Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

overkoepelende organisatie van het christelijk syndicalisme in België.

Het ACV wordt gevormd door 17 centrales die de beroepsbelangen van de aangesloten leden verdedigen en 23 gewestelijke verbonden die de woonplaats van de leden als uitgangspunt van die belangenverdediging hebben.

De eerste christelijke vakorganisaties ontstonden rond 1890 in Gent en hadden als belangrijkste kenmerk het antisocialisme. Met de oprichting in 1904 van het Algemeen Secretariaat der Christelijke Beroepsverenigingen kwam de propaganda voor het christelijk syndicalisme in een stroomversnelling. Op initiatief van het Algemeen Secretariaat werd in 1912 door de beroepscentrales het ACV opgericht. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was het aantal leden vertienvoudigd tot 123.000. Reeds in deze periode was het ACV een overwegend Vlaamse vakbond met gemiddeld 80% Nederlandstalige leden. De oorlog bracht vele vakbondsleiders zeer dicht bij de standpunten van de Vlaamse voormannen. Dat leidde in 1918 bijna tot een breuk in het ACV. Voorzitter Hendrik Heyman pleitte toen onder meer voor de scheiding van het Belgisch leger in Vlaamse en Waalse regimenten en voor het behoud van de Belgische eenheidsstaat mits invoering van de culturele autonomie en de gelijkheid van de twee nationale landstalen.

Na de Eerste Wereldoorlog concentreerde het ACV zich duidelijker op zijn taak als vakbeweging. Algemeen-politieke kwesties alsook standpuntbepalingen tegenover het Vlaamse emancipatiestreven werden overgelaten aan het in 1921-1923 opgerichte Algemeen Christelijk Werknemersverbond (ACW). Deze houding werd mee in de hand gewerkt door het feit dat in heel de tussenoorlogse periode het ACV feitelijk werd geleid door de Waal Henri Pauwels, algemeen secretaris sinds 1921 en nationaal voorzitter van 1932 tot 1946. Deze communautair neutrale houding verhinderde evenwel niet dat sommige vakbondsleiders, zoals Emiel Verheeke (textielcentrale), Antoon Wolfs (openbare diensten) en uiteraard de gewestelijke vakbondsleiders in Vlaanderen, zich soms zeer Vlaamsgezind opstelden. Overigens telde het ACV in de jaren 1920 gemiddeld bijna 90% Nederlandstalige leden. In de jaren 1930 klom het aantal Franstalige leden tot 20% en kwamen Vlaams-Waalse spanningen aan de oppervlakte onder de vorm van klachten over de Waalse ondervertegenwoordiging in de ACV-bestuursorganen.

Eind 1940 kwam het tot een breuk binnen het ACV toen de leiding het niet eens raakte over welke houding men moest aannemen tegenover de bezetter. Aan de basis van deze onenigheid lagen deels ideologische motieven, maar zeker ook de verschillende positie van het ACV in beide landsdelen. In Vlaanderen werd het Verbond belaagd door autoritaire tendensen vanuit Vlaams-nationale hoek. In Wallonië bestond iets dergelijks niet en had bovendien de socialistische vakbeweging resoluut voor het verzet gekozen. Tijdens de beslissende stemming op 13 november 1940 liep de scheidingslijn tussen medewerking met en verzet tegen de bezetter grosso modo tussen de Vlaamse en Waalse vertegenwoordigers in het ACV-bestuur. De (hoofdzakelijk) Vlaamse voorstanders traden toe tot de door de bezetter opgerichte eenheidsvakbond, de Unie van Hand- en Geestesarbeiders. In augustus 1941 verbraken ook de Vlaamse ACV-leiders de samenwerking met de bezetter en na moeizame gesprekken kwam er onder druk van kardinaal Ernest-Joseph van Roey en dankzij de verzoenende houding van voorzitter Pauwels een nieuwe eenheid tot stand. Maar die was broos, want invloedrijke Waalse ACV-leiders weigerden samen te werken met de 'collaborateur' August Cool, wat enkel verdoezeld werd door het feit dat de Waal Pauwels voorzitter was. Toen deze in 1946 verongelukte, riskeerde de Waalse ACV-vleugel totaal buitenspel te geraken. Op aandringen van de Waalse ACV-leiders aanvaardde toen Louis Dereau, vóór de oorlog nationaal propagandist voor Wallonië, om algemeen secretaris te worden. Tot 1960 bleef het ACV gemiddeld zo'n 80% Nederlandstalige leden tellen. Daarna zou dit aandeel langzaam afnemen tot ongeveer 75% in 1995. In de eerste jaren na de oorlog bleef de ontevredenheid aan Waalse kant groot; ze werd nog versterkt door de Koningskwestie. Overigens trachtte het ACV na 1945 alles te doen om de communautaire splijtzwam geen kans te geven in eigen rangen. De Waalse vertegenwoordiging in de bestuursorganen werd meermaals aangepast en het was slechts onder zware druk van de Vlaamse gewestelijke verbonden en vooral de christelijke bediendenvakbond, de Landelijke Bedienden Centrale (LBC), dat het ACV op zijn congres in 1955 zich uitsprak voor de vernederlandsing van het bedrijfsleven. In het algemeen kan men wel zeggen dat de christelijke arbeidersbeweging onder impuls van het ACV in haar Vlaams programma steeds meer de nadruk op sociaal-economische eisen ging leggen.

Zware communautaire spanningen staken de kop op naar aanleiding van de acties tegen de zogenaamde Eenheidswet rond de jaarwisseling 1960-1961. De Waalse socialistische arbeidersbeweging schoof toen voor het eerst het federalisme naar voren als dé oplossing voor de economische problemen. Een aantal Waalse ACV-verbonden sloot zich hierbij aan en weigerde de nationale ACV-richtlijnen op te volgen. Een commissie trachtte achteraf de plooien glad te strijken door de gewaarborgde Waalse aanwezigheid in de bestuursorganen nogmaals op te trekken; dit zou echter niet verhinderen dat parallel met de politieke ontwikkelingen in ons land de communautaire discussie in het ACV sindsdien nooit meer van de agenda is verdwenen. Na de eerste staatshervorming in 1970 besliste het ACV-bestuur in december 1974 de syndicale actie regionaal te diversifiëren en in oktober 1978 werden Regionale Comités ingesteld voor Vlaanderen, Wallonië en Brussel met beslissingsbevoegdheid voor die sociale en economische materies die aansloten bij de politieke regionalisering. Op 22 mei 1984 werden de statuten van het ACV ten slotte aangepast aan deze feitelijke toestand. Sindsdien is de werking van de Regionale Comités, gelijklopend met de steeds verdergaande regionalisering van ons land, nog sterk toegenomen. In dat kader werden overigens aan het eind van de jaren 1980 de onderwijscentrales geregionaliseerd, zodat het ACV nu zeventien centrales telt waarvan acht (de bedienden- en onderwijscentrales) op regionale basis. Het ACV is voor zijn intern beleid en vooral voor wat zijn programma betreft (onder andere tegen een federalisering van de sociale zekerheid) een nationale organisatie gebleven, maar de concrete werking is sterk geregionaliseerd.

Literatuur

J. Neuville, La C.S.C. en l'an 40, 1988; 
P. Pasture en J. Mampuys, In de ban van het getal. Ledenanalyse van het ACV 1900-1990, 1990; 
J. Mampuys, 'De christelijke vakbeweging', in E. Gerard (red.), De christelijke arbeidersbeweging in België 1891-1991 (KADOC-Studies, nr. 11, 1991, II), p. 147-271; 
P. Pasture, Kerk, politiek en sociale actie. De unieke positie van de christelijke arbeidersbeweging in België 1944-1973, 1992.

Auteur(s)

Jozef Mampuys