Algemeen Vlaams Comité

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

in 1949 opgericht met het oog op samenwerking tussen het Davidsfonds, het August Vermeylenfonds en het Willemsfonds.

Het comité was na de Tweede Wereldoorlog het eerste belangrijke initiatief om Vlaamsgezinden van diverse richtingen op basis van uitsluitend Vlaamse motieven te laten samenwerken. De beginselverklaring omvatte zeven punten: "1. De V.B. heeft tot doel de opgang, de waardigheid en de welstand van de Vlamingen te verzekeren; 2. De V.B. is niet de uitdrukking van een bepaalde partij of ideologische richting; zij wil integendeel de eensgezinde samenwerking van alle Vlamingen die bereid zijn te werken voor het welzijn van hun volk; 3. De V.B., getrouw aan de eeuwenoude vrijheidslievende tradities van ons volk, verwerpt alle totalitaire staatsopvattingen en huldigt het beginsel van een verdraagzame, sociale democratie; 4. De V.B. staat niet vijandig tegenover andere volkeren noch tegenover hun cultuur; 5. De V.B. staat loyaal tegenover het Belgische vaderland en beschouwt het als plicht van de staat de volledige ontplooiing van de taal en de beschaving van de Vlamingen te behartigen; 6. De V.B. staat op het standpunt dat Vlaams-België ééntalig Nederlands is; 7. De V.B. verzet zich niet tegen een onderzoek van Waalse grieven. Zij weigert echter afstand te doen van om het even welk verworven recht."

De eerste daad van het Comité was de publicatie van een motie waarin het weigerde de in het vooruitzicht gestelde uitslagen van de talentelling van 1947 te aanvaarden, "omwille van de algemeen vastgestelde valse verklaringen en de openlijke sabotage van het wetenschappelijk karakter van de volkstelling". Daarna publiceerde het Comité een Oproep tot alle Vlaamse parlementsleden, opdat zij de rechten van het Nederlands in het openbaar leven zouden verzekeren en opdat zij zelf zich bij alle parlementaire besprekingen zouden uitdrukken in de taal van hun kiezers. In de oproep wordt op enkele dringende vraagstukken gewezen: "Het niet naleven van de taalwetten, dat niet langer straffeloos zou mogen geschieden; het gezond maken van de Brusselse toestanden; de economie van Limburg; het definitief vastleggen, op wetenschappelijke wijze, van de taalgrens; de werkloosheid in de Vlaamse gewesten."

De katholieke Vlaamse parlementsfractie aanvaardde dit programma.

In december 1949 steunde het Comité het Algemeen Vlaams Congres. Begin 1950 publiceerden de drie fondsen een Motie over het Limburgse probleem. Daarin werd, op het ogenblik dat nieuwe kolenreserves moesten worden toegewezen, vastgesteld dat de "rijke Limburgse ondergrond destijds werd geconcedeerd zonder dat afdoende waarborgen werden bedongen voor de culturele gaafheid en de sociale zelfstandigheid van de Limburgse bevolking" en "zonder enige bekommernis om de verdere industriële uitbouw van de Vlaamse provincie Limburg". Thans werden in de motie die waarborgen gevraagd. Later, in maart 1950, had het Algemeen Vlaams Comité een onderhoud met premier Gaston Eyskens over het verzet tegen de talentelling en over de vernederlandsing van het bedrijfsleven. In oktober 1950 werd de premier gevraagd speciale cursussen "algemeen beschaafde taal" voor ambtenaren te organiseren en bij de aanwerving rekening te houden met hun bekwaamheid op dit gebied.

De publicaties van het Comité, dat zich in verscheidene studiegroepen verdeelde, evenals het Algemeen Vlaams Congres oogstten veel weerklank, maar de politieke omstandigheden (de Koningskwestie met de volksraadpleging) maakten het de initiatiefnemers erg moeilijk. Een nieuwe, soortgelijke actie zou na de publicatie van de talentelling in 1954 starten.

Literatuur

Verslag over het dienstjaar 1949 en 1950 van het Davidsfonds, z.j.; 
'Een Algemeen Vlaams Comité', in De Belleman, jg. 29, nr. 1 (februari 1950); 
H. Todts, Hoop en wanhoop der Vlaamsgezinden, I, 1961.

Auteur(s)

Gaston Durnez