Algemeen Vlaamsch Verbond

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

werd op 6 juli 1919 in Brussel opgericht als bondgenootschap van Belgischgezinde flaminganten om hun bedrijvigheid te coördineren naast en over de partijgrenzen heen. Het betrof hier in hoge mate de voortzetting van de actie van het Vlaamsch-Belgisch Verbond, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog onder Vlaamse uitgewekenen op basis van het zogenaamde minimumprogramma door de katholiek Frans van Cauwelaert en de liberaal Julius Hoste (jr.) was opgericht. Het Algemeen Vlaamsch Verbond zag zich als een koepelorganisatie en wenste alle verenigingen te groeperen die dit programma konden aanvaarden. Reeds begin 1919 was een voorlopig Vlaamsch Secretariaat opgericht dat onder leiding stond van Vital Celen en kwam een Vlaamsch Fonds voor de financiering van de propaganda tot stand. Nog vóór de officiële stichtingsdatum telde men ongeveer 200.000 leden. Dit hoge getal was de optelsom van de leden van de aangesloten verenigingen en zegt weinig over de effectieve betrokkenheid van deze mensen.

In het hoofdbestuur zetelden onder meer de katholieken Alfons van de Perre, Gustaaf Borginon en Emiel Vliebergh, de socialist August Vermeylen en de liberalen Hoste en Maurits Sabbe.

Het Verbond kwam al snel onder druk te staan. Het samengaan van katholieken met vrijzinnigen werd door Mgr. Martinus-Hubertus Rutten veroordeeld, waarop Van Cauwelaert tot de Luikse bisschop een open brief richtte waarin hij de verdediging van het Verbond op zich nam. Anderzijds vreesden vele vrijzinnigen voor een katholieke kar gespannen te worden. Een andere conflictpool was de houding tegenover het activisme. Formeel werden de activisten uitgesloten maar in de praktijk was er wel degelijk enige toenadering. Dit werd voor Vermeylen een van de redenen waarvoor hij het Verbond verliet. Omwille van het aantal en de aanhang van de aangesloten organisaties mag het Verbond als overwegend katholiek beschouwd worden. Dit leidde tot socialistische en liberale terughoudendheid: ook al omdat de katholieke flaminganten zich nog eens apart groepeerden in een Katholieke Vlaamsche Landsbond. Er werd een arrondissementele werking ingericht zodat rechtstreeks druk kon worden uitgeoefend op de parlementariërs.

Het Verbond kwam moeilijk van de grond. Het had enige betekenis bij de verkiezingen van november 1919, liet gedurende enige jaren nog af en toe van zich horen als politieke drukkingsgroep, maar de flaminganten bleven meestal elk in de eigen partij werken. Er was bovendien al van in het begin een breuk met de Vlaams-nationalisten die zich groepeerden in Het Vlaamsche Front. Nochtans fungeerden bepaalde plaatselijke Verbondsafdelingen, zoals in Limburg, als overgang naar de Vlaams-nationalistische partij. Als poging tot algehele Vlaamsgezinde samenwerking dient het Verbond dus als een mislukking te worden beschouwd.

Literatuur

M. Basse, De Vlaamsche Beweging van 1905 tot 1930, II, 1933; 
H.J. Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, 1969; 
A.W. Willemsen, Het Vlaams-nationalisme. De geschiedenis van de jaren 1914-1940,  19692; 
E. Gerard, 'August Vermeylen en het Vlaams Verbond (1918-1919)', in WT, jg. 39, nr. 3 (1980), kol. 137-146; 
id., 'Strijd om het Vlaams minimumprogramma in 1919. Mgr. Rutten en de katholieken in Limburg', in WT, jg. 40, nr. 2 (1981), kol. 98-115; 
A.M. Knevels 'De Katholieke Vlaamse Bond van Limburg (1919-1928). Van de katholieke partij naar de nationalistische', in WT, jg. 42, nr. 3 (1983), p. 150-159; 
E. Gerard, De katholieke partij in crisis. Partijpolitiek leven in België (1918-1940), 1985; 
L. Wils, Honderd jaar Vlaamse Beweging, II, 1985; 
L. Vandeweyer en R. Nijssen, '"Un véritable nid d'activistes". De Hasseltse ambtenaren van Financiën in de vuurlinie van de Vlaamse strijd 1918-1920', in Limburg, nr. 4 (1994), p. 193-215.

Auteur(s)

Reginald de Schryver; Luc Vandeweyer