Algemeen Vlaamsch Studentenverbond (AVS)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

overkoepelende organisatie van Vlaamsgezinde scholierenverenigingen in de diverse voortgezette opleidingen van het rijksonderwijs: athenea, middelbare scholen, normaalscholen en beroepsscholen.

Het AVS werd opgericht op een vergadering van 26 mei 1928 te Brussel door afgevaardigden van acht 'jongstudentenbonden'. Ze wilden samenwerken voor de bestrijding van de verfransing, de bevordering van de onderlinge solidariteit, de Vlaamsgezindheid en de algemene ontplooiing van Vlaanderen. Dat alles diende te gebeuren buiten elke partijpolitiek en ideologische stellingname. Het Verbond wilde verder het Algemeen Beschaafd Nederlands propageren evenals de studie van het Vlaamse cultuurgoed en hing de Groot-Nederlandse gedachte aan. Het maandblad Opkomst vormde het enige contactmiddel.

Het AVS was een louter overkoepelend verbond en liet een grote zelfstandigheid aan de lokale groepen. Voorzitters en ondervoorzitters waren achtereenvolgens Dis Verstraete en Angelina Poriau (1927-1928), Willem Buskens (van Mechelen) en Vogelina Lobe (van Antwerpen) (1928-1929), Renaat Merecy (van Antwerpen) en Ella de Muyter (van Brussel) (1929-1930), Juul Vandenbroeck en Valeer van Slijcke (1930- 1931), Paul de Ryck en Rie de Cordier (1931-1932), Bert van Hoorick en Godelieve de Lafortrie, in de loop van het jaar vervangen door Max van Wezel en Rik Reynaers (1932- 1933), Raoul Dessiennes en Jan Verscharen (1933-1934). Bij de bond waren op zijn hoogtepunt, in 1931, 25 bonden met ongeveer 500 leden aangesloten. Er bestonden, meestal zeer kortstondig, een of meerdere kringen in Aalst, Aarschot, Antwerpen, Brugge, Brussel, Diest, Gent, Hasselt, Leuven, Lier, Mechelen, Oostende, Tienen, Tongeren, Vilvoorde, Willebroek en gewestbonden in Aalst, Antwerpen, Brussel, het Hageland, Mechelen en Oudenaarde. Verder was er nog een bond in Wallonië.

Na een moeilijke start beleefde het Verbond in 1929-1930, onder het voorzitterschap van Merecy, een zekere bloeiperiode. Deze pleitte voor evolutie van studentenbeweging naar jeugdbeweging of liever voor een compromis tussen studiekring en jeugdgroep. Naast de traditionele werking van de studiekringen die de Vlaams-nationale cultuureigenheid diende te bevorderen moesten er meer jeugdbewegingsactiviteiten en -methodieken worden ingevoerd die een vrije en natuurlijke ontplooiing van de jongeren verzekerden, wars van conventies en enggeestigheid. Middelen daartoe waren het leven in de natuur, kamperen en wandelen, vrije omgang tussen jongens en meisjes op gezonde basis, zang en spel, volksdans en geheelonthouding. De Rijck en De Cordier, voorzitter en ondervoorzitster in 1931-1932 en eveneens dynamische leidersfiguren, dachten in dezelfde richting. In de werking van het AVS waren effectief verschillende typische jeugdbewegingselementen aanwezig, zoals georganiseerde reizen naar Duitsland en sportactiviteiten op landdagen en op vergaderingen van plaatselijke bonden.

Bij die plaatselijke bonden waren de meningen over deze nieuwe richting evenwel verdeeld. Een grote voorstander van de jeugdbewegingsgeest was de kring Roeland van Brussel en door zijn toedoen ook de gewestbond van Brussel. Deze lijn werd ook gevolgd in (bepaalde bonden van) Aalst, Aarschot, Tienen, Gent en Diest. Tot de felste tegenstanders behoorde anderzijds de studiekring Ontwikkeling van het atheneum van Antwerpen en met hem de meeste Antwerpse bonden. Zij hielden vast aan een Vlaamsstrijdende werking en aan het houden van voordrachten als traditionele activiteit van de bondswerking. In dit klimaat ontstonden ook enkele vrije jeugdbewegingsgroepen: Morgendauw in Brussel en Manesching in Aalst.

De beoogde samenwerking tussen de bonden werd in feite nooit ten volle gerealiseerd. In 1932 brak voor het AVS een moeilijke periode aan. Het verbond verkeerde in financiële moeilijkheden, er werd moedeloos vastgesteld dat er een leidende gedachte ontbrak in de werking en dat de onderlinge eenheid ver te zoeken was. In het voorjaar van 1934 werd nog geprobeerd om het Verbond nieuw leven in te blazen door een betere verzorging van en meer publiciteit voor Opkomst, dat nog maar een honderdtal abonnementen telde, en door het organiseren van een driedaagse landdag te Brussel, allemaal zonder resultaat. Op 8 april van dat jaar versmolt het AVS met een gelijkaardige vereniging van studiekringen in het rijksonderwijs, Jeugd- en Studiekring Opgang (JESO) genaamd, tot het Algemeen Vlaamsch Jeugdverbond. Opkomst werd met het tijdschrift van JESO, Opgang, versmolten tot Rezultante.

Literatuur

M. van Doorslaer, Vrije Jeugdbeweging, volksdansbeweging en jeugdherbergen in Vlaanderen, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1980.

Auteur(s)

Lieve Gevers