Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond (AKVS)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(1903-1935) was de meest bekende organisatorische vormgeving van de katholieke Vlaamse studentenbeweging.

Het AKVS zorgde ervoor dat katholieke scholieren, seminaristen en universiteitsstudenten, die elkaar vonden in plaatselijke bonden met een grote functionele autonomie, op een structurele manier werden ingeschakeld in de V.B. In het AKVS was het bestuur aangeduid van basis naar top, hoewel een leidende elite van universiteitsstudenten en seminaristen een belangrijke eigen inbreng had die niet door de basis werd gecontroleerd. Die elite werd sterk beïnvloed door de gebeurtenissen in en de ideologische evolutie van de Leuvense wereld van Vlaamse studenten, waartoe ze immers grotendeels zelf behoorde, zodat ze vaak probeerde de scholieren-achterban, gelijke pas te doen houden met de inzichten die in Leuven groeiden. Dat gaf soms aanleiding tot interne tegenstellingen en spanningen met de kerkelijke overheid. Via die elite vooral, maar ook via het optreden van Vlaamse voormannen die het woord voerden op gouw- of landdagen of die schreven in tijdschriften die zich specifiek tot de studerende jeugd richtten, en via de invloed in plaatselijke bonden en in de colleges van proosten en priester-leraars, was het AKVS nauw vervlochten met de bredere V.B., waarin het vrij vlug een eigen plaats kon veroveren, en toch ook een relatieve zelfstandigheid wist te handhaven. Inzake waardepatroon bleef de katholieke Vlaamse studentenbeweging en haar organisatie het AKVS vasthouden aan het tweespan 'Vlaams en katholiek', terwijl ze als specifieke doelstelling de vorming van de eigen leden vooropstelde, maar dan een vorming gericht op een militante deelname aan de V.B. "later", die daarom ook "nu al", in de leer- en vormingsjaren, de leden vertrouwd diende te maken met alle problemen waarmee de V.B. geconfronteerd werd.

Het AKVS werd opgericht in 1903, als derde bundeling van gouwbonden en plaatselijke bonden, na het teloorgaan van de Vlaamsche Studentenbond van 1877-1880 en van het Katholiek Vlaamsch Studentenverbond van 1890-1892. Het AKVS maakte in maart 1935 plaats voor het Algemeen Katholiek Dietsch Studentenverbond (AKDS). De geschiedenis van het AKVS is gedeeltelijk die van de katholieke Vlaamse studentenbeweging. De overkoepelende werking was na 1892 stilgevallen, grotendeels ten gevolge van het verbod van aartsbisschop Petrus L. Goossens aan zijn seminaristen nog deel uit te maken van het studentenverbond. In 1895 werd het organiseren van een gouwdag in Antwerpen opnieuw toegestaan en in hetzelfde jaar kwam er een Oost-Vlaamse en Limburgse gouwbond tot stand. In 1898 werd een Brabantse gouwbond opgericht en in 1899 kwam er een studentenlanddag in Mechelen. De snelle aangroei van de plaatselijke bonden rond 1900 en de oprichting van een Vlaamsch Verbond (het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond) in Leuven in 1902 maakte de beweging rijp voor de definitieve bundeling van vijf gouwbonden in een AKVS, dat werd opgericht op 30 augustus 1903 in Sint-Niklaas. Het Verbond werd vanuit Leuven geleid door een raad van studenten en seminaristen die er studeerden en door de afgevaardigden van de bonden werden verkozen. Het eerste AKVS-hoofdbestuur had Leo van Puyvelde als voorzitter. Vanaf 1903-1904 consolideerde het AKVS-hoofbestuur zich in Leuven en organiseerde jaarlijks een AKVS-landdag in de grote vakantie. Het werd gewoonte dat de gouwbonden in de paasvakantie hun gouwdagen hielden. In 1913 werd door scheutist Jozef Calbrecht een Vlaams Studentensecretariaat opgericht dat de contacten tussen bonden en bestuur moest kanaliseren. Er waren toen circa 120 bonden aangesloten bij het AKVS.

De Eerste Wereldoorlog onderbrak de overkoepelende werking, onder meer omdat de Leuvense universiteit gesloten bleef. Enkel de Limburgse gouwbond die in 1913 gereorganiseerd was en door seminaristen vanuit het Luikse seminarie werd geleid kon enigszins doorwerken. Na de wapenstilstand duurde het een hele tijd eer de Leuvense AKVS-leiding en het Studentensecretariaat opnieuw activiteiten ontwikkelden. Daardoor kwamen er eerst al initiatieven vanuit de basis, zoals in Antwerpen het tijdschrift Storm en in Lier het Katholiek Vlaamsch Secretariaat voor Studentenarbeid, die nadien door het Leuvense AKVS werden teruggefloten. Vanaf 1919-1920 was Leuven opnieuw de draaischijf van het AKVS waar het secretariaat verder werd uitgebouwd en van waaruit een eigen driemaandelijks tijdschrift De Blauwvoet vanaf 1920 begon te verschijnen. Eerst kwam het initiatief nog van vooroorlogse leiders zoals Filip de Pillecyn, Calbrecht en L. de Jonghe, maar de echte organisatorische bloeiperiode was vooral het werk van de eerste naoorlogse generatie in het bijzonder van de ploeg rond Berten Catry, die van 1921 tot 1924 algemeen voorzitter was. Het tijdschrift kende toen een maximale oplage van 4300 exemplaren. Het AKVS was georganiseerd per gouw (provincie), met een eigen bestuur, die het kader vormde voor het samenkomen van plaatselijke bonden op gouwdagen. De vijf gouwbesturen vormden samen in Leuven het hoofdbestuur van het AKVS dat werd voorgezeten door een algemeen voorzitter. In 1923-1924 waren er 223 plaatselijke bonden aangesloten, waarvan 1/3 in West-Vlaanderen, 1/5 in Oost-Vlaanderen, 1/6 zowel in Antwerpen als Limburg en 1/10 in Brabant. Een beredeneerde schatting van het ledenaantal in verhouding tot het aantal collegeleerlingen in de jaren 1920 leert ons dat toen in Limburg ten minste 3/4 van de katholieke collegeleerlingen lid was, in West-Vlaanderen zeker de helft, in Oost-Vlaanderen wellicht 2/5 en in de provincie Antwerpen ten minste 1/3.

Het AKVS kwam in de loop van de jaren 1920 in conflict met de kerkelijke overheid, omdat de hoofdleiding systematisch aanstuurde op een radicalisering in anti-Belgische Vlaams-nationalistische richting. Pogingen om de plaatselijke bonden gelijke pas te doen houden met de vanuit Leuven voorgehouden koers leidde tot interne spanningen en ongenoegen van een aantal plaatselijke bonden. De ontknoping van de Leuvense studentenrevolte van 1924-1925 met de door Leuvense studenten afgekondigde boycot van de kerkomhalingen voor de katholieke universiteit, was voor de meest Vlaamsgezinde bisschop Martinus-Hubertus Rutten van Luik aanleiding om de Limburgse gouwbond los te scheuren van het AKVS en het opnieuw onder bestuur van seminaristen vanuit Luik te plaatsen. De derde generatie AKVS-leiders die gevormd was door de Leuvense revolte, met figuren als Leo Wouters, Seppe Coene en René Lagrou gaven tot rond 1928 de toon aan. Ze stelden zich zelfbewust en onverzoenlijk op in hun onderhandelingen met de kerkelijke overheid naar aanleiding van het lanceren van de Katholieke Actie (KA) voor de studerende jeugd. Ze slaagden er niet in de kerkelijke overheid zover te brengen dat ze het AKVS wilde laten toetreden tot de KA-koepel. In Oost-Vlaanderen hakte bisschop Honoré Coppieters daarop de knoop door. Hij wilde de Katholieke Studentenactie (KSA) in zijn bisdom naar Limburgs voorbeeld modelleren, de plaatselijke studentenbonden doen afhaken van AKVS en de traditie van de katholieke Vlaamse studentenbeweging verder zetten in een bisschoppelijk goedgekeurde beweging die zowel katholieke als Vlaamse actie beoogde. In West-Vlaanderen bedacht proost Karel Dubois een eigen standpunt: zijn KSA zou enkel kerkelijk strijdend zijn, starten met geheel nieuwe bonden en de oude studentenbonden niet inschakelen in de KSA. In Antwerpen en Brabant – het aartsbisdom – kon het AKVS tot de beginjaren 1930 zonder veel tegenwerking voortbestaan en werd pas in 1932 gestart met KSA aanvankelijk naar West-Vlaams model in nieuwe bonden die de oude studentenbonden links lieten liggen.

De ondergang van het AKVS was een proces waarin drie ontwikkelingen op mekaar inspeelden: het functieverlies als gevolg van een toenemende radicale anti-Belgische opstelling, de toenemende behoefte in de Kerk om een KA te starten onder strikt hiërarchische leiding en de inschakeling van jeugdgroepen in volwassenenformaties die pretendeerden een oplossing te bieden voor de crisis waarin de westerse maatschappij in de jaren 1930 verzeild was geraakt. Het was niet toevallig dat in deze grote transformatie van het jeugdlandschap overal de verenigingsdemocratie werd opgeofferd aan het meer moderne leidersbeginsel. Daarom kan men vanaf 1933 enkel nog maar spreken van de erfgenamen van de traditionele katholieke Vlaamse studentenbeweging en was het verdwijnen van de naam AKVS meer dan alleen maar een toevallige verandering. De tijd van het AKVS was voorbij. Het was geïsoleerd geraakt door zijn radicale politieke opstelling, werd doodgeknepen door kerkelijke verbodsbepalingen en weggeconcurreerd door de nieuwe KA-formaties, en ging ten onder aan interne tegenstellingen en spanningen in het Vlaams-nationalistische kamp.

De verantwoordelijkheid voor de ondergang van het AKVS werd door oud-leden en Vlaams-nationalisten in het algemeen uitsluitend in de schoenen geschoven van de Kerk. Dat gebeurde in de eigentijdse bewegingsbladen, in de pre-wetenschappelijke gedenkschriften van de jaren 1940 en 1950 en opnieuw met grote regelmaat in de sinds 1980 verschijnende AKVS-Schriften. Al is het optreden van de Kerk maar een factor, toch is het zo dat het samengaan van anti-nationalistische repressie van de kerkelijke overheid met het kanaliseren van de studerende jeugd naar de KA, de ondergang van het AKVS een dramatisch karakter heeft gegeven. Het wekte bij velen die voor de keuze werden gesteld tussen gehoorzaamheid aan de bisschop of trouw aan hun Vlaams ideaal het gevoelen onrecht te zijn aangedaan.

Literatuur

L. Vos, Bloei en ondergang van het AKVS, 2 dln., 1982.

Verwijzingen

zie: Antwerpen-provincie, De Blauwvoet (1920-1941), katholieke Vlaamse studentenbeweging.

Auteur(s)

Louis Vos