Algemeen-Nederlands Verbond (ANV)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

een in 1895 door Hippoliet Meert te Brussel opgericht verbond met aanvankelijk de belangen van de Nederlandse taal als strijddoel, maar later ook die van de zogenaamde 'Nederlandse stam'.

In 1896 startte Meert met de uitgave van het verbondsperiodiek Neerlandia. Een jaar later stelde de Nederlandse taal- en letterkundige Hermanus Kiewiet de Jonge, tijdens het Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres te Dordrecht, voor een Algemeen Nederlandsch Taalverbond te stichten. Van het initiatief van Meert zou hij, merkwaardig genoeg, niet op de hoogte zijn geweest. In 1898 werd in onderling overleg de hoofdzetel van het ANV van Gent naar Dordrecht overgebracht en werden er nieuwe statuten aangenomen. Het ANV was als gevolg daarvan een Nederlands-Vlaams verbond geworden.

Bij de vraag naar het ontstaan en de aard van het Verbond moet de evolutie van de V.B. goed voor ogen worden gehouden. Daarnaast is ook de persoonlijke invloed van Meert in de beginfase van het ANV belangrijk. In 1895 was de positie van het Nederlands in België nog steeds inferieur aan die van het Frans. De taalwetten, die in de twee decennia daarvoor waren aangenomen, hadden de bestaande praktijk nauwelijks veranderd. De invoering van het algemeen meervoudig stemrecht in 1893 had in theorie nieuwe kansen kunnen bieden voor het Nederlands. Het is niet ondenkbaar dat de liberaal Meert op de tijdsomstandigheden probeerde in te spelen. Dit vermoeden wordt versterkt door de acties die het ANV-Gent in 1897 voerde om de zogenaamde Gelijkheidswet ingevoerd te krijgen. Het Verbond was nauw met de V.B. verweven.

Na 1898 begon zich binnen het ANV geleidelijk een tweedeling af te tekenen. In Nederland bestond veel onwetendheid over de aard van de V.B., terwijl men in Vlaanderen weinig voelde voor een culturele annexatie door Nederland. De contacten, die door de diverse taal-en letterkundige congressen (Nederlandse congressen) werden onderhouden, volstonden niet om het ANV als een werkelijk Groot-Nederlands verbond door het leven te doen gaan. Het ANV propageerde neutraliteit op zowel politiek als levensbeschouwelijk vlak, zodat een actieve steun vanuit Nederland aan de V.B. al bij voorbaat was uitgesloten. Men pochte daar vooral nationalistisch met de eigen waarde en geschiedenis, terwijl ietwat afstandelijk naar de Vlaamse ontvoogdingsstrijd en naar Vlaanderen zelf werd gekeken. Daarentegen werd de situatie in het 'stamverwante' Zuid-Afrika nauwlettend in de gaten gehouden. Het ledental, dat in Nederland langzaam tot zo'n achtduizend opliep tegen de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, doet een actieve organisatie vermoeden. Bij de aanvang was echter in de groep-Nederland van het ANV een kleinburgerlijke en, wat misschien voor het Verbond nog erger was, kleinnederlandse toon gezet.

In Vlaanderen was de situatie waar het Verbond mee te maken kreeg, uiteraard een geheel andere dan in Nederland. De strijd voor de vernederlandsing van de Gentse rijksuniversiteit (onderwijs) vormde in de periode tot 1914 een van de belangrijkste punten op het verlanglijstje van de Vlaamsgezinden. In het ANV in Vlaanderen was de liberale inbreng vrij groot, getuige hiervan het lidmaatschap van personen als Julius Mac Leod, Lodewijk de Raet, Meert, Pol de Mont, Julius Sabbe en Julius Obrie. De tweede Vlaamsche Hoogeschoolcommissie werd in 1907 ingesteld op een algemene vergadering van de groep-België van het ANV. Het Verbond bleef aldus in België verweven met de V.B. De acties van de Vlaamsgezinden raakten door de hogeschoolperikelen in een stroomversnelling; die bleek het Verbond goed te kunnen bijhouden. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog moesten de plannen voor een vernederlandste universiteit voor onbepaalde tijd worden uitgesteld. Het activisme en de Flamenpolitik van tijdens de oorlog zetten ook de toon voor de positie van het ANV in Vlaanderen tijdens het interbellum. Het hoofdbestuur wilde per se geen inmenging in zaken van de V.B., die zij bestempelde als binnenlandse aangelegenheden van België. P.J. de Kanter, die in 1920 Kiewiet de Jonge als verbondsvoorzitter was opgevolgd, was een kleinnederlander pur sang en maakte van het ANV door zijn overwicht in het hoofdbestuur een Noord-Nederlandse aangelegenheid. Met Vlaanderen had het ANV nog maar weinig op.

In Nederland was het interbellum voor wat betreft het karakter van het Verbond in wezen analoog aan de jaren die eraan vooraf waren gegaan. Men propageerde een cultureel verbond te zijn en handelde ook in die geest. De activiteiten die men organiseerde, zoals lezingen, excursies en tentoonstellingen, getuigden hiervan. Ook op het gebied van spellingkwesties en boekverspreiding deed het ANV van zich spreken. Tegen de meer radicale verbondsleden, die na hun afsplitsing in De Dietsche Bond (1917) en het Dietsch Studentenverbond (1922) lid van het ANV waren gebleven, trad het hoofdbestuur soms resoluut op als hun gedrag het neutrale karakter van het ANV kon schaden. Voor alles moest de regeringssubsidie behouden blijven en dat was enkel mogelijk als het ANV zich manifesteerde als een zuiver culturele organisatie. Tijdens het interbellum heeft het Verbond dat doel immer nagestreefd. In bestuurlijk opzicht bleef de samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen zichtbaar. De afdelingen in Noord en Zuid onderhielden contacten met elkaar, door sprekers uit te wisselen die voordrachten hielden over taal, literatuur en cultuur. Via het verbondsblad Neerlandia bleef men eveneens wederzijds op de hoogte. Groot-Nederlands was het ANV in deze periode dus zeker niet; trouwens, al van bij het begin van het Verbond had zich een duidelijke tweedeling tussen Nederland en Vlaanderen afgetekend. Na de Eerste Wereldoorlog was aldus geen Groot-Nederlandse organisatie verloren gegaan.

De Tweede Wereldoorlog was voor het ANV louter een periode van overleven. Al van bij de aanvang had men problemen met de pro-Duitse houding van de nieuwe verbondsvoorzitter Jan de Vries, die om die reden reeds in 1941 besloot af te treden. Het Verbond mocht van de Duitse bezetter uiteindelijk blijven bestaan, doch de activiteiten waren tot een zeer laag niveau teruggebracht. Wegens papierschaarste kon het verbondsperiodiek Neerlandia niet meer verschijnen. Het ledental was tot een dieptepunt gedaald en van enig beleid door het hoofdbestuur was geen sprake. Net als in de Nederlandse maatschappij van die dagen was continuïteit binnen het ANV van het grootste belang. Het begin van de naoorlogse periode betekende voor het Verbond aldus geen directe breuk met het verleden.

Die breuk kwam er pas omstreeks 1955. In de eerste jaren na het einde van de Tweede Wereldoorlog gedroeg het ANV zich weinig inspirerend ten opzichte van de op gang komende internationalisering. Het verlies van Nederlands Oost-Indië herleidde het moederland tot een kleine natie en de gevestigde nationalistische traditie in het Verbond bleek dusdanig verankerd te zijn dat er zo'n tien jaar nodig waren om op de veranderende tijdsomstandigheden te kunnen inhaken. De oprichting van de Benelux en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) waren de eerste stappen in de richting van Europese samenwerking. Het ANV kon hierbij niet achterblijven.

De Benelux werd door het Verbond als te Belgisch (in plaats van Vlaams) en te economisch (in plaats van cultureel) beschouwd. Er werd gepleit voor aanpassing en ook voor de positie van de Nederlandse taal binnen de EGKS. Het ANV wierp zijn oude mantel af en probeerde een positie in te nemen in de veranderende maatschappelijke situatie. Toch werden niet alle principes overboord gezet. Steun aan de culturele V.B. werd nog immer voorgestaan (en was nu ook beter mogelijk dan in het interbellum), en ook de verbindingen met de landgenoten overzee bleven een voorwerp van aandacht. De culturele toenadering tussen Nederland en Vlaanderen werd in de jaren 1960 echter werkelijk intensief, wat voor het ANV niet zonder gevolgen bleef. Het doel van het Verbond werd steeds meer hierop gericht. De statutenwijziging van 1962 bracht een verandering van de organisatievorm met zich; die was door de veranderde tijdsomstandigheden noodzakelijk geworden. Bestuurlijke taken kwamen bij het hoofdbestuur, terwijl de controlerende macht aan de algemene vergadering werd toevertrouwd. Verder werd er een raad van advies ingesteld. Het Verbond sloot zich aan bij de maatschappelijke ontwikkelingen. Het ging ervan uit dat de actie voor de algemeen-Nederlandse integratie moest aansluiten bij het Europese federalisme en bij de culturele autonomie van Vlaanderen in België. Het ouderwetse vooroorlogse staatsnationalisme had voor het ANV voorgoed afgedaan. De bevordering van de Nederlandse taal – bij de oprichting van het Verbond een nationalistisch doel, maar nu bedoeld als het zich richten op het gemeenschappelijk cultureel erfgoed – kreeg voortaan de hoogste prioriteit.

De activiteiten van het ANV in dit kader waren legio. Ze betroffen het internationaal cultuurbeleid, de onderwijsvernieuwing in Nederland en Vlaanderen, het onderricht van het Nederlands in de taalgrensgebieden, de organisatie van colloquia gewijd aan basisonderwijs en de voorontwerpen van het taalunieverdrag (Nederlandse Taalunie) tussen Nederland en België. Het ANV zette diverse taalacties op; die waren onder meer gericht op het vermijden van vreemde woorden en op het hanteren van duidelijke taal door overheidsinstanties. Bij het optreden van het Verbond naar buiten toe had en heeft het een belangrijke steun aan de nalatenschap van de joodse Nederlander Herman L.A. Visser, die in 1943 is overleden. Krachtens zijn wilsbeschikking ontving het ANV de helft van zijn aanzienlijk vermogen, waarmee onder andere de Visser-Neerlandia Prijzen kunnen worden verleend.

Dit alles leidde ertoe dat het ANV in de jaren 1980 een tamelijk stevige greep kreeg op kwesties inzake de culturele integratie tussen Nederland en Vlaanderen en op het punt van de handhaving en de verspreiding van de Nederlandse taal en cultuur in Europees verband. Het ANV evolueerde tot een lichaam dat midden in de maatschappelijke ontwikkelingen kwam te staan. In de raad van advies waren alle belangrijke politieke stromingen in Nederland en Vlaanderen vertegenwoordigd. Door de vele connecties tussen leden van het hoofdbestuur en politici konden verzoekschriften en dergelijke makkelijker hun weg vinden naar de officiële instanties. Met actieve inmenging in politieke kwesties heeft het ANV zich echter niet ingelaten. Dat blijkt wel uit het beleid jegens Zuid-Afrika. Voor de Tweede Wereldoorlog werd dat bepaald door sentimenten van staatsnationalisme, maar na 1960 door het apartheidsregime. De relatie jegens Zuid-Afrika raakte hierdoor in belangrijke mate bekoeld en pas sinds 1990 kwam hierin verandering. Het verdwijnen van het apartheidsregime heeft voor het ANV de laatste hinderpaal voor een normaal contact met Zuid-Afrika weggenomen.

Welbeschouwd heeft het ANV in zijn eerste honderd jaar een drastische verandering doorgemaakt. Het ontstaan was bescheiden en nauw verweven met de stand van zaken in de V.B. toentertijd. Door de kleinnederlands-nationalistische houding in Nederland en de Vlaams-nationalistische tendenties in Vlaanderen was het ANV tot aan de Tweede Wereldoorlog een 'gespleten' verbond. Twee min of meer autonome delen waren onder één noemer verenigd, doch daarmee was alles wel gezegd. Het Groot-Nederlands predikaat dat meermaals aan het vooroorlogse ANV is gegeven, is dan ook niet terecht. De diverse acties waren wel op het Nederlandse taalgebied gericht, maar het grote verschil met het naoorlogse ANV is dat men de aandacht had gericht op de positie van het eigen volk in de wereld. Het gemeenschappelijke culturele erfgoed was louter een middel.

Na de Tweede Wereldoorlog is dit middel het doel geworden, geïnspireerd door de veranderende politieke en maatschappelijke omstandigheden in de Europese integratie. Die laatste was een stimulans en tevens een noodzaak voor aandacht voor de culturele samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen. Het ANV heeft in deze nieuwe stromingen zijn weg gezocht. Dat resulteerde in een actieve participatie aan de diverse aspecten van de algemeen-Nederlandse integratie. Zodoende kan worden geconcludeerd dat het ANV, net als bij de oprichting in Vlaanderen in 1895, een kind van zijn tijd genoemd kan worden.

Literatuur

Het Algemeen Nederlandsch Verbond 1898-1923. Geschiedenis en invloed van den Nederlandschen stam, 1923; 
A.W. Willemsen, Het Vlaams-nationalisme. De geschiedenis van de jaren 1914-1940, 19692; 
G. Groothoff, '75 jaar Algemeen Nederlands Verbond', in Ons Erfdeel, jg. 14, nr. 2 (1970-1971), p. 168-170; 
P. Janssens, 'Geschiedenis en toekomst van het Algemeen-Nederlands Verbond', in Neerlandia, jg. 78, nr. 3 (1974), p. 65-83; 
K. de Clercq, D.J. Merlevede (e.a.), 'Neerlandia 90 jaar', in Neerlandia, jg. 90, nr. 5 (1986), p. 173-199; 
H. te Velde, Gemeenschapszin en plichtsbesef. Liberalisme en nationalisme in Nederland, 1870-1918, 1992; 
P. van Hees en H. de Schepper (red.), Tussen cultuur en politiek. Het Algemeen-Nederlands Verbond 1895-1995, 1995.

Verwijzingen

zie: August Hoffmann von Fallersleben, Nederland-Vlaanderen, taalminderheden (Vlamingen in Wallonië).

Auteur(s)

Frank van Berne