Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

interprofessionele socialistische vakbond die nationale centrales en intergewestelijken verenigt.

Het socialistisch syndicalisme kwam pas vrij laat tot bloei. Bij de oprichting van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) in 1885 waren de socialistische vakbonden nog praktisch onbestaande. In de beginperiode vormden ze trouwens vrijwel één geheel met de BWP. In 1898 werd de Syndikale Kommissie (SK) gecreëerd. Daarbij konden alle syndicaten die het principe van de klassenstrijd erkenden, aansluiten. De SK had echter weinig autonomie en weinig financiële middelen. De aangesloten vakbonden waren nog erg versnipperd en voor het grootste deel georganiseerd op basis van het beroep. Door de groeiende mechanisering en arbeidsverdeling gingen de beroepssyndicaten zich meer en meer omvormen tot nijverheidssyndicaten. Het gevolg was dat rond de eeuwwisseling heel wat syndicaten werden gecentraliseerd in nationale federaties of centrales. Binnen de SK bleven de centrales wel een grote zelfstandigheid genieten. De nood aan een stevige syndicale organisatie kwam ook tot uiting in een gewestelijke centralisatie. De gewesten werden vooral ingeschakeld om het administratief werk van de centrales te verlichten.

Gaandeweg werd de SK iets onafhankelijker van de partij. Zo werd in 1907 statutair vastgelegd dat ook de vakbonden die niet bij de BWP waren aangesloten werden opgenomen in de zogenaamde Syndikale Kommissie van de Werkliedenpartij en van de Onafhankelijke Syndicaten van België. Na de Eerste Wereldoorlog zette deze evolutie zich verder. De vakbonden verwierven door hun groeiend ledental trouwens een steeds sterkere positie. Door de oprichting van de eerste paritaire comités in 1919 werd de erkenning van de vakbonden als collectieve vertegenwoordiging van de arbeiders een feit. Een rol die nog versterkt werd op de eerste Nationale Arbeidsconferentie in 1936 met vertegenwoordigers van vakbonden, werkgevers en regering. Met dit alles groeide ook de behoefte om tussen de centrales en de gewesten een grotere eenheid tot stand te brengen en meer onafhankelijk te worden van de partij. Met dit doel werd de SK in 1937 omgevormd tot het Belgisch Vakverbond (BVV).

Na de Tweede Wereldoorlog was de drang naar syndicale eenmaking sterk aanwezig. In het verzet hadden de verschillende syndicaten immers dezelfde doelstellingen nagestreefd. Na onderhandelingen met verschillende syndicale organisaties (waaronder het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV), dat later afhaakte) werd in april 1945 op het fusiecongres het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV) opgericht. Het was een versmelting van het BVV en drie syndicale verzetsorganisaties, waarvan één sterk communistisch geïnspireerd was. In de nieuwe beginselverklaring werd uitdrukkelijk gesteld dat het ABVV totaal onafhankelijk was van de Belgische Socialistische Partij (BSP) (waarin het collectieve lidmaatschap vervangen werd door het individuele). Ook de syndicale structuren werden aangepast. Het ABVV kreeg als interprofessionele organisatie ruimere bevoegdheden. De vakcentrales bleven wel sterk zelfstandig. Vanaf de jaren 1950 werden ook de gewesten organisatorisch op punt gezet. Bij het begin van de jaren 1960 begon de problematiek van de regionalisering het ABVV te beroeren. De staking van 1960-1961 lokte een duidelijk verschillende reactie uit in Wallonië en Vlaanderen. Waar zij in Wallonië vrijwel algemeen was, waren in Vlaanderen vooral de industriële bolwerken en de meest radicale lagen van de arbeidersbevolking erbij betrokken. Binnen het ABVV leidde de staking tot het in vraag stellen van de unitaire structuur. Door de Waalse vleugel van het ABVV werd een coördinatiecomité van de Waalse ABVV-gewesten opgericht en in januari 1961 werd door een groot aantal afgevaardigden en militanten een verklaring ondertekend met de eis voor een confederale structuur voor het ABVV. Op het ABVV-congres van 1963 werd een 'overgangsregime' gestemd waarbij de taalpariteit werd verzekerd in het Secretariaat en het Bureau en waarbij de taalkundige minderheid een beroep kon doen op een soort 'alarmbel' in het Congres en het Nationaal Comité. Het "addendum" op dit akkoord voorzag in de mogelijkheid tot het oprichten van zogenaamde intergewestelijken en werd in praktijk gebracht op het ABVV-congres van 1968 met de oprichting van de Waalse Intergewestelijke. Hetzelfde jaar zag ook de Vlaamse Intergewestelijke het licht. De opdracht van beide organisaties bleef wel beperkt tot "de studie en het suggereren van oplossingen voor de gewestelijke economische problemen", zodat ze eigenlijk geen echte beslissingsbevoegdheden hadden. Pas op het buitengewoon congres van 1978 werd het statutair bestaan van de Vlaamse en Waalse Intergewestelijken erkend, met een gelijke vertegenwoordiging van de centrales en de gewesten. Concreet betekende dit dat de intergewestelijken zelfstandig konden optreden ten aanzien van alle materies die op politiek vlak tot de bevoegdheid behoren van de gewesten en de gemeenschappen. Op hetzelfde congres werd het Brussels ABVV-gewest omgevormd tot Brusselse Intergewestelijke.

Het debat over de interne structuren werd hervat naar aanleiding van de wet op de institutionele hervormingen van augustus 1980. Op het ABVV-congres van 1982 kregen de intergewestelijken onder impuls van algemeen secretaris Georges Debunne meer gewicht toegekend in de nationale bestuursorganen. De bedoeling was vooral een compromis tot stand te brengen tussen die krachten in het ABVV die aandrongen op een grotere macht voor de intergewestelijken en de voorstanders van een sterke unitaire vakbond. Sindsdien blijft de spanning tussen de 'centralistische' en de 'intergewestelijke' tendens latent aanwezig. Maar ook tussen de intergewestelijken onderling blijken soms verschillen in politieke opstelling.

Literatuur

'Les structures du monde socialiste en Belgique et leur évolution. La Fédération Générale du Travail de Belgique', in Courrier hebdomadaire du CRISP, nr. 572 (1972), p. 1-30; 
Struktuur van het ABVV. Huidige situatie, 1980; 
Struktuur van het ABVV (historisch overzicht), 1982; 
M. van Haegendoren en L. Vandenhove, 'Morfologie van de socialistische zuil', in De Nieuwe Maand (1983), p. 640-675; 
Loon naar Werken? Geschiedenis van het ABVV, 1984; 
H. Slomp en T. van Mierlo, Arbeidsverhoudingen in België. Deel 2: van 1940 tot heden, 1984; 
E. Arcq, 'Les structures internes de la FGTB', in Courrier hebdomadaire du CRISP (1987), p. 1-32.

Auteur(s)

Paule Verbruggen