvre-Paul-Henri Spaak (april 1961-mei 1965) ging de dooi verder. Zij stelde in haar regeringsverklaring: "In verband met de oplossing van het vraagstuk van de repressie, zal het wetsontwerp op artikel 123sexies van het Wetboek van Strafrecht aangepast worden. De wetgeving op de administratieve epuratie zal versoepeld worden wat betreft de ontvankelijkheid van de aanvragen tot herziening en het recht op pensioen. De uitsluitingen, bepaald bij artikel 5 van de wetten op de oorlogsschade, zullen gedeeltelijk opgeheven worden voor niet-veroordeelden en licht gestraften." De belangrijkste verwezenlijking is de wet-Piet Vermeylen van 30 juni 1961 die, op basis van het al eerder vermelde ontwerp-Lilar, het herstel in rechten vergemakkelijkte. De andere plannen van de regering kregen concreet vorm in het ontwerp-Merlot (inzake de oorlogsschade) en -Antoon Spinoy (inzake de pensioenen). Beide projecten sneuvelden echter. Die mislukkingen wezen erop dat de opening in het amnestiedossier van korte duur zou zijn.

Ondertussen lag de mobilisering aan Vlaamse zijde niet stil. De regering-Eyskens had hoge verwachtingen gewekt. Toen haar plannen bekend geraakten was er ontgoocheling in Vlaams-nationale kringen. Er kwamen, in 1959, betogingen te Leuven en te Antwerpen. VU-Kamerlid Frans van der Elst diende tussen 1959 en 1962 vier wetsvoorstellen in: een waarin algemene amnestie werd gevraagd, een in verband met de pensioenkwestie en twee met betrekking tot het recht op oorlogsschade.

Het afwijzingsfront was minder sterk dan in het begin van de jaren 1950. Immers, tot 1961 waren de liberalen in de regeringsplannen betrokken, nadien de socialisten. Wel trok een betoging, in november 1959 georganiseerd door verzets- en oud-strijdersverenigingen, zowat 15.000 deelnemers.

1966-1975: hevige polarisering

Op tien jaar tijd leggen de voorstanders van een of andere vorm van amnestie in Kamer en Senaat 31 wetsvoorstellen neer: 24 van de VU, 7 van de CVP. Zij gaan over amnestie voor alle collaborateurs of voor bepaalde groepen van veroordeelden en over tal van technische kwesties (oorlogsschade, tuchtstraffen, overlevingspensioenen enzovoort). Kenmerkend voor vele van deze documenten is dat zij pure replica's waren van eerder ingediende wetsvoorstellen. Daardoor was er ook weinig evolutie in de argumentatie. De inoverwegingneming van deze parlementaire initiatieven lokte in deze periode heftige discussies uit. In 1969 werd de inoverwegingneming van een wetsvoorstel-Van der Elst geweigerd. Het was de eerste, maar niet de laatste keer. Ook bij de bespreking van de regeringsverklaring en van de begroting van justitie kwam het rond collaboratie, repressie en amnestie tot felle woordenwisselingen.

De verklaring voor deze stormachtige ontwikkeling ligt grotendeels in de electorale opmars van de VU. Zij vormde nu in beide Kamers een grote fractie en dwong de CVP om in het amnestiedossier meestal front met haar te vormen. Dat wekte dan weer verhoogde weerstand aan de zijde van de tegenstanders.

De propagandisten van amnestie konden ook op massale steun rekenen van de kant van de V.B. Er kwam een stroom van publicaties: de boeken van historicus Karel van Isacker over de zaak-Irma Laplasse, de juridische analyse van J. Lenaerts in het Rechtskundig Weekblad, de artikelenreeks van Arthur de Bruyne over De Kwade Jaren en de getuigenisliteratuur van onder anderen Theo Brouns, A. Brouwers, Nemrod, Lambert Swerts, Cotvooghel. Het was tevens een tijd van betogingen, marsen en voettochten. Er waren nu ook felopgemerkte boodschappen van kerkelijke gezagsdragers, waarin om verzachting van het repressieleed werd gevraagd: de oproep van de Brugse bisschop Emiel de Smedt in 1973, van de bisschoppenconferentie in 1974 en van de Antwerpse bisschop Daem in hetzelfde jaar. Er kwamen ook herhaaldelijke pleidooien voor verzoening vanwege de bisschoppenconferentie. In dezelfde lijn lagen de oproepen van het Interpastoraal Beraad (1976) en van Pax Christi (1978).

De tegenstand kwam vooral tot uiting in het parlement en in de Franstalige media. De Waalse socialisten en liberalen verhardden hun standpunt. Ook de PSC stemde geregeld tegen de inoverwegingneming van amnestievoorstellen. Aan Vlaamse zijde sloten de meeste socialisten en liberalen zich aan bij de neen-stemmers. De verzetsbewegingen daarentegen slaagden er niet langer in om op grote schaal te mobiliseren.

1976-1989: tijd voor een doorbraak?

Zoals het vaker in de geschiedenis van de Belgische politiek is gebeurd (de Koningskwestie, de schoolstrijd), kwam ook in het amnestiedossier een opening kort na een periode van hevige tegenstellingen.

In het programma van de regering (van christen-democraten, socialisten, VU en Front démocratique des Francophones) dat premier Leo Tindemans op 7 juni 1997 in het parlement voorlas, kwam een passus voor die in de jaren daarop nog herhaaldelijk zal terugkeren: "De regering zal maatregelen bestuderen die, met het oog op de pacificatie tussen de gemeenschappen, kunnen bijdragen tot de verzoening tussen alle burgers." Aan de minister van wetenschapsbeleid, de VU'er Rik Vandekerckhove, werd de opdracht gegeven een inventaris aan te leggen van wat er nog aan gevolgen van de repressie restte. Deze studie leidde in de zomer van 1978 tot gesprekken tussen Vlamingen en Franstaligen in de regering. Met de crisis rond het Egmontpact en het daaropvolgend ontslag van premier Leo Tindemans viel deze ontwikkeling evenwel stil.

Een tweede ouverture voltrok zich in de Vlaamse Raad. Op 18 februari 1981 besliste het Bureau van de Raad om een werkgroep op te richten die, naast enkele andere opdrachten, een onderzoek zou instellen naar "sommige sociale en menselijke gevolgen van de repressiewetgeving". Het verslag van de werkgroep-André Bourgeois was in oktober 1984 voltooid. Dit rapport vulde tot op grote hoogte een lacune die veel te lang alle discussies over maatregelen had bemoeilijkt: het ontbreken van een precieze, betrouwbare en actuele inventaris van de gevolgen van de repressie. Zeker zo belangrijk was dat via de werkgroep en zijn verslag in Vlaanderen een rustiger dialoog tussen alle partijen (met uitzondering van het Vlaams Blok) mogelijk is geworden.

De derde episode viel in de tweede helft van de jaren 1980. Het scenario vertoonde grote gelijkenis met wat in 1977-1978 gebeurde. In de verklaring waarmee de regering-Wilfried Martens VIII zich in mei 1988 aan het parlement voorstelde, kwam opnieuw de passus voor over maatregelen die tot verzoening moesten leiden. Net als toen maakte de VU nu deel uit van de coalitie. Er werd een interministeriële werkgroep gevormd die concrete initiatieven moest uitwerken. Weer zou deze opening echter zonder gevolgen blijven.

Aan de bijna-doorbraken op regeringsvlak en de evolutie op het niveau van de Vlaamse Raad beantwoordde een gewijzigd klimaat in het parlement en in de V.B. Tussen 1966 en 1975 was er geen jaar voorbijgegaan zonder dat er meerdere amnestievoorstellen in Kamer en Senaat werden neergelegd. Dat veranderde nu: de stroom van voorstellen droogde niet op, maar het debiet daalde aanzienlijk. Wellicht is er van de kant van de VU en de CVP een zekere terughoudendheid aan de dag gelegd om de toenadering tussen de kampen niet in gevaar te brengen. Ook in de V.B. verminderde het ritme van de amnestieacties. Er zijn weliswaar nog de jaarlijkse fakkeltochten, de oproepen tijdens de IJzerbedevaart en het Vlaams Nationaal Zangfeest of bij het naderen van Kerstmis, maar massale mobilisatie bleef achterwege.

Driemaal is een grote stap gezet in de richting van een ontgrendeling van het amnestiedossier. Hoewel slechts eenmaal succes is geboekt – in de werkgroep-Bourgeois – loont het toch de moeite om op zoek te gaan naar een verklaring voor deze ouvertures. Zij ligt deels op het vlak van de Realpolitik. In 1977 hadden de CVP en de Parti Socialiste Belge de VU nodig voor de goedkeuring van het Egmontpact. Dan verscheen het zinnetje over maatregelen en verzoening in de regeringsverklaring. Eens het pact gekelderd was, verdween aan Waals-socialistische zijde de bereidheid om te praten over initiatieven. Begin 1988 moest de VU opnieuw verleid worden. Het is duidelijk: het amnestiethema werd niet zozeer om zijn intrinsieke inhoud op de regeringsagenda geplaatst, maar omdat het instrument kon zijn in de besluitvorming rond andere, als veel belangrijker ervaren dossiers. Toch is deze verklaring niet voldoende. Tussen 1976 en 1989 is het amnestiedebat wel degelijk van toonzetting veranderd. Bij voor- en tegenstanders van collectieve maatregelen is het besef gegroeid dat vergeven niet noodzakelijk vergeten of goedpraten impliceert. Toen dit onderscheid in de geesten doorgedrongen was viel, zeker bij de Vlaamse socialisten en liberalen, veel van de blokkering weg. Ook in de argumentatie van de meeste pleitbezorgers van maatregelen zijn er inhoudelijke verschuivingen waar te nemen. Er wordt nu gemakkelijker erkend dat de collaboratie fout was. Ook wordt er nog zelden amnestie gevraagd voor alle veroordeelden: voor beulen, verklikkers en mensenjagers is geen pardon mogelijk, zo luidt het nu. Deze ontwikkeling heeft ongetwijfeld een rol gespeeld in het openen van een, zij het meestal onvoltooide, dialoog.

1990-1996: opnieuw verharding

Op 21 juli 1990 verscheen de vraag naar "maatregelen die kunnen bijdragen tot de verzoening tussen alle burgers" voor het eerst in een koninklijke boodschap. Zij werd op 1 februari 1994 herhaald in een toespraak van koning Albert II. In de beide regeringen-Jean-Luc Dehaene is deze oproep in het regeerprogramma opgenomen. Iedere keer hebben deze woorden gezorgd voor de heropleving van een debat dat al een halve eeuw aansleept. De hernieuwde nervositeit was waar te nemen in het parlement. Op enkele jaren tijd werd een twintigtal amnestievoorstellen ingediend, nu hoofdzakelijk door het Vlaams Blok (VB). Herhaaldelijk is de premier geïnterpelleerd. Ook in de media laaiden de emoties weer op, niet het minst naar aanleiding van de herziening van het proces-Irma Laplasse.

Ook ontwikkelt zich geleidelijk in alle Vlaamse partijen, met uitzondering van het VB, een consensus rond een regeling die een algemene uitwissing van veroordelingen zou inhouden. De aantrekkelijkheid van deze maatregel ligt in het feit dat hij automatisch is, geen rechterlijke beslissing vereist, zelfs postuum kan plaatsvinden en, wat voor de tegenstanders van zuivere amnestie belangrijk is, wel de boete maar niet de schuld uitveegt. Uitwissing van veroordelingen doet vergeven, niet noodzakelijk vergeten.

Deze ontwikkeling heeft in Vlaanderen geleid tot een verzakelijking van het debat over de naweeën van de repressie. Zij is evenwel niet gevolgd door een gelijkaardige evolutie in Franstalig België. Daar blijven de reacties gekleurd door felle emoties en door de denkbeelden van gisteren. Deels is dat te wijten aan de spraakverwarring. Maatregelen die hierboven zijn opgesomd worden nog steeds met de term amnestie aangeduid en dat wekt aan Franstalige kant wantrouwen. Toch gaat het om meer dan een misverstand. Uit de standpunten van de meeste politici en journalisten valt af te leiden dat een meerderheid van Franstaligen ook gekant blijft tegen regelingen die geen amnestie inhouden, tenminste als de maatregelen van collectieve aard zijn. Daarmee ligt de kern van het debat bloot: in het zuiden van het land is men slechts bereid individuele regelingen te treffen om de nog resterende gevolgen van de repressie op te heffen, in Vlaanderen is een meerderheid te vinden voor algemene maatregelen.

Besluit

Het politieke leven in België loopt over twee sporen. Het vaakst is dat het traject van de consensuspolitiek. Af en toe komt men in een politiek van confrontatie terecht waarbij de tegenstellingen aan scherpte winnen. Maar na verloop van tijd neemt de zoektocht naar pacificatie opnieuw de bovenhand. Dat was zo in de Koningskwestie en in de schoolstrijd. In die zin is het amnestiedossier een afwijkend agendapunt. Hier is, zeker op het nationaal vlak, confrontatie de regel, consensus de uitzondering. De gevolgen zijn bekend. Sinds juni 1961 (de wet-Vermeylen) zijn er geen maatregelen van algemene strekking meer gekomen. Wel waren er nog, vooral via het politiek dienstbetoon, regelingen van individuele dossiers.

Met de gang der jaren verdwijnen de materiële problemen geleidelijk. Maar de herinnering aan het leed dat collaboratie en repressie hebben veroorzaakt, sterft veel langzamer uit.

Amnestie en uitdovende maatregelen: de argumenten van de V.B.

Sinds het einde van de jaren 1950 is er, zoals hierboven wordt aangegeven, in het kader van de V.B. geijverd voor amnestie of voor regelingen die de gevolgen van de repressie kunnen verzachten. De argumenten die daarbij zijn ontwikkeld, kan men in een vijftal categorieën onderbrengen. Er is, ten eerste, herhaaldelijk beweerd dat het derhalve maar redelijk is om de effecten van de repressie weg te werken. Heel vroeg al is er, ten tweede, op gewezen dat amnestiërende maatregelen binnen de Belgische samenleving tot verzoening tussen de tegenstanders uit de bezettingstijd kunnen leiden. Een derde argument houdt een beroep op vergevingsgezindheid in. Vaak wordt dit pleidooi ondersteund door verwijzingen naar andere landen, waaronder de Sovjet-Unie, waar al geruime tijd geleden de oorlogsbladzijde is omgedraaid. Er is, ten vierde, de stelling dat de repressie sociale gevolgen heeft gehad die blijvend wegen op de ex-collaborateurs, hun gezindsleden en zelfs, in sommige gevallen, op hun nabestaanden. Ten slotte is dikwijls gezegd en geschreven dat in de repressie aan Vlaanderen groot onrecht is gedaan. Slechts amnestie kan deze grove onrechtvaardigheid ongedaan maken. Vooral in dit laatste betoog krijgt het amnestiedossier een symbolische dimensie. "Het is geen dossier van pensioenen of van sekwesters," zei VB-député Gerolf Annemans op 11 oktober 1990 in de Kamer. "Het is geaxeerd op het rechtvaardigheidsprincipe en op een fundamentele onvrede met (...) een rechtspraak die (...) altijd een anti-Vlaamse nationale operatie is geweest."

Er zijn bij deze opsomming twee bedenkingen te maken. Slechts het laatste argument is eigen aan Vlaanderen. De andere elementen van het pleidooi zouden in beginsel ook in het zuiden van het land kunnen worden gebruikt. Toch is dit niet gebeurd. Verder valt te vermelden dat er een evolutie is geweest in de mobilisatie van de vijf argumenten. Dat de repressie een onwettelijk karakter had is vooral in de jaren 1950 en 1960 als argument naar voren geschoven. Nadien verdwijnt het uit de pleitredes. Verzoening als grondslag voor maatregelen is als argument pas laat echt doorgebroken. Het verscheen vanaf 1977 in enkele regeringsverklaringen en kreeg een groot gewicht toen eerst koning Boudewijn (in 1990) en later koning Albert II (in 1994) het in een toespraak opnamen. Het beroep op vergevingsgezindheid is jarenlang in de maand december te horen geweest, in een uitdrukkelijke verwijzing naar Kerstmis. Ook bij opmerkelijke verjaardagen (40 jaar koningschap van Boudewijn, 150 jaar België enzovoort) dook dit argument op.

Auteurs die wat dieper ingaan op de problematiek van schuld en boete zeggen dat in het amnestiedossier niet het belang van het individu primeert, maar wel het belang van de gemeenschap. Als een stuk verleden de geestelijke gezondheid van een bevolking bedreigt, dan is het – zo luidt de stelling – aangeraden onder dat verleden definitief een streep te trekken. Dat kan echter alleen met succes gebeuren als alle betrokkenen bereid zijn voortaan op een beheerste wijze met de betwiste feiten om te gaan. Die voorwaarde is vooralsnog in België niet vervuld.

Amnestie in de buurlanden

Ook Frankrijk en Nederland kozen na de bevrijding aanvankelijk voor de totale uitstoting van wie met de Duitse bezetter had gecollaboreerd. Vlugger echter dan in België kwamen er juridische en sociale maatregelen, die de reïntegratie van de oud-collaborateurs dienden te vergemakkelijken. Een tweede verschil is dat in beide landen hoofdzakelijk voor collectieve ingrepen is gekozen, terwijl de overheid in België de voorrang heeft gegeven aan individuele dossierbehandeling.

Het Franse parlement stemde tussen augustus 1947 en augustus 1953 drie amnestiewetten. De reikwijdte van de eerste maatregel bleef beperkt. Minderjarigen wie geen zware collaboratie kon aangewreven worden kregen volledige amnestie. Dat gold ook voor ambtenaren die de lichtste tuchtsanctie hadden opgelopen. De tweede amnestiewet kwam vier jaar later. (Ondertussen maakten de Franse presidenten geregeld gebruik van hun recht om gratie te verlenen. Zo werd in 1948 aan meer dan eenderde van de veroordeelden teruggave van politieke rechten verleend.) De wet van 1951 had verstrekkende gevolgen: ex-collaborateurs konden voortaan onder bepaalde voorwaarden genieten van een amnestiewet uit 1938, bedoeld voor misdadigers van gemeen recht, waardoor ze in aanmerking kwamen voor vervroegde of voorwaardelijke vrijlating en voor herstel in rechten. Wel werd nog steeds een aantal collaborateurs, waaronder verklikkers, uitgesloten. Een derde amnestiewet, in 1953, verwijderde de laatste gevolgen van de repressie en de epuratie. Het verlies van politieke rechten werd voor iedereen afgeschaft en de voorwaarden om in aanmerking te komen voor vervroegde vrijlating werden aanzienlijk versoepeld. In de bevolking rees protest. Daarom voegde het parlement aan de wet een artikel toe waarin stond dat de amnestie ni une réhabilitation, ni une revanche, ni une critique contre la justice de la Liberté was.

In Nederland kwam er geen amnestiewetgeving in strikte zin. Wel was er een verregaand gratiebeleid. Tussen juli 1947 en juli 1951 werd etappegewijs aan de meeste collaborateurs genade verleend. De eerste golf was bedoeld om de lat wat gelijker te leggen en de te harde vonnissen uit de beginperiode te milderen. In augustus 1948 leidde de viering van het vijftigjarige ambtsjubileum van koningin Wilhelmina opnieuw tot gratie en strafvermindering voor sommigen. Iets later kregen de jongste en oudste wapendragers collectief genade. In 1951 was er gratie voor alle politieke delinquenten waarvan de gevangenisstraf maximum 15 jaar bedroeg. Ook het herstel in rechten kwam in Nederland vlugger dan in België. Zeker zo belangrijk als het gratiebeleid waren de maatregelen die de Nederlandse overheid uitwerkte om de collaborateurs actief voor te bereiden op het leven na de straf. In oktober 1945 werd de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten opgericht. Deze niet-gouvernementele instantie had als taak de terugkeer van politieke delinquenten in de maatschappij te bevorderen. Meer dan 300 stafmedewerkers en zowat 20.000 vrijwilligers, aangeworven met behulp van de kerken en sociale organisaties, stonden de politieke delinquenten na hun vrijlating bij. Er was hulp bij gezinshereniging en bij het zoeken naar huisvesting, opvang in doorgangstehuizen, financiële steun, inschakeling in het arbeidsproces, bijstand bij het terugkrijgen van in beslag genomen goederen. Daarnaast zorgde de Stichting ervoor dat de juridische maatregelen (voorwaardelijke vrijlating, eerherstel enzovoort) optimaal benut werden. Bovendien bewerkte zij de media, de politici en de publieke opinie om de gedachte ingang te doen vinden dat collaborateurs 'gewone delinquenten' waren, op wie de klassieke reclassering van toepassing was.

In Frankrijk en Nederland heeft de overheid op actieve wijze gestreefd naar het uitwissen van de gevolgen van de repressie. In België gebeurde dat niet. Toch is de verwerking van het oorlogsverleden in deze buurlanden even problematisch als bij ons. In Frankrijk spreken historici van een ongeneeslijke neurose. Amnestie is, zo luidt het, un oubli juridique, een juridische ingreep die geen verankering heeft gevonden in de maatschappelijke orde. Ook in Nederland duikt de vraag over schuld en boete keer op keer op. Collaboratie en repressie hebben, hier en elders, een trauma veroorzaakt waarvan de gemeenschap slechts zeer langzaam geneest.

Literatuur

M. Basse, De Vlaamsche Beweging van 1905 tot 1930, II, 1933; 
'Amnestie. Verslag van de vergadering gehouden te Brussel op 6 december 1951', in Tijdingen van het Algemeen Vlaams Oud-Hoogstudentenverbond, jg. 1, nr. 1 (1952); 
'Liquider la répression', in La Revue Nouvelle (1959), p. 33-49; 
A.W. Willemsen, Het Vlaams-nationalisme. De geschiedenis van de jaren 1914-1940, 19692; 
H. Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, I, 1969; 
'Dossier amnestie en de gevolgen van de repressie', in Kultuurleven, jg. 43, nr. 7 (1976), p. 581-639; 
A. Bourgeois, 'Balans van de repressie en de epuratie', in Kultuurleven (1976), p. 589-598; 
R. Derine, Repressie zonder maat of einde?, 1978; 
L. Huyse en K. Hoflack, 'Het leven na de straf. De reïntegratie van collaborateurs uit de Tweede Wereldoorlog in België, Nederland en Frankrijk', in Panopticon (1992), p. 429-440; 
E. Conan en H. Rousso, Vichy, un passé qui ne passe pas, 1994; 
P. Romijn, Snel, streng en rechtvaardig. Politiek beleid inzake de bestraffing en reclassering van 'foute' Nederlanders, 1945-1955, 1989; 
L. Wils, Honderd jaar Vlaamse Beweging, II-III, 1985-1989; 
L. Huyse, S. Dhondt (e.a.), Onverwerkt verleden. Collaboratie en repressie in België. 1942-1952, 1991; 
L. Huyse en K. Hoflack, Onverwerkt verleden. Een naschrift, 1994; 
E. Conan en H. Rousso, Vichy, un passé qui ne passe pas, 1994; 
B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994; 
G. Deneckere, 'Oudstrijders op de vuist in Brussel. Het amnestieconflict tijdens het interbellum', in BTNG, nr. 3-4 (1995), p. 273-327; 
L. Vandeweyer, 'Amnestie voor oorlogsfeiten. Een probleem van "verzoening" voor de kerk in België?', in R. Burggraeve en J. de Tavernier (red.), Terugkeer van de wraak? Een tijd verscheurd tussen revanche, vergelding en verzoening, 1996, pp. 186-214. 

Auteur(s)

Luc Huyse