Amnestie - na Wereldoorlog I

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

De bestraffing van de collaboratie met de Duitse bezetter in de Eerste Wereldoorlog (activisme) lokte vrij spoedig een reactie uit die de geschiedenis zou ingaan als de amnestiebeweging van het interbellum. Ze was nauw verweven met de anti-Belgische agitatie die door het Vlaams-nationalisme werd ontplooid, al werd ze gedragen door een breed Vlaamsgezind front.

De Eerste Wereldoorlog

Toen in de loop van oktober 1918 bleek dat de Duitsers zich uit België zouden terugtrekken, sloeg de schrik de activisten om het hart. Toch hoopten ze nog altijd dat de geallieerde overwinning niet totaal zou zijn, zodat de Duitsers eisen zouden kunnen stellen. Bovendien geloofden zij dat de 'passieve' flaminganten (passivisme) rond Frans van Cauwelaert en de soldaten van de Frontbeweging nu snel massaal zouden optreden, wat de manoeuvreerruimte van de Belgische regering zou beperken.

In de Raad van Vlaanderen werd daarom de verwachting uitgesproken dat de Belgische regering snel amnestie zou verlenen. De Duitsers drukten de activistische top overigens op het hart dat amnestie een van de eisen zou zijn die door hen aan de onderhandelingstafel zou worden verdedigd. Berlijn wilde bovendien slechts een beperkt aantal van de meest bekende activisten behulpzaam zijn bij het tijdelijk uitwijken naar Nederland en Duitsland. Velen van hun medewerkers uit de bezettingstijd zouden noodgedwongen moeten achterblijven en de bestraffing trotseren.

Josué de Decker, die aangeduid werd om de naoorlogse agitatie van het activisme vanuit Nederland te leiden, zei in de Raad op 24 oktober 1918, dat hij verwachtte dat alle activisten die de Belgische justitie kon te pakken krijgen zouden worden geïnterneerd. Maar hij stelde de toehoorders gerust: Duitsland zou amnestie eisen zodat de gevangenzetting van korte duur zou blijken. De beste mogelijkheid was uiteraard tijdelijk uit te wijken en pas terug te keren na afkondiging van de te verwachten amnestie. Enkele honderden activisten zouden dat inderdaad doen. Anderen stelden zich bloot aan de publieke afkeuring en de wraakgevoelens, de Belgische rechtbanken en de gevangenis.

De bestraffingsgolf genereert de eerste eisen

De waarschuwing van Josué de Decker, dat de naoorlogse reactie hevig zou zijn, klopte. Anderzijds greep de bestraffing plaats in een atmosfeer die vele Vlaamsgezinden na enige tijd tegen de borst stuitte. Maurits Basse haalde het feit aan dat men "op een tram geen zuiver Nederlandsch kon spreken, zonder van activisme beticht te worden". Vlaamsgezindheid werd verdacht gemaakt en ook mensen die aangaande de bezettingstijd niets te verwijten was, kregen te maken met brutaliteiten vanwege Belgische patriotten. Wie daardoor geërgerd werd, stelde zich al gauw vragen omtrent de ernst en de eerlijkheid van de bestraffingsgolf en zo mogelijk nog meer omtrent de epuratiegolf, die immers veel grotere aantallen mensen trof, waarbij de rechten van de verdediging haast onbestaande waren.

De individuele activisten die de grootste afkeuring hadden opgewekt waren meestal over de grenzen gevlucht. Maar het gerecht pakte ook activisten aan die zich niet erg radicaal hadden getoond, die bijvoorbeeld een afstand hadden bewaard van de Raad van Vlaanderen en eerder voor hervormingen in de richting van federalisme hadden gepleit. Sommigen van deze mensen zoals Lodewijk Dosfel hadden een stevige vooroorlogse staat van dienst. Bij sommigen kon hun bestraffing voorgesteld worden als een politieke afrekening zoals gebeurde bij de parlementsleden Adelfons Henderickx en Leo Augusteyns.

De reacties in de diverse partijen verschilden sterk. De liberale partij stond vrijwel integraal op de belgicistische lijn en alleen in de kring rond Het Laatste Nieuws bleef nog een schijntje Vlaamsgezindheid over. Anders lag het bij katholieken en socialisten. In die partijen traden er vooraanstaande politici naar voren die suggereerden dat de bestraffing onoordeelkundig en overdreven was. Ook stelden zij dat ervan werd geprofiteerd door anti-Vlaamse kringen om ook de patriottische vleugel van de V.B. aan te vallen en te fnuiken. Het was een feit dat een mildering van de bestraffing van het activisme de Vlaamsgezinde vleugels van deze beide partijen een aantal waardevolle militanten zou (terug)schenken.

De overtuiging groeide dat de bestraffingsgolf een anti-Vlaams karakter droeg en dat het activisme van menig Vlaming kon worden verklaard, zo niet verontschuldigd, door de tekortkomingen van de Belgische staat zelf, de staat die nu de aanklachten formuleerde. Enkele van de activistenprocessen wierpen immers een schril licht op de wantoestanden waartegen de Vlaamsgezinden hadden gereageerd. Verscheidenen van hun advocaten zoals Edmond van Dieren, Hendrik Borginon, Emiel Schiltz, Hector Lebon, Jan Grauls, Frans van Cauwelaert enzovoort, waren zelf sterk Vlaamsgezind en ze gebruikten dergelijke wantoestanden in de verdediging van hun cliënten.

Daarnaast vergrootten verscheidene persoonlijke drama's de emotionele inhoud van het debat. Enkele activisten stierven in de gevangenis of kort na hun vrijlating. Sommigen overleden wegens ziekte zoals Marten Rudelsheim maar anderen zoals Jan Hainaut pleegden zelfmoord, waardoor zijn kinderen als wezen achterbleven. De Belgische staat en de regering leden ondertussen imagoverlies omdat meer en meer Vlamingen overtuigd raakten van de ernst van de anti-Vlaamse toestanden aan het IJzerfront. Zo groeide er een geleidelijke openheid en werd men de door de bestraffing getroffen activisten zelfs gunstig gezind. De soldaten van de Frontbeweging waren al tijdens de oorlog niet afkerig van een samenwerking met de activisten. Na het verdrijven van de bezetter woog hun invloed door in het afzwakken van de sterk afwijzende houding tegenover het activisme bij de mensen die de bezetting persoonlijk hadden meegemaakt. Zij zouden al in de loop van 1919 in de Antwerpse straten roepen om de vrijlating van Henderickx. Ook bij katholieke en socialistische Vlaamsgezinden, die het activisme tijdens de bezetting hadden afgekeurd en zelfs bestreden, zag men een kentering. Enkel binnen de liberale partij was dit nauwelijks het geval. Deze partij zou zich het hardnekkigst tegen amnestie blijven verzetten.

Al in de Volksgazet (1914-1978) van 4-5 januari 1919 kantte Camille Huysmans – die in zijn kennissenkring van voor de oorlog verscheidene mensen telde die activist waren geworden – zich tegen "de uitbuiting der activistische dwaling" waarmee men de V.B. wilde treffen. Later zou Huysmans verscheidene jonge activisten bij deze krant in dienst laten treden. De partij had de jonge intellectuelen broodnodig. Op een in april 1919 gehouden congres van de socialistische partij stelde de latere communistische leider Jacquemotte – die nadien nog vaker voor amnestie zou optreden – een amnestiemotie voor, die goedgekeurd werd, nadat een amendement van Jules Destrée de 'verraders' uitsloot.

Grote weerklank kreeg de Interpellatie van de drie Van's, de katholieke Kamerleden Alfons van de Perre, Aloïs van de Vyvere en Van Cauwelaert. Ze zouden het hebben over de behandeling van de Vlamingen in het leger aan het front, maar de teneur van hun uiteenzetting zou onvermijdelijk afstralen op de activisten. Aanleiding tot die interpellatie was het verbod van de Militaire Veiligheid om bepaalde Vlaamse boeken via de post te verzenden: werk van auteurs als Albrecht Rodenbach, Guido Gezelle, Emiel Hullebroeck, Stijn Streuvels, Paul Fredericq, August Vermeylen enzovoort. Dit verbod illustreerde de mentaliteit waarmee sommige belgicisten, onder het mom van anti-activisme, de Vlamingen aanvielen. Ook in de katholieke zuil zou men jonge activisten als Eduard Amter en Jan Boon opnemen en een baan bezorgen.

Daarnaast vormde een nuchtere analyse van het oorlogsgebeuren een bron tot relativering. Deze analyse gebeurde bijvoorbeeld in de reeks Open Brieven aan de Koning die in april 1919 verscheen en geschreven was onder een schuilnaam: Demophile. Hierin werd een vergelijking gemaakt tussen de verguisde activisten en de bewonderde Polen en Tsjechen die dankzij de oorlog, via een eigen activisme en zelfs door 'het omkeren van de kanonnen', hun eigen staat hadden verworven. Maar die naties stonden aan de kant van de overwinnaars en dat konden de activisten niet zeggen. Het zou hen grote moeite kosten om van het odium van Duitsgezindheid af te geraken.

Midden 1920 werden nochtans reeds op vele plaatsen amnestiemoties goedgekeurd, niet het minst door afdelingen van het Davidsfonds. In februari 1920 vroeg de socialistische Volksgazet amnestie voor de gestrafte soldaten, voor de meerderheid van de gevangen activisten en voor honderden gestraften uit de overheidsdienst. Op 10 juli 1920 verklaarde Huysmans op een Guldensporenviering in Gent, waar evenwel zijn Gentse partijgenoten ontbraken, dat de tijd voor amnestie was aangebroken. In oktober 1920 besprak de Katholieke Vlaamsche Kamergroep het probleem voor het eerst. Toen priester Eugeen van de Perre, broer van Kamerlid Alfons, een campagne ondernam om de op 19 december 1920 om gezondheidsredenen vrijgelaten Dosfel gratie te verlenen, bracht hij 36.000 handtekeningen bij elkaar. Het was een aanduiding voor de verschuiving die er in de V.B. optrad. Men verwierp wel het activisme, maar niet (meer) de activisten die de moed hadden gehad niet te vluchten en zich voor de rechtbank te verantwoorden.

Op 18 januari 1921 hielden Huysmans en Edmond Doms, socialistisch Kamerlid voor Leuven, in dit verband een opzienbarende interpellatie in de Kamer. De eerste meeting voor amnestie had twee dagen voordien, op 16 januari, plaatsgegrepen. Huysmans betwijfelde in zijn interpellatie de juridische gegrondheid van de naoorlogse bestraffing en vroeg amnestie voor wie te goeder trouw was geweest. Hun argumenten vonden ook gehoor op de katholieke banken. Van Cauwelaert betwijfelde in dit debat of de naoorlogse bestraffingsgolf de nationale eendracht had gediend en vroeg, in afwachting van amnestie, voorwaardelijke invrijheidstellingen op ruime schaal en een einde van de vervolgingen. Minister Emile Vandervelde antwoordde dat hij wel genademaatregelen en voorwaardelijke en voorlopige invrijheidstellingen wenste, maar tegenover amnestie, wat immers veel verder ging en vooral de reden voor bestraffing zou uitwissen, riep hij: Vingt mille fois non!.

Op 20 april 1921 verleende de Kamer amnestie aan oud-strijders die voor zuiver militaire misdrijven tot 20 jaar gevangenisstraf hadden gekregen. Het was een aanduiding voor de onmiskenbare sfeerverandering aangaande de bestraffing omwille van oorlogsfeiten. Die mildering kwam ook tot uiting in de vele voortijdige vrijlatingen.

Dat was ook in de rechtbanken merkbaar. Toen de Brusselse activist Maurits Josson – die eerder bij verstek tot 15 jaar dwangarbeid was veroordeeld – zich in de herfst van 1920 ter beschikking van het gerecht stelde, kreeg hij geen zware straf. Ook dat proces zou gebruikt worden om de Belgische staat aan te klagen. De Leuvense hoogleraar Lodewijk Scharpé verklaarde bij dit proces dat wanhoop en niet baatzucht de drijfveer was voor de activisten. Hij kende onder hen enkel maar mensen die tijdens de bezetting een toestand wilden voorbereiden "opdat na de oorlog meer recht zou zijn voor de Vlamingen". Ook de liberale journalist en letterkundige Abraham Hans voer scherp uit en verklaarde dat het volk ondertussen walgde van de processen. Zowel hij als advocaat Van Dieren zegde dat het volk ervan overtuigd was dat men de woekeraars ondertussen liet lopen terwijl men van de Vlaamse activisten zondebokken maakte. Deze opmerkingen werden aangevuld door een indrukwekkende rij aanklachten tegen de Belgische staat. Het was het eerste activistenvonnis dat werd herzien.

Er was echter geen politieke meerderheid te vinden om ook gratiemaatregelen te treffen voor de activisten die zich aan het gerecht hadden onttrokken door naar het buitenland te vluchten. Wel werden er velen vrijgelaten of toch niet verder meer vervolgd door het gerecht. Veel activisten veroverden ondertussen opnieuw een plaats in het normale leven.

Nochtans verklaarde minister Van de Vyvere op een ministerraad dat hij zich zorgen maakte om de groeiende amnestiebeweging. Als die ooit haar eisen zou kunnen waarmaken – en dat was niet denkbeeldig: Celle-ci permettrait aux condamnés de rentrer dans l'arène politique. Elle constituerait un réel danger. De roep om amnestie was inderdaad niet langer meer een middel om gestraften toe te laten terug te keren naar het normale leven maar het was een wapen geworden tegen de Belgische staat en het politieke bestel.

Een wapen in de strijd tegen België

De beweging voor amnestie kon inderdaad niet los worden gezien van het doorleven van de anti-Belgische beweging. Het begon met de toenadering tussen de militanten van de Frontbeweging en achtergebleven activistische kernen (activisme). Al heel vlug kwamen deze beide groepen, in overeenstemming met de geest van waaruit in het voorjaar van 1918 de zogenaamde Sublieme Deserteurs naar het bezette land werden gestuurd, tot gemeenschappelijke actie en werden er activisten opgenomen in de Opperste Raad die de partij (Frontpartij) moest leiden. Dat gebeurde echter binnenskamers omdat de publieke opinie zoiets niet zou genomen hebben. De partij bleek echter nog zwak en het anti-activisme was zelfs bij vele oud-strijders-partijmilitanten nog sterk. Daardoor kende die Opperste Raad slechts een kort bestaan. Vanuit Nederland werd door emigranten en hun vrienden het anti-belgicisme aangevuurd. Daarbij speelde het weekblad Vlaanderen (1922-1933) een belangrijke rol. Doordat Vlaamse verwezenlijkingen tijdens de jaren 1920 vrijwel geheel uitbleven en de naoorlogse koninklijke belofte van 'gelijkheid in rechte en in feite' daardoor werd aangevoeld als een grote leugen, kon deze beweging aanhang verwerven.

Hierbij werd doelbewust gemikt op de katholieke Vlaamse studentenbeweging. Veel teruggekeerde soldaten zouden opnieuw gaan studeren en ook een aantal gewezen activistische jongeren zou op dezelfde schoolbanken terechtkomen. Zij zouden een bepalende invloed gaan uitoefenen. Zo bracht Filip de Pillecyn, een leidende figuur aan het IJzerfront, reeds in december 1918 een verbinding tot stand tussen het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond (AKVS) en studenten die onder de oorlog in de marge van het activisme hadden verkeerd. Toen in de lente van 1919 een Algemeen Vlaamsch Hoogstudentenverbond (AVHV) werd opgericht, aanvaardde dit ook studenten die tijdens de oorlog in Gent hadden gestudeerd. Het tijdschrift De Vlaamsche Vlagge, dat met Pasen 1919 opnieuw verscheen, toonde eveneens veel begrip voor de activisten. In het kerstnummer 1919 van De Student pleitte De Pillecyn voor amnestie en kort daarna vroeg het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV) in Leuven de tussenkomst van de paus om de oud-studenten van Gent te Leuven toe te laten.

De verkiezingsuitslagen van 1919 stuurden vier Fronters naar de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Zij toonden zich daar al snel voorstander van amnestie al werden vooral de maatregelen voor de militairen die tijdens de oorlog waren gestraft benadrukt.

Dat hun actie gepaard ging met activistische propaganda vanuit Nederland wekte in patriottische kringen veel ergernis. Op 17 februari 1920 zou in de Kamer geïnterpelleerd worden over de "activistische en orangistische drijverijen" die bleven voortduren. Belgische patriotten zagen in amnestie slechts deze anti-Belgische agitatie. Aan Vlaams-nationalistische zijde werd de volledige en onvoorwaardelijke amnestie voorgesteld als een daad van grootmoedigheid of barmhartigheid.

Het debat werd tot dan toe vooral in de kolommen van dag- en weekbladen gevoerd. Pas op 16 januari 1921 had in de Antwerpse Hippodroom de eerste grote meeting voor amnestie plaats. Zij was georganiseerd door een op het eind van 1920 opgericht 'damescomité', dat onder leiding van Maria van Gastel de actie concreet wilde aanpakken. Het comité bestond verder uit An(na) Martens, Mimi Picard, Irma Lauwers, Anna Mortelmans, Suzanna de Vos, Maria Sterckens, Maria van Reeth, Anna Lauwers en Maria de Keyser. Verscheidenen van hen hadden meegedaan met het activisme – Mortelmans was zelfs een bezoldigde voordrachtgeefster geweest – of waren familiaal verbonden met gestrafte activisten. Meer dan 5000 mensen vulden de zaal, een duizendtal stond buiten. Van Gastel, onder de oorlog Belgische propagandiste in de Verenigde Staten en gehuwd met Berten Pil, een gewezen frontsoldaat en studentenleider die nu onder activistische invloed stond, riep op tot naastenliefde en vroeg amnestie voor soldaten, politieke gevangenen en ballingen.

Op dat ogenblik zagen politieke kringen blijkbaar nog geen echt bezwaar in deze agitatie: zij kon adhesiebetuigingen voorlezen van onder meer Camille Huysmans en zijn collega's Willem Eekelers en Désiré Bouchery, van de Frontparlementsleden en van gravin Jos de Brouckhoven de Bergeyck. Sprekers waren Abraham Hans en Herman van Puymbrouck en de advocaat Edmond van Dieren. Een collecte bracht 6000 frank op. In een motie aan de minister van justitie werd gevraagd dat er onverwijld een wetsontwerp voor algemene amnestie zou worden ingediend. Na de meeting trok men in optocht naar de Antwerpse gevangenis waar bloemen werden neergelegd. Drie dagen daarna ging het damescomité ter gelegenheid van de interpellatie naar de minister van justitie, de socialistische leider Emile Vandervelde. Terwijl het comité werd ontvangen drongen meer dan honderd vrouwen het parlement binnen terwijl zij schreeuwden: "Amnestie!". Later zou het comité de actie proberen te internationaliseren. Het schreef een open brief aan de toen bekende Italiaanse strafrechtdeskundige Enrico Ferri en verscheidene brieven aan de Deense auteur Georg Brandes. Dat moest de regering doen vrezen voor het internationaal imago van het land en op die manier wilde men druk uitoefenen. De actie zou doodbloeden omdat er veel te weinig steun kon gemobiliseerd worden. Het grote publiek begreep dat deze amnestie erg ver ging in het goedpraten van de activisten. Slechts een beperkt aantal mensen was bereid om voor dit strijdpunt te gaan manifesteren.

Maar de amnestie werd niet vergeten. In juni 1924 werd de van economische collaboratie beschuldigde baron Evence Coppée in Brussel vrijgesproken, wat in Vlaanderen heftige kritiek opriep en een wetsvoorstel voor algemene amnestie uitlokte. Dit voorstel, ingediend door Huysmans en Hubin, werd spoedig in de parlementaire procedures verstikt. De Antwerpse socialisten organiseerden op 24 juli 1924 nog een amnestiemeeting.

Op 8 april 1925 hadden verkiezingen plaats waarbij de Vlaams-nationalisten verhoudingsgewijs slechte resultaten haalden. Er kwam geen doorbraak. Hoewel de uitslagen voor de Vlaamsgezinden niet gunstig waren, groeide de amnestiebeweging. De regeringsverklaring beloofde de amnestiemaatregelen voor 'oorlogsfeiten' uit te breiden, maar slaagde er niet in dit waar te maken.

Na nog heel wat discussie werd op 9 december 1926 een wetsvoorstel ingediend door Frans van Cauwelaert, Philip van Isacker, Eugène Soudan, Jules Boedt en M. Somerhausen. De nationalisten hadden kritiek op dit voorstel dat overigens het voorwerp werd van vertragingsmanoeuvres. Op 31 mei 1927 kantte de liberale minister van justitie Paul Hymans zich tegen het voorstel-Van Cauwelaert en er volgden debatten en amendementen. Het gevolg was de oprichting van een redactiecomité dat een nieuwe tekst moest opstellen. Op 30 juli 1927 vroeg het congres van de Katholieke Vlaamsche Landsbond amnestie of een regeringscrisis.

Ondertussen was het aantal activisten dat in de gevangenis zat snel gedaald, wat de amnestieactie uiteraard niet erg stimuleerde. De laatste activist die nog gevangen bleef, was August Borms. Hij weigerde de vrijlating onder voorwaarden omdat hij er persoonlijk van overtuigd was dat zijn martelaarsrol op termijn de anti-Belgische beweging op politiek vlak baat zou opleveren.

De Bormscultus

Verscheidene activistenprocessen zoals dat van Lodewijk Dosfel, Wies Moens, Roza de Guchtenaere, pater Desiderius A. Stracke enzovoort werden uitgebuit door de anti-Belgische beweging. Dat gebeurde ook met het proces van August Borms, die tijdens zijn verdediging het radicale activisme verdedigde. Hij wilde daarmee onder meer een zo zwaar mogelijke straf uitlokken, zodat hij zich in een martelaarsrol kon profileren. In dat verband werd in Vlaams-nationalistische kringen een ware Bormscultus opgewekt. In het begin kon die enkel maar de overtuigden sterken, maar dat zou in de loop van de jaren veranderen omdat zijn standvastigheid inzake het weigeren van voorwaardelijke vrijlating bewondering opwekte.

De actie kreeg een nieuwe impuls nadat Antoon Jacob in 1923 werd vrijgelaten. Hij had eveneens de voorwaardelijke invrijheidstelling geweigerd en was een van de zeer weinige activisten die de volle strafmaat uitzat. Hij kon zich moreel optrekken aan de steun die hij van buiten kreeg en aan het scenario dat hij had uitgetekend. Op 25 november 1923 kreeg hij een huldebetoging in Antwerpen. Op zijn verzoek veranderde de manifestatie in een amnestiemeeting en een hulde aan Borms. Daar maakte men voor het eerst het voornemen bekend de gevangen activistenleider naar het parlement te zenden. Jacob werd vanaf dan – in samenspraak met Borms – een der bezielers van de amnestiebeweging. Op verscheidene plaatsen werden huldigingen van Borms georganiseerd, onder meer te Leuven. Daar trok men na een toespraak van Jacob in optocht naar het plein voor de gevangenis waar Borms opgesloten zat. De menigte knielde er en bad en er werden bloemen neergelegd door de dochters van Borms en van de uitgeweken activist René de Clercq.

Achter deze campagne stond de Vlaams-nationalistische partij, Het Vlaamsche Front. In juni 1924 besliste de partijleiding in Antwerpen de kandidatuur van Borms voor te dragen voor de komende parlementsverkiezingen. Jacob stelde het voor als zou de stijgende verbittering om de niet waargemaakte beloften van 'gelijkheid in rechte en in feite' een dergelijke lijst veel winst opleveren. Hij eiste echter voor zichzelf een plaats aan de kop van de plaatsvervangerslijst. Het verwachte succes zou hem naar het parlement sturen in plaats van de onverkiesbare Borms. De partij voelde zich nu erg ongemakkelijk. De meerderheid van de Antwerpse militanten verkoos niet mee te stappen. De Bormskandidatuur werd uitgesteld.

Daarna zou zich een nieuwe golf van amnestieactie ontwikkelen in de loop van 1926. Nu namen de Vlaamsgezinde oud-strijders van het Verbond der Vlaamse Oud-Strijders (VOS) het voortouw. Daardoor werden de partijmilitanten van Het Vlaamsche Front en vele gewezen activisten voorbijgestoken en dat zinde hen niet. Het was daarnaast opmerkelijk dat enkel Vlaams-nationalistische en communistische politici zich nog met de amnestieactie wilden inlaten. De drie traditionele partijen legden de uitnodigingen naast zich neer. Ze wilden zich niet meer voor de kar van de Vlaams-nationalisten laten spannen.

Deze actie zou culmineren in een grote Bormsbetoging naar de gevangenis in Leuven. De burgemeester vreesde ordeverstoring en verbood elke betoging. Daarna blies het organiserende Amnestiecomité de manifestatie af. Het vreesde ernstige rellen omdat de radicale anti-Belgen en de communisten de betoging zouden doen uitgroeien tot een confrontatie met de gewapende en massaal aanwezige ordehandhavers. Die confrontatie moest nieuwe martelaren creëren. Het feit dat deze amnestiecampagne op een dergelijke sisser afliep verbitterde veel radicale militanten.

De regering zat ondertussen danig verveeld met het feit dat Borms het leven in de gevangenis en zijn rol als martelaar verkoos boven vrijlating. Op 8 februari 1928 begon Borms zijn tiende jaar in de gevangenis. Die dag werd in de Kamer een verzoekschrift ingediend namens een sinds mei 1926 in Den Haag werkzaam Internationaal Amnestiecomité dat overal, behalve in Duitsland, handtekeningen verzamelde en dat in Nederland onder meer door Leo Simons en Pieter Geyl werd gesteund. Het verzoekschrift, waarvan Jules Spincemaille de inspirator was, ging vergezeld van een brief ondertekend door bekende Vlamingen van uiteenlopende overtuiging.

Ondertussen ging de actie in het parlement verder. Begin maart 1928 verklaarde het katholieke Kamerlid Jan van den Eynde, rapporteur van een amnestie-wetsvoorstel, dat amnestie een der voornaamste eisen van de V.B. geworden was. In september 1928 zou het Kamerdebat daarover beginnen, maar de minister van justitie Paul-Emile Janson bekwam uitstel via verwijzing naar een speciale commissie. Om de zaak te ontmijnen en eindelijk resultaten te bekomen stelde katholiek Kamerlid Emiel van Dievoet voor de termen 'amnestie' en 'genade' te vervangen door 'uitdoving'. Zo kwam men tot een nieuwe tekst. Na verdere onderhandelingen kwam er een wet die op 6 december 1928 door de Kamer en op 19 januari 1929 door de Senaat werd goedgekeurd. Dit gebeurde in een atmosfeer die werd vertroebeld door de publicatie, vanwege de amnestie-tegenstanders, van de archieven van de Raad van Vlaanderen die schokkende details aangaande het activisme bevatten.

De Uitdovingswet verklaarde alle straffen "onherroepelijk", maar tegelijk "vervallen". Alle aanhangige processen werden stopgezet. Nieuwe processen zouden niet meer worden aangespannen. De veroordelingen tot schadevergoeding, teruggave, proceskosten en geldboetes bleven bestaan. De veroordeelden konden evenwel beroep aantekenen. Wie minder dan tien jaar gevangenisstraf had gekregen, kon rehabilitatie aanvragen en een commissie van drie magistraten zou daarover oordelen. Daarna zou de koning, na advies van de minister van justitie, de beslissing treffen. Deze veroordeelden kregen na hun rehabilitatie automatisch hun burgerrechten terug. Borms was de enige van de tot meer dan tien jaar veroordeelden die nog in de gevangenis zat. Verder konden nu 161 bij verstek veroordeelden die nog in het buitenland verbleven vrij terugkeren. De wet was enkel van toepassing op 'politieke' gevallen en op een paar militaire misdrijven. Verklikkers en leveranciers van de vijand kwamen niet in aanmerking. De wet bepaalde ook dat mensen als Borms en de leden van de Raad van Vlaanderen hun politieke en burgerlijke rechten niet terugkregen. Borms was dus niet verkiesbaar.

De voorstanders van amnestie namen met dit compromis geen vrede. Zij demonstreerden dit duidelijk bij een tussentijdse verkiezing in Antwerpen, waarvoor de kandidatuur van Borms werd ingediend. Mede dankzij de officieuze medewerking van Camille Huysmans en van Frans van Cauwelaert, die de anti-Vlaamsgezinden een les wilden leren kreeg Borms een overweldigende meerderheid. Hij werd op 17 januari 1929, nog voor de publicatie van de nieuwe wet, vrijgelaten. Al bleef er niemand meer in de gevangenis, toch bleef een deel van de activistische bannelingen bedreigd met aanhouding wanneer ze de grens zouden oversteken.

De bestuurlijke amnestie

Veel omvangrijker dan de strafrechtelijke vervolging van het activisme was de administratieve epuratie. Tussen de drie- en de vierduizend ambtenaren van de diverse overheden werden geschorst of ontslagen. Deze mensen zouden zich formeel buiten de amnestieacties voor de strafrechtelijk veroordeelde activisten houden en ze zouden hun actie zelfs coördineren met Waalse geëpureerde ambtenaren. Daarom woog het odium van activisme op hen wat minder zwaar, wat hen een grotere tegemoetkoming in politieke kringen opleverde.

In februari 1919 al werd in Brussel een comité gevormd dat onrechtvaardig getroffenen, vooral ambtenaren, wilde bijstaan. Dit comité ontstond uit een studiekring waarvan August Vermeylen voorzitter was. In de loop van 1920 kwam er een Bond van Vlaamsche Gebroodroofden en Verongelijkten tot stand. Hierin namen de katholieke partij en socialistische partij het voortouw. Zij wilden een zo groot mogelijk aantal getroffenen opnieuw in het arbeidsproces inschakelen. Op een buitengewoon congres van socialistische leraren en onderwijzers in april 1919 werd reeds geprotesteerd tegen het willekeurige optreden inzake de epuratie in de leraarsrangen. In februari 1920 vroeg de socialistische Volksgazet amnestie waarbij de krant uitdrukkelijk wees op de honderden gestraften in overheidsdienst. Op 18 januari 1921 bracht Edmond Doms, socialistisch Kamerlid voor Leuven, in de Kamer de zaak van de geëpureerde ambtenaren en onderwijzers te berde. Niet toevallig bevonden zich onder deze ambtenaren verscheidene actieve socialisten. Vooral in Antwerpen was deze groep sterk genoeg om met resultaat druk uit te oefenen op de socialistische partij. Dat zou zelfs leiden tot een amnestiedebat in de Antwerpse gemeenteraad.

Toch zou de actie in het parlement niet echt tot resultaten leiden. Wel kreeg de christen-democraat Hendrik Heyman gedaan dat Vlaamse onderwijzers, wier diploma ongeldig was verklaard, opnieuw examen konden afleggen. Op 4 juni 1924 werd door de socialisten Camille Huysmans en Eugène Soudan, de liberaal Jules Boedt en de katholieken Emile Blavier en Hendrik Marck een wetsvoorstel ingediend dat de gemeenteraden toestond ontslagen ambtenaren weer in dienst te nemen. Huysmans diende op 3 december 1924, samen met Blavier, Heyman, Boedt, Frans van Cauwelaert, Soudan en Philip van Isacker, opnieuw een wetsvoorstel voor bestuurlijke amnestie in. Het bleek echter bijzonder moeilijk om in het parlement een politieke meerderheid te vinden, ook al waren de ondertekenaars afkomstig uit de drie traditionele partijen.

Voor de bestuurlijke amnestie gebeurde er intussen toch een en ander. Het in december 1924 door Huysmans, Van Cauwelaert en anderen ingediende ontwerp dat in maart 1925 door de hoofdafdeling van de Kamer werd aangenomen, verviel in 1926, toen de parlementaire sessie was afgelopen. De regering besliste evenwel elk verzoek van afgezetten door het betrokken departement te laten onderzoeken, op voorwaarde dat er geen gerechtelijke straf bestond. Er kwamen meer dan 600 aanvragen. Een aantal van de betrokkenen kreeg eerherstel, anderen zagen hun afzetting veranderd in ontslag, zodat zij recht kregen op pensioen. Niet alle gevallen werden echter afgehandeld, zodat de agitatie doorging.

Op 23 februari 1932 interpelleerden zes Vlaamse Kamerleden (vier katholieken, een socialist en een nationalist) over de bestuurlijke amnestie. De regering beloofde een onderzoek en er kwam in september 1932 een adviescommissie, de zogenaamde Commissie Colson. Toen bekend werd dat een aantal ambtenaren opnieuw in dienst zou kunnen komen begonnen Belgische oud-strijdersverenigingen, de zogenaamde Fraternellen, daartegen te ageren. Zij organiseerden op 31 december 1933 een manifestatie in Brussel, waaraan enkele duizenden personen deelnamen. Deze drongen de neutrale zone rondom het parlementsgebouw binnen. Koning Albert I schreef op 3 januari 1934 in afspraak met de liberale en de Franstalige ministers een brief aan de premier. Hij stelde een compromis voor dat minder ver ging. Er zou een commissie van beroep worden ingesteld, bestaande uit magistraten. De regering sloot zich hierbij aan. Op 6 januari 1934 richtte een Koninklijk Besluit de zogenaamde Commissie Goddijn op. Eind 1934 dreigde nieuwe patriottische agitatie bij het verslag van de commissie. Het probleem van de bestuurlijke amnestie bleef verder etteren. In mei 1937 zei de liberale minister Victor de Laveleye dat de door de Commissie Colson en -Goddijn goedgekeurde afzettingen van ambtenaren zouden worden gehandhaafd.

De zogenaamde bestuurlijke amnestie bleek erg moeilijk uit te voeren omdat de betrokken kringen hun financiële eisen hoog stelden en omdat de ambtenarij niet bereid was de betrokkenen terug in haar midden op te nemen. Het ging in vele gevallen immers om mensen die onder de bezetting een benoeming of bevordering hadden aanvaard. De voornaamste motor van deze agitatie, het Comité voor Recht en Herstel, werd in de jaren 1930 overigens beheerst en geïnstrueerd door overtuigde en vooraanstaande activisten (Jozef van Wetteren en Jan Brans), die tijdens de oorlog over het algemeen in hun collaboratie met de Duitsers heel wat verder waren gegaan dan alleen maar een bevordering of benoeming tot ambtenaar.

De jaren 1930

Verscheidene parlementaire initiatieven en harde agitatie op straat zouden de amnestievlam in de jaren 1930 brandend blijven houden. In 1931 werden door enkele nationalistisch geïnspireerde en door in het buitenland wonende activisten (activisme) geleide comités verscheidene initiatieven genomen om de eis van volledige amnestie weer aan te vuren. Die actie bevorderde het stellen van deze eis in de Vlaams-nationalistische middens. Op de IJzerbedevaart van 1932 werd volledige amnestie gevraagd.

De Vlaams-nationalisten herbegonnen hun amnestieactie. Op de IJzerbedevaart van 1936 werd gemeld dat men de strijd "op beslissende wijze" zou inzetten en het weekblad Nieuw Vlaanderen, promotor van de concentratiepolitiek (Vlaamsche Concentratie), riep alle Vlaamse verenigingen en de pers op tot een gezamenlijke actie. Op 4 november 1936 diende de regering een wetsontwerp in dat voor burgers onvoorwaardelijke en voor militairen gedeeltelijke amnestie voorzag. Na de verkiezingsstrijd tussen Rex-leider Léon Degrelle en premier Paul van Zeeland kwam de kwestie opnieuw te berde. De liberale partij kantte zich tegen het wetsontwerp en de liberale minister van justitie François Bovesse, die het ontwerp mede had ondertekend, nam 'om gezondheidsredenen' ontslag. Hij werd vervangen door zijn partijgenoot Victor de Laveleye, die zich door de signatuur van Bovesse niet gebonden hoefde te achten. Het liberale verzet werd gestimuleerd door de patriottische oud-strijders. De Verbroederingen van het Veldleger, de 'Fraternellen' hielden op 2 mei 1937 opnieuw een massale betoging in Brussel. Op 23 mei wilden de Vlaamse amnestievoorstanders daarop op hun beurt in de hoofdstad een antwoord geven. Het Verbond der Vlaamse Oud-Strijders (VOS) nam bij deze organisatie het voortouw. De betoging werd eerst door de liberale burgemeester Adolphe Max verboden, maar na verontwaardigde interpellaties door Vlaamse volksvertegenwoordigers in de Kamer toch toegelaten.

Vier dagen daarvoor, op 19 mei, begon in de Kamer het debat over het wetsontwerp. Premier Van Zeeland zei daar dat amnestie een nationale noodzakelijkheid was geworden, maar hij was het eens met een amendement van de commissie justitie dat bepaalde categorieën van verkiesbaarheid bleef uitsluiten. De regering wilde geen gewezen leden van de Raad van Vlaanderen in het parlement zien. In het debat traden Fronter Hendrik Borginon en Frans van Cauwelaert naar voren als pleitbezorgers van amnestie. De socialistische partijleider Emile Vandervelde toonde zich ook een voorstander, maar wilde het amendement doen aanvaarden opdat, naar hij zei, een Vlaamse meerderheid haar wil niet aan een Waalse minderheid zou opdringen. Zijn Vlaamse partijgenoot Willem Eekelers wilde persoonlijk volledige amnestie, maar wees erop dat in de commissie de noodzakelijkheid van een compromis was gebleken.

Voor de Vlaamse manifestatie van 23 mei 1937 in Brussel werden vele duizenden op de been gebracht. De schattingen gingen van 12.000 door de Brusselse politie tot 100.000 volgens Volk en Staat. Er waren 64 parlementsleden bij, onder wie de leiding van de Katholieke Vlaamsche Volkspartij (°1936), verder de rexist L. Duysburgh, de liberaal Angel Boeckx en de socialisten August Balthazar en Gaspard Jamar. De straten werden ontruimd en de politie sloot alle toegangswegen af om incidenten met tegenbetogers te vermijden.

De regering wilde de vertrouwenskwestie stellen op het amendement over de verkiesbaarheid. De raad van de socialistische partij aanvaardde dit. Bij de Katholieke Vlaamsche Kamergroep was een meerderheid tegen, maar het regeringsbelang won het van de bezwaren. Op 2 juni werd er in de kamer gestemd. De Vlaams-nationalisten en de rexisten waren alleen tegen. De Senaat keurde het ontwerp goed op 11 juni 1937. De wet verscheen in het Belgisch Staatsblad van 13 juni. Dientengevolge werden de veroordelingen in het strafregister geschrapt en veroordeelden kregen hun kiesrecht terug. Ter dood veroordeelden konden evenwel niet gekozen worden. Deze bepaling was vooral tegen August Borms gericht.

Bij de Belgische oud-strijdersgroeperingen groeide de beroering. Sommigen gingen hun decoraties op het graf van de Onbekende Soldaat in Brussel gooien of knielden er om vergiffenis te vragen. Er klonken eisen die het ontslag van de regering vroegen. Bij een betoging van deze oud-strijders in Brussel, op 23 juni, werd de neutrale zone overrompeld. De politie werd ervan beschuldigd onvoldoende krachtdadig op te treden.

Koning Leopold III nodigde afgevaardigden van de oud-strijdersverenigingen, ook van de VOS, uit op een onderhoud. Hij verklaarde hun dat hij niet kon of mocht ingaan tegen de wil van de meerderheid en dat de amnestiewet geen aanslag op de waardigheid van het land was. Hij vroeg tucht en eerbied voor de overheid. De oproep had resultaat, al had er op 8 juli nog wel een patriottische rouwoptocht plaats en volgde er nog veel scherpe agitatie vanwege Belgischgezinde oud-strijders en hun sympathisanten. Op de volgende IJzerbedevaart vormden Vlaamse oud-strijders – als reactie daartegen – met hun oorlogsdecoraties een groot opschrift: "Amnestie 1937".

Eind 1938 laaiden de amnestiegedachte en het verzet daartegen weer hoog op naar aanleiding van de benoeming op 7 november 1938 van de gewezen activistische arts Adriaan Martens tot lid van de pas opgerichte Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde. Dit veroorzaakte scherpe incidenten. In februari 1939 maakte het Verbond van Vlaamsche Cultuurvereenigingen het zogenaamde Manifest van Antwerpen bekend. Dit was opgesteld door Van Cauwelaert en Camille Huysmans en mee ondertekend door de socialisten August Vermeylen, Eekelers en Edward Anseele (jr.), en de katholieken Alfons Verbist, Edgard Maes en Paul Orban. Dit opzienbarende manifest legde uit waarom er een werkelijke amnestie moest komen. Aan de Walen werd gevraagd de benoeming van Martens als "een Vlaams feit" te aanvaarden in het licht van "de juiste opvatting van culturele autonomie". Dit toonde aan waar België naartoe was geëvolueerd en waarom de amnestie in Vlaanderen zoveel voorstanders vond: het was een van de belangrijkste elementen waaraan men de groeiende Vlaamse macht – waarvoor de Franstaligen eerbied hoorden op te brengen en die dus ook een element was van het Vlaamse zelfrespect – kon afmeten. Het Vlaamse zelfbewustzijn gebruikte de amnestiekwestie om zichzelf te manifesteren.

Het Manifest verscheen op het ogenblik dat de regering viel: de liberale ministers namen ontslag omdat de socialistische premier Paul-Henri Spaak niet wilde ingaan op hun eis tot ontslag van Martens. Het was al minstens de derde keer dat een regering door deze kwestie in gevaar kwam. Spaak werd opgevolgd door de katholiek Hubert Pierlot die een coalitie met de socialisten vormde en die de (in het licht van de culturele autonomie) gevraagde reorganisatie van het ministerie van onderwijs beloofde. Ook deze regering viel spoedig, omdat men het niet eens werd over de zaak-Martens. Er volgden verkiezingen die evenwel door de internationale toestand (de Duitse inval in Praag op 15 maart 1939) een heel ander aanzien kregen. De zich pro-Duits tonende Vlaams-nationalisten werden daarbij fel aangevallen. Op 2 april hadden de verkiezingen plaats. Op 16 april eiste het congres van de VOS algemene onvoorwaardelijke amnestie. Maar de Tweede Wereldoorlog stond voor de deur. Het vraagstuk werd daardoor nooit ten gronde opgelost en het zou blijven bijdragen tot de groei en de uitdieping van de anti-Belgische beweging.

Literatuur

M. Basse, De Vlaamsche Beweging van 1905 tot 1930, II, 1933; 
'Amnestie. Verslag van de vergadering gehouden te Brussel op 6 december 1951', in Tijdingen van het Algemeen Vlaams Oud-Hoogstudentenverbond, jg. 1, nr. 1 (1952); 
'Liquider la répression', in La Revue Nouvelle (1959), p. 33-49; 
A.W. Willemsen, Het Vlaams-nationalisme. De geschiedenis van de jaren 1914-1940, 19692; 
H. Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, I, 1969; 
'Dossier amnestie en de gevolgen van de repressie', in Kultuurleven, jg. 43, nr. 7 (1976), p. 581-639; 
A. Bourgeois, 'Balans van de repressie en de epuratie', in Kultuurleven (1976), p. 589-598; 
R. Derine, Repressie zonder maat of einde?, 1978; 
L. Huyse en K. Hoflack, 'Het leven na de straf. De reïntegratie van collaborateurs uit de Tweede Wereldoorlog in België, Nederland en Frankrijk', in Panopticon (1992), p. 429-440; 
E. Conan en H. Rousso, Vichy, un passé qui ne passe pas, 1994; 
P. Romijn, Snel, streng en rechtvaardig. Politiek beleid inzake de bestraffing en reclassering van 'foute' Nederlanders, 1945-1955, 1989; 
L. Wils, Honderd jaar Vlaamse Beweging, II-III, 1985-1989; 
L. Huyse, S.Dhondt (e.a.), Onverwerkt verleden. Collaboratie en repressie in België. 1942-1952, 1991; 
L. Huyse en K. Hoflack, Onverwerkt verleden. Een naschrift, 1994; 
E. Conan en H. Rousso, Vichy, un passé qui ne passe pas, 1994; 
B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994; 
G. Deneckere, 'Oudstrijders op de vuist in Brussel. Het amnestieconflict tijdens het interbellum', in BTNG, nr. 3-4 (1995), p. 273-327; 
L. Vandeweyer, 'Amnestie voor oorlogsfeiten. Een probleem van 'verzoening' voor de kerk in België?', in R. Burggraeve en J. de Tavernier (red.), Terugkeer van de wraak? Een tijd verscheurd tussen revanche, vergelding en verzoening, 1996, pp. 186-214. 

Auteur(s)

Luc Vandeweyer