Amnestie - Begripsomschrijving

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Het begrip amnestie is drager van vele, uiteenlopende betekenissen. Dat schept spraakverwarring en bemoeilijkt al jaren het publieke debat. Het is daarom wenselijk enige orde te brengen in de definities waarmee de amnestieterm in het verleden is bedacht.

Aan de ene kant is er de strikt-juridische omschrijving. Amnestie is dan "(...) een beslissing van de wetgevende macht waarbij, om redenen van openbaar belang en in de mate door de amnestiewet bepaald, voor de toekomst en het verleden de strafwaardigheid wordt opgeheven van bepaalde strafbare feiten. (...) De veroordeling wordt geacht nooit te zijn uitgesproken en wordt retro-actief opgeheven, samen met de strafrechtelijke gevolgen." (L. Dupont, R. Verstraeten, Handboek voor Belgisch Strafrecht, 1990, p. 797-801). Daarnaast wordt amnestie als verzamelterm gebruikt voor allerhande maatregelen die de gevolgen van de repressie moeten verzachten. De term verliest hier dan zijn zuiver-juridische inhoud en gaat een brede en variabele betekenis verwerven.

Amnestie in strikte zin

Een amnestiewet waarin de streng-juridische definitie wordt opgenomen, vertoont in beginsel drie kenmerken. Het is een algemene maatregel waarvan, ten tweede, de uitvoering automatisch is. En, omdat het strafbaar feit a posteriori geacht wordt onbestaande te zijn, wist het schuld én boete uit.

Het komt uitermate zelden voor dat een amnestiewet rond deze rigide betekenis is opgebouwd. In enkele Latijns-Amerikaanse landen is in de jaren 1980, bij de overgang naar een democratisch regime, in deze zin amnestie verleend aan hoge militairen. Maar dat zijn uitzonderingen. Bijna altijd worden aanzienlijke beperkingen opgelegd. Dat gebeurt, ten eerste, met betrekking tot de reikwijdte van de maatregel. Bepaalde categorieën van veroordeelden worden dan van de toepassing van de wet uitgesloten. Dat was het geval in alle Franse amnestiewetten die in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog werden uitgevaardigd. Die beperking is ook terug te vinden in de Belgische besluitwet van 20 september 1945 waarbij amnestie werd verleend voor misdrijven die verzetslui tussen 29 mei 1940 en 1 november 1944 hadden begaan. Deze wet somde een lange reeks van situaties op waarbij personen van deze gunstmaatregel werden uitgesloten.

Ook in bijna alle wetsvoorstellen die parlementsleden van de Volksunie (VU) en de Christelijke Volkspartij (CVP), "strekkend tot het verlenen van amnestie voor misdrijven tegen de uitwendige veiligheid van de Staat", hebben ingediend komen beperkingen voor. Zo is het gebruikelijk om verklikkers en mensenjagers amnestie te weigeren. Een tweede restrictie betreft de procedure. Niet altijd is er sprake van een automatisme in de toekenning van amnestie. De provisionele grondwet die in Zuid-Afrika het einde van het apartheidstijdperk inluidde, bevat een clausule die amnestie aankondigde voor politieke misdrijven die ter verdediging van of in de strijd tegen de apartheid zijn begaan. Maar wie van deze maatregel wil genieten moet eerst voor een Waarheidscommissie verschijnen en schuld bekennen. Dan beslist een soort jury of de betrokken persoon binnen het toepassingsgebied van de wet valt. Een derde beperking slaat op de uitwissing van schuld en boete. De Franse amnestiewet van 6 augustus 1953, de meest verregaande van de hele reeks, vermeldt in zijn eerste artikel dat amnestie ni une réhabilitation, ni une revanche, ni une critique contre la justice de Liberté kan betekenen. Het is ook gangbaar om te bepalen dat amnestie niet tegengesteld kan worden aan de rechten van de staat of van derden. Juridisch gezien houdt zo'n bepaling in dat de uitgesproken schadevergoedingen en geldboeten niet vervallen. Dat stond uitdrukkelijk in de Belgische wet van 11 juni 1937 waarbij amnestie werd verleend aan wie tijdens de Eerste Wereldoorlog had gecollaboreerd. Artikel 2 van die wet bepaalde ook dat de eerder betaalde geldboeten en de gerechtskosten niet teruggeven werden. Daardoor werd aangegeven dat de amnestie geen terugwerkende kracht had.

Het wetsvoorstel dat de Kamerleden van het Vlaams Blok (VB) op 9 december 1994 met het oog op het verlenen van amnestie neerlegden, was in alle opzichten een uitzondering. Er werd daarin geen enkele beperking voorzien, noch inzake de reikwijdte, noch inzake de procedure. Ook de formule dat amnestie niet tegenstelbaar wordt geacht aan de rechten van de staat of van derden, nog opgenomen in een VB-voorstel van 4 september 1990, is weggevallen.

Recent is ook binnen de internationale rechtsorde als norm aanvaard dat elke staat de verplichting heeft om zware schendingen van mensenrechten te vervolgen. De gedachte dat misdaden tegen de mensheid niet straffeloos kunnen blijven, sluit bijgevolg amnestie voor bepaalde misdrijven uit en houdt ook in dat er geen verjaringstermijnen kunnen worden ingeroepen. Deze visie lag ten grondslag aan de berechtiging, bijna vijftig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, van de Franse collaborateur Paul Touvier.

Amnestie als verzamelterm voor maatregelen ter verzachting van de gevolgen van de repressie

Op het einde van de jaren 1970 is in de V.B. in de behandeling van het amnestiedossier een belangrijke accentverschuiving opgetreden. De pleidooien voor een amnestie in de strikt-juridische zin van het woord nemen dan af in aantal en kracht. In de plaats daarvan verschuift de aandacht naar maatregelen die de sociale gevolgen van de repressie doen uitdoven. Er wordt gedacht aan een versoepeling van de procedure die eerherstel meebrengt, aan een uitbreiding van de wet van 30 juni 1960 die voor sommige ex-collaborateurs het herstel in rechten mogelijk maakte, aan de teruggave van de Belgische nationaliteit aan wie het staatsburgerschap was ontnomen of minstens aan een afschaffing van het verbod om het land binnen te komen, aan een opheffing van de nog invorderbare boetes en schadevergoedingen, aan een bevredigende regeling van de pensioenkwesties enzovoort.

Literatuur

M. Basse, De Vlaamsche Beweging van 1905 tot 1930, II, 1933; 
'Amnestie. Verslag van de vergadering gehouden te Brussel op 6 december 1951', in Tijdingen van het Algemeen Vlaams Oud-Hoogstudentenverbond, jg. 1, nr. 1 (1952); 
'Liquider la répression', in La Revue Nouvelle (1959), p. 33-49; 
A.W. Willemsen, Het Vlaams-nationalisme. De geschiedenis van de jaren 1914-1940, 19692; 
H. Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, I, 1969; 
'Dossier amnestie en de gevolgen van de repressie', in Kultuurleven, jg. 43, nr. 7 (1976), p. 581-639; 
A. Bourgeois, 'Balans van de repressie en de epuratie', in Kultuurleven (1976), p. 589-598; 
R. Derine, Repressie zonder maat of einde?, 1978; 
L. Huyse en K. Hoflack, 'Het leven na de straf. De reïntegratie van collaborateurs uit de Tweede Wereldoorlog in België, Nederland en Frankrijk', in Panopticon (1992), p. 429-440; 
E. Conan en H. Rousso, Vichy, un passé qui ne passe pas, 1994; 
P. Romijn, Snel, streng en rechtvaardig. Politiek beleid inzake de bestraffing en reclassering van 'foute' Nederlanders, 1945-1955, 1989; 
L. Wils, Honderd jaar Vlaamse Beweging, II-III, 1985-1989; 
L. Huyse, S.Dhondt (e.a.), Onverwerkt verleden. Collaboratie en repressie in België. 1942-1952, 1991; 
L. Huyse en K. Hoflack, Onverwerkt verleden. Een naschrift, 1994; 
E. Conan en H. Rousso, Vichy, un passé qui ne passe pas, 1994; 
B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994; 
G. Deneckere, 'Oudstrijders op de vuist in Brussel. Het amnestieconflict tijdens het interbellum', in BTNG, nr. 3-4 (1995), p. 273-327; 
L. Vandeweyer, 'Amnestie voor oorlogsfeiten. Een probleem van 'verzoening' voor de kerk in België?', in R. Burggraeve en J. de Tavernier (red.), Terugkeer van de wraak? Een tijd verscheurd tussen revanche, vergelding en verzoening, 1996, pp. 186-214. 

Auteur(s)

Luc Huyse