Alpaerts, Flor

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Antwerpen 12 september 1876 – Antwerpen 5 oktober 1954).

Gaf na studies aan de Antwerpse Vlaamsche Muziekschool vanaf 1903 aan dezelfde instelling de cursussen notenleer, en contrapunt en fuga. Na een bitsige strijd met Lodewijk de Vocht werd Alpaerts in 1933 benoemd tot directeur van het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium. Ondanks de uniformisering van het muziekonderwijs aan de vier Belgische conservatoria zette hij tot zijn pensionering in 1941 de Peter Benoit-traditie zoveel mogelijk voort. Als opvolger van Edward Keurvels werd hij in 1904 dirigent van de Peter Benoitkapel, een afdeling van het Peter Benoitfonds, bestaande uit een vrouwenkoor en enkele instrumentisten waarmee hij in de provincie het werk van Benoit uitdroeg. Als dirigent (vanaf 1920) en artistiek leider (vanaf 1922) van het Benoitfonds maakte hij verscheidene partituren van Benoit klaar voor uitgave en wierp hij zich op als de belangrijkste Benoit-dirigent van zijn generatie. Hoogtepunt was de uitvoering op 11 augustus 1934 in Antwerpen van De Oorlog, naar aanleiding van het eeuwfeest van de componist.

Als dirigent was Alpaerts alomtegenwoordig in het Antwerpse muziekleven. Opnieuw in opvolging van Keurvels werd hij in 1906 dirigent van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg en in 1919 muziekdirecteur van de Koninklijke Maatschappij van Dierkunde. Met het orkest van de Dierentuinconcerten en het gemengd koor Arti Vocali bracht hij tot 1951 in wekelijkse concerten – tijdens de Tweede Wereldoorlog maandelijks – zowel het internationale repertoire als het werk van Vlaamse collega's. Ook als gastdirigent in het buitenland toonde Alpaerts zich een propagandist van de Vlaamse muziek. Gedurende één seizoen (1922-1923) was hij ook directeur van de Koninklijke Vlaamse Opera, samen met Arthur Steurbaut. Hij schreef de vijfdelige cursus Muzieklezen en zingen (1915-1918) en begon al in 1927 met jeugdconcerten. Als componist schreef hij nog nauwelijks werken die rechtstreeks verwijzen naar de V.B. Wel verklankte hij Vlaamse iconen in de symfonische gedichten Pallieter (1921-1924) en Tijl Uilenspiegel (1927).

Alpaerts' grote bewondering voor Benoit werkte niet verlammend of conserverend zoals bij sommigen van zijn tijdgenoten. Hij hertaalde Benoits principes en gaf de Vlaamse muziekbeweging een actuele muziektaal en een eigentijds gezicht: hij schreef vooral voor het symfonisch orkest (in een aanvankelijk impressionistisch, later expressionistisch en ten slotte neoclassicistisch idioom) en zijn medewerking aan de Benoit-cultus belette niet dat hij zich evenzeer inzette voor de muziek van Igor Stravinsky en Honegger.

Literatuur

A. Corbet, Flor Alpaerts, 1941; 
F. Dupont, 75 jaar symfonische concerten van de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde van Antwerpen (1897-1972), 1972; 
L. Leytens, 'Het Peter Benoitfonds', in Realisme en koloriet. Vijf essays over Peter Benoit, 1994.

Auteur(s)

Jan Dewilde