Algemeene Tooneelboekerij (ATB)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

kernvereniging van de katholieke Vlaamse toneelbeweging (1909-1940); uitleenbibliotheek opgericht om het toneelrepertoire op moreel en dramatisch vlak te verbeteren en om de distributie van degelijke toneelstukken bij de katholieke liefhebberskringen te verzorgen. Het orgaan van de ATB was het tijdschrift Tooneelgids.

Sinds het vierde katholieke congres van Mechelen (1891) en het Davidsfondscongres van 1907 te Tongeren werd er in katholieke kringen geijverd voor een heropleving van het toneel door de verbetering van het spel en het repertoire op zedelijk en theatraal vlak. Hieruit ontstond het idee een katholieke Vlaamse toneelbibliotheek op te richten. Op initiatief van onder meer Jan Bernaerts (die de grote bezieler van de organisatie werd), Lodewijk Rock en Odilon Nelis werd op 18 februari 1909 ten huize van E.H. Philippen de ATB gesticht. De vereniging werd gepatroneerd door het Davidsfonds en het Katholiek Vlaamsch Secretariaat en stond van 1910 tot 1925 onder het voorzitterschap van Lodewijk Dosfel. Van 1925 tot 1940 lag de leiding in handen van Rock en Theo de Ronde. Tussen 1911 en 1914 werd de toneelbibliotheek met een muziekbibliotheek uitgebreid.

De ATB stond in voor de verspreiding van toneelstukken bij de aangesloten leden: toneelgezelschappen van studenten en vooral katholieke liefhebberskringen. Daaronder werden onder impuls van de democratiseringsbeweging steeds meer werkmanskringen geteld. In de jaren 1920 mocht de ATB in het zog van Tooneelgids en van de bloeiende katholieke toneelbeweging een grote ledengroei noteren. Zij werd zelfs de spil van een katholieke toneeltrust – de Katholieke Vlaamsche Tooneelcentrale (KVTC) – waar ook Het Vlaamsche Volkstooneel, Tooneelgids en het Algemeen Katholiek Verbond voor Tooneel (AKVT) toe behoorden. De ATB leverde de structurele onderbouw (de toneelkringen) en vergaarde het culturele kapitaal (bibliotheek, repertoiregids, tijdschrift) dat nodig was als fundament voor het latere succes van onder meer Het Vlaamsche Volkstooneel. In de loop van de jaren 1930 liep het ledenaantal van de ATB stelselmatig terug. Toen het in 1932 binnen de katholieke organisatievorm voor toneel tot een conflict kwam tussen het AKVT (Frans Haepers) en de ATB, moest deze laatste zich gaan beperken tot haar basisactiviteit (de distributie van teksten en studieboeken).

Toneel werd door de ATB-stichters beschouwd als een uitstekend middel tot katholieke en Vlaamse volksontwikkeling. Het uitbouwen van een goed repertoire was hierbij de voornaamste eis. De eerste jaren trok de ATB uitgebreid van leer tegen de als decadent beschouwde Franse melodrama's, de boertige kluchten en de fatalistische kijk op driften en passies in het romantisch-naturalistische drama. Toch droeg de ATB onmiskenbaar bij tot de waardering van het Vlaamse toneel en de Nederlandse taal als cultuurinstrumenten. In de loop der jaren viel er een lichte verschuiving waar te nemen van een flamingantisch profiel onder leiding van Dosfel tot een meer uitgesproken katholiek-Vlaamse koers onder leiding van Rock en De Ronde.

Literatuur

A. de Maeyer en R. Roemans, Een kwart eeuw toneelleven in Vlaanderen, 1948; 
G. Opsomer, 'Enkele aantekeningen over het publiek van het Vlaamse Volkstoneel', in K. Porteman (red.), Uut Goeder Jonsten. Studies aangeboden aan prof. dr. L. Roose naar aanleiding van zijn emeritaat, 1984, p. 167-190; 
L. Neirynck, De "Algemeene Tooneelboekerij" en haar stimulerende rol in het katholiek liefhebberstoneel in Vlaanderen (1909-1920), KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1988; 
F. de Koninck, Algemeene Tooneelboekerij en Tooneelgids. Een eerste onderzoek naar de band tussen de organisatie en het tijdschrift, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1988.

Auteur(s)

Geert Opsomer