Algemeen Vlaamsch Hoogstudentenverbond (AVHV)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

koepelvereniging voor Vlaamse studenten van verschillende universiteiten, gesticht op 4 april 1919 te Leuven, op initiatief van Leuvense en Gentse Vlaamse studenten, die zich ook openstelde voor oud-studenten van de Vlaamsche Hogeschool te Gent (1916-1918). Ideologisch koos het AVHV voor het Godsvredestandpunt, dit wil zeggen dat het inzake levensbeschouwing of partijpolitiek een strikte neutraliteit betrachtte, waardoor voor het eerst een samenwerking totstandkwam tussen de vrijzinnige studenten van Brussel en de katholieke van Leuven. De vertegenwoordiging van de Vlaamse studenten in de internationale studentenorganisaties en de toenadering tot Nederlandse studenten behoorden tot de voornaamste bekommernissen van het AVHV. De voorzitters waren Hilaire Gravez (1919), Albrecht Pil (1919-1920), Frans Strubbe (1920-1921), Dries Devos (1921- 1922), Jozef Vermeulen (1922-1923), Rarden Iserbyt (1923-1924), Paul-Felix Beeckman (1924-1925), Roger Soenen (1925-1926), Leopold van Houteghem (1926-1927), Geert de Rijcker (1927-1928), Frans Wildiers (1928-1929) en Jos L. Custers (1929-1932). Het groepeerde in 1929 volgende aantallen studenten: Antwerpen: 50, Brussel: 35, Gent 200 à 250; Leuven: 700; Luik: 20, Cureghem: 30. Het AVHV deed herhaalde pogingen om erkend te worden door de Conféderation internationale de Etudiants (CIE), die daar negatief tegenover stond omdat ze per land maar één koepelorganisatie wilde erkennen en dat was in België de UNEB (Union Nationale des Etudiants Belges), die het Vlaams-nationalistische AVHV niet als gesprekspartner wilde erkennen, maar in de CIE een belangrijke rol speelde omdat het UNEB-secretariaat in Brussel ook als CIE-secretariaat fungeerde. Pogingen om de CIE-leden te overtuigen volksgemeenschappen in plaats van staten te erkennen, onder meer door de distributie op het CIE-congres te Brussel in 1930 van een viertalige brochure getiteld Vlaanderens nood aan zelfstandigheid, leidden niet tot resultaat. Ondanks contacten in 1925 en 1927 met studentenorganisaties van de Bretoense nationalistische minderheid. Meer succesvol was de samenwerking met Nederland. In de beginjaren 1920 hernam het AVHV de traditie van de Groot-Nederlandse Studentencongressen, waarvan ze die in Vlaanderen organiseerde (te Leuven in 1920, 1924, 1928 en 1932; te Gent in 1923, 1926, 1930 en 1934). Op 5 mei 1923 sloot het AVHV als geheel aan bij het in 1922 opgerichte Dietsch Studentenverbond (DSV) en werd elke tak van het AVHV een afdeling van het DSV, dat in Nederland geen plaatselijke koepelorganisatie, maar een gewone ledenvereniging was, en daar de Groot-Nederlandse congressen organiseerde (1921 in Delft, 1925 in Leiden; 1927 in Wageningen; 1929 in Amsterdam; 1931 in Groningen en 1933 in Nijmegen). Over zelfbestuur of Groot-Nederland als doel werd aanvankelijk niets in de AVHV-statuten opgenomen, maar wel werd al vanaf 1921 amnestie geëist voor de activisten (activisme) en van meet af aan ook de volledige vernederlandsing van de Gentse universiteit. Het AVHV verwierp de tweetalige Nolf-universiteit (Nolf-barak) die in 1923 door het parlement werd aanvaard en riep een boycot uit van de overwegend Nederlandstalige afdeling. Dat leidde in AVHV-Gent tot een crisis, omdat aanvankelijk de vrijzinnige deelvereniging 't Zal wel gaan, de boycot niet steunde, en toen het daar in 1925 toe overging, in botsing kwam met zijn oud-ledenbond, en in 1927 opnieuw de boycot opgaf. Als geheel kende het AVHV een radicalisering in anti-Belgische zin, die versneld werd door de studentenrevolte na het Groot-Nederlands Studentencongres van 1924 in Leuven waardoor de Vlaams-nationalistische Leuvense studenten rechtstreeks in conflict kwamen met de bisschoppen, die de collegejeugd aan hun invloed wilden onttrekken en daardoor gingen optreden tegen het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond.

Het AVHV kantte zich tussen 1925 en 1927 tegen een Belgisch- Nederlands verdrag over het gebruik van gemeenschappelijke waterwegen, omdat daar Belgisch annexionisme in zou schuilen, en werd in 1927-1928 sterk meegezogen door het radicale weekblad Vlaanderen onder leiding van Robrecht de Smet, die in 1928-1929 met Leuvense preses van het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV), Seppe Coene, en de Gentse AVHV-voorzitter De Rijcker plannen smeedde om alle studentenverenigingen om te vormen of ondergeschikt te maken aan een nieuw op te richten Jong Vlaamsche Gemeenschap. Dat plan werd doorkruist door de Bormsverkiezing, die een nieuwe golf van Vlaams-radicalisme veroorzaakte en in Leuven hernieuwd conflict met de academische overheid waardoor preses Coene uit de universiteit werd gezet. In 1930 deed het AVHV mee aan de anti-1830-actie die onder krachtige impuls van Vlaanderen vooral door Groot-Nederlandse en DSV-kringen werd gepropageerd. De vernederlandsing van de Gentse Universiteit vanaf oktober 1930 zorgde ervoor dat een tweehonderdtal Lovanienses naar Gent trok, wat daar voor het AVHV een spoorslag betekende, zowel qua ledenaantal – dat tot 320 steeg – als qua politieke radicalisering. Dat was een gunstige voedingsbodem voor een door Vlaanderen-kringen uitgelokte hetze tegen het AVHV-bestuur van Custers(voorzitter 1929-1932) en Vermeulen (secretaris), omdat die zich met Belgische partijpolitiek zouden inlaten door deel te nemen aan een studiegroep die federalisme bestudeerde. AVHV-Gent vroeg in de lente 1931 hun ontslag, maar haalde in het algemene AVHV-bestuur geen meerderheid zodat het twistpunt uitdraaide op definitief invloedsverlies van de Vlaanderen-strekking, en een versterking van het meer gematigde Vlaams-nationalisme. Radicale manipulaties op het Groot-Nederlands Congres in 1932 te Leuven met het doel Frans van Cauwelaert als 'verrader' te brandmerken, leidde ook tot het averechtse effect dat het Leuvense AVHV zich achter Custers en Vermeulen opstelde en zich kantte tegen Vlaanderen. Dat leidde in juli 1932 op een DSV-AVHV-conferentie in Westerlo ook tot preciezere afspraken tussen beide deelgroepen, waarin het AVHV elke curatele van Nederlandse zijde verwierp, en besloot zich niet uit te spreken over de politieke strategie van federalisme of Groot-Nederland. Custers en Vermeulen namen ontslag en er werd geen nieuw hoofdbestuur verkozen door een tegengestelde ideologische evolutie in Leuven onder leiding Piet Meuwissen en Gent onder leiding van Reimond Tollenaere, zodat in de volgende jaren de overkoepelende AVHV-werking verloren ging. Een nieuwe overkoepeling kwam er pas in 1938, toen de UNEB zich omvormde tot Federatie van Studenten in België, wat mogelijk maakte dat naast de AEEF (Association des Etudiants d'Expression Française) er ruimte kwam voor een officieel erkende en nieuw opgerichte VVS (Vereniging van Vlaamse Studenten).

Literatuur

J. Vermeulen, Overzicht van de tienjarige werking van het AVHV 1919-1929, 1929; 
L. Vos, 'Ideologie en idealisme. De Vlaamse studentenbeweging in Leuven tussen de twee wereldoorlogen', in BTNG (1975), p. 263-328; 
id., 'De Dietse studentenbeweging. 1919-1940', in Acta Colloquium over de Geschiedenis van de Belgisch-Nederlandse betrekkingen tussen 1815 en 1945, 1982, p. 451-493; 
M. Vlayen, De evolutie van de Vereniging van Vlaamse Studenten. 1938-1962, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1982; 
K. Palinckx, 'Nu naar Gent!'. Vlaams-nationale en katholieke studentenbeweging te Gent 1928-1940, 1995.

Verwijzingen

zie: onderwijs (hoger: Gent).

Auteur(s)

Louis Vos