Alberdingk Thijm, Jozef (eigenlijk Josephus) A.

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Amsterdam 13 augustus 1820 – Amsterdam 17 maart 1889). Broer van Pieter P. Alberdingk Thijm.

Deze veelbelezen figuur was in feite een autodidact, wat wellicht zijn grote halsstarrigheid en soms betweterigheid verklaart. Hij was de oudste zoon van een vrij succesrijk Amsterdams zakenman die een productie- en distributiefirma van huishoudelijke oliën leidde. Het drukke zakenleven belette de ouders van Alberdingk Thijm niet om in familieverband actief aandacht te besteden aan kunst, zang en taalcultuur. Op veertienjarige leeftijd werd Jozef door zijn vader geplaatst in een nieuw opgestarte zaak van niet bederfbare voedings- of koloniale waren. De leergierige jonge man besteedde al zijn vrije tijd aan de lectuur van romantische geschiedschrijvers en maatschappijtheoretici, lectuur die hem sterkte in zijn onverschrokken katholieke overtuiging. In 1863 nam Thijm de firma C.L. van Langenhuysen over, een drukkerij met binderij en boekhandel waar hij al jarenlang opdrachten plaatste. De overname liet hem toe zijn cultuur-ideologische ideeën via publicaties op nog grotere schaal te verspreiden. Zijn benoeming in 1876 tot hoogleraar in de kunstgeschiedenis en esthetica aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam was zowat de bekroning van zijn loopbaan. Op het einde van zijn leven geraakte Thijm enigszins geïsoleerd. Er waren de financiële problemen waarin hij mede door enkelen van zijn kinderen was verzeild geraakt, maar ook de negatieve receptie in katholieke kringen van het literaire werk van zijn jongste zoon Karel.

De relatie van Thijm met Vlaanderen en de V.B. was enigszins complex. Thijm had binnenskamers geen al te hoge pet op van België en zijn bevolking. Toch hield hij als geen andere Nederlander in die jaren contacten met leidende figuren uit de Franstalige (bijvoorbeeld Prosper de Haulleville, Joseph Kervyn de Lettenhove) en de Vlaamse cultuurwereld (bijvoorbeeld Ferdinand A. Snellaert, Prudens van Duyse, Victor Delecourt, Karel F. Stallaert of Jan-Baptist David). Zo was hij ook buitenlands erelid van de Académie royale de Belgique. Getrouw zijn opvattingen beperkten zijn contacten zich niet tot katholieke, laat staan ultramontaanse kringen. Thijm wilde als katholiek intellectueel in confrontatie naar buiten treden en juist door polarisatie en discussie een grotere integratie en maatschappelijke emancipatie van de katholieken in de 19de-eeuwse samenleving bewerkstelligen. Eenzelfde houding nam Thijm aan ten opzichte van Vlaanderen. Ook hier wilde hij de Vlamingen behoeden voor een mogelijk isolement. Voor Thijm maakte Vlaanderen onmiskenbaar deel uit van de Dietse of Groot-Nederlandse taal- en cultuurgemeenschap. Regelmatig was hij op zoek naar gemeenschappelijke elementen. Met Snellaert wisselde hij gegevens uit betreffende het Middel-Nederlands en literatoren als Joost van den Vondel. Samen trokken ze in 1849 de tweejaarlijkse Nederlandse congressen in gang. Thijm woonde dertien van de twintig tijdens zijn leven georganiseerde bijeenkomsten actief bij.

Ook toen deze pluralistische congressen onder invloed van de liberaal-katholieke twist in de jaren 1870 van ultramontaanse zijde onder vuur kwamen te liggen bleef Thijm consequent deelnemen. Zijn relatie met Snellaert bekoelde echter wat onder invloed van Thijms onverschrokken katholieke houding. Snellaerts Schets eener geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde (1850) en Thijms De la Littérature néerlandaise à ses differentes époques (1854) waren eerder in wisselwerking totstandgekomen. Hun idee van een gemeenschappelijk Woordenboek der Nederlandsche Taal kende, nadat het op scepticisme werd onthaald, een eerste aflevering in 1864. Thijms idee van een gemeenschappelijk Instituut voor de Nederlandse Letterkunde sloeg op dat ogenblik echter niet aan.

In de literatuur wordt, in verhouding tot de intensiteit, relatief veel aandacht besteed aan Thijms verhouding tot de priester-dichter Guido Gezelle terwijl die met de in Brugge verblijvende Engelse promotor van de neogotiek, James Weale, veel intenser en ook langduriger was. Thijm zat met hen op één lijn wat betreft de stelling dat kunst en cultuur een maatschappelijke dimensie moesten bezitten, in casu het herstel van de christelijke cultuur in onze gewesten. Thijms Heilige Linie was een referentiewerk in Belgische neogotische kringen rond de Sint-Lucasscholen. De verhouding tot Gezelle lag heel anders, deze zocht meer bevestiging. Thijm moedigde de West-Vlaamse priester-dichter aan in diens cultuuractie. Het is dan ook geen toeval dat beiden in 1887 tijdens dezelfde academische zitting tot eredoctor van de Leuvense universiteit werden benoemd. Het West-Vlaamse particularisme vormde voor de Amsterdammer Thijm geen echt probleem. In diens brede concept van een Groot-Nederlandse taal- en cultuurgemeenschap werd deze gevoed door de gewestelijke taal- en cultuurgemeenschappen. Zoals Gezelle en Adolf Duclos, onder andere in het weekblad Rond den Heerd, betoonde Thijm samen met zijn broer Lambert aandacht voor bijvoorbeeld de volkskundige gebruiken in Noord-Frankrijk, het zogenaamde Frans-Vlaanderen. Samen publiceerden ze een bundel Oude en Nieuwere Kerst-Liederen (1852). Toch bewaarde Thijm een zekere afstand ten overstaan van het West-Vlaamse particularisme. Vooral Duclos' eng op West-Vlaanderen betrokken positie was hem te beperkt. Thijm kwam ook resoluut op voor één gemeenschappelijke spelling. Hij nam daarbij afstand van M. Siegenbeek. Met zijn opvattingen zat hij, over Matthias de Vries en L.A. te Winkel heen, in feite al bij het systeem van R.A. Kollewijn.

Thijms relatie met Vlaanderen was dus niet gesteund op eenrichtingsverkeer. Voor literatoren uit het Zuiden werd ruimte vrijgemaakt in zijn periodieken als de Spektator, kritiesch en historisch kunstblad (1847-1848), de Volks-Almanak voor Nederlandsche Katholieken. Thijms in 1855 gestarte Dietsche Warande had een Groot-Nederlandse dimensie en streefde cultuuruitwisseling na tussen katholieken uit Noord en Zuid. Het blad werd door Thijm in 1886 overgelaten aan zijn broer Paul Alberdingk Thijm die het in 1899 verkocht om het te laten samensmelten met Het Belfort. In de bovengenoemde cultuurtijdschriften werden stukjes opgenomen van bijvoorbeeld David, Gezelle of werden hun publicaties aangekondigd of gerecenseerd (bijvoorbeeld Snellaert). Die werkwijze moest de in de ogen van Thijm op cultureel vlak geïsoleerde Vlamingen een breder blikveld verlenen. Toch was Thijms relatie niet puur altruïstisch. Hij verhoopte vanwege de levenskrachtige katholieke beweging in Vlaanderen meer dan een ruggensteun voor de Nederlandse katholieken, die zich in een maatschappelijk benarde positie bevonden. In 1887 werd Thijm, samen met vijftien andere Nederlanders het erelidmaatschap van de jonge Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde aangeboden. Het was een wat late officiële erkenning voor zijn belangstelling voor Vlaanderen en de V.B.

Werken

Nederlandsche nationaliteit, z.j.; 
De Nederduitsche spelling in haar beginsel, haar wezen, en eischen beschouwd, 1847; 
Vlaamsch Belgiën en Noord-Nederland; literaire en politieke vlugschriften van het laatste half jaar in de Zuidelijke Nederlanden, 1848; 
'Hendrik Conscience', in Eigen Haard (1881), p. 347-350.

Literatuur

J.A. Alberdingk Thijm (1820-1889). Katholicisme en Cultuur in de negentiende eeuw, 1989; 
P.A.M. Geurts (e.a.), J.A. Alberdingk Thijm 1820-1889. Erflater van de negentiende eeuw, 1992; 
M. van der Plas, Vader Thijm. Biografie van een koopman-schrijver, 1995.

Verwijzingen

zie: Nederlandse Taalunie.

Auteur(s)

Jan de Maeyer