Algemeen Christelijk Werknemersverbond (ACW)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

voorheen Algemeen Christelijk Werkersverbond, koepel van de christelijke arbeidersbeweging, gesticht op 17 juli 1921.

De initiatiefnemers voor de stichting van het ACW waren vooral Vlamingen en hun motief was dubbel. De politiek kwam op de eerste plaats. Door bundeling van krachten hoopten de christelijke arbeiders een eigen plaats in de katholieke partij te kunnen innemen. Dit streven naar politieke autonomie was in Vlaanderen ook ingegeven door een Vlaamsgezinde reflex: de arbeiders wezen de voogdij van de conservatieve en Fransgezinde burgerij af. Onder druk van het jonge ACW werd in augustus 1921 de Katholieke Unie opgericht, wat tot een daadwerkelijke vervlaamsing van de katholieke partij leidde. Gedurende de tussenoorlogse periode bleef het politieke optreden een opvallende karakteristiek van het ACW, dat zich nochtans verzette tegen een afzonderlijke christen-democratische partij. Het tweede motief achter de nieuwe organisatie lag in de zogenaamde volksontwikkeling. Het ACW wenste door een waaier van activiteiten gaande van voordrachten, over ontwikkelingsavonden en lectuurverspreiding, het religieuze, morele en intellectuele peil van de arbeiders te verhogen. Ook hier speelde een Vlaamsgezinde reflex, namelijk de bekommernis voor de Vlaamse volksverheffing. Het ACW nam geleidelijk ook de taken over van het Algemeen Secretariaat van Sociale Werken, geleid door pater Georges Rutten. Het betrof hier hoofdzakelijk de verantwoordelijkheid over de Sociale School van Heverlee en over de Vlaamse en Waalse Sociale Weken.

In zijn structuur imiteerde het ACW de Belgische Werkliedenpartij: plaatselijk werden de leden van vakbonden, mutualiteiten en andere verenigingen collectief aangesloten bij het zogenaamde werkersverbond; de werkersverbonden vormden samen het Algemeen Christelijk Werkersverbond, dat in zijn nationale bestuursorganen plaats inruimde voor een vertegenwoordiging van het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV), de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (LCM), de vrouwen- en de jeugdorganisaties. Op die manier zorgde het ACW tegelijk voor de verstandhouding tussen alle delen van de beweging. Voor de financiering van zijn werking en tegelijk voor de bescherming van de verbruiker streefde het ACW naar de uitbreiding van de coöperatieve ondernemingen. Zo werden onder andere een eigen spaarkas (BAC, thans BACOB Bank), een eigen verzekeringsmaatschappij (DVV) en een eigen handelsketen (Welvaart) opgericht, waarvoor het Landelijk Verbond van Christelijke Coöperaties (thans Arco) vanaf 1935 als sociale holding ging optreden.

Het ACW was tot 1940 een unitaire organisatie, dit wil zeggen dat zijn gezag zich uitstrekte over gans België. Aan Franstalige kant droeg het de naam Ligue nationale des Travailleurs chrétiens (LNTC). Maar het Vlaamse overwicht was eclatant. Het aandeel van de Vlamingen in het aantal betalende leden voor 1940 bedroeg steeds meer dan 80%. Ook de leiding lag in Vlaamse handen. Hendrik Heyman, oud-medewerker van pater Rutten, werd de eerste voorzitter van het ACW. Hij bleef dit tot 1946 met een onderbreking tussen 1927 en 1934 toen Edmond Rubbens die taak overnam. Stichter en eerste bezieler tot aan zijn overlijden in 1936 was evenwel Louis Colens, priester van het bisdom Brugge, die behalve moreel raadgever aanvankelijk ook secretaris was. Die laatste functie werd in 1927 toevertrouwd aan de Antwerpenaar Paul-Willem Segers, die gedurende bijna een halve eeuw de spilfiguur van het ACW zou blijven.

Tegen dat Vlaamse overwicht groeide op het einde van de jaren 1930 verzet van Waalse zijde. Het Waalse minoriteitsgevoel, dat ook in de vakbond aanwezig was, leidde tijdens de Duitse bezetting naar aanleiding van de Vlaamse houding tegenover de eenheidsvakbond zelfs tot een scherpe crisis. Na de bevrijding dwongen de Walen een confederale structuur af met een Vlaams ACW en een Franstalig Mouvement ouvrier chrétien (MOC). Die vrijwel complete scheiding werd in 1949 afgezwakt door de schepping van het Nationaal Bureau ACW-MOC, dat het mogelijk maakte gemeenschappelijke standpunten te bepalen. ACW en MOC behielden echter elk een eigen voorzitter, secretaris en proost.

Niet alleen de structuur, maar ook de functie onderging aanzienlijke veranderingen na de Tweede Wereldoorlog. De stichting van de Christelijke Volkspartij (CVP) als ledenpartij en van de Katholieke Werkliedenbond (KWB) als vormingsorganisatie voor volwassen arbeiders, herleidde het ACW-MOC tot een in hoofdzaak coördinerende instantie zowel op plaatselijk als op nationaal vlak. Het ACW profileerde zich dan vooral door gemeenschappelijke initiatieven op het vlak van de vrijetijdsbesteding (Vakantiegenoegens), de studie- en beroepsoriëntering en de sociale huisvesting. Spanningen binnen de CVP leidden evenwel al vanaf 1949 tot het opnieuw accentueren van een politieke rol.

De twee-eenheid ACW-MOC bleef niet zonder groeiende spanningen behouden tot omstreeks 1968. De kwestie-Leuven (onderwijs) leidde toen tot een verwijdering, die werd bezegeld door de keuze van het MOC voor het politieke pluralisme in 1972. In 1978 werden nog met veel moeite gezamenlijk de Fundamentele Doelstellingen publiek gemaakt, maar nadien ging elkeen zijn eigen weg. Het ACW veranderde eenzijdig zijn statuten in 1985 en wijzigde toen zijn naam in Algemeen Christelijk Werknemersverbond. Sedert 1991 luidt de naam ACW Koepel van Christelijke Werknemersorganisaties.

Literatuur

E. Gerard (ed.), De christelijke arbeidersbeweging in België, 2 dln. (KADOC-Studies, nr. 11, 1991); 
P. Pasture, Kerk, politiek en sociale actie. De unieke positie van de christelijke arbeidersbeweging in België, 1992.

Auteur(s)

Emmanuel Gerard