Aldietse Beweging

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Begrippen

Met de term 'Aldietse', ook wel kortweg 'Dietse' Beweging wordt die zijtak van de V.B. in de 19de eeuw aangeduid, die zich ten doel stelde in de een of andere vorm een taalkundige versmelting van het Nederlands met het Platduits of Nederduits tot stand te brengen.

Onder Nederduits of Platduits wordt de groep van dialecten verstaan die in het noorden van Duitsland voortleven als relicten van het Middelnederduits (op zijn beurt de voortzetting van het zogenaamde Oudsaksisch), dat in de tijd van de Hanze een opmerkelijk uniforme verkeerstaal was; het was te Lübeck ontstaan uit de dialecten der kolonisatoren (Westfalen, Oostfalen, Rijnlanders, maar ook Nederlanders) en de voertaal van een ten dele van Vlaanderen uit beïnvloede literatuur (Reinke de Vos, 1498). Het Middelnederduits, dat zijn hoogste bloei en verste uitstraling in de 15de eeuw beleefde, verkwijnde sinds de 16de eeuw ten gevolge van politieke, economische en religieuze verschuivingen tot taal voor de dagelijkse omgang, daarna tot amalgaam van sterk gedifferentieerde dialecten, door de taalkundigen gegroepeerd als Westfaalse, Oostfaalse en Noordnedersaksische dialecten in het westen, en Brandenburgse, Mecklenburgs-Voorpommerse en (tot de Tweede Wereldoorlog) Pommerse en Pruisische dialecten in het oosten.

De wederopstanding van de Nederduitse literatuur in de 19de eeuw geschiedde in het kader van de algemene wederopleving van kleine talen en literaturen onder invloed van de romantiek. Als (fictief) beginjaar wordt gewoonlijk 1852 genoemd, het verschijningsjaar van de dichtbundel Quickborn van Klaus Groth. Van Vlaanderen uit werd het fenomeen van een als parallel met de eigen situatie aangevoelde taalkundig-literaire wedergeboorte met belangstelling gevolgd. De voedingsbodem daartoe vormde ongetwijfeld de sinds het eind van de 18de eeuw constant groeiende interesse voor de vermoede doch nauwelijks met zekerheid bekende taalverwantschap in het kustgebied van Duinkerke tot Danzig.

De voorlopers

Aan het begin van deze traditie – die overigens een humanistische draad weer opneemt – staat Jan B. Verlooy, de 'eerste flamingant', met zijn Verhandeling op d'Onacht der moederlyke Tael in de Nederlanden van 1788. Dat Verlooy, over de taal van Noord-Duitsland en met name van de Hanzesteden sprekend, geen klare begrippen blijkt te hebben over de linguïstische opbouw van wat de taalkunde sindsdien het Continentaalwestgermaanse gebied noemt, valt gemakkelijk te begrijpen; wel heeft hij er voor het eerst op gewezen dat het 'Duytsch' van de bewoners der Noord-Duitse laagvlakte meer verwantschap met het Nederlands vertoonde dan het Duits van de 'Opperhoogduytschers', en daarmee was, hoe dan ook, de grondslag gelegd voor een zich ontwikkelend en verfijnend besef van taalverwantschap en, in ruimere zin, taaleenheid van het grote 'Nederduitse' gebied van Duinkerke tot Königsberg.

Wanneer Jan F. Willems in zijn Verhandeling over de Nederduytsche Tael- en Letterkunde van 1819 het bestaan van het Platduits memoreert, weet ook hij nog niet erg goed hoe deze taal zich tot haar buren verhoudt. In zijn studie Over den Oorsprong, den Aert, en de Natuerlyke Vorming der Nederduitsche Tael, verschenen in het Belgisch Museum van 1837, zette hij een belangrijke stap voorwaarts, toen hij, na een opsomming der Platduitse dialecten, de overtuiging uitsprak dat deze gewesttalen geen afzonderlijke talen zijn, maar evengoed als het Gelders of het Limburgs dialecten van het Nederlands: ons taalgebied zou dus zo groot zijn als het Franse of het Engelse. Al heeft deze gedachte voor Willems' visie op de V.B. nauwelijks een rol gespeeld, in de generatie die na hem kwam, zou zij haar gewicht dubbel en dwars doen gevoelen.

Zo sterk inderdaad, dat de Waalse flamingant Victor Delecourt in het dagblad L'Emancipation van 1839 en opnieuw, en krachtiger, in zijn brochure La langue flamande, son passé et son avenir van 1844 ijverde voor een gemeenschappelijke spelling voor het Nederlands en het Platduits, in de hoop dat aldus een gemeenschappelijke literatuur tot stand zou komen die door ten minste tien miljoen mensen van Duinkerke tot Königsberg gelezen zou kunnen worden. Al waren ook de 'Nederlands'-gezinden in de toenmalige V.B. niet afkerig van het Groot-Nederduitse perspectief, voor zover dit ertoe kon strekken de aandacht te vestigen op de uitgebreidheid van ons taalgebied – zelfs Ferdinand A. Snellaert gebruikte dit argument nog in zijn namens de Grievencommissie opgesteld verslag van 1857 – het spellingsavontuur waarin Delecourt hen in een zo delicate periode wilde meesleuren, kon hen niet aanlokken.

Door toedoen van Willems, Delecourt en de van beiden afhankelijke Pierre Lebrocquy (Analogies linguistiques, 1845) is omstreeks het midden van de jaren 1840 de consensus gevormd dat het Nederlandse taalgebied niet ophoudt bij de landsgrens, maar dat het doorloopt over de Noord-Duitse laagvlakte tot Danzig en Königsberg. Voor alledrie was de glorificatie van de moedertaal de voornaamste motivering. Dezelfde motivering lag ten grondslag aan de pogingen, hoofdzakelijk uitgaande van het Brusselse milieu rondom Delecourt, om ook het ontworpen Woordenboek der Nederlandsche Taal, vrucht van de Nederlandse congressen van 1849 af, getuigenis te laten afleggen van deze Groot-Nederduitse taaleenheid. Losweg opgeworpen door Jan H. Bormans op het congres van 1850, en op dat van 1851 verdedigd door Karel F. Stallaert en Michiel van der Voort, ondersteund ook, op hetzelfde congres, door de actie van Hippoliet Bauduin ten gunste van een nauwere aanhaling der Nederduitse banden, werd de idee door Jozef A. Alberdingk Thijm bestreden en door Matthias de Vries in de grond geboord.

Het is bij dat alles hoogstmerkwaardig dat de opeenvolgende mislukkingen der Brusselse ijveraars, zowel ten aanzien van de spelling, die precies in het verschijningsjaar van Delecourts boek (1844) voor de eerste maal was vastgelegd, als ten aanzien van de lexicografie in 1851, de idee van taalverwantschap met het Platduits blijkbaar niet hebben gecompromitteerd. Dat blijkt uit de congreslezing van het West-Vlaamse parlementslid Désiré de Haerne te Gent in 1849, evenals uit de opmerkelijke compilatie Chronologische handleiding van de geschiedenis der Nedersaksische letterkunde van de Gentse jonkheer Philip M. Blommaert, in 1854 verschenen in Het Taelverbond en afzonderlijk als brochure in 1855; daarin wordt de geschiedenis van de Nederduitse letterkunde geschetst als het rechter paneel van een tweeluik, waarvan het linker paneel de Nederlandse letterkunde is.

Een en ander wijst erop dat wij bij de beoordeling van 'Nederduitse' uitlatingen in deze vroege periode twee tendensen goed uit elkaar moeten houden: er was enerzijds de stroming van degenen die, in het voetspoor van Willems, de taaleenheid met de Nederduitsers poneerden, omdat de eigen taal op die manier opeens een Europees formaat scheen te verwerven – Lebrocquy, De Haerne, Snellaert; naast deze grosso modo 'Gentse' traditie was er een groep van flaminganten die, op dit inzicht voortbouwend, de moeizaam bevochten spellingrust veil had voor een wederzijdse aanpassing van de Nederlandse en de Platduitse orthografie. Deze laatste groep was in hoofdzaak die rondom Delecourt te Brussel: Bauduin, Stallaert, Van der Voort.

Constant J. Hansen

In het spoor van de laatstgenoemden trad van 1860 af de Antwerpenaar Constant J. Hansen, die aldus de promotor én de incarnatie werd van de Aldietse Beweging. Hansen, zoon van een Deense vader, ondernam in 1856 een reis door Noord-Duitsland en Denemarken en publiceerde daarover in 1860 zijn Reisbrieven uit Dietschland en Denemark. "Dietschland strekt zich uit van Duinkerke tot Koningsberg, alzoo een grondgebied van meer dan zeventien millioen inwoners." In 'Oost-Dietschland' poogt een 'Platduitsche taal- en letterbeweging' het Platduits tot een eigen taal te verheffen; het ogenblik zal dan aangebroken zijn om van "eene aanstaande versmelting der Platduitsche met de Vlaamsche zake tot ééne Dietsche Beweging" te dromen. Het enige wat daarbij in de weg staat, is de spelling. Doordat wij zo ver van onze oude spelling zijn afgeweken, en de Nederduitsers bij het Hoogduits aanleunen, krijgt men wederzijds de indruk van een vreemde taal. Om dat uit de weg te ruimen kunnen wij alvast beginnen met Delecourts spellingsysteem over te nemen. Hansen doet daartoe concrete voorstellen, die aanleunen bij het systeem van Delecourt: hij spelt s voor z, ö voor korte eu, -lik voor -lijk, werden voor worden, hij herstelt du en dijn en de oude naamvallen enzovoort.

Na het verschijnen van zijn boek nam Hansen contact op met Groth, de dichter van Quickborn (1852) en grondlegger van de nieuwe Nederduitse letterkunde. Groth reageerde met sceptische sympathie op Hansens ideeën. Hansen publiceerde in 1864 een nieuw werk, ditmaal een comparatistische studie over de middeleeuwse Reinaert, en ook daarin bepleitte hij andermaal verregaande wijzigingen in de spelling van het Nederlands, teneinde ze te conformeren aan die van het Platduits. Het lot van de geschiedenis wilde evenwel dat precies in dat jaar de spelling De Vries en Jan te Winkel in België bij Koninklijk Besluit werd bekrachtigd, waardoor weliswaar tussen Noord en Zuid, maar geenszins tussen West en Oost eenheid van spelling totstandkwam. Reeds in 1861 had Julius Vuylsteke met milde ironie van de "dietschlandisten" gewaagd, maar dat belette Hansen niet – evenmin als de spellingregeling van 1864 dat had gedaan – in 1868 andermaal met een uitgebreid werk – de vertaling van een berijmd epos van Groth – aandacht te vragen voor de taalverwantschap tussen Oost- en West-Diets; het belette hem evenmin in datzelfde jaar te solliciteren naar het doctoraat van de universiteit te Rostock, dat hem op 27 maart 1868 op grond van zijn publicaties met gulle hand werd verleend.

Als doctor Hansen trad hij, met nauwelijks gevarieerde lezingen, op te Leuven op het Nederlands Congres van 1869, te Maastricht op het Congres van 1875, te Brussel op het Congres van 1876, te Antwerpen in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg in 1877, te Kampen op het Congres van 1878, te Mechelen op het Congres van 1879. Van 1877 af was hij evenwel het voorwerp van een reeks aanvallen, eerst van Taco H. de Beer in het Nederlandsch Museum (1877), vervolgens van Jacob F. Heremans te Kampen (1878) en van een reeks anonymi te Mechelen in 1879, daarna van Alfons Prayon-van Zuylen in het Nederlandsch Museum (1882) en van Gustaaf Segers in De Toekomst (1885).

De Aldietse Beweging was doodgelopen, zowel door de overmacht van de tegenstanders als door gebrek aan adem. In 1889 publiceerde Hansen nog een biografie van Groth en liet hij zijn Nederduitse vriend te Antwerpen in de Nederlandse Schouwburg huldigen ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag; Peter Benoit componeerde voor deze gelegenheid op een tekst van Groth het lied Mijn Moederspraak. Als een verre echo klonk een gelijksoortige viering in 1899: Pol de Mont, die kortstondig in Nederduitse (en langduriger in pan-Germaanse) geestdrift was ontvlamd, hield thans de feestrede voor de jubilaris, die – het was bijna symbolisch – nauwelijks een week later overleed. De compromitterende avances van de Alldeutscher Verband, die bij monde van voormannen als Hermann von Pfister-Schwaighusen (1896), Fritz Bley (1897) en Harald Graevell (1897) de Aldietse ideeën van Hansen trachtte om te buigen tot Grootduits propagandamateriaal, beroerden de bejaarde Antwerpenaar nog nauwelijks; na 1896 was hij door ziekte grotendeels uitgeschakeld, en in 1910 overleed hij als een bijna vergeten man.

Besluit

Het is de betekenis van de Aldietse Beweging – dat wil zeggen: van de rusteloze bedrijvigheid van Hansen – geweest het Nederduits in de tweede helft van de 19de eeuw in de taalkundige, literaire en algemeen-culturele belangstelling van een aantal Vlamingen te hebben geplaatst. Op andere concrete resultaten kan zij, ondanks de bestede energie, niet bogen. Het gebruik casu quo misbruik dat in Alduitse kringen van Hansens denkbeelden werd gemaakt aan het eind van de 19de en in de eerste jaren van de 20ste eeuw, evenals de 'Groot-Nederduitse' bemoeiingen in het zog van de Eerste Wereldoorlog, behoren niet meer tot dit verhaal.

Literatuur

H. Schütt, Die "Aldietsche Beweging" C.J. Hansen's und ihr Verhältnis zum Niederdeutschen, 1938; 
L. Simons, Van Duinkerke tot Königsberg. Geschiedenis van de Aldietsche Beweging, 1980; 
id., Vlaamse en Nederduitse literatuur in de 19de eeuw, 2 dln., 1982-1985; 
W. Dolderer, Deutscher Imperialismus und belgischer Nationalitätenkonflikt (Kasseler Forschungen zur Zeitgeschichte, nr. 7, 1989).

Verwijzingen

zie: Duitsland-Vlaanderen.

Auteur(s)

Ludo Simons